4,99 €
'Het idee van een onenightstand is dat je een avondje lol hebt, maar er verder geen gevolgen aan verbindt. Je geeft die vent geen sleutel van je huis, dus je kunt hem ook niet met een ander in jouw bed aantreffen. Simpel. Duidelijk.'
Dit is het motto van Gigi, die helemaal klaar is met relaties nadat ze haar verloofde betrapt met een andere vrouw. Ze heeft dan ook geen vervanger voor de al geplande wintersportvakantie met Selia en haar man tijdens de kerst. Selia stelt voor om haar zusje mee te vragen, maar dan blijkt bij vertrek niet haar zusje, maar haar jongere broer Jesse in de auto te zitten. Die is duidelijk volwassen geworden; op een heel goede manier…
Plotseling is Gigi gedwongen om een week lang een kamer (en een tweepersoonsbed) met Jesse te delen. Maar is dat wel zo'n goed idee? Want Jesse heeft wél een sleutel…
Das E-Book können Sie in Legimi-Apps oder einer beliebigen App lesen, die das folgende Format unterstützen:
Seitenzahl: 223
Veröffentlichungsjahr: 2023
Misser onder de mistletoe
Lily Frank
Misser onder de mistletoe
is een uitgave van Dutch Venture Publishing
Copyright © 2023 Dutch Venture Publishing
Auteur: Lily Frank
––––––––
Omslagontwerp: Jen Minkman
Tekstredactie: Marijke F. Jansen
Eerste druk: oktober 2023
NUR: 343
Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen of op welke wijze ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de auteur.
Titelpagina
Copyright Pagina
Misser onder de mistletoe
♥ 1 ♥
♥ 2 ♥
♥ 3 ♥
♥ 4 ♥
♥ 5 ♥
♥ 6 ♥
♥ 7 ♥
♥ 8 ♥
♥ 9 ♥
♥ 10 ♥
♥ 11 ♥
♥ 12 ♥
♥ 13 ♥
♥ 14 ♥
♥ 15 ♥
♥ 16 ♥
♥ 17 ♥
♥ 18 ♥
♥ 19 ♥
♥ 20 ♥
♥ EPILOOG ♥
♥ Over de auteur ♥
♥ Meer lezen ♥
♥ Nieuwsbrief ♥
.
Voor Niels, mijn eigen broer(tje)
Bedankt dat ik je kerststal mocht lenen.
Als een illustere sluier hangt de hitte in de slaapkamer. De dekens liggen ongebruikt en overbodig opgefrommeld aan het voeteneinde en de dikke, zonwerende gordijnen zijn dicht. Op zijn nachtkastje brandt slechts een schemerig lampje, dat de kamer hult in een mysterieuze gloed. Hijgend ligt ze onder hem, haar lange benen om zijn middel geslagen. Met haar hand strijkt ze door zijn donkere haren die als de bladeren van een spinnenplant alle kanten uitstaan. Normaal gesproken zijn ze keurig met gel gestyled, maar daar is nu niet veel meer van terug te zien. In een gewone situatie zou dat iets zijn om samen om te grinniken, maar deze situatie is niet grappig.
Hij kust haar met passie. Haar nagels graven in zijn gespierde schouders, waardoor hij zijn rug in volle overgave kromt. Zweet parelt op zijn licht getinte huid en zijn rug- en bilspieren zijn strak gespannen. Ook zijn biceps en triceps zijn hard als ijs om het gewicht van dat goddelijke lijf te kunnen dragen.
Een kreetje ontsnapt haar en ze sluit haar ogen, gooit haar hoofd achterover in de matras. Haar lange, blonde haren waaieren rondom haar uit als de kronkelende lijven van slangen. Haar rug vormt een bruggetje, een smeekbede van haar lijf om meer. Het is alle aanmoediging die hij nodig heeft. Zijn tong onderzoekt gretig welk plekje het meeste geluid oplevert, terwijl zijn hand haar borst kneedt alsof het deeg is.
‘Dit is zo lekker,’ hijgt ze. ‘Niet stoppen.’
‘Weet je dat zeker?’ vraagt hij grommend. ‘Ik kan ook...’
‘Nee,’ hijgt ze. ‘Alsjeblieft, ga door.’
Met een bons valt er een fotolijstje van het nachtkastje. Heel even kijken ze geschrokken op, maar giechelen als ze doorhebben wat het geluid veroorzaakt heeft.
‘Wat zei ik nu?’ fluistert ze in zijn oor. ‘Niet stoppen!’ Dan glijdt haar blik opzij en ziet ze míj staan.
‘What the fuck!’ gilt ze.
‘Wat is er? Wat is er?’ vraagt Don in paniek. Alsof hij echt denkt dat hij met dat piemeltje van hem iemand kan bezeren.
‘Daar staat iemand!’ krijst de vrouw. ‘Daar staat iemand in de deuropening!’
Ik slik. Eigenlijk zou ík degene moeten zijn die zo krijst, die naar dat mens wijst en schreeuwt: ‘Er ligt iemand! Er ligt iemand in míjn bed! Met míjn verloofde!’ Maar ik kan alleen als versteend blijven staan, terwijl ik me afvraag of dit echt waar is. Buiten klettert regen tegen de ramen. Het is precies hoe ik me voel. Binnen in mij regent het ook, dikke druppels. Maar vanbuiten ben ik steen.
Eindelijk heeft hij het lef om op te kijken. ‘Gigi... Ben je al thuis?’ Zijn bruine ogen kijken me betrapt aan. Ik zie aan zijn blik dat hij zoekt naar een uitweg. Een verklaring voor wat ik hier heb aangetroffen. Maar er valt weinig uit te leggen. Weinig goed te praten. Ik heb hem immers op heterdaad betrapt met een andere vrouw.
‘Verrassing,’ zeg ik schor. ‘Ik was wat eerder klaar met werken.’
Er valt een ongemakkelijke stilte, die loodzwaar op me drukt. We staren elkaar aan, alle drie, maar zeggen niets. We vormen een klein vacuüm in de tijd, terwijl mijn hoofd op het punt van ontploffen staat. Er zwieren zoveel gedachten rond als een tyfoon, dat ik geen tijd heb om ze tot me te nemen. Alle energie lekt uit me. De plek die mijn veilige haven was, voelt plotseling aan als het huis van een vreemde. Ik draai me om en slof de slaapkamer uit.
Alsof ik op de aan-knop gedrukt heb met die kleine handeling, klinken achter me stormachtige geluiden van mensen die hun kleren zoeken, aanschieten misschien. Maar de geluiden sterven weg tot één dof omgevingsgeluid, terwijl de eerste tranen mijn blik vertroebelen. Woest duw ik ze terug. Ik gun die eikel het niet om mijn verdriet te zien. Als een opwindmechanisme blijven mijn benen stug bewegen, de ene voor de andere. De overloop over, de trap af, naar de woonkamer. Ik loop in één rechte lijn naar de bank en laat me daarop zakken. Stom genoeg en helemaal op de automatische piloot zelfs nu nog keurig in mijn eigen hoekje.
Vier jaar. Vier jaar zijn Don en ik samen. We hadden net alles mooi op de rit; we hebben een halfjaar geleden een huis gekocht en een maand later ging hij zelfs voor me op de knieën! Waarom vroeg hij me in hemelsnaam ten huwelijk als hij zijn vrijgezellenbestaan niet op wil geven? Of had ik het kunnen zien aankomen?
Ik bijt op mijn lip en schud boos mijn hoofd. Het verraad prikt in mijn hart. Hoe heb ik me zo kunnen vergissen in Don? Hoe hebben ik kunnen missen dat...
Voetstappen komen haastig dichterbij. Een wolk blond haar schiet langs me heen en verdwijnt door de voordeur naar buiten. Haar parfum drijft naar me toe, maakt me misselijk met zijn mix van zoet met sekslucht.
Ik vraag me af wat ik nu moet doen. Ik wil hier echt niet blijven. Geen haar op mijn hoofd die daaraan denkt! Maar wat moet ik dan? Weggaan en hem ook nog eens hier in ons huisje laten blijven? Terwijl híj degene is die alles heeft verpest? Dat gun ik hem niet.
Maar het alternatief is ook geen optie: in die slaapkamer slapen. In dat bed slapen. Onder die lakens slapen. In de wetenschap dat zij...
‘Gigi.’
Hij komt naast me zitten en buigt zich naar me toe. Ik deins meteen opzij alsof hij een besmettelijke ziekte heeft.
‘Raak me niet aan,’ waarschuw ik.
Want ik weet niet wat ik zal voelen als hij dat zal doen. Zal mijn lijf me gewoon nog wat verder verraden en zeggen dat het veilig en helemaal goed is? Zelfs nu ik het weet?
Hij kijkt vol medelijden naar me. Niet vol berouw of vol schuldgevoel, maar vol medelijden!
‘Ik snap dat dat even schrikken was, maar...’
Even schrikken? Ik hoor de rest van zijn woorden niet eens meer. Meent hij dat serieus? Even schrikken is als je een dikke spin op de muur vindt terwijl je naar het lichtknopje zoekt. Of als één van je ouders belt dat je naar het ziekenhuis moet komen omdat er iets gebeurd is. En als het dan voorbij is en alles is goed afgelopen, zeg je: dat was wel even schrikken zeg. Maar nu? Vol ongeloof snuif ik en schud mijn hoofd. Ik kan van alles bedenken als reactie op deze situatie, maar nooit zou ik gekozen hebben voor de woorden dat was even schrikken zeg...
‘Maar wát?’ vraag ik ijzig.
De bezorgde blik in zijn ogen groeit nog een beetje en hij zendt me een alwetend glimlachje waar ik vroeger van gesmolten was tot een plasje karamel-zeezout chocolade, maar dat me nu misselijk maakt. ‘Ben je er niet helemaal bij met je hoofd? Daar heb je altijd last van als je te veel prikkels hebt gehad.’
Ik weet niet wat ik moet zeggen. Zijn woorden voelen zo intiem, maar tegelijkertijd voelt mijn hele binnenste er smerig door.
Hij schuift iets dichter naar me toe, mijn stilte verkeerd interpreterend. Ik sta op en neem afstand.
‘Ik meen het,’ zeg ik, met iets meer kracht in mijn stem. ‘Raak me niet aan.’
‘Rustig maar schatje,’ zegt hij, nog steeds op die overdreven vriendelijke toon alsof hij een wild paard probeert te temmen. ‘Het was een vergissing.’
Dat kleine zinnetje is eindelijk de vonk die mijn buskruit nodig had. ‘Een vergíssing?’ brul ik. ‘Moet ik dat echt serieus nemen?’
Het blijft stil en dat maakt me alleen maar razender.
‘Per ongeluk tegen iemand aanbotsen is een vergissing,’ snauw ik. ‘Vergeten om het kratje bier onder op je kar te laten scannen bij de kassa is een vergissing. Maar dit?’ Ik wijs naar hem en dan in de richting van onze slaapkamer. ‘Dit is geen vergissing.’ Mijn ogen vlammen en ik kijk hem recht in zijn ogen. Hij krimpt iets in elkaar en slikt. ‘Want een vergissing betekent per ongeluk. En je maakt mij niet wijs dat er per ongeluk een naakt wijf op mijn plek in ons bed lag. En dat je per ongeluk op klaarlichte dag bezig was om dat zielige piemeltje van je in haar te begraven.’
Don kijkt me beteuterd aan en eindelijk zakken zijn schouders, breekt de blik in zijn ogen.
‘Het spijt me, lieverd.’
‘Wat spijt je?’ vraag ik kwaad. ‘‘Dat je dat mens hebt geneukt? Dat je het hier thuis hebt gedaan? Of spijt het je vooral dat ik je betrapt heb?’
Zijn gezicht verschaft me alle antwoorden die ik nodig heb. Ik sta op van de bank. Hij wil me onmiddellijk volgen, maar ik houd mijn hand op om hem te stoppen.
‘Ik ga een tas inpakken,’ kondig ik aan. ‘En de komende weken gaan we de verkoop van het huis in gang zetten.’
Zijn mond zakt open. ‘Maar lieverd, neem nu geen haastige besl...’
‘Stop. Jouw haastige beslissing heeft consequenties,’ zeg ik beslist. ‘Maar gelukkig zijn je ballen leeg. Of wacht...’ Ik leg mijn vinger tegen mijn kin, alsof ik diep in gedachten verzonken ben. ‘Nee, sorry. Je moest voor het zingen de kerk uit. Jammer joh.’
Ik draai me om en loop naar onze slaapkamer. Het huis waar ik me ooit zo fijn voelde, dat ik met zoveel liefde heb ingericht, benauwt me. Het is een raar gevoel dat dit alles nu zo plotseling tot een eind komt. Dat dit misschien de laatste keer is dat ik hier rondloop terwijl ik hier woon. Zal ik het gaan missen?
Mijn hart doet vooral zeer als ik denk aan de tuin. Na de verhuizing ben ik daar zo snel mogelijk mee begonnen en het is een klein paradijsje geworden met een gezond gazon, bloeiende borders en een kruidentuintje tussen de zwerfkeien. Gelukkig gaan we de winter in, want ik weet zeker dat Don het anders gaat verpesten. Die heeft niets met tuinieren.
Shit, ik sta me hier druk te maken over de tuin, terwijl ik de komende tijd ergens zal moeten gaan wonen. Ik zal een huis moeten vinden, het liefst weer met een tuin, maar met de huidige woningnood acht ik de kans groot dat ik eerder een appartement ga vinden.
Gelukkig maar dat ik die trouwjurk nog niet bevestigd heb, schiet het door mijn hoofd en meteen volgen er nog veel meer praktische gedachten. Afspraken die ik moet afzeggen of aanpassen, dingen die ik zal moeten regelen... Zelfs die stomme vakantie schiet door mijn hoofd: hoe moet het volgende maand dan met de wintersportreis?
Ik schud mijn hoofd. Dat komt allemaal later wel. Ga eerst maar eens zorgen dat je vannacht ergens kan slapen.
Als ik op de rand van het bed ga zitten – het bed dat net nog werd omgeploegd door Don en die andere vrouw – zie ik in de spiegel voor me de ketting die Don me gaf voor mijn laatste verjaardag. De zware hanger met het flonkerende, rode hart rust tussen mijn sleutelbeenderen. Ineens voelt dat ding als een juk dat op me drukt. Weg. Ik wil dat ding weg hebben.
Ik neem niet eens de moeite om het slotje te zoeken. Een flinke ruk is voldoende om de ketting te breken. De hanger valt eraf en rolt over de matras. Ik wens vanuit het diepste centrum van mijn hart dat Don er vannacht op gaat liggen. Ik hoop dat de geslepen steentjes hem met bloed zullen tatoeëren.
Ik sta op en staar omhoog. Boven op de kast liggen mijn koffers. Normaal gesproken zou ik Don vragen of hij die er even vanaf wil pakken, maar geen haar op mijn hoofd die daar nu behoefte aan heeft. Ik klim op het bed, ga op mijn tenen staan en trek ze allebei naar me toe. Een pluk stof dwarrelt naar beneden en ik kan hem maar met moeite ontwijken. Als hij op het dekbed terechtkomt, kijk ik er even naar. Ja, die ligt daar prima. Ik stap van het bed en leg de beide koffers open boven op de grijze vlok.
Langzaam draai ik me om en schuif de kastdeur open. Even staar ik naar de uitpuilende planken waarop al mijn kleding ligt. Wat neem ik mee en wat laat ik achter in het vertrouwen dat ik het later nog op kan halen?
Zonder nadenken gooi ik al mijn spijkerbroeken in een van de koffers, gevolgd door mijn ondergoed, bh’s en T-shirts met filmfiguren en -quotes. Ook over de sokken hoef ik niet lang na te denken. Bij de jurkjes aarzel ik even. Er zijn er zoveel waaraan herinneringen met Don kleven. Wil ik daaraan herinnerd blijven worden? Wil ik elke keer weer mezelf ermee confronteren dat ik hem verkeerd heb ingeschat? Ik besluit van niet. Ik koop wel wat nieuws. Dan kijk ik naar de rij met keurige colbertjasjes. De afgelopen drie jaar had ik er bijna elke dag wel eentje aan. Maar als ik ernaar kijk, moet ik er ineens van rillen. Wanneer ben ik die dingen eigenlijk gaan dragen? Ik vond ze altijd verschrikkelijk. Maar omdat Don vond dat ik er zo sexy in uitzag...
Ze blijven hier. Allemaal. Of nou ja... Misschien die ene niet dan. Die zit wel fijn. Ik trek mijn favoriete jasje van de hanger, vouw hem zo goed mogelijk op en leg hem in de koffer.
Zo ga ik de hele kast bij langs en neem daarna de tijd om in mijn hoofd even door het huis te gaan. Waar hecht ik waarde aan? Wat moet nu mee? Met het lijstje in mijn hoofd loop ik vervolgens vlot langs de verschillende opbergplekken om alles op te halen wat ingepakt moet worden.
Als beide koffers en mijn rugtas vol zitten, sta ik op. Het wordt hoog tijd om te gaan. Ik wil hier niet langer meer blijven dan strikt noodzakelijk.
Ik dwing mezelf in beweging en trek als laatste de lades van mijn nachtkastje open. Het meeste laat ik liggen; het zijn prullen waar ik prima zonder kan. Maar bij mijn sieradendoosje aarzel ik. Met trillende vingers klap ik het open. Het meeste wat hierin zit, heb ik van Don gekregen. Ik voel echt niet de behoefte om dat mee te nemen. Maar daar, helemaal onderin, ligt een ketting waar ik nog altijd warm van word als ik hem zie. Het zilver is na al die jaren wat dof uitgeslagen en het is niet een of ander duur merk, maar toch is hij voor mij heel waardevol. Met een droevige glimlach haal ik het sieraad uit het doosje en hang de ketting weer om mijn nek. Veel beter dan die opzichtige hanger van Don. De verlovingsring schuif ik van mijn vinger en stop ik met het doosje terug in de la.
Nog geen halfuur later sta ik buiten met twee koffers en een rugtas. Het is verrassend hoe snel het me lukte om de dingen die er voor mij echt toe doen klaar te maken om deze plek voor altijd te verlaten. Mijn overige bezittingen haal ik een andere keer wel op, maar hier kan ik in ieder geval even de komende dagen mee vooruit. Vanachter de ruit voel ik Dons ogen in mijn rug prikken, maar ik negeer hem. Besluiteloos vraag ik me af wat ik nu moet doen. Mijn leven is op een soort T-splitsing aangekomen. Ga ik linksaf? Of rechtsaf? Verder rechtdoor is niet langer mogelijk.
Het regent pijpenstelen. Op straat vormen zich grote plassen en mijn haar is nu al kleddernat. Druppels kruipen over mijn koffers richting het wegdek. Wanhopig kijk ik naar links en naar rechts. Waar moet ik naartoe? Ik kan hier toch niet blijven staan?
Getik haalt me uit mijn overpeinzingen. Ik kijk om me heen waar het vandaan komt, maar het blijkt Don te zijn die mijn aandacht probeert te trekken. Zijn gezicht staat toegeeflijk en hij wenkt me, alsof hij probeert te zeggen: Kom toch binnen, dit is gekkenwerk! Vlug draai ik me van hem af. Dit werkt niet.
Met een nijdig gebaar trek ik de koffers in beweging en loop naar links, de straat uit, zodat ik in ieder geval niet meer in zijn gezichtsveld sta.
Ik zet de koffers neer en ga op de grootste zitten. Mijn billen tintelen als het koude water door mijn broek dringt, maar het kan me niets schelen. Ik ben toch al hard bezig om doorweekt te raken.
Het valt niet mee om met mijn klamme vingers mijn telefoon uit mijn zak te peuteren, maar het lukt. Meteen vallen er regendruppels op het scherm, waardoor de beelden en woorden vervormd raken. Mijn vingers zweven er besluiteloos boven. Wie moet ik bellen? Mijn moeder? Mijn vader? Uiteindelijk besluit ik om mijn beste vriendin te bellen. Na drie keer rinkelen neemt ze op.
‘Selia?’ Mijn stem hapert.
‘O God, wat is er aan de hand?’
Bij het horen van haar vertrouwde stem, beginnen mijn ogen dan toch over te stromen. Met lange uithalen komt het verdriet naar buiten.
‘Wat is er aan de hand?’ vraagt mijn beste vriendin geschrokken.
‘Don,’ breng ik uit.
‘Don? Is er iets met hem gebeurd?’
In mijn hoofd dendert er een vrachtwagen over hem heen. Dat beeld is aanlokkelijker dan het beeld dat nu voor altijd op mijn netvlies gebrand staat.
‘Gigi? Zeg alsjeblieft iets, lieverd.’
Ik dwing mijn stembanden om klanken te produceren. ‘Mag ik naar jou toekomen?’
‘Lieve schat, natuurlijk,’ zegt ze zacht. ‘Moet iemand je even komen halen?’
Mijn blik glijdt terug naar onze straat. Daar op de oprit staat onze auto, maar ik heb de sleutel niet meegenomen en ik wil echt niet meer naar binnen.
‘Kan dat?’
‘Daar gaan we voor zorgen.’
*
EEN MINUUT OF TIEN later komen er koplampen in zicht die bij een bekende auto horen. Opgelucht haal ik adem en stap van mijn koffer.
Als het voertuig naast me tot stilstand komt, zit niet Selia’s gezicht achter het stuur. Het is zelfs niet Raf, haar man, maar haar broertje Jesse. Verrast kijk ik hem aan. Het is even geleden dat ik hem voor het laatst heb gezien. Hij heeft nog steeds dat warrige, blonde haar, de vrolijke blauwgrijze kwajongensogen en dat plagerige lachje. Toch oogt hij niet helemaal hetzelfde. Waren zijn kaken vroeger ook al zo hoekig? En sinds wanneer heeft hij baardgroei? Of nou ja, stomme vraag natuurlijk. Hij is ook geen zestien gebleven. Hoe oud is hij nu? Zesentwintig, toch?
‘Hé, panda. Lift nodig?’
Rijdt hij nu toevallig langs? Of heeft Selia hem gestuurd, aangezien hij in haar auto zit?
‘Ga je verhuizen of zo?’ Hij knikt naar de koffers die staan te verdrinken in de regen.
‘Zoiets ja,’ mompel ik.
‘De kofferbak is van het slot.’
Ik sleep mijn koffers naar de achterzijde van de auto en open de kofferbak. Er slingert nog wat rommel, maar beide koffers passen er nog bij. De rugtas leg ik op de achterbank.
‘Ben je soms in het kanaal gevallen?’ vraagt Jesse misprijzend als ik naast hem kom zitten.
‘Zie ik eruit alsof ik hier voor mijn lol sta?’ vraag ik hem nogal kattig.
‘Niet echt,’ zegt hij zacht. ‘Kom, doe die deur dicht. Het regent naar binnen.’
Ik doe wat hij zegt, terwijl hij de kachel hoger zet. De warme lucht voelt heerlijk op mijn verkleumde, natte huid.
‘Naar Selia?’
Ik knik. ‘Ja, graag.’
Hij zet de auto in de versnelling en geeft gas. Ik kan het niet laten om opzij te kijken als Jesse voorbij onze straat rijdt. Er brandt licht in de woonkamer, maar ook in de slaapkamer, terwijl ik zeker weet dat ik het daar zo-even heb uitgedaan. Zou hij soms dat mens gebeld hebben dat de kust weer veilig is? Dat ze terug kan komen?
Ik bal mijn vuisten en bijt op mijn lip. Het liefst zou ik Jesse vragen om naar ons huis te rijden, zodat ik het met eigen ogen kan zien. Het niet weten is voer voor mijn fantasie. Toch doe ik het niet. Het is mijn zaak niet meer wat Don wel en niet doet. Toch zou het wel fijn zijn als hij in ieder geval een beetje rouwt om onze verbroken relatie. Dat zou betekenen dat deze relatie ooit echt was. Dat ik niet de enige was die...
‘Wat is er gebeurd? Of is dat geheim?’
Jesses stem doorbreekt de stilte. Ik scheur mijn blik los van het straatbeeld en focus me op mijn chauffeur.
‘Je komt er toch wel achter,’ zucht ik. ‘Het is uit met Don.’ Dan bedenk ik me dat het even geleden is dat ik Jesse voor het laatst heb gesproken. ‘Mijn vriend. Verloofde.’ Ik kreun en verbeter mezelf nogmaals: ‘Ex-verloofde.’
‘Uit? Wat heeft die hufter nu weer gedaan?’
Hufter? Nu weer? Heb ik iets gemist? Verward kijk ik opzij, maar zijn gezicht geeft geen uitleg bij zijn woorden. Hij staart geconcentreerd vooruit, maar het valt me wel op dat zijn kaken strak op elkaar geklemd zijn en dat zijn knokkels op het stuur wat wit zijn uitgeslagen. Weet hij iets wat ik niet weet? Weet de hele wereld soms iets wat ik niet weet?
‘Hij ging vreemd,’ zeg ik dan. Mijn keel brandt en mijn tranen klimmen naar boven. Boos veeg ik langs mijn ogen. ‘In ons eigen huis nog wel.’
‘Ik wist het,’ gromt Jesse.
‘Huh?’
Zijn blik flitst naar mij. ‘Ik wist het niet écht,’ zegt hij vlug. ‘Ik bedoel: bij sommige mensen heb je zo’n onderbuikgevoel.’
‘En dat had je bij Don?’ vraag ik verward. Kende hij mijn verloofde dan?
Hij haalt zijn schouders op. ‘Hij ging wel erg soepeltjes om met vrouwen. Nooit opgevallen?’
Natuurlijk wel. Dat vond ik altijd een van zijn charmes. Een van de redenen waarom ik voor hem ben gevallen. Ik onderdruk de neiging om naar mezelf met mijn ogen te rollen. En ben je nu verbaasd dat hij dat ook op andere vrouwen toepaste? Dom, naïef meisje.
Jesse draait de oprit van Selia’s huis op en parkeert onder de carport.
‘Was je toevallig bij haar op visite?’ vraag ik nieuwsgierig.
‘Ja. Ik heb bonje met mijn ouders.’
‘Woon je nog thuis dan?’
‘Weer,’ verbetert hij me. ‘Ik heb een paar jaar in het buitenland gezeten.’
‘O ja,’ zeg ik. ‘Oostenrijk, toch?’
‘Ja, ik heb snowboardles gegeven.’
‘En nu ben je weer terug?’
Hij knikt. ‘Dat is wel het plan ja.’ Hij haalt een hand door zijn haar, waardoor een piek rechtovereind blijft staan. Ik kan een glimlach niet onderdrukken. Vroeger wilde zijn haar ook nooit in model blijven zitten, tot grote frustratie van zijn moeder.
‘Het valt me wel een beetje tegen om weer thuis te wonen,’ vertrouwt hij me toe. ‘Zeker nu er een collega over is uit Oostenrijk. Ze waren zo lief dat die ook mocht blijven logeren, maar ik moet echt alles overleggen. Ik ben het niet meer gewend.’
Hij gooit het portier open en stapt uit. Ik volg iets slomer. Tegen de tijd dat ik bij de kofferbak ben, heeft hij mijn bagage al uit de auto gehesen.
‘Jemig, wat heb je allemaal bij je?’ moppert hij. ‘Werk je als steenhouwer of zo?’
‘Gigi!’
Ik draai me om en zie Selia in de deuropening staan. In haar donkere bobkapsel hangen stukjes klei, waardoor ik bijna zeker weet dat ze net bezig was met boetseren. Ik zwaai treurig naar haar en wuif wat vaag naar mijn koffers. Met behulp van Jesse verplaats ik alles naar binnen, waarna Selia me naar de woonkamer trekt en me op de bank duwt. Op de salontafel staat al een dampende pot thee op me te wachten.
‘En nu wil ik weten wat er aan de hand is,’ zegt ze met klem.
Ik hap naar adem en zoek naar de juiste woorden.
‘Kort samengevat?’ vraagt Jesse. ‘Ze heeft die hufter van haar eindelijk kunnen betrappen, zodat ze verder kan met haar leven.’
‘Jesse!’ roept Selia boos. Daarna flitst haar blik naar mij. ‘Is het waar?’
Ik zucht. ‘Ja. Helaas wel.’
‘Meid toch.’ Ze is meteen bij me om me even stevig te knuffelen. ‘Vannacht slaap je lekker hier. En morgen meld je je maar ziek op je werk, zodat we even kunnen bedenken hoe het nu verder moet.’
Hoe het nu verder moet... Daar heb ik helemaal nog niet bij stilgestaan. Ik wilde alleen maar weg, naar Selia. Nu ik hier ben, dringt de waarheid tot me door. Ik ben negenentwintig en in plaats van dat ik mijn leven op de rit heb, ben ik dakloos en staat mijn leven op de kop. Ik moet keuzes maken. Aan de slag. Een nieuwe koers uitstippelen. Terwijl ik eigenlijk het liefst in een hoekje wil kruipen, met mijn hoofd onder een kussen, om niet meer op te staan.
‘Shit, die vakantie volgende maand,’ moppert Selia.
‘Ja, dat dacht ik ook al.’
‘Nou, jammer dan hoor. Je gaat maar mooi mee.’
‘We zouden met twee stellen gaan! Ben ik de hele tijd het blok aan jullie been.’
Selia knuffelt me nogmaals, steviger dit keer. ‘Jij bent nooit een blok aan ons been. En weet je wat? We zoeken er wel iemand bij. Scheelt ook weer in de kosten.’
‘Wie dan?’ vraag ik voorzichtig. Ik moet daar namelijk wel een kamer mee delen en bovendien vieren we ook kerst in Oostenrijk.
‘We zouden Kayleigh kunnen vragen?’
Mijn hart maakt een sprongetje. Selia’s jongere zus is een schatje en ze weet bovendien hoe ze wat leven in de brouwerij moet brengen.
‘Ja, goed idee.’
Selia zendt me een scheve grijns. ‘Herinner je je dat jaar nog dat je bij ons de kerstdagen doorbracht?’
Ik snuf en grinnik tegelijkertijd. De scherven in mijn hart schuren tegen elkaar. ‘Ja,’ zeg ik krakerig.
