3,99 €
Voor de baas is hij de quotakreupel, voor zijn collega's is hij gewoon een lastpost. Na een ongeval knokt Raphaël Rozenblad zich een weg terug naar zijn oude leven bij de Brugse politie - volgepompt met morfine, cafeïne, nicotine en adrenaline. Een routinezaak moet de rolstoelrambo rustig houden. Maar het is slechts de stilte voor de storm. En die zal het romantische stadje grondig door elkaar schudden.
Das E-Book können Sie in Legimi-Apps oder einer beliebigen App lesen, die das folgende Format unterstützen:
Seitenzahl: 392
Veröffentlichungsjahr: 2022
Barbara E. Euler
Raphaël Rolt
Politieroman
Dieses ebook wurde erstellt bei
Inhaltsverzeichnis
Titel
Hoofdstuk 1
Hoofdstuk 2
Hoofdstuk 3
Hoofdstuk 4
Hoofdstuk 5
Hoofdstuk 6
Hoofdstuk 7
Hoofdstuk 8
Hoofdstuk 9
Hoofdstuk 10
Hoofdstuk 11
Hoofdstuk 12
Hoofdstuk 13
Hoofdstuk 14
Hoofdstuk 15
Hoofstuk 16
Addendum
Impressum neobooks
Oorspronkelijke titel: Raphaels Rückkehr
RAPHAËL ROLT
Barbara E. Euler
For Wolf, always
Vertaling Barbara E. Euler & Guido Dhondt
Hij was nu drie jaar weg geweest en de koffieautomaat was nog altijd kapot.
Vroeger schopte hij met de voeten ertegen.
Nu boog hij zijn hoofd achterover en keek naar Anna die tegen het retour-knopje sloeg dat onbereikbaar hoog zat, vlak naast de gleuf die zijn euro doorgeslikt had, onbereikbaar hoog b.book deze.
“Laat maar”, zei hij tegen haar navel. Of de plek waar hij haar navel vermoedde. Hij keerde zijn rolstoel en rolde achter Anna aan terug naar het kantoor. Dit kantoor van glas waar hij weerloos was.
Drie jaar. Het eerste jaar was een wazige mengelmoes van duizeligheid, braken en pijn geweest waarvan hij weinig herinnerde. Een paar keers hadden collega’s hem bezocht. Hij wist dat niet en dat was goed zo. Hij had niet gewild dat ze hem zo zagen.
Het tweede jaar bracht hij door met deze wazige wereld vast te houden waar geen herinnering was en geen begrijpen. En met te leren verder te leven als dit niet meer kon. Toen bezocht hem al lang niemand meer. Hij was met niemand echt close geweest.
Tijdens het derde jaar hadden ze hem het leven in geduwd, naar een zorgwoning om precies te zijn. Zijn begeleidster noemde Grit. Ze zorgde ook voor andere patiënten maar hij was de enige met categorie 4 en ze woonde bij hem. Drie weken geleden had hij ze buiten gegooid. Ze kon hem niets meer geven. In werkelijkheid dacht hij haar niets te kunnen geven. Maar om dit toe te geven zou hij nog een jaar nodig hebben. Of meer.
“Grit … Anna …”, hij schraapte zijn keel. De inspecteur draaide zich naar hem om, wenkbrauwen omhoog. Waarom verdorie moest ze nu zo kijken. Raphaël kneep zijn ogen samen. “Waarom verdorie …”, zei hij en stopte. “Niets”, mompelde hij. Hij zag spoken. Hij was te lang weg geweest. “Het dossier van de brand, hebben we dat nog?”, vroeg hij en rolde naar zijn bureau terug. “Ja zeker”, zei ze, “het moet in ’t archief zijn …”, ze liep terug naar de de deur, “… wacht even!” Met een ruk keerde hij de wielen en blokkeerde haar. “Dit is mijn case”, zei hij hard en scheurde langs de hall, met korte, kwade snokken.
“Shit”, zei Anna. “Ja. Shit”, herhaalde Piet, die de baas van haar afdeling was en ook op dit kantoor zat. “Het gaat al heel de week zo …”, klaagde de politieagente, “Stuur hem naar huis.” Ze wisten allebei dat dat niet kon. Raphaël was in de revalidatiefase. Een half jaar lang. Hij kon niet ontslagen worden. Hij zou nooit meer kunnen ontslagen worden. Hij was zwaar gehandicapt. En nu had hij ook nog een eigen case. De quota-kreupel. Een keer had iemand dit gezegd als Raphaël naar ’t toilet was of een peukje smoren. Het was niemand uit de afdeling geweest. Het was van heel boven gekomen. En niemand die tegensprak. Natuurlijk niet. Zij konden ontslagen worden. Zij wel.
In de lift staarde iemand naar de provocerende leegte onder Raphaëls romp. Raphaël staarde terug. Hij kón het niet verbergen, verdomme. Je kan niet niets verbergen.
“Mijn … tatouages …” had hij gestotterd als de arts klaar was met zijn bericht. Het kleurrijk landschap van skulls en zwaarden en rozen en meer skulls die van zijn tenen tot bijna aan zijn lies woekerde had hem duizend euro en twaalf pijnlijke sessies gekost en voor een paar zalige uurtjes was dit het enige geweest waaraan hij kon denken. Midden in de nacht was hij dan beginnen tieren, trouwens de enige gepaste reactie. Maar niet aan herhaling à volonté toe. Spijtig genoeg. Dus vluchtte hij terug weg, de mist in, voor een heel lange tijd.
“Het dossier Brabantia, alstublieft”, zei hij, de schrik negerend die zijn optocht in de ogen van de archivaresse had doen losbranden. Hij was verdorie een monster. Hij had hier nooit moeten komen. Zeker niet naar de kelder. “Dank U”, zei hij zacht toen de vrouw terugkeerde. Hij stopte het vergeelde dossier in de tas achter hem en maakte dat hij weg was.
“Dit dossier werd onlangs al een keer opgevraagd”, zei de vrouw ineens peinzend. Raphaël draaide zich naar haar om. “Nee toch …”, zei hij tastend. Hij had dit altijd goed gekund, een ondervraging er als een babbeltje te laten overkomen. Keer zien of hij het nog kon. Hij trok zich achter het machtige bureel terug, op veilige afstand van de vrouw. “’t Gebeurt niet veel, he?”, vroeg hij en begon met de draaimolen met stempeltjes te spelen die voor hem stond. Drie minuten later had hij de naam. Maar ze liet hem niet gaan, de archivaresse. Niet voor hij een kopje koffie op had met haar. Nu wist hij al ietske meer. Bijvoorbeeld dat ze hier beneden een goeie koffie mieken, warm en straf. Niet deze zeike die uit de automaat kwam – als ze kwam. “Toe seffes”, zei hij en bracht het dossier naar zijn kantoor.
Meestal rommelde Raphaël in oude berichten en viel niemand lastig. De stad had de Brabantia als opvang voor asielzoekers ingericht. Een afgedankt binnenschip zoals het nu door velen bewoond werd. Shabby chic. Ooit was er een brand geweest. Gesticht, zo bleek het. Toen had dit nog voor wat opschudding gezorgd. Raphaël herinnerde duidelijk de verontwaardiging en de walging. Dat de zaak nooit was opgelost geraakt zag hij nu pas. Want ongeveer een week achter de brand waren de feiten met de vrachtwagen gebeurd.
Met zijn vijven hadden zij geprobeerd de vrachtwagen te stoppen maar het was Raphaël geweest die er uiteindelijk in slaagde. Als ze hem vonden lag hij onder zijn Harley. De Harley lag onder de gekantelde twintig-tonner. Zelfs de spoedarts dacht dat hij dood was. De vluchtelingen in de dichtgelaste container mankeerden weinig. Een paar gebroken botten. Een paar snijwonden. Een uurtje of twee later en ze zouden allemaal gestikt zijn. Toen Raphaël uiteindelijk de details over het ongeval begon op te zoeken, zag hij dat alle kranten de artikels erover als verouderd en niet meer verkrijgbaar vermeldden. Ze hadden alles gewist. Toen schreemde hij, voor ’t eerst in heel den tijd.
“Raphaël?” Anna, die voor hem stond. “Alles oké?”
“Alles oké”, beaamde hij koel.
Quotakreupel, had Dovenhof gezegd als Raphaël tijdens een vergaderingspauze van toilet kwam en ietske te stil en te vlug binnengerold was. Dovenhof kon het wel weten. Als politieagent was de man een nul. Maar hij had er een heel verhaal op van dingen die niet pluis waren, had Fanny, de keldermadam, gezegd en hem over een kopje koffie het een en ander dossier uit de vergifkast laten zien. Dovenhof was niet veranderd, niet in al de jaren. In ’t tegendeel. Als ze hem nu wegjoegen, zou hij een heleboel mensen mee de afgrond in trekken. Raphaël grijnsde.
Hem niet.
In zijn tijd was Dovenhof maar een vieze kleine flik geweest die hij zoveel mogelijk vermeed. Toen Dovenhof als een komeet begon te rijzen had hij al uitgecheckt. En hij was in de revalidatiefase. Ineens voelde hij zich onkwetsbaar. En dit was een heel bijzonder gevoel.
Achter ’t werk was hij alleen. Normaal gezien.
Bij Dovenhofs favoriet Frans restaurantje was een keukenhulp ongelukkig ten val gekomen. Dood. Een ongeluk. Pure routine. Ze droegen het aan Raphaël over omdat het OCMW integratiepogingen eiste en omdat de keukenhulp een vluchteling was. Uit de container. Die op de Harley had gelegen. Die op Raphaël had gelegen. “’t Is nie waar!”, had Raphaël gezegd. En dan: “Op welk adres?”
Hij ging zelden naar het oude centrum. De verdomde kinderkoptjes schudden zijn ruggegraat door elkaar en hij kreeg paniekaanvallen tussen de hordes selfies makende toeristen. Laatst was een Japanse op zijn schoot beland. Schoot was een groot woord ervoor. Te groot. Zij tierde. Hij tierde. Dju toch, deed het pijn.
Maar ook als hij nog een man van een meter tweëntachentig in cowboybotten was, zou hij nooit een tent als Le Coq d’Or binnengegaan zijn. Twee sterren en vijftien punten bij Gault&Millau. Niks voor hem. Zelfs niet met Anna. De schone, koele Anna die op deze avond als een klit aan hem plakte. “Nooit alleen op pad”, had Piet gezegd. Natuurlijk. Fatsoenlijke politieagentes kwamen steeds met zijn tweetjes, net als de Getuigen van Jehova. Maar normaal gezien nam Piet het niet al te serieus. Raphaël zuchtte. Ten minste had de chef de kleine lettertjes niet gelezen in het medisch dossier waarmee ze hem naar hier hadden gestuurd. “Alleen binnendienst”, had de arts geschreven. “Risico voor een collaps”. Hij had haar gesmeekt dit weg te laten maar het was gewoon de waarheid. Hij wist het maar al te goed.
Vroeger was hij een beschutter geweest. Nu was hij een gevaar.
Toen hij de rode pluche stoep bij de inkom zag was hij voor ’t eerst blij dat hij niet alleen was; hij moest zich al meer dan genoeg langs de metalen helling voor leveranciers ergens binnen wringen, net als een guerrillero. Barrièrevrij was voor baby’s maar hij haatte de blikken als hij op het onverwachts van de keuken of de bergruimte ergens binnenstormde en achter een vrije tafel vroeg of een hemd in maat L, als het om een klerewinkel ging. Of, erger nog, achter een broek. Maat L.
“Dank je, Anna”, zei hij beleefd toen ze hem over de stoep hielp, en “Dank je, Anna”, als ze hem door het subtiele schemerlicht naar de toegewezen tafel duwde, nadat de ober discreet de overbodige stoel aan de kant had gezet. Normaal gebruikte Raphaël een stoel net als iedereen maar hij zei niets. Anna keek hem verbaasd aan.
Raphaël glimlachte naar haar. Hij was gehandicapt. Pover. Stom. Daarom had hij deze zaak gekregen. Het was schadebeperking wat ze ermee bedoelden. Dat dachten ze toch. Raphaël opende de zware met gestoffeerd leer bekleedde menukaart. Wie was hij om ze van hun geloof te beroven?
“Staan er in jouw kaart ook geen prijzen aangeduid?”, siste hij tussen zijn tanden de koele collega toe. Ze schudde zachtjes haar hoofd. Raphaël beet op zijn lippen.
Iemand wilde ze omkopen.
De agenten wisselden een snelle blik. Vroeger deden ze het geregeld zo als er geen tijd of kans voor woorden was. “Oké”, fluisterden ze als één man. Ze gingen meespelen. Heel even overwoog Raphaël of Anna erbij betrokken was maar neen, daarvoor kende hij ze te goed.
Voor het dessert er aan kwam informeerde Raphaël bij de ober naar een invalidentoilet maar dat hadden ze niet, natuurlijk niet. De rode pluchen stoep aan de inkom loog er niet om. Naar zo’n tent kwamen geen kreupels. “Hebt u misschien een urinefles?”, vroeg hij luid op. Alles had zijn prijs. Hij ook.
Toen ze door de doodse stilte naar buiten gegaan waren stak Raphaël een peukje op. Een auto passeerde. Een fuut piepte slaperig. “Moet je nu of moet je niet?”, vroeg Anna. Het moest geamuseerd klinken. Raphaël rommelde wat in zijn tas, zwaaide met de fles en rolde voor de vorm een paar meters verder, peukje in de mondhoek. “Niet in de reie”, zei Anna zenuwachtig een keek de andere kant op. Straf dit.
De fles was verdwenen als hij terugkwam. Ze vroeg niet wat hij ermee gedaan had, of hij de inhoud tegen de muur van ’t restaurant geslingerd had of in de reie, of de fles nog vol was en of je iets zou kunnen rieken. Ze hoefde het niet te vragen. Hij las alles in haar ogen, elk detail. “Niet in de reie”, fluisterde hij samenzweerderig als ze terug aan tafel zaten.
Bij het tweede dessert werd het gezellig. Ontspannen verkende Anna met lepeltje en vorkje het schattig landschap van soufflés en mousses en bessen en bavarois dat op een leien plateau in de grootte van een dossier geschikt was. Een geopend dossier. Raphaël bekeek haar over de rand van zijn kop koffie. Plots keek ze hem aan. “Galena”, fluisterde zij. Hij hield niet van zoetigheden maar wat hij van het lepeltje likte dat ze hem aanbood smaakte precies als de pudding van dit merk dat hij al gekend had toen hij een kind was.
He klopte dus. Ineens betreurde hij niet door de keuken binnengekomen te zijn.
“Gourmetfix”, zei hij zachtjes. Grit had hem ook leren koken – alles wat ze erover wist. Anna beet op haar lippen. De sauce béarnaise van bij het hoofdgerecht. “En Fluweel”, fluisterde zij. De puree. Ze verslikte zich bijna als Raphaël knikte. Iemand schonk meer chocoladesaus. En dan kwam Le chef zelf aan tafel en haalde de overbodige stoel erbij en zette zich neer.
“Calvados?”, vroeg Flor Bertrand spottend. Ze hadden dienst en hij wist het. “Neen”, zei Anna plichtsgetrouw. “Ja!”, zei Raphaël tegelijkertijd. Anna staarde hem aan. Hij had het er niet graag over maar hij mocht helemáál niets drinken, met al de medicamenten die hij slikte. “Je moet nog rijden”, zei ze gehaast. “Jij rijdt”, zei hij rustig. Als hij meespeelde dan wel perfect. “Je benen mag je aanhouden”, voegde hij eraan toe. Dit voor Bertrand. Ze waren met Anna’s auto gekomen.
Anna wierp Raphaël een boze blik toe. Zijn loopgravengrappen kon hij waarels kwijt. “Voor mij ook één”, zei ze vastberaden. “We nemen een taxi.”
Alcohol. Nog voor het derde glas was het duidelijk dat Bertrands problemen meer dan geroddel waren. “Allez buvez!”, riep hij ze toe alsof ze aan de andere kant van de reie zaten. Plots werd hij kalm. “’et ies zo verschrikke-liek …”, zei hij zacht.
Vlug liet Anna haar hand zakken die instinctief voor haar neus was beland. Zo erg?, vroegen haar wijd geopende ogen. Ja, verdomme, antwoordden Raphaëls ogen. Anna herpakte zich. “Wat is er gebeurd?”, vroeg ze nuchter.
“Iek ’oor een luide … ’oe zeg je … laouaai. Dan plotselíng is alles stil …”, fluisterde de Waal buiten adem. “Iek ga kijkén …”
“U hebt het ongeluk niet zien gebeuren?”, wilde Anna weten. Raphaël begon te hoesten. Vroeger had hij ze onder tafel met de voeten geschopt. Ze zou nooit begrijpen waarom het verhoor noemde.
Anna knikte verontschuldigend en liet de man praten.
“Gezien? … oh, non, mon Dieu … iek zou zijn flauwgevallen. Diejarme man …”, hij maakte een pauze om de droogte in zijn keel te bestrijden. Anna toostte vrolijk.
“’ij daar ligt en beweegt niet”, rapporteerde Bertrand ijverig. “Iek zeg allo? allo? en ’ij spreekt niet. Iek raak hem aan en ’ij is totaal koud …”
“Koud?”, informeerde Raphaël streng. Te veel was te veel.
“Iek wil zeggen ’ij ’eel warm … ’oe zeg je … lauw …”, hij hief zijn schouders op. “Diejarme man …”, herhaalde hij uitgeput en stopte. Anna glimlachte, een ijskoude glimlach. Wij worden verneukt, zei haar blik. Raphaël grijnsde terug. Dat kunnen wij beter.
“Galena”, zei hij simpelweg.
Anna’s voet botste tegen zijn rolstoel. Idioot, zeiden haar fonkelende ogen. Ze was helemaal niet zo koel meer. Raphaël grijnsde een verhief zijn glas. Sorry …
Anna knikte tevreden en dipte haar lepeltje in de restjes van het dessert. “Het smaakt precies zoals vroeger … toen ik een klein meisje was …”, zei ze dromerig en likte pudding van haar mondhoekjes. “Ook de béarnaise … en de puree … net zoals bij mijn moeder …” Raphaël zuchtte. Als hij maar een keer zo beleefd kon zijn. Bertrand droeg een brede glimlach. “U bent een expert, madame!” Anna’s lepeltje dook weer de pudding in. “Merci … merci, monsieur”, spinde ze poeslief. Ze was nu vol op dreef. Ze hoefde geen schoppen meer. “Nog nooit ’eeft iemand dit zo mooi gezegd”, zuchtte de kok. “Vele gasten begrijpen mijne concept niet …”, hij nam nog een slok. “Zij geloven réalement dat ik deze … ’oe zeg je …”, hij dempte zijn stem. “Convenience”, fluisterde hij alsof het om een product van de erotiek-winkel ging. Anna knikte begripvol.
“Je smaakt het verschil echt niet”, uitte Raphaël droogjes. Zijn glas was alweer leeg. En – boem! – kwam het respons. Omdat hij weerloos was. Hij zou woedend moeten zijn. Maar eigenlijk had hij wel leute.
Bertrand was bezig met bijvullen. Voor hem een werk dat zijn volle concentratie vergde. “’éél moeiliek …”, zei hij uitgeput en plofte de fles op tafel neer, “… ’et was ’éél moeiliek om deze smaak te … euh … te ontwikkelén …” Raphaël duwde zijn lippen tegen het glas om niet luidkeels te lachen. “Heel zeker, monsieur”, beaamde Anna serieus. Raphaël gaf het op. Hij rolde richting keuken terwijl hij tevergeefs met een servet een lachbui trachtte te stikken. “De Calvados …”, mompelde Anna hem achterna. Het klonk oprecht bezorgd.
Bertrand bleek geen moeite met Raphaëls aftreden te hebben. Raphaël hoorde hem verder lamenteren terwijl hij tussen fornuis en kasten navigeerde. “’et is een nieuw programma. Een ré-vo-lutie … Echt … Maar de bezoekers … ze zijn zooo dom. Mon Dieu … Ze ’ebben mij verlatén … ze zijn me niet trouw …”, straks ging hij nog huilen. De tent was ook verdomd leeg geweest, heel den avond. Gourmetfix en Fluweel waren niet bij iedereen even geliefd.
“Monsieur … monsieur …”, Anna klonk als of ze al op zijn schoot zat. Hij zou beter ne keer naar haar kijken. Hij rolde naar de inkom van de keuken terug. Er waren geen convenience-verpakkingen te bespeuren geweest. Natuurlijk niet.
En geen ziel.
“’et is na middernákt. Iek ben geen onmens!”, riep Le chef boos toen Raphaël dit opmerkte. Anna knikte beleefd. Ondanks alles zag ze er helemaal onaangetast uit. De agenten wisselden een blik. Genoeg voor vandaag. Ze hadden Bertrand mooi in de war gebracht.
“Dovenhóf is ook geen onmens”, zei de kok ineens door de stilte.
Raphaël stopte in de keukendeur en hield zijn adem in.
Bertrand keek hem doordringend aan. “U denkt dat ’ij aan de verkeerde kant staat …” Raphaël ademde langzaam uit. Kinders en droenkaards spraken de waarheid. “Als er iets niet goed gaat met de asielzoekers, ’et is niet zijn skuld”, zei de kok geconcentreerd. Ineens bleek hij tamelijk nuchter te zijn. “U moete niete geloven als iemand iets anders zegt. Dovenhóf … ’ij doet voor de mensen al wat ’ij kan. ’ij is een goede policier. ’ij beskermt ze …”
Raphaël dacht aan de keukenhulp, dit tenger grijs gezicht, dit magere lichaam onder het bleke doek. De open wonde achter op zijn schedel. Raphaël had de dode onmiddellijk bezocht toen hij de zaak kreeg, in het mortuarium van het Sint-Janshospitaal. “Waar?”, blafte hij en maakte de remmen los. “Waar is het gebeurd?” Anna zei niets.
Bertrands handen schudden als hij in de keuken op een metalen rand wees. Raphaël liet zijn vingers erover gaan. Keek naar de vloer. Het kon hier gebeurd zijn. Of ook niet. Het gebeuren was amper gedocumenteerd. Als de spoed arriveerde leefde de Afrikaan nog. “Dank U”, zei Raphaël, moeizaam kalmte veinzend, en rolde aan de tafel terug.
Nu had Bertrand hem mooi in de war gebracht.
“Hartelijk dank voor Uw hulp”, Anna’s stem klonk vermoeid. “De rekening, a.u.b.”, zei Raphaël, voor de vorm maar. Met omkoperij wilden ze niets te maken hebben.
Zijn adem stokte als de rekening kwam. Le chef wilde ook niets met omkoperij te maken hebben. Raphaël staarde naar het geschept papier. Zeker niet met zo’n som. Een-nul voor jou, Bertrand bastaard, dacht hij en haalde zijn bancontact-card te voorschijn. Verdomme, hij zou al weer rood staan. Hij ontspande zijn gezicht en glimlachte.
Flor Bertrand was het jongste van zeven kinderen van een Waalse mijnwerker. Alles jongens. Vanaf zijn geboorte had zijn moeder de hoop op een dochter voor goed opgegeven. Ze hield winkel, een winkeltje voor alles en nogent wat, en voortaan werkte ze nog harder en bemoeide ze zich nog minder met de man en de jongens – als dit kon. Flor was lief of deed alsof, en hielp zijn moeder graag. Niet lang en hij bood zelf gemaakte snacks die de winkel succes brachten. Soep, gebakken patatten, zoiets. Op zondag was ’t rondhangen, zoals zijn vader. Soms deelde hij klappen uit. Zoals zijn vader. Meestal was hij vriendelijk. Hij had veel vriendjes, vooral toen hij gratis sterkedrank en baguette met hesp over de toog aanreikte. Zijn moeder vertrouwde hem. Het was de simpelste oplossing. Dan kwam de dag dat hij zijn eerste eigen restaurant had. Dan de eerste ster. Sinds een jaar was Flor Bertrand in Brugge. De mijnwerkerszoon speelde zijn rol tussen de rijken en de schonen goed. Wie bij hem gezien werd was gearriveerd. Het eten was niet van belang. Als het maar duurder was dan de gewone beurze het toeliet. Dan was het goed. Flor Bertrand had dit lang niet willen geloven. Als het dreigde tot hem door te dringen had hij het lef niet om weg te gaan en ergens anders te herbeginnen. Hij had te hard ervoor gewerkt. Hij bleef voor roem en glorie. En geld. Hij troostte zich met alcohol. Zoals zijn vader. En dit was het begin van ’t einde.
Al dit voelde Raphaël meer dan hij het wist, van wat hij had gehoord en gelezen, en van wat hij nu zag. Niemand wist het daadwerkelijk. Niemand wilde het weten.
Raphaël wel.
Hij wist hoe het voelt als je nergens bij hoort en als je iets wilt en kunt het niet. Hij mocht Flor, en het deed pijn.
“Je kan wel iets aan, man”, zei Anna toen ze buiten op de taxi wachtten. Raphaël keek op. “Hoe bedoel je? Neen!”, hij lachte. Anna zag dat hij de fles tevoorschijn haalde, van ergens uit zijn gigantische bikerjas. “’oedekeer vast”, zei hij. Anna nam de fles met haar vingertopjes en zag hoe Raphaël tegen de balustrade aan rolde. Het rook naar alcohol. Calvados. Daarom had hij daarnet hier buiten met zijn fles geschommeld. En zij die niks gemerkt hat. “Coole move”, grijnsde ze.
Raphaël pakte de fles terug. “Had je ook moeten doen”, zei hij toen ze haar lach niet meer kon bedwingen. “Zestig euro …”, triestig tikte hij de appelbrandewijn in de reie. Twaalf euro per glas. Bertrand gaf niks op ’t huis.
Anna kreeg de hik. “Waarom zei je niks tegen mij?”, vroeg ze tussen twee hikken. “Ze hielden ons in de gaten”, verklaarde haar collega. Anna fronste het voorhoofd. “En nu niet?” Raphaël wiste over zijn gezicht. “Nee.”
Hij staarde naar het donkere water terwijl Anna’s hik langzaam verdween. Het idee met de fles was hem verdomd laat binnengeschoten. Vroeger was hij beter voorbereid geweest. Vroeger was hij minder nerveus geweest. Vroeger had hij een ander optreden gehad.
De taxi kwam af. “Je ziet spoken”, zei Anna zacht en hielp Raphaël met de rolstoel.
Wat een speciale avond dit geweest was. Hij had de halve nacht erover liggen peinzen. “Goeie morgen …”, zei Raphaël hees en knipperde. “Goeie morgen …”, klonk het moeizaam. Raphaël grijnsde. Aan haar stem had hij Anna vandaag niet herkend.
Toen Piet hun bericht vroeg, waren ze kortaf. De chef leek toch niet erg geïnteresseerd. Raphaël grijnsde naar Anna. Take it easy.
Door het veel te felle morgenlicht sloop hij naar het bord en nam een stift uit de bak. Dapper bestreed hij het gedacht aan Fanny’s koffie. Later misschien.
‘Wil je die verder omhoog plaatsen?”, vroeg hij aan Jan, die foto’s op het boord verdeelde. De collega haalde zijn schouders op maar deed het toch. “Nieuwe inzichten?” Zelden had iemand zo geamuseerd geklonken. Raphaël zweeg en schetste iets. Elk gepast antwoord zou een bestuursrechtelijk vergrijp geweest zijn. Op het minst.
Geconcentreerd ontwaarde hij de knoop van onduidelijke inzichten en dringende vragen. Hij had gebluft toen Fanny hem liet weten wie kort geleden zo’n opvallend interesse voor het dossier Brabantia had gehad. De naam zei hem niets. Helemáál niets. Raphaël had al zijn acteurstalent tevoorschijn gehaald om niet als de idioot over te komen als die hij zich op dit moment had gevoeld. Fanny zei de naam alsof iedereen de persoon in kwestie zou kennen. Iedereen in dit chic, clean glazen paleis die Raphaël nog had zien ontstaan voor de vrachtwagen hem uit het leven rukte. Uit het leven dat hij had gekend.
In het nieuwe leven was hij een vreemdeling, nog altijd.
“De sterrenkok. Jij beschuldigt de sterrenkok?” Anna’s stem slingerde hem uit zijn overpeinzingen. “Waarom niet, verdomme?”, zei hij boos en deed voort met zijn schets. Hij had rap doorgehad wie het dossier gehaald had, ’tuurlijk. Als hoofdinspecteur geraakte hij aan informatie over elk verdomde collega in deze epgebloenken tent waar het enig kapotte buiten z’n zelven een koffieautomaat was. Plotseling schoot hij in een lach. Hij lachte tot er tranen kwamen. Anna gaf hem een Kleenex. Hij blies zijn neus en probeerde de blikken van de collega’s te negeren. “’t Was een klucht …”, zei Anna opgelucht.
“Een klucht?” Dan snapte hij het. “Verdomme, nee! Hoezo?” Anna keek kwaad. “Omdat je niet gewoon Dovenhof z`n frans hartediefje tot moordenaar kan verklaren. Er is helemaal geen moord gebeurd!” Anna maalde met haar kaken. “Zeer aan je kop?”, vroeg Raphaël. Anna schudde haar hoofd. “Nee. Ja. Toch … Dat is het niet …” Raphaël glimlachte naar ze. “Dolorin? Tramorol? Hydrexan? Neuropentin?”, hij haalde een handvol dozen uit zijn tas. Anna slikte. Hij had wel eens iets van fantoompijnen gezegd. Heel nonchalant. Verdomd nonchalant. “Dankjewel … hoeft niet …”, stotterde zij. Raphaël trok zijn schouders op en borg de dozen weer op.
Laila Yorinde Vandamme. Afdeling documenten. Hoofdinspecteur. De vrouw met de Mata-Hari-naam die het dossier Brabantia op de kop had getikt was een hele grote baas. Geen iemand waar hij zomaar kon binnenspringen: Hoi, Laila, schatteke, vanwaar plots dit interesse voor oude spullen? No way.
Afdeling documenten … ze hadden het daar over valse papieren. Achter een paar pintjes wordt er graag verteld dat ze er zelf mieken. Al wat je nodig had. Wat goed verkocht. Alles. En alles in top kwaliteit. Logisch. Ze waren professionelen.
Laila schatteke. We moeten praten.
Maar eerst wat haalbaar was. Fanny. Bij de gapende gaten in zijn schets behoorde ook de chauffeur van de verdomde vrachtwagen. Het dossier noemde een naam. Anders niks.
Ronny Verstraten. Zijn jongensgezicht achter de voorruit was het laatste wat Raphaël had gezien voor dat de twintigtonner hem tot moes verbrijzeld had. Hij wurgde toen de film opnieuw in hem los barstte. De wijd openstaande, angstige ogen. Het tieren van de remmen. De brandgeur van gemartelde banden op macadam. En dan het gekraak van zijn botten. Raphaël deed zijn ogen dicht en gaf zich aan de trillingen van zijn lichaam over. Het ging wel voorbijgaan. Het was altijd voorbijgegaan.
Achter een tijdje deed hij zijn ogen weer open, nat van ’t zweet. Niemand bleek iets gemerkt te hebben. Misschien waren ze gewoon onverschillig. Zwijgend verliet hij de kamer.
Het water van de kraan van het gehandicaptentoilet was lauw en bleef zo. Hij hield zijn polsen onder de zeikwarme straal, twee minuten, drie. Hij waste zijn gezicht. Wanneer zou dit eindelijk stoppen. Het was verdorie drie jaar geleden. Uitgeput schartte hij achter een vers T-shirt in zijn tas en kleedde zich om. Van de spiegel keek zijn kaaswit gezicht hem aan. Dit verdomde licht. Hij haalde diep adem en opende de deur. Niemand kwam. Hij was er blij om en ook weer niet.
Als Raphaël de wasbekken in de voorruimte langs rolde, wierp hij instinctief een laatste blik naar de spiegels maar hij zag maar het kale witte plafond. Misschien was het beter zo.
Koffie zou leuk zijn nu. Goeie, warme, sterke koffie. Fanny’s koffie.
Hoe zie je d’r uit?, zeiden Fanny’s ogen. Haar mond zei iets anders. “Goed, dank je”, antwoordde Raphaël ruw. Zijn ogen zeiden ook iets anders. Fanny zette een domende tas op het bureau. Raphaël aarzelde. Daarnet hadden zijn bevende handen amper de liftknop geraakt. Hij nam de tas toch, voorzichtig. Fanny glimlachte. “En?”, vroeg ze toen hij een paar slokken op had. “De chauffeur. Van de vrachtwagen. Er zou iets over te vinden moeten zijn”, fluisterde Raphaël door de doom.
Fanny knikte hevig. “Veroordeeld voor mensensmokkel en meervoudige poging tot doodslag. Drie jaar en acht maanden. Hij zit in ’t Brugs gevang”, snoof zij. Ze had een goed geheugen. En redelijk veel gevoel.
“Ken je hem?”, vroeg hij instinctief.
“Moet je iemand kennen om compassie te hebben?”, haalde ze naar hem uit. Ja. Ja. Ja, dacht hij. Moet je. Hoe zou je anders deze job kunnen doen? “Iedereen heeft compassie nodig, hé”, zei hij vriendelijk. Ze was een aardig mens en ze was nog niet lang hier.
Toen hij het kantoor binnenkwam legde Piet een hand op zijn schouder. Raphaël nam de woede uit zijn blik voor hij naar zijn baas opkeek. Zachtjes trok hij de warme vingers van zijn lichaam. Alleen maar honden raakte je zo aan, maar Piet leerde het niet. “Ja?”, zei hij zacht.
Piet schraapte zijn keel en plaatste een dossier voor hem. “Het was moord.”
Raphaël keek met grote ogen zoals verwacht. “Nee - - - écht?!?”, zei hij tegen de zwijgende collega’s die plots rond hem stonden en hem vol verwachting bestudeerden als hij het bericht begon te lezen.
Af en toe knikte hij. Toen hij voor het eerst bij het lijk was geweest had hij erop aangedrongen dat ze alles nog een keer zouden nazien. Nu hadden ze een minuscuul steekwondje ontdekt, aan zijn lenden. De man had inwendige bloedingen gekregen en was bewusteloos geraakt. Daarom was hij gevallen. Daarom was hij dood.
Het wapen wordt beschreven als een fijn spit. Met gesloten ogen passeerde Raphaël nog een keer het nachtelijk parcours door Flors keuken maar er was niets en hij wist ook weinig van keukengerief. Tandenstokers waren het enige dat hem binnenschoot. Hij lachte ruw. Met tandenstokers doodde je hooguit een smurf. Hooguit. Smurfen waren verdomd taai. Als kind had hij ne keer geprobeerd om een smurf de kop af te bijten. Tevergeefs trachtte hij zich te herinneren waarom …
Raphaël ramde zijn vuist op het papier. De verdomde tabletten. Soms drupten zijn gedachtes weg als gemorste koffie. Hij schoof een Belga tussen zijn lippen en haalde diep adem. De pittige geur bracht hem naar de feiten terug. “Niet hier”, zei Anna mechanisch. Hij probeerde het niet te horen. Alleen maar tegen honden sprak je zo. Hij was niet van plan geweest om te smoren. Hij liet het peukje naar de andere mondhoek dansen. Kon het dat ze zo`n steekwondje over het hoofd hadden gezien tijdens het eerste onderzoek? Normaal gezien ontdekten zij injectiegaatjes. “Anna”, het peukje bewoog weer naar de andere kant. “Welke dunne spietjes gebruik je in de keuken?”
Hij keek op als er geen antwoord kwam. De collega’s waren al lang weer naar hun tafels vertrokken. Sommigen kraamden al de boel op. Tijd om naar huis te gaan. “Anna”, hij legde het dossier neer en rolde naar haar.
Anna hief haar schouders op. “Brochettespit, deegprikje …”, ze zuchtte en keek hem aan. “Je kan het niet laten, hé?” Langzaam nam Raphaël de sigaret uit zijn mond. “Nee”, zei hij hard, “de man … Malouf Muhamad …”
“… of hoe dan ook …”, onderbrak Anna hem.
“… of hoe dan ook …, hij werd in Flors keuken afgemaakt.” Raphaël zag dat Anna naar zijn vuist staarde met het peukje erin. “Raphaël …”, smeekte zij. Raphaël keek furieus. “Wat?”
Hij klemde de Belga weer tussen zijn lippen en rolde naar zijn plaats terug. Het bleek dat Dovenhofs frans hartediefje-kok een trouwe groupie had. Meer of één, als hij het gedreven zwijgen rondom hem juist begreep. “Ik ga een huiszoeking eisen”, zei hij over zijn schouder. “Een goeie avond iedereen!”
* * *
Hij was al weer aan ’t beven toen hij buiten zijn peukje opstak. Dju toch, hij zou nu in zijn luie zetel kunnen zitten en bij een vooravondreeks op Grit wachten. Ze zouden dan samen de tafel zetten en eten met het achtuurjournaal erbij.
Hij duwde zijn peukje uit en wierp het in de vuilbak.
Het mortuarium van het stedelijk ziekenhuis AZ St. Jan stroomde de bekende kou uit. Het bekend bleekgroen licht. De dokter die hem had binnengelaten geleidde hem tot aan de stalen tafel waar de man lag die misschien Malouf Muhamad noemde. Ze hief het witte doek op en wees naar het onopvallend steekwondje. Raphaël beet op zijn lippen. Aan de lenden. Zoals in het bericht beschreven. Ze hadden de man in feite van achteren dood gestoken.
Raphaëls blik ging over de uitpuilende met groeve steken gesloten naad die over de buik van de Afrikaan liep, van beneden tot boven tegen de borstkast. Hij dacht aan gevulde gans en aan zijn eigen buik. Dit net van littekens die minderden met de tijd.
Raphaël zuchtte. Dit hier zou niet genezen. Nooit meer.
“De diameter van het wapen bedraagt tussen 0,8 en 1,2 millimeter, de diepte van de wond omtrent 12 à 15 centimeter”, legde de vrouw uit. “Tussen de steek en het begin van de bewusteloosheid zouden er wel tot 20 minuten kunnen geweest zijn.”
“Rechts- of linkshandig?”, vroeg Raphaël automatisch. De vrouw keek naar hem en trok haar schouders op. “’k Weet het lijk nie”, mompelde ze.
Raphaël knikte en ze bedekte het lijk weer. Toen ze het doek over het hoofd wou trekken legde Raphaël zijn hand op de hare en ze liet het doek zakken.
“Ik laat je”, zei ze. Raphaël knikte haar toe. “Bedankt.” Zijn stem klonk ruw. De verdomde sigaretten.
Hij keek lang naar het gezicht. Het had nog altijd die kinderlijke expressie, beledigd haast. Lijk tevoren. Natuurlijk. Lijk tevoren ook het gedacht dat hem even grof als de eerste keer overkwam: ooit had hij diens mans leven gered. En erbij het zijne verbrijzeld. En al dit voor wat? Voor wat? Hij trok het doek over het grijze gezicht en reed naar huis.
‘s Nachts ijsbeerde hij door zijn woning en dacht na. Er waren zo veel dingen die hij niet verstond. En hij zou weinig tijd hebben. Er was iets dat hem zei dat hij weinig tijd zou hebben. Misschien gingen ze hem deze zaak afpakken.
Misschien ging hem iets overkomen.
Op zijn gsm was het kwart achter drie. Een slechte tijd om na te denken. Eerder voor het tegenovergestelde. Raphaël nam zijn koptelefoon en zocht zijn favoriete song. High zijn. Hij toetste op repeat en trok het volume omhoog. Fucking high. Sommige cruciale onderdelen van hem waren nog intact maar dit interesseerde niemand. Niemand behalve hem.
Drie weken voor het ongeval had zijn vriendin het uitgemaakt. De SMS zei iets van dat hij zijn gat niet omhoog kreeg. En het klopte, verdomme. Moeizaam hees Raphaël zich in een comfortabelere houding en sloot zijn ogen. Hij probeerde zich haar te herinneren. Het lukte maar half. Hij knoopte zijn jeansbroek open. Het zou niet nodig zijn.
Zweet het eruit, dacht hij grimmig toen hij zich met vliegende handen hoog en hoger joeg. Hij dacht aan Helen of hoe ze noemde. Grit had hem haar nummer gegeven; Grit die alles zag en voor wie niets menselijks vreemd was. “Mijn patiënten zeggen dat ze het goed doet”, had Grit verklaard alsof dit het normaalste van de wereld was. Helen was bij hem geweest maar hij had te veel schrik gehad.
Raphaël wachtte tot zijn adem weer rustig werd en rolde naar de badkamer. De zaak met Helen was al een tijdje geleden; nu zou het wel anders gaan.
Achter drie uur rukte de wekker hem uit een comateuze slaap. Op kantoor begroetten ze hem met iets wat geforceerde vrolijkheid. Hij had nu een moordzaak. Proficiat. Proficiat. Iemand zette een beker koffie voor hem neer. Raphaël kneep zijn ogen samen. Lief, ze. Misschien wilden ze hem gewoon reanimeren; de zombie in de spiegel was hij helaas zelf geweest. Hij nipte van de vertrouwde zeike en probeerde dankbaar te kijken. Met de halfvolle kartonnen beker tussen de tanden rolde hij naar het bord en zette zijn schrijfwerk voort.
Tenminste had hij dit willen doen tot hij het bord daadwerkelijk zag. Verdomme.
“Waar is mijn schets?”, vroeg hij als hij zijn stem terug had gevonden. Hij vroeg het nog twee keers voor de eerste het opgaf om de doofstomme te spelen. Jan schraapte zijn keel. “De poetsvrouw …?”, bood de collega vaag aan.
Raphaël wachtte maar er kwam niks meer. Langzaam zette hij de koffie op de grond.
Zijn hand beefde lichtjes toen hij de kap van de stift wegtrok en de maagdelijke vlakte benaderde. Doe normaal, man. Hij ademde de alcoholgeur in en herbouwde met harde strepen het status quo dat zich in slapeloze nachten in zijn geheugen had gebrand, onuitwisbaar. Het duurde maar even. Dan rolde hij ietske terug en bekeek de kobbewebbe waar ze allen in vastzaten. Ronny Verstraeten. Een lege cirkel waar hij een naam zou invullen zodra hij meer over de vluchtelingen van de vrachtwagen wist. En een dode die zich Malouf had genoemd toen men hem uit de container had gevist. Geen papieren. Zoals gebruikelijk.
“Als het jou teveel wordt …”, suste een stem naast zijn oor. Dat was rap. Raphaël keerde zich bruusk om en stuukte tegen de beker met koffie. Hij had verdomme gelijk gehad. Maar juist Anna. “… dan zeg ik het wel”, gromde hij, met moeite beheerst, en reed woest naar zijn bureau terug, terwijl Anna de koffie met een papieren handdoek van de grond zoog. “Sorry”, mompelde hij. Dit was pas het begin. Hij moest zijn krachten sparen.
Hij bladerde door het dossier dat eindelijk van de dienst vreemdelingen werd opgestuurd. De Afrikaan had zijn zaak door alle instanties gedreven en zich tegen zijn uitwijzing verzet toen Magere Hein hem uit het spel haalde. Game over. En hij had het doel bijna bereikt. De job bij Bertrand die de overheid blijkbaar door de vingers gezien had moet voor hem lijk een zes in de loterij geweest zijn. En hij had ervoor niet eens pech in de liefde gehad. De recentste notitie was het verzoek om bevestiging van de huwelijksgeschiktheid geweest.
Raphaël rolde naar het bord terug en vlocht een nieuwe persoon in zijn net. Hij noemde ze bruid. Voorlopig.
Ze bemoeiden hem niet meer maar de blikken waren voldoende. Raphaël wou ‘Dovenhof’ schrijven en liet het zijn. Hij ramde de kap op de stift. De zaak met het bord was verdorie een fout geweest. Boos krabbelde hij een blad papier vol. Verfrommelde het. Hij wou eerlijk met hen zijn. Hij moest eerlijk met hen zijn. Hij had ze nodig.
Dit hier zou hij nooit alleen redden.
Op de koer was er schaduw en koelte. Raphaël wreef zweet van zijn voorhoofd. Hij vermoedde te veel en wist te weinig. Toen hij de derde Belga uit het pakje tikte werd het beven wat minder. Hij zou op de boot gaan. De Brabantia. Ze bestond nog altijd. Ze was nog altijd een vluchtelingenboot. Er waren andere plekken voor asielzoekers maar geen die iemand vlak voor zijn ongeval in brand had gestoken. Nieuwe inzichten? Hard zoog Raphaël de gloed tegen de filter tot de hitte zijn vingertoppen raakte. Hij zou er alleen naartoe gaan. Hij was hoofdinspecteur. Hij was aan niemand rekenschap verschuldigd.
In de refter praatten ze geforceerd normaal. De kinderen. De schoonmoeder. De vakantie. Het geld. Zwijgend nam Raphaël het tablet aan dat de serveerster hem bracht. Het was verdomd vernederend maar toen aan de kassa voor de tweede keer heel zijn menu tegen de grond was gegaan had hij besloten dat dit de betere optie was. Er was een reuze opstopping geweest en een reuze zwijneboel; heel de refter had naar hem zitten staren. De herhaling was de max geweest, zijn persoonlijke bonus track. Raphaël prikte frietjes op zijn vork, tot de aanslag. “En als het toch Bertrand was?”, plaagde hij met volle mond. Bertrand bastaard die de schuld had dat hij tot de volgende eerste van de maand met een half afgewerkte tattoo ging rondrijden. Tenminste was er niemand die het zag.
Geen man. En geen vrouw.
“Dat geloof je niet echt”, Anna depte dressing van haar lippen. Ze hadden Piet over Fluweel en Gourmetfix en Galena verteld maar hij had ze uitgelachen. Allebei. Voor een seconde had Raphaël gedacht dat Anna aan zijn kant stond. Stug drupte hij de inhoud van een tweede zakje mayo over zijn frietjes. “Geef ne keer”, zei hij en kuiste zijn krachtige vingers met Anna’s servet. De serveerster bracht hem nooit en nooit een.
Anna lachte. “Je hebt een vuile verbeelding”, zei ze. Raphaël grijnsde. Vrouwelijke logica. Maar verdomme doeltreffend.
Terug in de intimiteit van het kantoor zetten de collega’s hun maskers af. Een moordzaak. Dat moet toch heel stresserend zijn voor je. Raphaël. Je hoeft het niet te doen, dat weet je, hé. Misschien een andere keer. Zeker. Maar nu toch niet. Het is te vroeg. Te veel. Te zwaar. Je bent toch - - - Je hebt toch geen - - - Je weet wel. Raphaël.
Hectisch praatten ze tegen hem aan. Geen teken van middagvermoeidheid. Ze moeten dit besloten hebben toen hij in de koer aan ’t smoren was. Het was ook geen wonder. Nu was het een top zaak. Nu wilden ze het graag zelf doen. En heel discreet. Raphaël zweeg en schudde zijn hoofd. Dit was met hem niet te doen.
Het huiszoekingsbevel liet ook op zich wachten. Hij moest de druk verhogen. Hij moest luider zijn. Hij moest hoger mikken. Hij nam de stift en schreef ‘Dovenhof’ in zijn kobbenet.
Nu werden ze nog hectischer. “Dit kan je niet doen”, hijgde Piet. “Laat het zijn. Alsjeblieft.” Raphaël kruiste de gespierde armen voor zijn brede borstkast. “Neen”, zei hij hard. “Er is een verband en je weet het.”
“Je gaat te ver, Raphaël.” Raphaël hoorde de moeizaam getoomde woede in Piets wezenloze stem. Straks ging het beginnen. Hij wachtte, de armen rustig gekruist. Piet strekte hem een sponsje tegemoet. “Wis dit …”, blafte hij. Raphaël staarde hem aan. Alleen maar tegen honden sprak je zo. “Nee, verdomme!” Nu was hij luid. “Dit is mijn zaak!”, riep hij. Plots voelde hij een grote hitte. Hij was teruggekeerd, eindelijk. Hij had verdomde drie jaar nodig had om zo verre te geraken. Hij zou niet opgeven. Nooit.
Ze zagen hem beven toen hij de armen uit elkaar deed en zich beschermend voor het bord plaatste. Ze zagen hem naar asem snakken. Zijn pupillen snokken. De quotakreupel. Piet beet op zijn lippen. Dovenhof had heel gelijk. Wat een goedkoop toneel. “Hou op”, zei hij koud.
Al lang keek heel het kantoor. “Terug naar jullie werk”, snoof Piet zonder zijn blik van de hoofdinspecteur te nemen die een erbarmelijke politieagent en een nog erbarmelijkere acteur was.
Raphaël was beginnen kreunen. Zijn handen zochten de hoepels en vonden ze niet. Dan ging alles heel rap. Plots zakte hij ineen. Een seconde of twee hing hij scheef in de rolstoel. Dan knalde hij op de glad gepolijste vloer en bleef levenloos liggen.
Anna haastte zich naar hem toe. “Raphaël!”, ze schudde hem. “Raphaël?!? RAPHAËL!!!”
Langzaam betastte hij het verband rond zijn hoofd. De canule aan zijn hand. Hij zou best de ogen open doen. Later misschien. Pijn beukte op hem af als golven op zand tot de slaap hem weer met zich meetrok op zee.
Sinds de haaien hem voor de kust van Madagaskar beide benen hadden afgebeten, was hij de koning der piraten. Dit was zijn schip dat onder volle gitzwarte zeilen door zuiderse zeeën jaagde. Dit waren zijn mannen die zijn bloederige verbanden verwisselden en hem rum en whisky voerden. Het laatste gevecht was hevig geweest. Dan kwam er een boot af. Piet stond erin. Hij kwam dichter. Hij zei hoe het hem speet, en deed de groeten van Dovenhof. Raphaël wou hem het water in duwen maar hij plonsde er zelf in. Wat een shit droom. Hij deed zijn ogen open. Er stond een bos bloemen. Raphaël viste naar het kaartje. De vaas kantelde. Nu was hij echt nat. Hij tilde de doorweekte kaart van de sprei. ‘Veel beterschap. P. Dovenhof’. Wat een klootzak.
“Altijd deze woorden … Wanneer moogt ge eindelijk naar huus?”, vroeg een dun stemmetje. Raphaël probeerde zijn massief lichaam op een elleboog te steunen en het in de mist ronddansende gezicht in het bed naast hem te focusseren. “Hoe lang ben ik hier al, verdomme?”
“Te lang. Veel te lang. Stop toch met vloeken, alstublieft”, mompelde de man.
“Hoe lang, ver… Hoe lang?”
“Twee dagen. Twee dagen te veel.” De man duwde de bel. Toen de verpleegster kwam wees hij zwijgend naar het overstroomde bed naast hem. “Laat hem gaan”, smeekte hij toen Raphaël met de hulp van een stevige verpleger bevend in zijn rolstoel kroop opdat zijn beddegoed zou ververst kunnen worden. “Goe gedacht”, zei Raphaël. Dan gaf hij over. De laatste beker rum was wellicht eentje te veel geweest.
Toen hij proper gewassen in zijn schoon bed lag, kwam hij voor het eerst echt tot zijn positieven. Twee dagen. Zijn grote handen wreven over de in het laken geweven letters. ‘AZ St. Jan’. Twee dagen dat hij niet aan zijn zaak had gewerkt. Hij niet en vermoedelijk ook anders niemand. Tenminste niet naar zijn goesting. Verdomme.
“Sorry”, zei hij toen de buurman weer begon te zagen. “Ik ben zo goed als weg!” Een paar verdiepen beneden hem lag een dode met een steekwonde in de lenden en een gapende wonde aan zijn hoofd. Met een naam die vermoedelijk vals was. En een bruid die hopelijk echt was. Hij moest ze vinden. Raphaël probeerde recht te zitten en liet zich wurgend weer zakken. Vaag herinnerde hij een dokter die iets van een hersenschudding en een collaps had gezegd. En van een open wonde op zijn voorhoofd. Vermoeid draaide hij zijn hoofd naar de buurman. “Heb je een peukje misschiens?”
Op dit moment ging de deur open. “Eerst koorts meten”, verklaarde een stem die hem verschrikkelijk vertrouwd leek.
Moeizaam draaide hij zijn hoofd naar de deur. Grit. Grit, die met een onschuldige glimlach op hem afkwam en vrolijk met een thermometer zwaaide.
