4,99 €
Het valt niet mee om je liefdesleven weer op te pakken als je hart aan diggelen is gegooid. En het valt al helemaal niet mee om te daten als je door een intelligente lockdown aan huis bent gekluisterd!
Samyra is het zat om te kniezen om een ex die haar gedumpt heeft. Ze is vierentwintig jaar en heeft een leuke baan bij het theater, maar mist desondanks iemand in haar leven. Net als ze besloten heeft om weer te gaan daten, gooit het coronavirus roet in het eten. Toch geeft Samyra de moed niet op. Met alle online datingmogelijkheden moet ze vast ook thuis kunnen daten, mits haar irritante buurman het niet steeds verpest voor haar. Alles is in ieder geval beter dan accepteren dat haar ex Sander groot gelijk had dat hij haar verliet…
Sie lesen das E-Book in den Legimi-Apps auf:
Seitenzahl: 481
Veröffentlichungsjahr: 2021
#IkDateThuis
Lily Frank
#IkDateThuis
Is een uitgave van Dutch Venture Publishing
Copyright © 2021 Lily Frank
Auteur: Lily Frank
––––––––
Omslagontwerp: Mariska Maas
Omslagillustraties: Mariska Maas
Tekstredactie: Britt Zwijnenberg & Michael Mandersloot
Eerste druk: oktober 2021
NUR: 343
Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen of op welke wijze ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de auteur.
Titelpagina
Copyright Pagina
♥ 1 ♥
♥ 2 ♥
♥ 3 ♥
♥ 4 ♥
♥ 5 ♥
♥ 6 ♥
♥ 7 ♥
♥ 8 ♥
♥ 9 ♥
♥ 10 ♥
♥ 11 ♥
♥ 12 ♥
♥ 13 ♥
♥ 14 ♥
♥ 15 ♥
♥ 16 ♥
♥ 17 ♥
♥ 18 ♥
♥ 19 ♥
♥ 20 ♥
♥ 21 ♥
♥ 22 ♥
♥ 23 ♥
♥ 24 ♥
♥ 25 ♥
♥ 26 ♥
♥ 27 ♥
♥ 28 ♥
♥ 29 ♥
♥ 30 ♥
♥ 31 ♥
♥ 32 ♥
♥ 34 ♥
♥ 35 ♥
♥ 36 ♥
♥ 37 ♥
♥ Epiloog ♥
Nawoord
Serieus? Alweer? Met mijn armen vol boodschappen staar ik naar de auto die asociaal op de stoep geparkeerd staat, pal voor de trap die naar mijn voordeur leidt. Niet netjes aan de rand, zodat ik er een beetje omheen kan slalommen, maar echt midden op de stoep. Ik ken de zwarte Hyundai maar al te goed; die is van de buurman die achter de andere voordeur bovenaan die trap woont. Zijn naam ben ik allang vergeten; het was iets Chinees.
Ik zie hemzelf overigens nergens, maar naast de auto staan wel twee jongens die ongetwijfeld zijn vrienden zijn; ik heb ze weleens vaker bij hem op het balkon gezien. Flip en Flap doop ik ze in stilte. Met hun armen over elkaar staren ze naar beneden en ze zijn zo te zien diep in gesprek over dat monsterlijke ding dat mijn doorgang blokkeert.
Flip is de jongste van de twee en draagt een rood petje, dat hij heel stoer achterstevoren heeft gezet. Als hij zijn hoofd beweegt, zie ik dat er een logo van een of ander automerk op staat. In gedachten verzonken staat hij aan de klep te pulken, die daar niet bepaald mooier van wordt. Ik vraag me af of hij überhaupt oud genoeg is om zelf al auto te rijden.
Flap heeft zijn hoofd kaalgeschoren en zijn huid glimt in het zonlicht. Gelukkig draag ik een zonnebril, anders was ik er vast door verblind. Hij moet ergens halverwege de twintig zijn.
Ik onderdruk de neiging om met mijn naaldhakken indrukwekkend op de grond te tikken en wil net mijn mond opendoen om te sommeren dat ze de auto verplaatsen, als er plots geluid onder de auto vandaan komt. Van schrik laat ik bijna de boodschappen uit mijn handen vallen. Gelukkig weet ik me tijdig te herpakken en kan ik nog net op tijd de doos met eieren grijpen.
Het geluid heeft nu wel de aandacht van de jongens getrokken. Flip en Flap draaien zich razendsnel naar me toe en vanonder de auto komt een bekende licht gebruinde kop met halflang, warrig zwart haar tevoorschijn, gevolgd door een bovenlichaam. Er zitten vieze vegen op zijn gezicht, waarvan eentje bijna in zijn donkere ogen verdwijnt. Het lijkt verdorie wel of ik in de filmreeks The Fast and the Furious ben beland, met die glimmende, veel te dure auto op de stoep. Geen idee wie ik zelf zou zijn, maar die aso voor me zou prima kunnen doorgaan voor die Yakuza-gast uit dat deel dat zich afspeelt in Tokio; dat met de driftende auto’s. Hij draagt zelfs hetzelfde soort kleding; een slobberig T-shirt en daaronder een felgekleurde longsleeve. De verschoten spijkerbroek fantaseer ik er zelf bij. Nogal onvolwassen voor iemand die achter in de twintig moet zijn.
Ik probeer op de naam te komen van het personage uit de film. Han was het toch?
‘Ha, buurvrouw Samyra,’ zegt hij vrolijk en lacht even wat kuiltjes in zijn wangen. Alsof ik daardoor ineens wél naar boven kan.
‘Je blokkeert de ingang,’ zeg ik een beetje zuur.
‘Sorry,’ zegt hij met een verontschuldigende grijns. ‘Bijna klaar hoor. Dan zet ik hem meteen voor je aan de kant. Eerst dit nog even afmaken.’
Hij maakt een grapje toch?
Voor ik de kans krijg om te reageren, schuift hij alweer terug onder zijn auto. Nou ja, zeg! Hij gaat dus inderdaad nog gewoon verder ook.
Geïrriteerd werp ik een blik op mijn stappenteller. Het is inmiddels al vijf uur geweest en ik moet nog zoveel doen. Net in de supermarkt was het ook al een hel; je kon over de hoofden lopen en werkelijk waar iedereen had een afgeladen kar met boodschappen, alsof de wereld bezig is om te vergaan. De rijen bij de kassa’s stonden tot ongeveer halverwege de winkel. Daardoor ben ik nu later thuis dan ik van tevoren had ingeschat. Ik zal me moeten haasten, want mijn date staat zo op de stoep.
‘Zo, dat zit weer vast.’ Met een tevreden grijns op dat smoelwerk schuift hij weer onder de auto vandaan alsof hij een staande ovatie verdient voor zijn werkzaamheden.
De buurman komt overeind en rekt zich nog even uitgebreid uit. Mijn brein registreert meteen de verschoten spijkerbroek. ‘Het is maar goed dat ik zo lenig ben,’ zegt hij met een knipoog. ‘Die ruimte onder de auto is krapjes.’
Ik slik een lullige opmerking over zijn kleine postuur vlug in. Hoeveel grappen ik daar wel niet over zou kunnen maken...
Achter me fietst een meid voorbij met een nogal kort rokje. Flip en buurman Han beginnen goedkeurend te knikken.
‘Is het rokjesdag vandaag?’ roept Flip haar na.
Het meisje kijkt schichtig over haar schouder en fietst snel door. Volgens mij is ze amper zestien.
‘Denk je dat je zo gaat scoren?’ vraag ik droogjes. ‘Ze ziet er eerder uit alsof ze zo van angst tegen een auto rijdt.’
Flap grijnst en geeft zijn maat een duw. ‘Ze heeft een punt. Ga jij nog maar even oefenen en laat het versieren van dames maar over aan de volwassenen.’
Ik trek ongelovig mijn wenkbrauwen op. ‘Is dit meisje niet een beetje jong voor de volwassenen?’ vraag ik liefjes.
Flap rolt met zijn ogen. ‘Ik bedoelde ook niet dít meisje. Maar dames in het algemeen.’
‘O ja? Zijn jullie zulke pro’s?’ vraag ik.
Flap knikt naar buurman Han. ‘Hij kan de dames anders prima aan, hoor.’
Zijn woorden laten me huiveren en ik schud met mijn hoofd om de opkomende beelden uit mijn hoofd te verjagen. Mijn buurman op jacht is wel het laatste wat ik in mijn hoofd voor me wil zien.
Vlug til ik mijn boodschappentas wat omhoog en ik kijk mijn buurman smekend aan. ‘Wil je de auto alsjeblieft verzetten? Ik wil graag naar binnen. Ik krijg zo bezoek en ik heb nog genoeg te doen.’
Zijn blik verandert meteen. Bestuderend neemt hij me van top tot teen op. ‘O ja? Heb je wilde plannen?’
Ik kan mezelf wel slaan dat ik mijn mond voorbij heb gepraat. Het gaat hem allemaal niets aan.
‘Vandaag nog graag,’ zeg ik.
Mijn buurman stapt tergend langzaam in, start de auto en rijdt het ding enkele meters naar voren, zodat ik eindelijk de trap kan bereiken. Ik knik hem overdreven vriendelijk toe, negeer Flip en Flap, en haast me dan de trap op. Als ik eindelijk de voordeur open en naar binnen stap, hoor ik hem het gaspedaal nog een paar keer flink intrappen. Wat een patser!
Half zeven. Hij kan nu elk moment aanbellen. Ik vervloek mezelf dat ik me zo puberaal gedraag. Het is maar een date! Maar wel de eerste sinds Sander, zeurt het stemmetje in mijn hoofd. Zenuwachtig trek ik mijn jurkje strak en ik werp nog een blik in de spiegel. Mijn bruine, ontembare krullen heb ik zowaar met wat mousse een beetje in model gekregen. Alleen aan de modderkleurige groenbruine ogen kan ik niet zoveel doen, maar ik geloof dat die met dat laagje goudkleurige oogschaduw wel oké uitkomen. Vlug doe ik nog mijn gouden hangers in en ik werp een blik in de spiegel. Ja, dit kan ermee door. Of zal ik nog vlug een andere piercing in mijn neus doen? Misschien is het knopje met dat bloemetje toch iets subtieler dan dit ringetje...
Ik schop mijn naaldhakken uit en ren naar boven. Als ik de gang doorkruis, ruik ik de geur van de lasagne in de oven. Mmm, volgens mij is hij bijna klaar.
Boven op mijn slaapkamer verwissel ik de piercing. Inmiddels ben ik er redelijk bedreven in geraakt, maar het blijft gepruts met dat kleine spul.
Uiteraard gaat de bel precies op het moment dat het bloemknopje uit mijn handen schiet. Het stuitert over de laminaatvloer, onder mijn bed. Ik twijfel wat ik als eerste zal doen; naar beneden gaan om open te doen of mijn knopje oprapen. Ik vrees echter dat ik het sieraad nooit meer terug zal vinden als ik hem nu uit het oog verlies, dus ik besluit toch om die eerst te zoeken.
Hij blijkt gelukkig niet ver onder het bed gerold te zijn. Haastig begeef ik me naar beneden en ik open de deur. Er is niemand te zien, maar als ik de deur sluit, zie ik dat er een briefje van PostNL uit mijn brievenbus steekt. Waarschijnlijk was het een bezorger die iets kwam brengen, maar daar kijk ik later wel naar.
De geur van de gebakken kaas, tomatensaus en verse kruiden is inmiddels om van te watertanden en ik vrees dat de lasagne aanbrandt als ik hem nog veel langer in de oven laat staan. Ik zet het apparaat uit en werp een blik op de klok. Het is al tien over half zeven. Wesley is nu tien minuten te laat. Zou hij het wel kunnen vinden?
Ik loop terug naar boven en onderneem een nieuwe poging om het knopje op mijn piercing te draaien. Als ik mezelf daarna bewonder in de spiegel, valt het me op hoe erg mijn handen trillen. Ik adem diep in en uit, terwijl ik mijn mantra herhaal. Jij bent leuk. Jij bent leuk. Jij bent leuk. Waarop zou hij moeten afknappen? probeer ik mezelf moed in te praten. Waarom zou het misgaan?
Ik slik als Sander weer door mijn hoofd schiet; het beeld van zijn afkeurende blik en zijn stem die me toesnauwt dat hij wel genoeg redenen kan bedenken, maar ik duw hem resoluut weg in een ver hoekje. Vanavond is er geen ruimte in mijn hoofd voor hem.
Kwart voor zeven. Nog steeds geen bel gehoord. De lasagne moet nu echt uit de oven, ook al staat die niet meer aan.
Ik loop terug naar beneden en wandel de keuken in. Eerst werp ik een snelle blik op de ovenschotel en als ik zie dat die er nog goed uitziet, pak ik mijn telefoon van het aanrecht. Gemiste oproepen? Nee, geen onbeantwoord telefoontje. Wel heel veel nieuwe WhatsAppberichten. Ik open de app en bekijk wie me iets heeft gestuurd. Hé, wacht eens. Hij heeft me niet gebeld, maar wel...
Ik open het bericht van Wesley. Zou hij soms wat later zijn?
Hoi Samyra. Ik stond net voor het opgegeven adres, maar er werd helemaal niet opengedaan. Ik hoop dat je je lolletje hebt gehad. Ik kon er in elk geval niet om lachen.
Ik staar naar het berichtje. Het is al een kwartier geleden verstuurd. Ik slik moeizaam en lees de woorden opnieuw en opnieuw, alsof de betekenis maar niet in wil zinken. Shit, stond hij hier echt een kwartier geleden voor de deur? Dan was het dus niet PostNL.
Voor de zekerheid controleer ik of ik hem wel de juiste locatie heb gestuurd. Ik scrol door het gesprek heen, tot ik het bericht gevonden heb waarin ik mijn adres aan hem doorgaf. Het staat er toch echt correct. Niets raars aan.
Vijf minuten na het eerste heeft hij nog een bericht gestuurd. Je kan toch op zijn minst wel even reageren?
Een nare kriebel draait rond in mijn onderbuik. Hij stond net voor de deur en ik deed niet open. Hij stuurde me berichtjes en ik reageerde niet. Hij zal wel denken dat ik hem voor niets heb laten komen.
Vlug bel ik hem, maar Wesley neemt niet op. Nog een keer. Weer schakelt de telefoon na enkele keren over naar de voicemail.
Hoi Wesley, stuur ik hem dan maar snel terug. Ik heb het adres nog even gecheckt, maar het klopt echt. Ik heb net wel iemand gemist die aanbelde, maar ik dacht dat het de postbode was. Ik stond me nog aan te kleden. Wil je me anders even bellen? Het eten is al klaar.
Ik stuur hem een foto van de lasagne in de oven.
Vrijwel meteen komt er een reactie binnen. Vind je zelf ook niet dat genoeg genoeg is? Je bent niet de eerste die dit grapje met me uithaalt. Ik heb zelfs nog aan een van de buurtbewoners gevraagd waar ik moest zijn, maar volgens hem woonde er alleen een bejaard kattenvrouwtje op dat adres.
Ik knipper met mijn ogen. Bejaard kattenvrouwtje? Op dat moment doemt er langzaam een beeld op in mijn hoofd. Een beeld van mijn straat met daarnaast de grijze stoep. En pal voor mijn trap, midden op die stoep, een zwarte Hyundai. Ik kan maar één iemand bedenken die zulke grappen uithaalt. Ik bal mijn handen tot vuisten en grom woest, terwijl ik vecht tegen mijn tranen. Wat een gemene streek van hem!
Ik vrees dat je mijn irritante buurman tegen het lijf bent gelopen, stuur ik snel terug. Sorry. Als je nu omdraait, loop ik naar beneden en wacht ik je op.
Vervelend genoeg lijken mijn nieuwe berichtjes niet aan te komen. Ik wacht. Eerst een minuutje. Het worden er al snel vijf en daarna vloeien die over in tien.
Dan ben ik er gewoon klaar mee. Wat een eikel is het eigenlijk! Hij gaf me niet eens de kans om contact met hem te zoeken. Waarschijnlijk heeft hij me nu al geblokkeerd of heeft hij zijn telefoon uitgezet, aangezien mijn berichtjes niet meer aankomen.
Wel komt er op dat moment een bericht binnen van Ivette, mijn beste vriendin. Succes vanavond! Ik hoop dat het klikt met Wesley.
Ik adem diep in en uit, voor ik antwoord: Weinig kans. Hij is alweer weg. Ik leg het later wel even uit. Ik ga nu eerst zelf die laasgne opeten.
*lasagne bedoel ik.
Ik smijt mijn telefoon in een laatje. Als Wesley me nu nog terugbelt, zoekt hij het maar mooi uit. Nu ben ík er klaar mee.
Ik trek ovenhandschoenen aan en haal de schaal uit de oven. Het kaaslaagje is wat donker geworden, maar dat kan me niets schelen.
Ik zet de ovenschaal op een onderzetter, druk Pride and Prejudice in de dvd-speler en begin helemaal opgedirkt aan mijn avondmaaltijd.
Toch krijg ik het nare gevoel niet helemaal uit mijn lijf. Waarom moest nu uitgerekend mijn allereerste afspraakje na het debacle Sander zo aflopen? Ergens heeft het ongetwijfeld toch aan mij gelegen. Ik bedoel maar; als hij écht gemotiveerd was geweest, had hij toch wel even doorgezet? Zeker na de appjes die ik er nog achteraan heb gestuurd. Daaruit bleek duidelijk dat ik hem verwachtte en hoopte dat hij zich zou bedenken.
Je bent niet de eerste die dit grapje met me uithaalt. Zijn woorden schieten weer door mijn hoofd. Het kan ook zijn dat zijn vertrouwen gewoon iets te vaak geschaad is.
Ik open de Facebookapp en zoek hem op, op zoek naar... naar... Ja, naar wat eigenlijk? Nu ik naar zijn profielfoto staar, weet ik zelf niet eens meer wat ik hier zoek. Ja, hij heeft mooie bruine ogen en blond haar dat op een schattige manier krult. Maar wat heb ik daaraan als hij niet komt opdagen op onze afspraak?
Net als ik de app weer wil sluiten, valt mijn oog op een foto van een feestende Wesley. Ik weet niet zo goed waarom, maar iets trekt mijn ogen naar het bijschrift. Zaterdag 22 februari 2020. Zuipennn!
En dan vind ik het ineens niet zo erg meer dat hij me een blauwtje heeft laten lopen. De foto is namelijk gemaakt in Tilburg, tijdens carnaval. Dit jaar. Datzelfde carnaval waardoor half Brabant ineens corona heeft opgelopen en de rest van Nederland vol angst afwacht of het daar zal blijven. Ik ben blij dat het nu in ieder geval uit míjn huis wegblijft.
Ik heb de hele zondag lekker buiten in de zon doorgebracht en pas als ik ‘s avonds op mijn fijne grijze hoekbank zit, denk ik eraan om Tinder weer te checken. Ik zet de televisie wat zachter, leg een van de paarse kussens in mijn schoot en open de app.
Hoi!
Het is een bericht van Timo, met wie ik gisteren een match had. Na de vijf uur durende BBC-versie van Pride and Prejudice heb ik namelijk meteen mijn Tinderapp weer geopend. Die Wesley kan het heen en weer krijgen, voor hem tien anderen!
Schijnbaar heeft Timo me gisteravond al iets gestuurd, maar toen was ik inmiddels al in bed gekropen met iets te veel rosé op. Maar dat hoeft hij natuurlijk niet te weten.
Hai! stuur ik terug.
Ik krijg vrijwel meteen een reactie, alsof Timo op mijn bericht zat te wachten.
Leuk dat je reageerd! Ik las je profiel en ik ben razend beniewd naar jouw.
Ik frons even als ik de spelfouten registreer, maar veeg ze in gedachten aan de kant. Niet iedereen is zo’n taalnazi als jij, Samyra, zeg ik in gedachten streng tegen mezelf.
Ik lees het bericht opnieuw en er verschijnt een brede glimlach op mijn gezicht als de betekenis tot me doordringt. Er staat duidelijk dat hij mijn profiel las. Niet dat hij mijn profiel zag. Deze jongen lijkt oprecht benieuwd te zijn naar mij!
Wat wil je weten? :) stuur ik terug.
Het duurt even voor ik antwoord krijg. Ik las dat je graag naar het theater gaat. Dat is natuurlijk heel breedt. Heb je voorkeure?
Uit alle dingen in mijn profiel, pikt hij precies het theater eruit! Leuk!
Ik werk natuurlijk in een theater zoals je misschien al gezien had, beken ik, dus ik ben een beetje bevooroordeeld. Maar ik vind musicals en cabaret in het bijzonder leuk.
Ik zet het geluid van de televisie nog wat zachter. Ik ben inmiddels vergeten wat ik aan het kijken was, maar dat is niet erg. Dit is veel leuker.
Cool! Ik ben ook gek op cabaret, verschijnt op mijn scherm. Wie zijn jou favoriete?
Ik denk diep na. Dat zijn er zoveel! Alleen het afgelopen jaar al hebben we een stuk of twintig cabaretiers bij ons op de planken gehad, en veel daarvan vond ik ook echt goed.
Brigitte Kaandorp, zeg ik uiteindelijk. Die vind ik steengoed en ze kan ook mooi zingen. Bovendien is ze lekker maatschappijkritisch. Maar ik kan ook ontzettend genieten van de taalgrappen van Herman Finkers en Paulien Cornelisse.
Bijna meteen komt er weer een reactie. Brigitte is gaaf ja. Mijn favoriet is Philip Geubels. Daar kan egt niemand aan tippe. Hij is zo droog!
Ik zie hem meteen voor me; kaal hoofd, aanwezige bril en een monotone, nasale stem die maar achter elkaar door blijft praten terwijl zijn pokerface geen spiertje vertrekt.
Hij komt over twee maanden bij ons in het theater, stuur ik trots terug. Dan ga ik hem voor het eerst live in actie zien.
Als we tegen die tijd tenminste weer evenementen mogen organiseren...
Egt? Dan moete we maar snel gaan daten, want dan kan je mooi vrijkaartjes voor me regele ;)
Ik lees de zinnen opnieuw, in de veronderstelling dat ik het verkeerd gelezen heb, maar het staat er echt. Ik krab bedachtzaam aan mijn kin. Hoe moet ik dit opvatten? Is het een grapje? Of wil hij nu met me daten om vrijkaartjes te regelen? Ik heb geen idee wat ik hierop terug moet sturen.
Dan verschijnt op het tv-scherm op de achtergrond een podium met microfoons in beeld en stappen twee ministers voor de camera. O ja, ik wilde naar de persconferentie kijken.
Ik leg mijn telefoon opzij en zet het volume hoger. Mijn lichaam gonst van een nieuwsgierige verwachting. Welk nieuws zullen ze brengen?
Hoewel de afgelopen weken al veel werd gediscussieerd over COVID-19, komen de nieuwe maatregelen die de ministers verkondigen als een schok: alle eet- en drinkgelegenheden, sport- en fitnessclubs, sauna’s, seksclubs en coffeeshops moeten al over een half uur hun deuren sluiten om verdere verspreiding van het virus tegen te gaan en ook zijn vanaf morgen de scholen en kinderdagverblijven dicht. Alleen kinderen van ouders met cruciale beroepen mogen straks nog naar school, zodat hun ouders aan het werk kunnen blijven.
Ik probeer de woorden tot me door te laten dringen, te bedenken wat dit zal betekenen voor mij: niet meer uit eten voorlopig en ook niet naar de kroeg. De sportschool zal ik over moeten slaan en een wellnessweekendje zit er de komende tijd ook niet in. Hoewel ik dat allemaal jammer vind, zijn het dingen waar ik me wel even zonder kan redden. Als het moet, bedoel ik. Die scholen daarentegen... Die sluiten ze niet zomaar. Ik kan me niet heugen dat ze ooit eerder in de geschiedenis zomaar de scholen hebben gesloten voor een langere periode. Dat voelt veel ernstiger.
Maar de ministers zijn nog niet klaar met hun verhaal. Als klap op de vuurpijl moeten we voortaan anderhalve meter bij anderen uit de buurt blijven. Anderhalve meter! Dat is best veel, als je het daadwerkelijk uitmeet.
Ik denk aan ons theater, dat vorige week besloot om de deuren te sluiten nu evenementen voorlopig verboden zijn. Wat was het stil in al die grote ruimtes zonder publiek. Maar nu we anderhalve meter afstand moeten houden, vraag ik me af hoe ze dat op kantoor willen organiseren.
Ik pak mijn telefoon om de groepsapp te controleren, maar ben afgeleid door het getalletje bij het gesprek van Timo.
Hallo?
Ben je er nog?
Of zit je naar de persconverentie te kijke?
Mooi zo, een ander onderwerp. Nu hoef ik niet meer te reageren op zijn eerdere bericht.
Ja, sorry. Ik wilde even weten hoe we er nu voorstaan.
Het is wat, he? We kunne niet eens naar een restaurant als we nu een date wille plenne. Gelukkig kan ik zelluf ook goed koken. ;)
Zo had ik er nog niet over nagedacht, maar hij heeft natuurlijk helemaal gelijk. En dan moeten we ook nog anderhalve meter afstand bewaren! Dat wordt een leuke date...
Maar je hebt Philip Geubels dus nog nooit life gezien?
Dat had ik toch al gezegd? Nee, over twee maanden wordt de eerste keer.
Als hij nu maar niet weer over vrijkaartjes begint...
Jammer, hij is egt goed. Hij is me grote voorbeeld.
Voorbeeld? In welk opzicht dan?
Je bedoelt zijn kijk op het leven? vraag ik voor de zekerheid.
Nee, als cabaretier. Ik doe zelf ook aan cabaret. Niet onverdiensteluk ook, als ik zo vrij mag zijn haha.
Ik weet niet of dat het beter maakt. Ik klik zijn profielfoto nog eens aan en probeer me deze blonde jongen voor te stellen met een monotone, nasale stem en een pokerface. Geen idee of het grappig zal zijn of gewoon heel erg irritant.
Ik ben benieuwd, stuur ik uiteindelijk maar terug, omdat ik toch iets moet zeggen.
Egt? Ik kan wel ff een linkje sture. Momentje.
Mijn hartslag versnelt een beetje. Ik kan er niet zo goed de vinger op leggen, maar ergens heb ik het gevoel dat er een verkeerde afslag is genomen in dit gesprek.
Op mijn scherm verschijnt een YouTubelinkje, waar ik met enigszins behoudende gevoelens op klik. Wat ga ik nu te zien krijgen?
Het blijkt een bewegende versie te zijn van de profielfoto, met dezelfde kleding aan en met dezelfde achtergrond. Als hij begint te praten, worden mijn ergste vermoedens bevestigd. Het is duidelijk dat hij Philippe Geubels als grote voorbeeld heeft, maar hij doet dat voorbeeld geen eer aan. Waar Philippe vooral heel grappig is met zijn droge, gevatte en zogenaamd onaangedane zinsneden, wauwelt Timo maar wat in de rondte op een toonhoogte die slaapverwekkend is. Zijn grappen missen diepgang of überhaupt een duidelijke clou. Het enige wat er nog aan ontbreekt om het nog belachelijker te maken, is een huidkleurige badmuts en een bril. In gedachten hoor ik Sander keihard lachen en ik schaam me dat ik weer zo iemand heb aangetrokken.
Met lood in mijn schoenen open ik de Tinderapp opnieuw. Geen bericht van Timo. Hij wacht natuurlijk vol spanning op mijn reactie. Wat moet ik hier nu op zeggen?
Leuk filmpje, zeg ik uiteindelijk diplomatiek. Heb je een speciale plek in huis gemaakt om filmpjes op te nemen?
In theorie heb ik lekker niets gezegd over zijn cabaretprestaties. Daar ben ik goed vanaf gekomen.
Maar ik heb iets te vroeg gejuicht.
Wat lief, dankjewel! Het betekend veel voor me dat jij als professional me optrede erg goed vind.
Leuk! Ik zei LEUK! En ik had het over het filmpje, niet over het optreden! Ik zucht en adem diep in en uit. Waar maak ik me eigenlijk druk om? Als dit zijn dag maakt...
Wat is je mailadres?
Mijn mailadres? Dit gaat me iets te snel. We zitten nog in ons kennismakingsgesprek!
Dan stuur ik je me tariefe en boekingsvoorwaarde ff, volgt vrijwel meteen. Als jij dan de agenda van het theater checkt, kunne we vast wel een mooie datum prikke.
Verbluft staar ik naar zijn woorden en het dringt tot me door. Nu snap ik waarom hij mijn profiel zo zorgvuldig heeft gelezen.
Timo, ik ga het hier afkappen, stuur ik resoluut terug. Voor dit soort dingen zijn er andere apps. LinkedIn bijvoorbeeld.
Ik druk op enter en wil verder typen, als zijn reactie alweer in beeld verschijnt.
O, je wilt liever dat ik het nar je toestuur op LinkedIn? Geen probleem hoor. Zoek ik je daar ff op.
Welja! Heeft die gast een plaat voor zijn kop of zo?
Je snapt geloof ik mijn punt niet. Ik zit niet op Tinder om te netwerken en ik heb ook zeker geen behoefte aan Tindermatches die meteen contact leggen via andere netwerken om zakelijk iets voor elkaar te krijgen. Ik wens je veel succes met de volgende.
Als ik de welbekende bolletjes in beeld zie verschijnen die tonen dat hij aan het typen is, ben ik het zat. Deze gast snapt het echt niet! Tijd om te unmatchen! Vlug voeg ik de daad bij het woord, voordat hij nog meer idiote berichten kan sturen. Inmiddels trekken de spieren in mijn rug en schouders pijnlijk samen. Dit is niet echt goed voor mijn ontspanning zo.
Snuivend haal ik adem tot mijn bloeddruk weer wat gedaald is. Ongelooflijk, zeg. Ik haal een glaasje water uit de keuken en pak mijn telefoon er weer bij. Hé, ik heb nieuwe berichten ontvangen via Yammer, de applicatie die mijn werk gebruikt voor interne communicatie. Waarschijnlijk is er nieuws naar aanleiding van de persconferentie. Wat zijn ze snel!
Normaal gesproken open ik de app alleen op werkdagen, maar deze zondag maak ik een uitzondering. Toch wel handig als ik weet waar ik aan toe ben morgen.
We voelden het al een beetje aankomen afgelopen week, maar vanaf morgen is het theater ook gesloten voor personeel. Als je wel op kantoor moet zijn, dien je dit te overleggen met het crisisteam. Iedereen werkt vanuit huis via Yammer en de thuiswerkomgeving. Voor face-to-faceoverleg gebruikt iedereen het videobellen van Teams. Morgen passen we het corona-protocol op het intranet aan.
Morgen dus niet naar kantoor. Gelukkig maar dat we daar ook altijd met flexplekken werken waar je inlogt op de thuiswerkomgeving. Anders hadden we waarschijnlijk helemaal niet zoiets als een online werkomgeving gehad en had ik onmogelijk thuis kunnen werken morgen. Dingen kunnen soms snel geregeld worden, maar niet zó snel.
Ik werp een blik op de klok. Half tien nog maar. Als ik morgen toch niet hoef te reizen, kan ik net zo goed nog een filmpje kijken. Maar eerst even de laptop uit de auto halen; dan hoef ik dat morgenochtend niet meer te doen.
Met frisse tegenzin loop ik naar de hal en ik schiet mijn felroze nep-Crocs aan. Ze mogen dan wel foeilelijk zijn, maar ze zitten heerlijk.
Ik gris een sleutel van het halkastje en loop naar mijn auto. Het is al donker en ook een stuk kouder dan ik had ingeschat. Ik huiver en wrijf over mijn armen.
Natuurlijk staat de zwarte Hyundai precies naast mijn mango-kleurige Renault Twingo. Ook nog eens net iets te dichtbij, waardoor de deur aan de bestuurderskant amper nog open kan. Goh, normaal gesproken moet dat ding altijd op de stoep staan en uitgerekend nu kan hij wél in een parkeervak gezet worden...
Ik open de kofferbak en pak de laptoptas. Mijn blik flitst heen en weer. Liggen er nog meer werkspullen in de auto? Heb ik morgen nog iets nodig?
De wind steekt op en waait dwars door mijn shirtje heen. Ik krijg overal kippenvel, zelfs op mijn billen. Naar binnen, en snel ook.
Vliegensvlug gooi ik de achterklep weer dicht en draai me om om terug naar huis te rennen, maar bots pardoes tegen iemand aan.
‘Buurvrouw! Wat doet u nu?’
O, joy. Het is buurman Han.
‘Wat doe ík?’ herhaal ik snauwend. ‘Je gaat zelf vlak achter me staan, in het donker!’
Hij doet een flinke stap naar achteren, waarbij hij zijn handen afwerend omhooghoudt. ‘Anderhalve meter, weet je nog?’
‘Bedankt dat je me erop wijst,’ zeg ik kattiger dan ik wil laten blijken. ‘Het zou vervelend zijn als je me aansteekt.’
Zijn mond valt verbluft open en ik maak mooi van de gelegenheid gebruik om naar huis te vluchten. Pas binnen bedenk ik dat hem eigenlijk had moeten aanspreken op zijn rotstreek met Wesley.
Hijgend snelwandel ik door de supermarkt. Waarom ben ik niet gewoon wat eerder van huis weggegaan? De winkel sluit over twee minuten en ik moet nog zoveel hebben! Het boodschappenlijstje lijkt eindeloos, terwijl de race tegen de klok meer wegheeft van een slalomwedstrijd, door alle mensen die in de gangpaden staan. Dit ga ik nooit halen.
Mijn blik glijdt over het lijstje en blijft hangen op het woordje ‘brood’. Dat is een gangpad verderop. Ik draai me gestrest om en bots bijna tegen iemand aan.
Die begint spontaan te brullen: ‘Anderhalve meter! Anderhalve meter!’
Verschrikt doe ik een stapje achteruit in de verwachting dat het schreeuwen zal stoppen, maar dat gebeurt niet. De man voor me blijft schreeuwen.
Abrupt ben ik wakker, nog nahijgend, maar het schreeuwende geluid sterft niet weg. Het lijkt zelfs alleen maar erger te worden en klinkt alsof het van buiten komt. Welke idioot maakt er nu zo’n herrie om... Ik kijk op mijn wekker. Om drie uur ‘s nachts!
Ik schiet een vest aan en stuif de trap af. Het geschreeuw gaat intussen door en lijkt van het aangrenzende balkon te komen. Ik hoor er nu ook muziek bij; een soort trancemuziek. Is mijn buurman nu helemaal gek geworden?
Met ferme passen loop ik door mijn woonkamer en ik open de balkondeur. Precies zoals ik al dacht zit Han met Flip en Flap op het balkon een feestje te bouwen. Uiteraard zonder anderhalve meter ertussen en op een veel te hoog volume, hoewel de muziek meteen stilvalt zodra ik het balkon opstap. Ik krijg meteen een déjà vu-gevoel.
‘Ha buurvrouw,’ zegt Han met een grijns. ‘Kom je ons gezelschap houden?’
Ik kijk hem pissig aan. ‘Nee, ik moet morgen werken. Ik lag al te slapen, maar jullie maken nogal veel kabaal.’
‘Hij deed even voor hoe hij klinkt als hij klaarkomt,’ zegt Han met een uitgestreken gezicht, terwijl hij naar Flip met het petje knikt.
Ik stap op het balkon en geef de drie jongens een dodelijke blik. ‘Allemaal hartstikke leuk, maar doe dat lekker op een fluistertoon of zo. Of bij hem thuis, zodat ik er geen last van heb.’ Ik wijs naar Flip. ‘Of vinden zijn ouders die herrie ook niet oké?’
‘Je mag wel bij ons komen zitten?’ biedt Flap behulpzaam aan.
Ik schud vol ongeloof mijn hoofd. ‘Ik zei net dat ik morgen moet werken. Ik probeer juist te slapen.’
Hebben die gasten zelf geen baan of zo?
‘Nou en? Doe eens wild,’ daagt Flip me uit.
Han kijkt alleen maar een beetje ongemakkelijk, alsof hij lijkt te denken wat ik ook denk: dat Flip wild genoeg is voor ons alle vier.
‘Jongens, ik denk dat we beter binnen kunnen gaan zitten,’ zegt hij. Zijn stem klinkt een beetje schor. ‘Dan zijn we de buurvrouw niet zo tot last.’
Ik knik hem toe. ‘Dat zou fijn zijn.’ Zijn twee vrienden werp ik een dodelijke blik toe. ‘Ik ga naar bed. Zorg dat het stil is.’
Zonder te groeten loop ik naar binnen en ik kruip verkleumd terug in bed. Ik sluit mijn ogen en nestel me in een fijne houding, maar de slaap heeft zich verstopt, wil niet tevoorschijn komen om me op te eisen. In plaats daarvan stel ik me voor dat ik de buurman en zijn vrienden op het balkon eens flink de les lees over fatsoensnormen.
Uiteraard ontwaak ik de volgende morgen gebroken. Mijn lijf voelt alsof er een monstertruck overheen gereden is, eerst vooruit en daarna nog een keer in z’n achteruit. Met moeite krijg ik mijn oogleden van elkaar en weet ik mezelf uit bed te krijgen.
Ik sjok naar mijn kledingkast en voel me niet bepaald beter als ik de inhoud bekijk. Hij zit zo vol, dat ik claustrofobie krijg als ik er alleen al aan denk dat ik iets moet vinden tussen alle zooi.
Twijfelend schiet mijn blik heen en weer tussen de ophangstang en de lade met mijn joggingpak. Een net jurkje voelt nogal overdressed nu ik toch thuisblijf, maar dat joggingpak is misschien ook niet heel handig voor het geval iemand met me wil videobellen. Ik kies uiteindelijk voor een gemakkelijke spijkerbroek en een wijdvallend T-shirt.
In de keuken beleg ik een beschuitje met kaas. Zelfs die dubbele espresso weet me niet te enerveren. Versuft kruip ik met mijn ontbijt in de hand achter mijn laptop. Eerst maar eens mijn inbox checken.
Nadat de laptop is opgestart, open ik als eerste het intranet om te controleren of er nog nieuws is wat betreft het thuiswerken. Dat blijkt zo te zijn.
Vanaf vandaag werkt iedereen thuis. De meesten van jullie hebben een werklaptop tot de beschikking, maar mocht je geen mogelijkheid hebben om thuis te kunnen werken, neem dan contact op met je leidinggevende. Ditzelfde geldt wanneer je onvoldoende taken hebt om uit te voeren. In overleg met je leidinggevende wordt dan gezocht naar passende werkzaamheden.
Vanochtend heeft het crisisteam overleg. Het vernieuwde corona-protocol staat vanmiddag op het intranet.
Onvoldoende taken... Nou, voorlopig heb ik daar geen last van. Er ligt nog meer dan genoeg werk op me te wachten en daar kan ik maar beter zo snel mogelijk aan beginnen.
Ik open Outlook en scrol door de binnengekomen berichten. Meestal heb ik alleen al veel mails van collega’s, maar vandaag zijn het er maar weinig. Waarschijnlijk was iedereen op kantoor vrijdag druk met speculeren wat er zondag tijdens de persconferentie gezegd zou worden.
Wel heb ik verschillende ongeruste mails van artiesten en boekingskantoren die willen overleggen over de programmering.
Ik neem een flinke slok koffie en begin met antwoorden.
Om kwart voor tien wordt het huis me echt te rustig. Ik open mijn playlist op Spotify en cast hem naar de soundbar. Het volume zet ik wat harder, om de kille stilte te verdrijven.
Ik schrijf een nieuw projectplan en stuur mails met voorstellen om programmering te verschuiven in de agenda.
Intussen app ik met collega Jeroen. We vinden de thuiswerksituatie nogal bizar, maar gelukkig weet hij de sfeer luchtig te houden door een hele stapel hilarische doorstuurberichten met me te delen.
Ging daar nu de bel? Ik zet het geluid van de soundbar wat zachter en loop naar de voordeur. Door de luxaflex voor het raam zie ik een schimmige schaduw.
Ik wil de deur opentrekken, maar ontdek dat die nog op slot zit.
‘Momentje!’ joel ik, ‘even de sleutel pakken.’
Als ik even later eindelijk de deur van het slot heb en de deur opengooi, staat tot mijn grote verrassing Han voor de voordeur. Is dat nu zijn pyjama? Zijn haar piekt in ieder geval alle kanten op, als de inhoud van een vieze paardenstal.
‘Buurvrouw,’ zegt hij. Hij ziet er minder goedgeluimd uit dan anders.
Ik doe een stap achteruit, want hij staat veel te dichtbij. ‘Buurman.’ Er hangt een lichte alcoholwalm om hem heen.
‘Kan die muziek wat zachter? Hij staat knoerthard en het is nog supervroeg!’ De irritatie druipt uit zijn stem en terwijl hij het zegt, moet hij gapen. Net goed voor hem na die nachtelijke bak herrie.
‘Supervroeg? Dat valt toch wel mee?’ Ik kijk hem vrolijk aan. ‘Het is al tien uur op een normale doordeweekse dag. In principe mag ik al vanaf zeven uur klussen, dus volgens mij heb je niets te klagen.’
‘Ik klaag ook niet. Ik geef gewoon de suggestie dat er een volumeknop op je muziekinstallatie zit. En anders een aan- en uitknop.’
‘Die hadden jullie gisteravond toch ook niet?’
Hij zucht. ‘Het spijt me dat we je wakker hebben gemaakt vannacht. Eerlijk gezegd had ik een beetje te veel op en dan heb ik niet altijd door hoe hard ik praat. Kun je alsjeblieft het volume nu wat zachter zetten? Ik heb vanavond tot laat dienst en ik wil graag nog wat slaap pakken.’
‘Als jij belooft om vannacht zachtjes voor mij te doen.’ Ik geef me mooi niet zomaar gewonnen!
Hij zucht. ‘Prima. Wat jij wilt. Als het nu maar stil is.’
Flauw hoor.
‘Welterusten,’ zeg ik en gooi de deur dicht zonder op antwoord te wachten. Shit, weer vergeten om hem aan te spreken op die rotstreek met Wesley. Ik trek de deur open, maar hij is alweer in zijn eigen huis verdwenen.
Terug in de woonkamer draai ik het geluid een stuk zachter. Mijn nek en schouders zeuren en mijn concentratie is een beetje weggeëbd. De hele tijd aan één stuk door achter de laptop werken is niet heel prettig voor je lijf. Misschien is een pauze geen slecht idee.
Ik pak een glas limonade en ga lekker in het zonnetje op het balkon zitten. Bizar eigenlijk. Normaal gesproken sneeuwt het nog in februari en soms in maart, en nu hebben we al weken stralend weer terwijl we nog maar halverwege maart zitten.
Ik neem een slok van mijn drinken en open intussen de Tinderapp op mijn telefoon. Eerst maar even ontspannen swipen.
Bij de eerste paar mannen veeg ik meteen naar links. Stuk voor stuk pronken ze met hun aangespannen spieren alsof ze voor niets anders leven. Wat een patsers; dat is niets voor mij.
Dan komt Daan in beeld, met donker haar en een baardje. Zijn lach oogt oprecht en hij heeft een mooie sierlijke tattoo op zijn bovenarm, die net onder zijn shirt vandaan piept. Wat is het? Is het zo’n nietszeggende krul? Nee, het doet me eerder denken aan zentangle. In verschillende banen zichzelf repeterende patroontjes lopen in een vlechtwerk over zijn huid. Wacht eens, het is een Maori-tatoeage, zie ik dan. Daar heb ik onlangs nog een hele documentaire over zitten kijken.
Hmmm... Hij ziet er echt sexy uit en die tatoeage maakt me nieuwsgierig of hij net zo van cultuur houdt als ik. Ik swipe naar rechts.
Achter Daan komt Jop tevoorschijn. Die ziet eruit alsof hij stomdronken is. Niks mis met een feestje, maar niet mijn keus als eerste kennismaking. Links.
Nadim. Mooie naam. Mooi gezicht ook. Een licht tintje, warme bruine ogen en een glimlach die regelrecht uit een tandpasta-reclame kan komen. Ook fijn dat hij gewoon een shirt aan heeft. Op de achtergrond zie ik de restanten van een archeologische opgraving. Zo te zien houdt hij wel van cultuur. Ik veeg naar rechts.
Zo volgen nog meer profielen, tot ik opschrik en de tijd zie. Hoog tijd om weer aan het werk te gaan.
Rond een uurtje of drie zet ik de laptop uit en trek mijn schoenen aan. Hoog tijd voor een wandeling. Het gevaar van thuiswerken is dat je amper beweegt, maar wel de koelkast leeg vreet. Niet zo’n gezonde combinatie.
Ik gooi de deur achter me in het slot en loop naar beneden. Zodra ik uit het portiek stap, knijp ik mijn ogen samen. Zo in het zonnetje lijkt het wel hartje zomer; ik ben blij dat ik mijn zonnebril heb opgezet.
Het is fijn om de benen even te strekken nadat ik zo lang opgevouwen achter mijn computer heb gezeten. De spieren van mijn nek en schouders trekken pijnlijk samen en mijn hoofd bonst een beetje doordat ik me al die uren zo ingespannen op het scherm heb gefocust.
Ik verlaat de straat en loop onder de bomen. Voor me strekt het volkstuinencomplex zich uit, waar mensen druk in de weer zijn. Ik sla af naar links en loop verder.
Verscholen in het verkoelende bladerdek van de bomen kwetteren tientallen vogels en in de verte razen de auto’s suizend over de provinciale weg. Ik zuig mijn longen vol frisse lucht en zwaai een beetje met mijn armen om mijn spieren los te maken.
Een schelpenpaadje slingert door de bosrand en voert helemaal naar de begraafplaats, die op ongeveer vijftien minuten wandelen van mijn huis ligt. Ach, waarom ook niet? Daaromheen ligt een bos met een fijn wandelpad. Ik verhoog mijn tempo nog iets tot ik een prettig ritme heb gevonden.
In de verte loopt iemand met een hond. Het beest is niet aangelijnd. Uiteraard is dit een jonge hond, die uitgelaten heen en weer rent en bokkensprongen maakt alsof het een op hol geslagen paard is. Waarom geen bejaard beestje dat zowat in slaap sukkelt naast het pad? Ik hoop maar dat hij zo niet tegen me opspringt.
Mijn gedachten schieten terug in de tijd; ik was een jaar of vier en dol op dieren. Mijn ouders hadden net de auto volgegooid en we moesten betalen voor we onze reis konden vervolgen. Tot mijn grote vreugde hadden ze in het tankstation een hondje, dat los door de shop scharrelde. Kraaiend van plezier liep ik erachteraan, ernaar verlangend de pluizige vacht te aaien. Het was een warme dag; de ventilator op de balie zoemde. Mijn ouders waren in gesprek met de baliemedewerker. En ik liep enthousiast achter de hond aan, die er een spelletje van maakte en telkens wegliep als ik dichterbij kwam. Eindelijk ging hij liggen in zijn mandje. Nu kon ik hem aaien.
Maar zodra mijn hand naar zijn schattige kopje ging, beet hij me stevig in mijn vingers. Ik schrok van de pijn in mijn hand, maar vooral van hoe zeer het verraad deed toen de hond, die snoepige, kleine hond die ik alleen maar had willen overstelpen met liefde, zich tegen me keerde. De liefde voor honden was daarna voorgoed voorbij.
Onverwacht haalt een vrouw op leeftijd me in op haar scootmobiel en de laatste flarden van het verleden glijden van me af. De vrouw rijdt zo rakelings langs me heen en snijdt me bovendien dusdanig af, dat ze bijna over mijn tenen rijdt. Mijn kleding wappert door haar rijwind en een muffige geur van oude mensen walmt van haar af. Ik begrijp het niet zo goed; ik dacht dat we vooral ook die anderhalve meter in acht moesten nemen voor de kwetsbare ouderen. Heeft deze de persconferentie gemist? Of is ze levensmoe?
Inmiddels is ze aangekomen bij de persoon die voor me loopt en wordt ze overenthousiast begroet door de hond, die zowat bij haar op de scootmobiel springt. Deze mevrouw is duidelijk een hondenliefhebber en laat enthousiast toe dat het beest haar in het gezicht likt. Ik ril. Ik moet er niet aan denken om die gevaarlijke tanden zo dicht bij mijn gezicht te hebben.
De hondeneigenaar is inmiddels tot stilstand gekomen en begint een kletspraatje met de vrouw. Het ziet er heel gezellig uit, maar ik word er niet bepaald blij van. Eigenlijk wil ik erlangs, maar dat betekent dat ik ook die hond voorbij moet lopen. Wat als hij ook tegen mij opspringt en me in mijn gezicht likt?
Mijn telefoon trilt. Eén keer. Twee keer. Drie keer. Wie zou het zijn? Ik hou mijn pas in en vis het toestel uit mijn zak. Zodra ik de naam op het scherm herken, krullen mijn mondhoeken omhoog.
‘Hé Risa,’ zeg ik enthousiast. ‘Wat leuk dat je belt.’
‘Hé Sam,’ klinkt de stem van mijn zusje. ‘Wat ben je aan het doen?’
Ik kijk om me heen. Naar het zonlicht dat door het bladerdek boven me sijpelt en dat gouden vlekjes veroorzaakt op de boomstammen. Naar de knisperende schelpjes onder mijn voeten. Naar de hond die blaffend van zijn vrijheid geniet.
‘Ik ben aan het wandelen,’ zeg ik. ‘Even een frisse neus halen. En jij?’
‘Poepluiers aan het verschonen. Of nou ja, dat was ik aan het doen. Nu slaapt hij eindelijk.’ Ik kan bijna voor me zien hoe ze haar gezicht vertrekt, maar ik weet dat dat voor de show is. Als het op haar kleine ventje aankomt, is geen luier te vies voor haar. Lieve God, wat mis ik dat mannetje. Wanneer zag ik hem nu voor het laatst? Twee weken geleden?
‘Probeerde hij weer zwemles te nemen in zijn luier?’ informeer ik.
‘Pff, hoe raad je het?’ zegt ze met een zucht. ‘Zouden ze een geheim genootschap van dreumesen hebben waar ze elkaar deze kunst aanleren?’ Even is het stil. Dan vraagt ze: ’Hoe gaat het met daten?’
Ik rol met mijn ogen. ‘Verschrikkelijk.’
‘O? Je had toch iets met hem afgesproken?’
Met hem? O ja, ze bedoelt Wesley natuurlijk.
‘Dat is niet doorgegaan.’
‘Jammer. Hebben jullie al een nieuwe afspraak gemaakt? Of hebben jullie het uitgesteld in verband met de corona-maatregelen?’
‘Eh, nee,’ zeg ik. ‘Er was sprake van wat miscommunicatie, maar ik kreeg de kans niet om het uit te leggen of het over te doen. Hij zei dat hij weer naar huis ging en dat was dat.’
‘Echt?’
‘Uhuh. Hij liet me gewoon met het eten zitten.’ Ik word weer giftig als ik eraan terugdenk.
‘Wat een eikel!’
‘Het hielp denk ik niet mee dat mijn buurman net deed of op mijn adres een hoogbejaarde vrouw woonde,’ geef ik toe, ‘maar het is wel een beetje jammer dat hij dit klakkeloos van hem aannam en het gesprek met mij daarna afkapte.’
‘Wacht even... Je buurman zei dat op jouw adres een hoogbejaarde vrouw woonde? Wat is dat nu weer voor naaistreek?’ Haar stem klinkt fel en beschermend. Dat eeuwige rechtvaardigheidsgevoel van haar; daarom hou ik zoveel van mijn zusje.
‘Geen idee wat hem bezielde,’ zeg ik. ‘Het botert niet zo tussen ons, maar dit vond ik zelf ook een nogal lullige zet.’
‘En nu? Hoe moet het nu verder met Wesley?’
‘Niet,’ zeg ik eenvoudig. ‘Wesley is als een doodlopende straat. Tot daar en niet verder. En misschien maar goed ook.’ Ik vertel haar wat ik heb gezien op zijn Facebookprofiel.
‘Nou, misschien maar goed ook dat het niet doorging,’ bromt ze. ‘Al vind ik de manier waarop dit is gegaan echt niet oké.’ Even blijft het stil. Dan vervolgt ze: ‘Heb je alweer iemand anders op de chat?’
Heel even schiet Timo door mijn hoofd, maar ik besluit om haar dat verhaal te besparen. ‘Nog niet op de chat, maar vanmiddag kwam wel een hele leuke man voorbij. Daan, heet hij, en hij is zeventwintig jaar oud. Op zijn bovenarm heeft hij een supermooie tattoo. Volgens zijn tekstje bij de foto houdt hij van reizen. Ik hoop dat dat een match wordt.’
‘Zevenentwintig? Maar drie jaartjes ouder dan jij,’ zegt Risa. ‘Hoe ziet hij eruit?’
Ik sluit mijn ogen en haal me de foto weer voor de geest. ‘Donker haar en een baardje. En een lach die besmettelijk is.’
‘Klinkt goed,’ zegt Risa goedkeurend. Even blijft het stil, voor ze vervolgt: ‘Onze buurman is onlangs weer single geworden. Hij is ongeveer van jouw leeftijd, maakt supergave schilderijen met graffitikunst en hij kan onwijs lekker koken. Zal ik anders een blind date voor je regelen?’
Een blind date? Het idee om met een totaal onbekende af te spreken staat me niet bijster aan. Aan de andere kant hoeft dat natuurlijk niets te betekenen. Mijn zusje kent me goed genoeg om in te schatten of iemand wel of niet bij me zou passen en zo te horen houdt hij in ieder geval van kunst en cultuur. En hij woont in dezelfde woonplaats; ook best praktisch.
‘Kijk maar,’ mompel ik vaag. ‘Ik sta ervoor open.’
‘Ik ga het voor je regelen,’ zegt Risa, onmiddellijk enthousiast. Ze voegt er nog iets aan toe, maar wat kan ik niet verstaan omdat er herrie klinkt bij haar op de achtergrond.
‘Sorry, ik moet ophangen. Ruben is wakker geworden en hij krijst hier de hele boel bij elkaar.’
‘Ik had al zo’n vermoeden,’ zeg ik met een grijns.
‘Geen zorgen, ik regel die date voor je. Maar eerst heeft mijn zoon aandacht nodig.’
‘Ik spreek je later,’ zeg ik. ‘En geef hem een dikke kus van zijn tante.’
‘Doe ik!’
Ze hangt op.
Nu het telefoongesprek is afgelopen, valt me op dat degene met de hond inmiddels een ander pad is ingeslagen en dat de vrouw in de scootmobiel ook in geen velden of wegen meer te bekennen is. Mijn eigen bosweg kronkelt leeg voor me uit en ik versnel mijn pas. In de bomen geuren bloesems en een verkoelend briesje strijkt over mijn huid. Eigenlijk zou ik dit veel vaker moeten doen.
Ik steek een drukke weg over en betreed de klinkerweg die naar de begraafplaats voert. Ik volg hem echter niet helemaal, maar sla af het bos in. Vrijwel meteen loop ik langs een bankje, dat verlokkelijk naar me knipoogt.
Ik plof erop neer en sluit mijn ogen, terwijl de zonnestralen over mijn gezicht strelen. Ik heb helemaal geen zin om zo weer achter de computer te kruipen. Het voordeel van thuiswerken is wel dat ik wat makkelijker zelf mijn uren in kan delen. Nu in de zonneschijn bijvoorbeeld een lange wandeling en vanavond als het toch donker is een extra uurtje achter de computer.
Mijn telefoon trilt en ik kijk op het scherm. Een WhatsAppberichtje van Risa; een foto van haar en kleine Ruben. Ik stuur een hartje terug.
Ivette heeft ook een bericht gestuurd.
Jij ook aan het thuiswerken vandaag?
Ik grijns als ik de reeks bestudeer van emoticons die op haar woorden volgen. Eentje met ontplofte hersenen, eentje met spiraaltjes als ogen en een slapende.
Yep, stuur ik terug. Maar nu even pauze.
Ik stuur haar een selfie in het bos.
Ik wil de telefoon alweer opbergen, maar open dan toch nieuwsgierig de Tinderapp. Zou ik inmiddels een match hebben met Daan?
Nee. Helaas niet. Ik sta op; tijd om verder te lopen. Er wacht nog een flinke bak werk op me thuis, want ik moet de komende tijd nog ruim honderd theaterteksten schrijven voor de nieuwe brochure. Hoe eerder ik daarmee begin, hoe beter. Ik zet mezelf in beweging en neem afscheid van het bankje.
Het wandelpad blijkt langer te zijn dan ik dacht. Slingerend loopt het helemaal langs de begraafplaats, die stiekem ook groter is dan ik me kan herinneren. Normaal gesproken loop ik dan ook óp het terrein en er niet omheen.
Af en toe vang ik tussen de bomen door een glimp op van de verschillende veldjes met graven en in de lucht hangt de geur van bloemen, alleen zijn het hier de borders vol narcissen en vroege hyacinten en geen bloesems. De serene stilte is zelfs waar ik me bevind voelbaar en wordt slechts doorbroken door het getjilp van vogeltjes.
Hoor je ze, mam?
Van hieraf heb ik eigenlijk geen idee op welk veldje zij ligt. Vanaf de hoofdingang gezien, kan ik de route dromen, maar vanaf het slingerende bospaadje kan ik de herkenningstekens die ik normaal gesproken voor navigatie gebruik niet zien, zoals de zijpaden en de klokkentoren.
Zou ze daar liggen, op dat veldje? Het zou de steen naast die hele donkere kunnen zijn, want dat lijkt op de omgeving van mijn moeders graf. Ik kom tot stilstand en tuur ingespannen of ik meer zie wat ik herken.
Verder naar achteren beweegt iets en iemand loopt het veldje op. Mijn adem stokt even achter in mijn keel als het volgende wat ik herken een persoon blijkt te zijn en niet iets uit de omgeving.
Wat moet Han op mijn moeders veldje?
Met rustige passen loopt hij over het gras en meandert tussen de graven door. Het lijkt wel alsof hij recht op mijn moeders graf afloopt! Wat heeft dat te betekenen? Wat moet hij met haar?
Boosaardige gedachten kronkelen door mijn hoofd. Hij zal toch niet zo ver gaan met zijn pesterijen dat hij zelfs het graf van mijn moeder komt onteren?
Beschaamd krimp ik ineen als mijn gedachten tot me doordringen. Wat is dat nu weer voor idioot idee? Hoe moet mijn buurman in vredesnaam weten dat mijn moeder daar ligt? Hij heeft vast zelf iemand verloren die hij nu komt bezoeken.
En inderdaad stopt hij niet voor mijn moeders steen, maar voor de donkere ernaast.
Een steek trekt door mijn kuit als hij in een kramp schiet door mijn vreemde houding. Ik verplaats mijn gewicht naar mijn andere been, maar raak met mijn hoofd de struik naast me, die toch stiekem dichterbij was dan ik dacht. Als ik weer voor me kijk, zie ik dat Han me geschrokken aanstaart. Meteen beginnen mijn wangen te gloeien. Wat moet die man wel niet van me denken, dat ik hem hier op de begraafplaats sta te bespieden?
Gegeneerd steek ik mijn hand op en ik zwaai voorzichtig, voor ik me omdraai en verder loop. Was het net ook al zo warm?
Gelukkig kom ik verder niemand tegen en de bosgeluiden verjagen samen met het briesje de laatste gedachten aan deze ongemakkelijke ontmoeting met Han.
Het pad maakt een bocht en slingert in een omhelzing om de noordelijkste punt van de begraafplaats heen, zodat ik niet langer nog verder van huis loop. Ha, daar is nog een bankje.
Ik ga erop zitten en kijk op het scherm van mijn telefoon. Risa heeft me nog wat berichten gestuurd. Ik haal het toestel van de vergrendeling en open het gesprek.
Ik heb de buurman gesproken, hoor.
Meteen al bij het eerste berichtje schiet mijn hart in mijn keel; mijn zusje laat er duidelijk geen gras over groeien. Dit gaat me wel wat snel...
Het leek hem wel wat :D
Heb je woensdagavond al wat? ;)
O jeetje. Ze heeft zelfs al een datum met hem besproken. Het lijkt erop dat ik geen kans krijg om het hele idee van een blind date een beetje te laten bezinken.
Ik sluit mijn ogen en focus me op mijn ademhaling, maar het lukt me niet om rustiger te worden. Mijn hartslag raast in volle galop en mijn benen wiebelen nerveus. Mijn handpalmen voelen zelfs wat zweterig aan. Ik snuif en schud mijn hoofd. Waarom gedraag ik me als een bakvis? Het is maar een date. Als het niet klikt, is het ook zo weer voorbij.
Zo weer voorbij... Misschien is dat juist wel waar ik bang voor ben. Dat ik weer in iets investeer dat zo voorbij is. Dat verdween toen ik het zelf niet eens zag. Was ik echt zo met mezelf bezig dat ik de verandering bij Sander niet zag? Dat ik de verandering tussen óns niet zag?
Ik blaas uit en check voor de zekerheid mijn agenda. Woensdagavond is een grote leegte, dus ik heb geen smoes om af te zeggen.
Kom op, zeg ik tegen mezelf. Wees eens dapper!
Dus ik stuur terug: Woensdagavond is prima. Waar zie ik hem en hoe weet ik met wie ik de afspraak heb?
Om half zeven ben ik klaar met mijn werkdag. Ik zet de laptop uit en loop naar de keuken. Terwijl de kipstukjes sissend garen, werp ik nog een blik in de Tinderapp. Tot mijn verrassing heb ik een nieuwe match. Daan! Yesss!
Ik ga meteen naar zijn profiel en zuig de informatie naar binnen. Daan blijkt niet zomaar van reizen te houden; hij is een echte nomade! Hij heeft al op verschillende continenten geleefd, waarbij hij allerhande banen heeft beoefend, zoals skileraar, gids en leraar Engels.
Maar Nederland is mijn thuisbasis, schrijft hij. De plek waar ik altijd weer naar terugkeer.
Ik roer met een pollepel door de wok. Maar goed ook; de eerste kipstukjes begonnen al wat aan te bakken.
Ik verleg mijn aandacht terug naar mijn telefoon en staar peinzend naar Daans profielfoto. Hoe zal ik hem aanspreken? ‘Hoi Daan, leuk om kennis te maken,’ mompel ik, maar typ het niet. Het klinkt zo afgezaagd; als een standaard openingszinnetje. Ik wil juist zijn aandacht trekken, eruit springen bij al zijn matches.
