Paedagogische Overwegingen - Eva Wilhelmina Asscher - E-Book

Paedagogische Overwegingen E-Book

Eva Wilhelmina Asscher

0,0
1,49 €

oder
-100%
Sammeln Sie Punkte in unserem Gutscheinprogramm und kaufen Sie E-Books und Hörbücher mit bis zu 100% Rabatt.

Mehr erfahren.
Beschreibung

HET gesprek liep over het resultaat, dat ik na een moeilijke opvoeding, met een mijner pupillen bereikt had.
En, zou je de verschillende kinderen nu nog allen op dezelfde wijze behandelen?” vroeg een der aanwezigen, enthousiast.
„Helaas, neen,” bekende ik. Althans niet practisch. Wij ouderen van dagen, zijn daar meestal niet meer toe in staat. Wij missen de kracht om bij de opvoeding onzer lievelingen de strengheid door te voeren, welke het kind tot een zelfstandig, vrij individu kan vormen. Velen onzer hebben te droeve ervaringen opgedaan omtrent het leven, velen hebben te pijnlijk aan den lijve ondervonden, wat het kind mogelijk te wachten staat. Het enthousiasme, waarmede de jeugdige opvoedster(der) in de gelukkige toekomst van het kind gelooft, bezielt haar werk. Het is een kracht in haar, waarbij de meest ervarene het moet afleggen. Daarom verkies ik de jeugdige opvoedster voor het jeugdige kind.
—In een groot gezin, vullen de oudere kinderen gewoonlijk het te kort van de Moeder voor de jongere aan—
Laat ik u mijn bewering met een voorbeeld uit mijn praktijk toelichten

Das E-Book können Sie in Legimi-Apps oder einer beliebigen App lesen, die das folgende Format unterstützen:

EPUB

Veröffentlichungsjahr: 2023

Bewertungen
0,0
0
0
0
0
0
Mehr Informationen
Mehr Informationen
Legimi prüft nicht, ob Rezensionen von Nutzern stammen, die den betreffenden Titel tatsächlich gekauft oder gelesen/gehört haben. Wir entfernen aber gefälschte Rezensionen.



 

 

GESCHIEDENIS HYGIENE

E. W. ASSCHER

PAEDAGOGISCHE OVERWEGINGEN

MET NASCHRIFTEN VAN DR. J. H. GUNNING Wzn.

1920

© 2023 Librorium Editions

ISBN : 9782383837923

 

 

INHOUD

 

BLZ.

I

IEDER ONS AFGEBAKEND TERREIN

5

II

HAAR NATUURKINDJE (MET NASCHRIFT)

8

III

NIET „PREEKEN”

11

IV

HET RECHT VAN STRAFFEN EN VERMANEN

14

V

HET STERKEN VAN DEN WIL

17

VI

EERBIED VOOR DE MEENINGEN VAN ONS KIND

20

VII

DE JUISTE STRAF

23

VIII

EEN TOEKOMSTBEELD

27

IX

DE SINAASAPPELMETHODE VAN JAN LIGTHART (MET NASCHRIFT)

29

X

HOE DEZE PAEDAGOOG ER OVER DACHT

34

XI

ONS HUMEUR

37

XII

DE FABEL (MET NASCHRIFT)

39

XIII

OPRECHTHEID

42

XIV

OVERBLUFFEN (MET NASCHRIFT)

44

XV

VOORZICHTIG INGRIJPEN

49

XVI

SCHAAMTE IS EEN MACHTIGE HULP TER VERBETERING

52

XVII

DE GENOEGENS VOOR HET KIND

55

XVIII

OP HET KLEINE KIND VALT NIMMER TE REKENEN (MET NASCHRIFT)

58

XIX

WAT HIELP (MET NASCHRIFT)

61

XX

TWEE VLIEGEN IN EEN KLAP

64

XXI

EENTONIGE ARBEID

68

XXII

GEEN WIJZE REDENEERINGEN

70

XXIII

DE GEVOELENS VAN HET KIND

73

XXIV

DE RECHTEN VAN HET KIND

76

XXV

MUZIEK LEEREN

78

XXVI

IETS MOETEN DOEN EN IETS WILLEN DOEN (MET NASCHRIFT)

81

XXVII

DE KUNST VAN BEVELEN

84

XXVIII

HUN ALTRUÏSME

87

XXIX

HET KORTE WOORD (MET NASCHRIFT)

89

XXX

SNOEPEN

95

XXXI

WAAGHALZERIJ

98

XXXII

DE KLEINE KUNSTENAAR

100

XXXIII

HET SPRAK VAN ZELF

102

XXXIV

LIEFDE

103

XXXV

EERLIJKHEID

106

XXXVI

RECHTVAARDIGHEID (MET NASCHRIFT)

109

XXXVII

ZELFVERBETERING (MET NASCHRIFT)

112

XXXVIII

EERBIED

115

XXXIX

VEELEISCHENDHEID

117

XL

JALOERSCHHEID

120

XLI

EENKENNIG

122

XLII

DE KLEINE PAEDAGOOG

125

XLIII

WEELDE

128

XLIV

DOORZETTEN

132

 

 

I IEDER ONS AFGEBAKEND TERREIN *

Het gesprek liep over het resultaat, dat ik na een moeilijke opvoeding, met een mijner pupillen bereikt had.

„En, zou je de verschillende kinderen nu nog allen op dezelfde wijze behandelen?” vroeg een der aanwezigen, enthousiast.

„Helaas, neen,” bekende ik. Althans niet practisch. Wij ouderen van dagen, zijn daar meestal niet meer toe in staat. Wij missen de kracht om bij de opvoeding onzer lievelingen de strengheid door te voeren, welke het kind tot een zelfstandig, vrij individu kan vormen. Velen onzer hebben te droeve ervaringen opgedaan omtrent het leven, velen hebben te pijnlijk aan den lijve ondervonden, wat het kind mogelijk te wachten staat. Het enthousiasme, waarmede de jeugdige opvoedster(der) in de gelukkige toekomst van het kind gelooft, bezielt haar werk. Het is een kracht in haar, waarbij de meest ervarene het moet afleggen. Daarom verkies ik de jeugdige opvoedster voor het jeugdige kind.

—In een groot gezin, vullen de oudere kinderen gewoonlijk het te kort van de Moeder voor de jongere aan—

Laat ik u mijn bewering met een voorbeeld uit mijn praktijk toelichten.

Onze Cor was zeer slordig. Sedert het kind op zesjarigen leeftijd zichzelf dagelijks lichamelijk moest verzorgen, viel er tooneel op tooneel voor, tusschen vader en zoon, waarbij Moeder en ik Vader steunden. De ernstigste straffen mochten niet baten. Jaren lang werd Cor drie, vier maal terug gestuurd om zich beter te wasschen, voordat hij mede aan tafel mocht zitten. Hij was reeds elf jaar, toen Vader op een middag wanhopig uitriep, „de jongen krijgt de handen niet meer schoon, het vuil is in zijn huid gegrift!”

Kort daarop ging Cor naar het gymnasium. Hij had voor dien tijd een derde klasse school bezocht. Tot onze verbazing werd Cor binnen een half jaar „het Heertje”. Hij had voortaan geen enkele aanmoediging noodig. Hoe meer wij het leven ervoeren, hoe meer het ons berouwde, dat we het den jongen zoo lastig hadden gemaakt.

Het acht jaar jongere broertje bleek even slordig als Cor. We behandelden hem echter anders. Nu eens vermaanden we Bert, dan weer spoorden we hem vriendelijk aan een nette jongen te zijn, maar meestal verzorgden we hem zelf. We rekenden op het leven, dat stellig verbetering zou brengen. Bert ging ook naar het gymnasium. Hij is nu vijftien jaar en...... nog even slordig als op zesjarigen leeftijd.

We behandelen hem nu op dezelfde wijze als we Cor gedaan hebben. We zijn er echter lang niet van overtuigd te slagen. In het eerste geval, is het zaad, dat we gestrooid hebben en jarenlang hebben verzorgd, door gunstige omstandigheden tot vollen wasdom gekomen. We hebben bij hem echter verzuim gepleegd. Dergelijke fouten door vele oudere opvoedsters(ders) begaan zijn zelden weer goed te maken.

„Hebben wij ouderen dan minder waarde bij de opvoeding van jeugdige kinderen?” vroeg Mevr. R. teleurgesteld.

„Welneen,” troostte ik. „We hebben alleen ieder ons afgebakend terrein.”

„De Jeugdige opvoedster(der) de practische uitvoering.”

„De oudere opvoedster(der) haar theoretische kennis en ervaring.”

„De bejaarde opvoedster(der) haar onbegrensde liefde, geduld en troost.”

 

 

II HAAR NATUURKINDJE *

„Pop is een natuurkindje? Een kind moet zich uitleven! Ik hoor het van alle kanten. De tijdschriften en couranten staan er vol van. Jammer dat ik het niet eerder geweten heb. Nu ja, de ouderen zijn wel flinke lieve kinderen geworden, maar ze hebben toch niet zoo'n prettige jeugd gehad. Ik heb ze opgevoed met het drilsysteem, dat me van Ouder tot Ouder is bijgebracht geworden. Het nakomstertje is zoo vroolijk. Pop leeft zoo heerlijk zonder dwang!”

Moeder bazuinde het uit voor elk gewillig oor. Dat mij „de lof harer zotheid” niet bespaard bleef is natuurlijk. Sinds eenige jaren gaf ik den ouderen kinderen pianoles en had gelegenheid op te merken, dat haar onmacht tegenover Pop, Moeder steeds zwaarder ging drukken. Van vele kanten hoorde ik, dat het waarlijk schattige, pientere kindje de schrik was voor allen, die met haar in aanraking kwamen. Suus kende geen gehoorzaamheid. Ze gaf aan elke opwelling gehoor zonder eenige rekening te houden met de gevolgen voor anderen. Ze vernielde wat haar lustte. Pop was, juist geoordeeld, een halve wilde. Als vreemde mocht ik niet ingrijpen. Deze bekrompen liefhebbende Moeder zou het trouwens niet geduld hebben. Met hare roerende liefde verdroeg ze in hoofdzaak alleen de moeite en lasten van haar schat. Ze liet haar zelden aan een ander over.

Toen Mijnheer, zijn reeds dikwijls verworpen plan—om met Mevrouw en de oudere kinderen een reisje door Nederland te doen—eindelijk wilde doorzetten, werd het Moeder bang om het harte voor haar „Natuurkindje”. De bijna driejarige Suus moest dan voor vier weken bij familie gaan logeeren. Terecht vreesde Moeder, dat dit veel verdriet voor Pop zou meebrengen. De ontstemmingen, die het kind bij anderen gewoonlijk teweegbracht waren Moeder maar al te zeer bewust geworden.

Ze kon niet besluiten.

„Neen, vast niet bij tante Lies, ze is zoo overdreven precies.”

„Bij oom Henk nog minder. Hij heeft zulke dolle driftbuiën.”

In haar Moederlijke bezorgdheid waagde ze het mijn hulp in te roepen. Ze kende me in den omgang met vele kinderen. Ik woonde toen bij een familie, die een jongen en een meisje in den leeftijd van Suus hadden.

Dankbaar aanvaardde ik de vereerende, doch moeilijke taak.

Het zou de Moeder na jaren van inspanning eens wat rust geven en ik hoopte tegelijk bij de lieve Suus wat te kunnen goed maken.

Ik begon met mijn kleine patiënte eenige dagen waar te nemen, voordat ik ernstig ging ingrijpen.

Haar pretenties waren schering en inslag.

„Ik hoef niet te gaan slapen terwijl onze broer 's morgens een uurtje naar bed moet om te rusten.”

„Ik mag naast tante E. aan tafel zitten.” Jet en Han waren dit gewend.

„Ik moet tante E. op straat een arm geven,” een voorrecht, dat zus en broer noode afstonden.

„Waarom jij?” vroeg ik al gauw, haar hoogst verbaasd aanziende.

......Nou...e, nou......

Voor mijn blik, sloeg ze de oogjes deemoedig neêr. Het was de eerste keer in haar leven.

„Jij gaat 's morgens ook naar bed,” omdat alle kindertjes van nog geen drie jaar 's morgens wat gaan rusten.

„Jij moogt evenveel beurten hebben als de andere kinderen om op straat aan mijn arm te loopen.”

Na eenige dagen liet ze elke aanmatiging varen. Meer en meer paste ze zich kalm aan. Ten slotte leefde ze de gewoonten van de andere kinderen volledig mede.

Moeder had me een vinger gegeven, ik wilde nu de geheele hand hebben.

Ik nam voortaan het recht de leefwijze van onze Suus mede te bedisselen.

Het werd Moeder langzamerhand wel duidelijk, dat ze het beginsel „het Kind moet zich uitleven” op een verkeerde wijze had toegepast. Ze was me heel dankbaar. Haar kind werd stipt gehoorzaam. Het genoot niettemin een veel prettiger jeugd dan de oudere kinderen. Suus had meer vrijheid.

We moeten met onze paedagogische voorlichtingen in de populaire bladen, heel voorzichtig zijn tegenover het leekenpubliek, meer en meer zien te bereiken, dat door een deskundige uitsluitend persoonlijke voorlichting wordt gegeven aan minder ontwikkelde, minder ervaren Moeders. Paedagogische voorlichtingen kan het gros van het publiek nog niet verwerken.

Naschrift. Ik geloof niet, dat er in „Het Kind” ooit voorlichtingen hebben gestaan, die tegen bovenstaand lesje indruischten. Red.

 

 

III NIET „PREEKEN” *

Volgaarne had ik voor de familie mijn vrijen tijd beschikbaar gesteld, om bij ontstentenis der Moeder door een of andere bijzondere omstandigheid, haar bij de kinderen te vervangen. Ik was nu ter geruststelling van de Moeder, reeds vier weken bij Fred gelogeerd, voordat het nieuwe zusje arriveerde. Zoo lang hield ik me in hoofdzaak met de oudere kinderen bezig, regelde hun huiswerk en ging met ze wandelen. Moeder bracht me intusschen op de hoogte van de nooden der kleintjes.

Onze vierjarige Fred was een echte slokop. Na de beste voorzorgen, gebeurde het toch vaak, dat zijn maag van streek was. Wanneer Moeder 's morgens om het hoekje van de deur der kinderkamer keek, zag ze 't dadelijk, als het mis was met den kleinen Fred. Dan lag hij, met blauwe kringen onder de oogen en vaal bleek gezicht, futloos in het bedje ter neer. Op dokters voorschrift moest ze hem dan laten liggen tot hij zelf verlangde op te staan en wanneer hij lust had hem een kopje thee en een droge beschuit geven.

Toen ik op een morgen op het portaal naar de kinderkamer liep, hoorde ik een druk, opgewekt leven.

„Hoep, fort, klap ...”

Ik keek, zooals moeder gewoon was te doen, om het hoekje der deur. Onze Fred zat, als Hollandsch welvaren, zijn denkbeeldig paard, wiens werkelijke leidsels hij om de spijlen van zijn bed had gehaald, op te zweepen.

Zoodra hij mij ontwaarde, wierp hij zich als door een electrischen schok getroffen op het kussen neer en zette een beklagenswaardig gezicht, den besten comediant tot eer.

„Hè—héë—.” Hij zuchtte al dieper.

Ik ging bij zijn bedje zitten en vroeg belangstellend, „wat is er ventje? wat scheelt er aan?”

„Hè—hèe—ik geloof, dat mijn maag weer van streek is. Laat u mij nog wat in bed blijven en geef u mij a. u. b. een kopje thee met een droge beschuit. Moeder doet dat ook altijd,” onderrichtte de kleine deugniet.

(Hij wilde zoo gaarne nog wat paardje blijven rijden).

Ik bleef hem even conscientieus waarnemen en zei toen op zijn eigen beklagenswaardigen toon.

„Jammer, erg jammer.”

—Een paar belangstellende, levendige oogen blikten me toe.—

„Jammer toch. Mevrouw Paula heeft zooeven laten vragen of je heel vroeg bij Frieda, (zijn liefste vriendinnetje), komt spelen.”

Met een zelfden electrischen schok sprong hij overeind. „Bi, ba, boe,” danste hij in bed rond, de dwaaste grimassen makende, de wildste geluiden uitstootende. „Lekker! lèëker! Lekker gefopt! Ik ben niet ziek! Ik maakte maar een grapje .... Leuk hè, tante?” waagde de slimmerd er nog aan toe te voegen.