3,99 €
Cleda Livingstone is een piratenprinses: de dochter van Hunter Livingstone, een gevreesde piraat uit Kill Devil Hills. Na de dood van Blackbeard terroriseert hij de kust van North Carolina met zijn bende. Cleda is uitgehuwelijkt aan Crispin, de zoon van een andere machtige piraat uit Cape Hatteras, maar wil stiekem een heel ander leven voor zichzelf.
Dan slaat het noodlot toe. Cleda wordt op weg naar haar verloofde gekidnapt door Dorian Sherwood, een struikrover en tevens de gezworen vijand van haar vader. Dorian heeft Cleda al eerder geprobeerd te ontvoeren en destijds losgeld te vragen. Nu houdt hij Cleda gevangen in zijn fort diep in de bossen van North Carolina. En tot haar grote schrik lijkt Dorian niet alleen op Cleda's geld uit te zijn... hij wil haar helemaal. Haar onschuld. Haar hart. Haar ziel.
NB: bevat expliciete scènes.
Das E-Book können Sie in Legimi-Apps oder einer beliebigen App lesen, die das folgende Format unterstützen:
Seitenzahl: 211
Veröffentlichungsjahr: 2022
Piratenprinses
is een uitgave van
Dutch Venture Publishing
Copyright © 2022 Dutch Venture Publishing
Auteur: L Z Hammond
Omslagontwerp: Jen Minkman
Tekstredactie: Jen Minkman & Marieke Veringa
Eerste uitgave juli 2022
NUR 343
Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke wijze dan ook, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen, of enige andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever.
Titelpagina
Copyright Pagina
Proloog - zes jaar geleden | 1718
Hoofdstuk 1 | 1724
Hoofdstuk 2
Hoofdstuk 3
Hoofdstuk 4
Hoofdstuk 5
Hoofdstuk 6
Hoofdstuk 7
Hoofdstuk 8
Hoofdstuk 9
Hoofdstuk 10
Hoofdstuk 11
Hoofdstuk 12
Hoofdstuk 13
Hoofdstuk 14
Hoofdstuk 15
Epiloog
‘Sneller!’ schreeuwde de koetsier tegen de paarden. De houten wielen van de koets ratelden over de deels verharde weg. Cleda kneep haar ogen dicht en bad tot God dat ze het stadje zouden halen. Dat ze in elk geval op de weg richting de haven terecht zouden komen. Ze waren er bijna, in Manns Harbor – dat kon ze aan de wielen op de weg horen. Eenmaal daar zou een van de kapiteins met wie haar ouders bevriend waren haar wel naar Roanoke Island kunnen brengen, en vanaf daar naar Kill Devil Hills.
Toen maakte de koets een vreemde slingering en werd Cleda met kracht naar voren gesmeten door de cabine. Binnen een oogwenk zakte het koetswerk naar links. Een van de wielen was eraf gelopen door de dollemansrit die de koetsier had ingezet om de struikrovers voor te blijven.
‘Oh nee, oh nee, lieve God,’ prevelde ze. Nu waren ze verloren. Ze zouden beroofd worden en misschien zelfs wel gedood. Al was haar vader de meest machtige piraat van Roanoke Island en omstreken sinds Blackbeard was onthoofd, zelfs hij kon haar nu niet te hulp schieten. Zijn enige dochter zou vermoord worden voor ze zelfs maar opgegroeid was tot een vrouw.
De deur van de koets werd met een schreeuw opengerukt. ‘Hier is ze,’ hoorde ze een ruwe stem zeggen. Een hand schoot uit en klemde zich om haar bovenarm.
‘Laat me los!’ brulde Cleda. Ze sloeg en schopte met alle kracht die ze in haar twaalfjarige lichaam had, maar de hand liet niet los.
Ze werd de koets uit gesleurd. Met angstige ogen staarde ze de bebaarde man aan die haar eruit had getrokken. Wat had hij eigenlijk gezegd... Hier is ze? Waren ze dan op zoek naar háár?
‘Zo.’ Een andere stem, rustiger en iets minder zwaar, liet haar omkijken. In het maanlicht zag ze een jongeman staan, die misschien net twintig was maar door zijn hele houding onverbiddelijke autoriteit uitstraalde. Zijn donkerbruine, halflange haren leken bijna zwart in het bleke licht van de maan. Toen hij een stapje dichterbij zette, zag ze dat zijn ogen licht waren – blauw of groen. Sprakeloos staarde ze hem aan. Wie was deze man?
‘We hebben je gevonden, Cleda Livingstone,’ sprak hij rustig. ‘En je vader gaat een hoop betalen om jou terug te krijgen.’
Met een ruk schoot Cleda wakker uit de angstdroom die haar bijna had laten vergeten te ademen.
Het was altijd dezelfde droom: haar moeder en zij zaten in een sloep die door de golven heen en weer werd geslingerd in een storm die voor Kill Devil Hills woedde. Haar moeder werd overboord gesmeten en zij bleef achter, schreeuwend en gillend om haar moeder. En net op het moment dat de golven ook haar onder water mee wilden sleuren, werd ze wakker.
Ze ging rechtop zitten en greep naast zich het doekje uit de waskom die op tafel stond. Het zweet stond op haar voorhoofd en liet haar lange, bruine haren tegen haar huid plakken. Ze depte het weg.
Had ze de werkelijkheid ook maar op deze manier stil kunnen zetten. Was haar moeder maar nooit verdronken in de wateren van de Outer Banks. Maar ze was weg en ze kwam nooit meer terug.
Cleda slikte haar tranen weg en stond resoluut op uit bed. Ze had deze nachtmerrie al zo vaak gehad. Daar moest ze de dag niet door laten bepalen. Haar vader verwachtte haar om acht uur in de ontbijtzaal en om negen uur moest ze acte de présence geven bij meester Andrew in de schoolvleugel voor een dag vol politiek, Franse en Spaanse taal en geschiedenis.
Nou ja, “schoolvleugel” was een groot woord. Er waren geen andere leerlingen; ze was er helemaal alleen. Dat was ze altijd al geweest. Zelfs vóór de ontvoering was ze het enige kind binnen de muren van het fort in Kill Devil Hills geweest. Ze had geen leeftijdgenootjes gehad om mee te spelen en nu was ze te oud om te spelen. Ze was achttien. Oud genoeg om te trouwen. Haar vader had een tijdje geleden de naam van prins Crispin laten vallen, die de zoon was van een andere belangrijke piratenfamilie op Cape Hatteras. Die alliantie zou goed zijn voor beide clans. Ze had Crispin een paar keer ontmoet en hij leek haar een aardige jongen. Beleefd en respectvol. Geen lompe drinkebroer zoals zoveel piraten in haar vaders clan. Misschien zou ze, naast zijn vrouw zijn, ook echt vrienden met Crispin kunnen worden.
Cleda zuchtte. Ze baalde ervan dat ze geen vrienden had. Geen broers of zussen. De enige persoon met wie ze ooit een vriendschappelijke band had gevoeld, was...
Nee. Ze wilde niet aan hem denken, niet eens aan zijn naam, maar de gedachte was niet te onderdrukken.
Dorian Sherwood.
De struikrover die haar zes jaar geleden ontvoerd had en aan haar vader een grote som losgeld had geëist. De man die toen twintig was geweest; iets ouder dan zij nu was. De jongste leider van de highwaymen in het gebied rond Alligator River, omdat zijn vader al jong was gestorven.
Ze had dit nooit aan iemand verteld – aan wie zou ze het ook moeten opbiechten bij afwezigheid van vrienden? – maar hoe langer ze in het gezelschap van Dorian had doorgebracht, hoe gezelliger Cleda het had gevonden. In de weken dat ze als gevangene bij de struikroversbende had gebivakkeerd, behandelde Dorian haar goed. Ze kreeg prima te eten en had een eigen kamer in zijn fort in de bossen van North Carolina. Ze werd niet geslagen of mishandeld. Het was bijna alsof ze ineens een oudere broer cadeau had gekregen waarmee ze kaartspelletjes had gedaan en door het bos had gerend op zonnige dagen. Natuurlijk binnen de omheining van hun geheime fort in het woud, Fort Sherwood, maar toch. Heel even was haar wereld groter geweest. Een paar weken lang had ze de vrijheid gevoeld die de struikrovers elke dag moesten ervaren, al was zíj overduidelijk een gevangene.
En toen was ze op een dag Dorian te slim af geweest en had ze weten te ontsnappen zonder dat hij ooit zijn losgeld had gekregen. Cleda wilde niet denken aan hoe boos hij moest zijn geweest toen hij haar lege kamer had ontdekt. Ze had wekenlang in de gaten gehouden wanneer het hek in de omheining van palen open- en dichtging voor marskramers uit de nabijgelegen dorpen Engelhard en Stumpy Point, waarmee de highwaymen producten verhandelden. Die avond was ze ongezien in een van hun karren geklommen (zich verstoppend onder een grote lading ongelooide leren lappen) en had er minstens acht uur onder gelegen voor de kar in de vroege ochtend weer was vertrokken... met haar erin. Eenmaal op de hoofdweg had ze zich op zeker moment uit de kar laten vallen en was ze te voet verder naar huis gegaan. Ze was helemaal teruggelopen naar Manns Harbor en was daar door vrienden van haar vader in een oogwenk op een boot gezet naar Roanoke Island en daarna Kill Devil Hills, waar de piraten hun hoofdkwartier hadden.
Dorians groene ogen moesten wel vuur hebben geschoten toen hij erachter kwam. Ze had hem sinds die tijd niet meer gezien, want haar vader had haar na de ontvoering al helemáál nooit het eiland af laten gaan, als de dood dat de struikrovers weer toe zouden slaan. Dit fort was haar thuis én haar gevangenis geworden.
En in de loop van de jaren was Dorian Sherwood tot een van de grootste rivalen van haar vader uitgegroeid. De kuststadjes die Cleda’s vader en zijn bende per zeilschip aandeden om in de haven goederen voor zichzelf op te eisen, waren vaak al eerder beroofd door Dorian voordat Hunter Livingstone een kans had gekregen. Waar Dorian zich ophield, wist niemand. Zijn schuilplaats in de bossen rond Alligator River was verlaten geweest toen Hunter en zijn piraten er huis kwamen houden. Natuurlijk had Cleda haar ouders moeten vertellen waar het fort van de bende van Sherwood zich bevond, al wist ze het niet helemaal zeker. Ze had het grootste gedeelte van de reis onder die lappen rawhide gelegen, zwetend en bibberend.
‘Die verdomde struikrovers,’ grauwde haar vader vaak als hij weer eens achter het net viste en de bewoners van de kuststadjes die hij aandeed hem niets meer te bieden hadden behalve angstige, aarzelende gastvrijheid. ‘Ik wou dat ze allemaal werden opgevreten door de alligators!’
Die waren er genoeg. Zijn rechterhand en trouwste vriend, Tyler “Peg Leg” Grennison, had zijn been ooit verloren aan een alligator tijdens een strooptocht in de moerasachtige bossen. De reptielen lagen altijd op de loer in de poeltjes stilstaand water. Niemand was zijn leven zeker als ze zonder kapmes die wildernis in gingen.
Cleda liep de deur van haar kamer uit en hoorde achter zich het getik van het kenmerkende houten been van Tyler. De oude piraat had zijn vertrekken op dezelfde gang als zij. Hij was al oud en had er geen behoefte meer aan om met de rest van de piraten flessen rum weg te klokken of vrouwen van lichte zeden te laten dansen voor hen. Ze draaide zich om. ‘Hé, oom Tyler,’ zei ze vriendelijk. ‘U bent ook al vroeg op!’
Tyer gromde iets terug. Hij klonk nooit zo vrolijk, maar hij bedoelde het niet verkeerd. ‘Je bent te laat voor het ontbijt,’ zei hij. ‘Heb je de bel van acht uur niet gehoord?’
‘Nee.’ Ze schudde haar hoofd. ‘Ik heb naar gedroomd.’
Het gezicht van Tyler verloor iets van zijn grimmigheid en hij krabde ongemakkelijk aan zijn grijze baard. ‘Over je moeder?’
Woordeloos knikte ze. Iedereen wist dat ze nog steeds worstelde met het verlies van haar moeder, vier jaar geleden. De warmte van een vrouwelijke aanwezigheid. De wereld van Kill Devil Hills was namelijk een keiharde mannenwereld. Bijna alle piraten in haar vaders bende hadden in elk stadje wel een ander schatje. De paar mannen die wél een vrouw hadden, lieten hun echtgenotes en kinderen niet in het hoofdkwartier wonen, maar in Manteo en Wanchese op Roanoke Island, waar ze een normaal leven konden leiden. Misschien dat haar vader er daarom wel zo op gebrand was haar uit te huwelijken aan piratenprins Crispin. Dan had ze tenminste een goed voorbeeld. De prins scheen niet zo’n rokkenjager te zijn.
‘Nou, loop maar snel door dan,’ bromde Tyler. ‘Anders is al het eten al op.’
Natuurlijk zou geen enkele piraat van haar vader het in zijn hoofd halen om het eten voor haar neus weg te kapen, maar dat grapje maakte Tyler al jaren als ze te laat was. Cleda lachte voor de vorm naar hem en snelde toen de gang door en de trappen af. Beneden stond een buffet klaar van gerookte vis, appels en vers brood.
Haar vader keek haar even scherp aan toen ze te laat aan tafel ging zitten, maar hij zei er niets van. Toen Cleda hem eens wat beter bekeek, viel het haar op dat haar vader er maar zorgelijk uitzag. Dat was de afgelopen weken zo geweest. Het was een snikhete zomer in Noord-Carolina en de alligators waren onrustig. De strooptochten langs de kust van North Carolina hadden vrijwel niets opgeleverd en in de wandelgangen had ze gehoord dat de piratenbende erop had aangedrongen verder landinwaarts te trekken om daar te plunderen. Dat was echter hun territorium niet; een kuststadje overvallen met in de baai twee imponerende piratenschepen was nog wel even wat anders dan te paard een dorpje binnenrijden en de bewoners intimideren. Dan wist je nooit van welke kant de verdediging kon aanvallen.
Bovendien lag luitenant Robert Maynard ook altijd op de loer. Dat was de marineofficier die Blackbeard een kopje kleiner had gemaakt. Sinds dat was gebeurd, hielden de meeste piraten zich koest en hadden zowel de Livingstone-clan van haar vader als de clans van Hatteras en Ocracoke Island forten gebouwd. Dan hoefden ze niet altijd op hun schepen te verblijven en konden ze zelfs doen alsof ze normale burgers waren als er naar hen werd gezocht.
Na het ontbijt had ze nog tien minuten over voor ze naar de schoolvleugel moest. Ze besloot op haar vader af te lopen en hem aan te spreken. ‘Vader, wat speelt er toch?’ vroeg ze zachtjes, toen ze samen aan de zijkant van de ontbijtzaal stonden toe te kijken hoe de bediening alles afruimde.
Hunter Livingstone liet een diepe zucht ontsnappen. ‘Maak je maar geen zorgen, lieve kind,’ zei hij.
Cleda trok een wenkbrauw op. ‘Ik ben achttien. Ik ben geen kind meer, vader,’ zei ze een beetje boos. ‘Als je me niets vertelt, kan ik ook niet helpen.’
Hunter draaide zich naar haar toe en liet zijn blik over haar gezicht glijden. ‘Lieve Cleda, je bent dan wel volwassen, maar je hebt nog niet veel van de wereld gezien. Ik denk niet dat je me kunt helpen.’ Met een spijtige blik vervolgde hij: ‘En dat is mijn schuld, dat weet ik heel goed. Ik heb je binnengehouden. Ik heb je willen beschermen. Je alles over de wereld willen laten leren uit boeken, maar zo werkt het niet.’
Nee, zo werkte het inderdaad niet. Cleda kon niet anders dan het eens zijn met haar vader.
‘Laat me er dan eens uit,’ stelde ze voor. ‘Deze week nog. Laat me prins Crispin bezoeken, zodat ik in elk geval mijn aanstaande man een beetje kan leren kennen voor ik moet... voor ik ga trouwen.’ Ze beet op haar lip bij die verspreking. Haar vader bedoelde het allemaal goed, maar ze wilde helemaal nog niet trouwen. Misschien wel nooit. De rest van haar leven in alweer een ander fort vastzitten met een man die ze niet eens zelf had gekozen leek haar nou niet bepaald aantrekkelijk. Om nog maar te zwijgen over het idee dat ze dan seks met die man moest hebben. Cleda rilde bij de herinnering aan de enige keer dat ze had mogen toekijken bij “de daad”.
Haar vader schudde zijn hoofd. ‘Het is te gevaarlijk,’ zei hij. ‘Dorian Sherwood is hier in de buurt gesignaleerd.’
Aha. Dus daarom keek hij zo zorgelijk. Gek genoeg voelde Cleda een trilling van opwinding door zich heen gaan toen ze zijn naam hoorde. Haar surrogaatbroer... ja, ze wist wel dat ze hem waarschijnlijk in haar nog kinderlijke hoofd geïdealiseerd had, zes jaar geleden, maar toch. ‘Je kunt me toch op pad sturen met een bewaker?’ ging ze door. ‘Desnoods huur je een professionele privateer in uit Roanoke. Die staan hun mannetje wel.’
Haar vader keek haar peinzend aan. ‘Misschien is het wel een goed idee,’ zei hij uiteindelijk. ‘Dan ben je hier even weg, uit de buurt van Dorian. En dan kun je inderdaad Crispin beter leren kennen, als je een paar dagen met hem doorbrengt. Ik ga het regelen. Hij verblijft momenteel in Manns Harbor om daar... zaken te doen met zijn vader.’
Cleda deed bijna een rondedansje door de ontbijtzaal, maar ze beheerste zich. ‘Dank je wel, vader,’ zei ze blij. ‘Ik kijk er naar uit.’ Al wist ze wel wat voor “zaken” Crispin aan het doen was in Manns Harbor. Hij was uiteindelijk net zo’n boef als alle andere piraten en verschilde misschien niet eens zoveel van wat ze gewend was aan mannen om zich heen. Maar toch... ze zou weer eens op pad gaan en met haar gebruikelijke routine breken. Ze keek hier écht naar uit.
De week erna was het zover. Cleda ging samen met een schildwacht die haar vader had aangewezen de boot op die langs Roanoke Island zou varen en vanaf daar naar Manns Harbor. In Manteo wachtte een gepensioneerde privateer op haar die rijkelijk door haar vader werd beloond om haar veilig te houden.
Cleda rilde toen Bernard naast haar aan boord van de kleine sloep stapte die hen naar Roanoke zou brengen. Bernard maakte al jaren deel uit van de bende van haar vader en had in de praktijk nog nooit iets verkeerd gedaan, maar de blikken die hij haar soms toewierp gaven haar de kriebels. Ze wist gewoon dat Bernard haar het liefst zonder kleren zou zien. De enige reden dat hij haar met geen poot aanraakte was omdat haar vader die er anders af zou hakken.
‘Ik ga in de kajuit zitten,’ kondigde ze op kalme toon aan. Dan zat ze tenminste rustig. Bernard zou waarschijnlijk meteen bij de kapitein gaan zitten en om rum gaan bedelen.
Bernard gromde wat en stommelde inderdaad meteen in de richting van het scheepswiel om daar rond te gaan lummelen en de matrozen af te snauwen. Cleda rolde met haar ogen en verdween de kajuit in. Het was nog steeds vreselijk heet. Ze hoopte maar dat ze een bad zou kunnen nemen voor ze Crispin zou ontmoeten. Ze had geen zin hem te woord te staan terwijl het zweet langs haar voorhoofd naar beneden stroomde of aan haar rug plakte.
Ze ging aan de enige tafel zitten die de kajuit rijk was en sloot haar ogen. Crispin... ze had een schets van hem van haar vader cadeau gekregen die ze in haar reistas had gestopt. Ze besloot er nog eens naar te kijken. Het was een pentekening waarop hij een jaar of twintig was. Inmiddels was hij al een paar jaar ouder, maar een vrouw had hij nog niet. Wie weet had zijn vader hem wel gevraagd te wachten tot Cleda achttien was en ze een goede alliantie konden sluiten. Of misschien had hij allang een vriendin (of meerdere) en had hij háár alleen maar nodig om een zoon te baren.
Cleda haalde diep adem, maar ze kon de gedachte aan wat straks haar huwelijkse plichten waren niet onderdrukken. De eerste en enige keer dat ze had gezien hoe het eraan toeging in bed stond nog in haar geheugen gegrift.
Haar moeder had destijds al niet meer geleefd. Het had haar vader een goed idee geleken om Cleda te informeren over seksuele voortplanting door haar op zeventienjarige leeftijd te laten toekijken terwijl een van zijn mannen het met een hoer van Roanoke Island deed. En die man was Bernard geweest. Zij had door een gat in de houten muur toe mogen kijken hoe Bernard met een vrouw neukte, die zijn naam had gegild alsof alles pijn had gedaan. Godzijdank had het bij elkaar niet meer dan een minuut geduurd. Cleda had haar ogen gesloten toen Bernard van de hoer was afgeklommen en poedelnaakt op de muur was afgelopen waarachter zij had moeten toekijken. Hij wist dat ze er zat. Hij wist dat hij het voorbeeld moest geven van hoe het eraan toe ging tussen man en vrouw in bed.
‘Ik wil jou ook weleens mijn naam horen gillen,’ had hij door het gat in de muur gefluisterd.
Cleda had het niet tegen haar vader durven zeggen. Op de een of andere manier schaamde zíj zich voor wat Bernard tegen haar had gezegd. En over die smerige blikken die hij haar sindsdien had gegeven had ze ook nooit iets gezegd. Nou, ze ging geen seconde langer dan nodig was met die vreselijke vent doorbrengen.
God, ze hoopte maar dat Crispin wat liever voor haar zou zijn.
Cleda staarde uit het ronde raampje van de kajuit en glimlachte toen ze zag dat er wolken aan de einder opdoemden. Een storm was precies wat ze nodig hadden om de boel weer een beetje op te frissen. Natuurlijk niet terwijl ze nog op zee zaten, maar de tocht van Kill Devil Hills naar Roanoke was niet al te lang. Eenmaal op Roanoke zouden ze weer verder moeten zien hoe de vlag erbij hing.
Het duurde niet lang voor het scheepje aanmeerde in de baai van Manteo. Op de kade stond een al wat oudere, grijsbebaarde man met een driekantige hoed op zijn hoofd op hen te wachten, die zich voorstelde als Vincent Hancock. Cleda wierp een enkele blik op de man en was meteen blij dat hij haar de rest van de reis zou begeleiden. Hij zag er vriendelijk uit, met lachrimpeltjes en een gebruinde huid, en hij maakte zelfs een kleine buiging voor haar toen ze voet zette op de kade.
‘Prinses Cleda,’ zei hij ernstig en beleefd. ‘Ben je meteen klaar om verder te reizen? Dan zijn we de storm nog voor.’ Hij knikte naar de horizon.
‘Ja, laten we gaan.’ Cleda sloeg Vincents hulp af toen die aanbood haar reistas te dragen en volgde hem de kade af en een andere boot op. Bernard keurde ze geen blik meer waardig. Die was alweer hard op weg om stomdronken te worden en zou met de sloep mee terugvaren naar Kill Devil Hills.
Het tweede deel van de reis was een stuk woeliger. De golven sloegen tegen de schoener aan en de wind stak op. Net voor het begon te regenen, kwamen ze aan in Manns Harbor. Hier was het een stuk drukker dan in Manteo; karren vol goederen ratelden af en aan, marskramers verkochten hun waren aan voorbijgangers en vissers haalden tonnen vol vis van hun boten af.
Cleda keek haar ogen uit. Ze was al zo lang niet meer van haar eigen eiland af geweest dat ze was vergeten hoe druk het op andere plekken kon zijn. De haven krioelde van de mensen, ondanks de regen die inmiddels naar beneden kletterde.
Zou haar vader hier ook kooplui hebben beroofd die op het punt stonden aan te meren in de haven? Of pakhuizen geplunderd die net vol waren gestouwd met koopwaar?
Vroeger had ze er nooit vraagtekens bij geplaatst hoe haar vader en moeder leefden, maar nu ze ouder was, begreep ze dat goederen stelen van anderen geen heel eerlijke manier van leven was. En binnenkort zou zij trouwen met een man die precies hetzelfde deed als haar vader en zou ze nooit meer afstand kunnen doen van zo’n soort bestaan. Ineens wenste ze dat ze haar eigen leven kon leiden, kon werken voor haar geld. Stiekem droomde ze ervan om Spaanse les te geven aan kinderen die later handel wilden drijven. Wie weet zou Crispin haar wel toestaan om iets buiten het fort te doen...
‘Kom je?’ vroeg Vincent, die haar gedachten onderbrak. Hij gebaarde naar een koets die even verderop stond te wachten. Het was een luxe voertuig met twee paarden ervoor en het koetswerk was van donker, gelakt hout. Het ding zag er prachtig uit, maar was wat haar betrof niet noodzakelijk.
‘Kunnen we niet gaan lopen?’ stelde Cleda voor. ‘Ik wil ook wel iets van de stad zien. Het maakt me niet uit dat het regent.’
Vincent schudde zijn hoofd. ‘De herberg waar Crispin verblijft is te ver weg om helemaal te gaan lopen met je reistas. Bovendien moet je veilig reizen. Je weet maar nooit wie hier rondloopt.’
Cleda zuchtte. Daar gingen ze weer. Ook deze luxe koets was dus een gouden kooi. Ze stapte in en trok de gordijnen open zodat ze in elk geval door het raam naar buiten kon kijken. Ze zag dat Vincent de deur van buitenaf op slot deed, waarschijnlijk om ervoor te zorgen dat niemand haar zomaar kon grijpen. De vorige keer dat ze in een koets had gezeten en eruit was getrokken stond haar nog helder voor de geest.
De koets zette zich in beweging en heel even vroeg Cleda zich af waar Vincent Hancock was gebleven. Ach, die zou vast naast de koetsier op de bok zitten om de omgeving in de gaten te houden.
Al snel verlieten ze de geplaveide straten. Het leek wel of ze naar het zuiden reden. Tenminste, als Cleda de stand van de zon goed interpreteerde. Hoe ver was die herberg van Crispin eigenlijk? Hij zat toch wel in het havenstadje? Nog even en ze zouden op een aftakking van de King’s Highway terechtkomen.
‘Vincent?’ riep ze. ‘Hoe ver is het nog?’
Geen antwoord. Nu brak het zweet haar toch uit. Er klopte iets niet, zoveel was duidelijk. Als prins Crispin echt in een geheel ander stadje verbleef, had ze daar iets over moeten horen. Met een verbeten trek om haar mond rukte Cleda aan de deurklink van de koetsdeur, maar hij zat potdicht. Dat wist ze ook wel. Ze had Vincent zelf de deur op slot zien doen. Nu pas besefte ze dat het best raar was om die deur van buitenaf op slot te doen. Als het om haar veiligheid ging, had hij háár wel gevraagd om hem van binnenuit op slot te draaien.
‘Help!’ riep ze wanhopig uit. ‘Laat me eruit!’
