TIJD-TRILOGIE TOEKOMST - Luit T. Molenaar - E-Book

TIJD-TRILOGIE TOEKOMST E-Book

Luit T. Molenaar

0,0
6,49 €

-100%
Sammeln Sie Punkte in unserem Gutscheinprogramm und kaufen Sie E-Books und Hörbücher mit bis zu 100% Rabatt.

Mehr erfahren.
Beschreibung

De ontwikkelingen rondom Heleens vermissing en alle misère over haar erfenis liggen inmiddels al een half jaar achter hen. Na alles wat ze in Drachten hebben meegemaakt, zijn Heleen en Martijn verhuist naar Griekenland en hun huis in Drachten hebben ze aan vriendin Ryeen verkocht. De toekomst ligt voor hen open; Heleen en Ryeen zijn beide in verwachting van hun eerste kindje. De inzichten van het verleden blijken niet compleet ; een brief, die in een eerder onderzoek naar boven kwam, bevat meer informatie dat destijds beoordeeld. Daardoor moet ruim 25 jaar aan geschiedenis in een andere context gezien worden. De nieuwe openheid over het verleden maakt duistere krachten los. Als hun vrienden Ryeen met Kees en Bouke met Sharon voor vakantie in Griekenland zijn blijkt de toekomst allerminst zeker. 'TOEKOMST' volgt op de boeken 'VERLEDEN' en 'HEDEN' en maakt de cirkel van de TIJD-trilogie rond.

Das E-Book können Sie in Legimi-Apps oder einer beliebigen App lesen, die das folgende Format unterstützen:

EPUB
MOBI

Seitenzahl: 699

Veröffentlichungsjahr: 2024

Bewertungen
0,0
0
0
0
0
0
Mehr Informationen
Mehr Informationen
Legimi prüft nicht, ob Rezensionen von Nutzern stammen, die den betreffenden Titel tatsächlich gekauft oder gelesen/gehört haben. Wir entfernen aber gefälschte Rezensionen.



TIJD TRILOGIE

TOEKOMST

Luit T. Molenaar

TOEKOMST

er is een tijd om af te breken

en een tijd om op te bouwen

Auteur: Luit T. Molenaar

Omslagontwerp: Bureau Aandacht

Copyright: Fictie Verwoord

Jaar van uitgave: 2023

ISBN:9789403738536

Restaurant Binnen bestaat werkelijk in Drachten en ik mag die naam gebruiken. Naast diverse openbare gebouwen in Drachten en omgeving zijn alle locaties fictief. Straatnamen komen wel overeen.

De karakters van de personages komen geheel uit mijn fantasie voort. Mocht je iets herkennen, glimlach dan hooguit.

Voor mijn kleinkinderen

“In deze wereld zal haat nooit beëindigd

worden door haat, maar door liefde;

dit is een eeuwige waarheid…”

Boeddha

Nieuwe personages in dit boek hebben de voornamen gekregen van mijn kleinkinderen, die op het moment van uitgeven geboren waren. Hun achternamen in dit boek verwijzen naar voor hun bekende informatie.

Rick Steenkerk

Hij woont op de Steenkerk;

Isa Benthuis

De tweede voornaam van Isa is Benthe;

Saar Voergang

Haar pake en beppe wonen op de Voergang;

Luuk Du Moulin

Du Moulin verwijst naar de achternaam van zijn pake en oma. Zij woonden in Frankrijk;

Sofie van der Kamp

Haar oom en tante wonen op De Kamp;

Lizza Molenaar

Molenaar verwijst naar de meisjesnaam van haar oma.

Fenna Maddé

De tweede naam van Fenna is Madée

Linde Vrijheer

Vrijheer is een middeleeuwse benaming van Baron, de achternaam van haar moeder.

PROLOOG

Ryeen was diep in gedachten verzonken. Zij was in 1986 geboren en dus vijfentwintig jaar oud. Ze had veel overeenkomsten met haar moeder; de hotel-opleiding in Santa Barbara hadden ze beiden gedaan en Ryeen en haar moeder waren manager geweest van hetzelfde hotel bij JFK-airport. Zelfs haar handschrift leek op de in- gescande tekst die ze las. Nú was zij zwanger.

Aan het leven van haar moeder was vijfentwintig jaar geleden, direct na de bevalling, een einde gekomen. Ze wist sinds een half jaar dat haar moeder vlak na haar geboorte was vermoord én wie dat gedaan had. Die informatie klopte maar ten dele met de laatste bladzijde van het dagboek van haar moeder. Ryeen voelde een overeenkomst tussen het verleden, en wat zij de afgelopen uren had meegemaakt. Daardoor kreeg het dagboek de sfeer van een déjà-vu.

Ryeen begon voor de tweede keer het dagboekje te lezen, om te begrijpen wat er toen was gebeurd en nu opnieuw zou kunnen gebeuren. Ze was bang, doodsbang. Net als haar moeder.

Wauw! Ik kan nu eindelijk vertellen dat ik zwanger ben. Kenneth en ik krijgen over 5 maanden een kindje.

In 1981 heb ik Kenneth leren kennen in een hotel, vlak bij het JFK-airport. Dat is niet zo raar als het lijkt, omdat ik de opleiding hotelmanagement aan het ‘Santa Barbara City College’ heb gedaan. De opleiding zit in de gelijknamige stad aan de oostkust van Amerika. Met die opleiding heb ik de kennis en vaardigheid om een hotel te runnen.

Ik was drieëndertig toen Kenneth in mijn leven kwam, hij is vijf jaar ouder dan ik ben. Wij hadden geen van beiden eerder een relatie gehad. Kenneth is piloot en hij is knap! Ik heb geen idee waarom ik het zo leuk vind dat hij piloot is. Misschien is het wel het avontuurlijke wat piloten in zich hebben. Afgelopen jaren heeft Kenneth diverse diploma’s gehaald, waardoor hij op grotere vliegtuigen mag vliegen. Ik wilde best eens met hem mee, maar dat was lastig met mijn werk.

HOOFDSTUK I

Het overwinnen van vrees

is het begin van wijsheid

Bertrand Russel

Engels filosoof en wiskundige

1872 – 1970.

HEDEN, ZONDAG 28 AUGUSTUS 2011

Tyros, 09.00

Tweeëneenhalve week geleden was hun vakantie in Griekenland begonnen. De eerste paar dagen logeerden Bouke Boukema en zijn verloofde Sharon Visser bij hun vrienden, die sinds drie maanden in Methoni woonden. Een betere start van hun vakantie konden ze zich niet wensen, door samen met Kees en Ryeen bij Heleen en Martijn te logeren. Die woonden sinds een paar maanden in Methoni, op het Griekse schiereiland. Daarvandaan waren ze met een camper Griekenland in getrokken. Het plan was om in alle rust naar Athene te reizen. Athens International Airport kent een prima vliegverbinding met Nederland. Vanaf vliegveld Kalamata, niet ver bij Heleen en Martijn vandaan, reden ze via Sparta en Tripoli al ruim driehonderd kilometer Griekenland in. Op de kaart leek het net een grote ‘M’, die ze af hadden gelegd. Bij Tyros vonden Bouke en Sharon een camping om een paar dagen te blijven staan.

Tyros, een plaats aan de Argolische Golf, ligt ruim honderd kilometer ten noorden van Korinthe, waar het schiereiland de verbinding maakt met het vaste land van Griekenland. Er restte hun nog een reis van anderhalve week via Argos en Korinthe naar Athene.

Bouke had zijn ochtendwandeling gemaakt. Hij had heerlijk gewandeld en nu liep hij, via een strandweg, weer naar de camping. De nachten waren erg warm, hij was blij met de airco in de camper. Die camper was absurd groot en gebouwd op het chassis van een middelgrote bus. Hij werd in een kleine ruimte nooit echt gelukkig en hier konden ze achter elkaar aan rennen. En een fenomenaal motorgeluid! De kracht van de motor voelde je goed als de camper in beweging kwam; driehonderd pk was erg veel. Zijn vrachtwagenrijbewijs kwam nu goed van pas. Bouke glimlachte. Toen hij, bij het boeken van de vakantie twee maanden geleden, deze camper zag was hij gelijk verkocht. Er waren drie plekken om te slapen. Uit het plafond kon op twee plaatsen een bed naar beneden zakken, en tenslotte kon boven de bestuurdersstoelen handmatig een deel naar beneden draaien, waardoor een derde bed beschikbaar was. Er was slaapplaats voor zes personen.

Hij zag hun camper al staan en liep er heen. Bij de letters die voorop de camper prijkte kwam het beeld van een supersonisch passagiersvliegtuig naar voren, wat eind vorige eeuw kort in gebruik was geweest. ‘Futuristisch’ was het woord dat een link legde tussen vliegtuig en camper. Sharon lag nog op bed, want alles was nog dicht. Een half jaar geleden was hun relatie ontstaan, tijdens het onderzoek wat hem nu nog bezighield. In dat kader had hij Sharon diverse keren gesproken. Zijn gevoelens voor haar waren gegroeid, maar hij had geen idee hoe hij dat moest aanpakken. Zijn collega Gerda had zijn verliefdheid gezien en zijn gestuntel bekritiseerd, maar ook goed advies gegeven. Hij herinnerde haar opmerking nog wel: ‘Verliefd zijn kun je niet tegengaan en vooral niet bedekken. Ik vind het wel leuk om zo’n beer van een vent verlieft te zien. Vooruit, bel haar op en vraag naar de verslagen.’ Zijn gedachten dwaalden naar haar af. Een sterke vrouw, zowel mentaal als fysiek. Ze beoefende een Israëlische vechtsport. Dat had haar in februari niet geholpen bij het overmeesteren van een verdachte. In enkele minuten had ze twee pogingen tot doodslag overleefd. Daardoor was ze mentaal geknakt. Op dit moment was Gerda een paar uur per week weer aan de slag, hoofdzakelijke met administratief werk. Bouke had begrepen dat de vechtsport een belangrijk element vormde voor haar mentale herstel. Hij was weleens met Gerda mee geweest, maar had al gauw in de gaten dat dit niets voor hem was. Het ging er erg hard aan toe, de training deed niet onder voor de opleiding van special forces.

Zijn telefoon onderbrak zijn gedachten. Bij zijn camper ging hij zitten. “Bouke Boukema” nam hij het gesprek aan. “Kent u Luuk Du Moulin?” hoorde hij een vrouwenstem. ‘Jemig, ik heb vakantie!’ “Dat klopt,” antwoordde hij desondanks, “met wie heb ik het genoegen?” vroeg hij erachteraan. Twee minuten zat hij aan de telefoon. “Mevrouw, stuurt u de informatie rechtstreeks naar mijn werk-mail, dat is veilig en versleuteld. Ik zie het graag tegemoet. Als ik weer in Nederland ben, zoek ik u op.” Daarna sloot hij af. Hij dacht na over wat hij gehoord had en stak een klein sigaartje op; een privilege voor de vakantie, had hij Sharon bezworen. Hij hoorde een bericht binnenkomen, opende zijn mail en las die aandachtig door. Hij was in een bepaalde zaak al lange tijd op zoek naar valide bewijs en dat kreeg hij nu letterlijk in de schoot geworpen. Daarna opende hij een andere mail. Kees en Ryeen hadden die op hun eerste vakantiedag gekregen. Dat had hem die avond werk nog bezorgd, vakantie of niet. De ontwikkeling die hij dáárdoor in gang had gezet kreeg nu een bijzondere lading. Hij was boos en strijdbaar tegelijk.

Met Sharon had hij nog bijna een week vakantie, maar ergens beknaagde hem het idee dat er, sneller dan dat hij wilde, werk aan de winkel was. Hij keek op zijn horloge, pakte zijn telefoon weer en toetste een nummer in. Hij was zeker tien minuten in gesprek. “Sharon is wakker, ik ga een ontbijtje voor haar klaarmaken,” zei hij glimlachend toen hij geluid in de camper hoorde. Daarna verbrak hij de verbinding. Hij stond op, liep naar binnen en maakte een ontbijtje, zoals Sharon dat graag zag. Met een dienblad liep hij naar de achteren. “Morgen,” klonk het uit de slaapkamer. Sharon was wakker, maar had nog rode slaapogen. “Mijn menstruatie is bijna over,” zei ze. “Dat het met de jaren erger zou worden, wist ik, maar de laatste keren loop ik bijna leeg!” beklaagde ze zich over de toenemende heftigheid van haar menstruatie. Sharon was boven de veertig en ze had het idee dat haar hormonen al voorsorteerden op de overgang. “Wat is ervoor te zeggen, als je aan de pil gaat?” zei Bouke voorzichtig, denkend aan condooms die ze meegenomen hadden. Daar wilde hij wel vanaf, misschien was dit een aardige aanleiding. “Je had iemand van je werk aan de lijn?” negeerde Sharon de vraag en haar gezicht verried nog meer irritatie dan toen ze over haar menstruatie sprak. Bouke moest even schakelen, maar hoedde zich ervoor om opmerkingen te maken over de invloed van hormonen. Dat had hij eens eerder gedaan en toen had Sharon hem meer dan duidelijk gemaakt daarvan niet gediend te zijn. Zijn verloofde was intelligent, breed onderlegt, belezen, creatief, maar vooral een eigen persoonlijkheid. Op hun leeftijd een relatie beginnen kost nou eenmaal meer energie als dat je jong aan zo’n avontuur begint. Maar hij genoot er enorm van. “Ik dacht dat dergelijke campers goed geïsoleerd waren,” probeerde hij een omtrekkende beweging. “Je hebt vakantie, Bouke, wat beweegt je om met je werk bezig te zijn? Kom je daarom ontbijt op bed brengen?” Bouke reageerde resoluut. “Nee, ik ging ervan uit dat je sliep en ik me dus niet zou hoeven te verantwoorden.” Hij had feller gereageerd dan hij wilde en Sharon had dat blijkbaar in de gaten. “Zo bedoelde ik mijn opmerking niet. Het verschil tussen ‘alleen’ en ‘samen zijn’ is, dat je soms commentaar krijgt op je gedrag. Dat moet je ontberen als je alleen bent.” Bouke glimlachte en trok Sharon tegen zich aan. “Op de dag dat we bij Heleen en Martijn aankwamen kregen Ryeen en Kees een mail, weet je nog?” Sharon knikte. “Iets in die mail zette me aan het denken en liet me niet los. Vanmorgen kreeg ik daar onverwacht nieuwe informatie over. Wat me eerder aan het denken zette, kreeg nu vorm. Ik heb die informatie met Nederland gedeeld en opdrachten gegeven.” Bouke nam een slok koffie. “Maar ik ken mezelf daarin; als buldog laat ik niet makkelijk los. Ik heb een compromis gevonden om vakantie te kunnen vieren en aan de andere kant een onderzoek effectief te beïnvloeden zonder dat ik daar zelf actief bij betrokken ben.” Sharon keek hem aan. “Heb je al eens een prijs voor welsprekendheid gewonnen?” Hij draaide zijn hoofd even weg. “Wat bedoel je, ben ik onduidelijk?” vroeg hij aan het plafond. “Een onderzoek effectief beïnvloeden zonder daar zelf actief bij betrokken te zijn,” citeerde Sharon en probeerde de zware stem van Bouke na te doen. “Als je een onderzoek stuurt verwacht je reactie en dat vraagt alertheid, dus hoe kun je daar niet bij betrokken zijn?” Hij draaide zich geïrriteerd om en vertrok uit de camper, waar hij buiten alleen ging zitten eten. Zijn vakantiegevoel was helemaal weg.

Methoni, 21.00 uur

Heleen was de BOB vanavond. Samen met Martijn wilden ze hun vrienden Ryeen en Kees een heerlijke laatste avond van hun vakantie bezorgen. Ze waren uit eten geweest in Pylos, ruim tien kilometer verderop, en bijna weer thuis. Deze avond konden Martijn en Kees met een gerust hart aan de alcohol, zowel Heleen als Ryeen dronken niet, vanwege hun zwangerschap. Heleen draaide de Alfa GT behendig het grindpad op naar hun woning. Sinds enkele maanden woonde ze met Martijn in Griekenland. Hij werkte als architect bij een Nederlandse projectontwikkelaar en Heleen had een baan als grondstewardess bij het vliegveld Kalamata. dit was een klein -en van origine een militair- burgervliegveld op het Griekse schiereiland. Alleen in Patras en Athene waren er nog vliegvelden. Als je uít Nederland naar Methoni wilde dat aan de Ionische zee grensde, maar op Athene vloog, betekende dat via het ‘straat van Korinthe’ nog zeker vier uur rijden. Vliegveld Kalamata passeerde je dan op vijftig kilometer van hun huis. Dat huis was ruim genoeg om de vakantiegangers drie weken op te vangen.

Op dinsdag 9 augustus, bijna drie weken geleden, hadden ze hun vrienden Ryeen en Kees van vliegveld Kalamata opgehaald. Bouke en zijn verloofde Sharon waren meegevlogen en logeerden ook drie dagen bij hen. Door alle ellende van een half jaar geleden waren Bouke, Sharon en Kees goede vrienden geworden. Met hun zessen hadden ze heerlijke dagen gehad en samen herinneringen opgehaald. Daarna waren Bouke en Sharon begonnen met hun reis door Griekenland. Met een camper trokken ze via het Griekse schiereiland naar vliegveld Athene. “Tsjonge, wat is dat snel voorbijgegaan,” reageerde Ryeen, toen Heleen de auto geparkeerd had. Voordat deze vakantie begon spraken ze elkaar alleen via skype Fysiek contact; samen wandelen, samen eten, lachen en huilen was toch veel intenser.

“Zijn je ouders nog steeds in jouw huis, Ryeen?” vroeg Heleen. Die knikte. “Kenneth en Vyra gaan zaterdag, 3 september, weer naar huis. Dan heb ik ook geen tijd meer voor ze,” grinnikte ze. “Vanaf een september neem ik het restaurant van Ronald over en vanaf een januari koopt Kees zich daarbij in.” Heleen keek Ryeen met bewondering aan. “Dat is nogal een carrière-wissel, van hotelmanager naar restauranthouder.” “Dat valt wel mee hoor, ik hoef niet te koken en de bediening is mij op het lijf geschreven,” merkte haar vriendin op.

“Ik ben stuk!” zei Heleen, toen ze de voordeur inliepen. “Vanmiddag heb ik niet voldoende rust genomen. Blijven jullie nog zitten?” vroeg ze aan drie anderen. Die vraag was al deels beantwoord, want Kees en Martijn hadden al een biertje te pakken. “Ik ga ook naar boven, Heleen,” zei Ryeen, ze pakte haar spullen en liep achter haar aan. “Hoe laat gaat jullie vlucht morgen?” vroeg Martijn aan Kees. Vóór de heenreis hadden Ryeen en Kees een enkele reis geboekt en bij aankomst in Griekenland boekten ze pas de retourvlucht. “Zestienhonderd uur moeten we bij vliegveld Kalamata zijn,” antwoordde Kees. Toen hij een half uur later boven kwam was Ryeen nog wakker, klaarwakker zelfs. Ze had een ochtendjas aan, die genoeg openviel om te zien dat ze er niets onder droeg. “Ik dacht dat je energie op was,” reageerde hij verbaasd. Zijn ogen schoten heen en weer tussen haar hoofd en de onderkant van haar zwangere buik. “Heb je míj dat horen zeggen?” vroeg Ryeen aan haar vriend, met de nadruk op ‘mij’. Kees glimlachte. “Je hebt gelijk, jíj hebt dat niet gezegd. Heb je wilde plannen?” Ryeen keek hem verleidelijk aan en draaide deur van hun slaapvertrek op slot.

Leeuwarden, 21.30 uur

Rechercheur Rick Steenkerk was onderweg naar een melding. “Wat een klotentijd,” zei hij tegen zijn collega Sofie van de Kamp; hun avonddienst was bijna klaar, toen ze gebeld werden. Aan de rand van Leeuwarden, vlak bij het vliegveld, stond een auto geparkeerd met draaiende motor en de lichten aan. De beveiligingsdienst van de vliegbasis had onderzoek naar de auto gedaan omdat de koplampen al enige tijd op de vliegbasis schenen. De kennelijke bestuurder zat er in, maar die reageerde niet op de signalen die ze afgaven. Op basis van een vermoeden van problemen en het ontbreken van bevoegdheid buiten de vliegbasis was de politie gebeld.

Rick reed de hobbelige weg op, die de naam Piter Rindertsreedje had. Aan het eind zagen ze de koplampen macaber schijnen tegen de tralies, die de vliegbasis afsloot voor buitenstaanders. Hij zette zijn wagen achter de geparkeerde auto en stapte uit. Sofie noteerde nog wat gegevens en stapte toen ook uit. “De motor draait, maar de deuren zijn op slot,” vertelde een beveiliger. “Waarom heb je de deur niet geopend?” reageerde Rick geïrriteerd. “Bij twijfel ga je tot actie over, die verantwoordelijkheid heeft iedereen.” “Ik zag er geen harde noodzaak toe en twijfelde wat te doen. De politie konden we niet snel bereiken, vandaar de stap om jullie te bellen.” Rick keek naar Sofie en negeerde de beveiliger daarna volledig. Alle deuren waren op slot, de motor draaide en de koplampen branden. “Bijzonder,” zei Rick, “een centrale deurvergrendeling kan je van binnenuit activeren, maar waarom zou je dat doen?” Zoals gebruikelijk bij situaties die mogelijk plaatsen delict konden worden, trok hij plastic handschoenen aan. Sofie scheen met haar zaklamp in de auto en keek kritisch naar de vrouw achter het stuur.

“Rick, kom eens hier?” vroeg ze aan haar collega. “Zeg het eens?” zei hij. Sofie bleef recht voor zich uit kijken. “Haar mond zit vlak bij de ruit, maar er vormt zich geen condens. Zie jij een beweging van de borstkas?” Rick keek aandachtig naar binnen. “De ventilatie zal ook wel draaien, de afwezigheid van condens zegt dus niet alles.” Hij keek Sofie aan. “Maar ik denk dat je gelijk hebt, ik zie reden de auto open te breken.” Rick gaf een seintje aan een agent, die vervolgens de auto aan de bijrijderskant openmaakte. Door de geopende deur stapte hij in, een immense warmte kwam hem tegemoet. De vrouw zat in de gordel, het leek erop dat ze de auto zelf geparkeerd had. Rick voelde aan de pols en toen aan de hals van de vrouw. “Geen polsslag,” meldde hij naar Sofie. Door de warmte in de auto voelde het lichaam niet koud aan. Hij inspecteerde de ogen. Toen Rick een ooglid optilde voelde die slap aan. Iedere keer als hij ‘dode ogen’ zag vond hij dat vreselijk. ‘Leg maar eens aan iemand uit wat dode ogen zijn!’ dacht Rick. ‘Dat weet je pas als je het een keer gezien hebt.’ Hij had de neiging om tot reanimatie over te gaan, maar twijfelde. Dat had van doen met de fysieke kenmerken van de dood, maar ook met het sterke gevoel dat er iets niet klopte en dat reanimatie kostbare sporen van een misdrijf zou kunnen verwijderen. “Sofie, ambulance of schouwarts. Wat denk jij?” Zijn vraag leek overbodig. “Komt die hierheen?” vroeg Sofie, toen ze de sirene van een ambulance hoorden. “Heeft iemand de ambulance besteld?” bulderde Rick, toen hij buiten de auto stond. Niemand reageerde, maar er waren al beveiligers weg, bedacht hij zich. Het geluid van de sirene kwam steeds dichterbij en even later werden de zwaailichten ook zichtbaar, toen de ambulance de bocht nam en naar hen toe reed. “Sofie,” vroeg hij, “wil jij zorgen dat niemand zomaar naar dat slachtoffer gaat?” In zijn achterhoofd knaagde iets; menigeen zou door een reflex aan de reanimatie zijn begonnen, terwijl Rick dacht dat dát nou juist zijn gevoel veroorzaakte. Dit dubbele gevoel bracht hem in een ethisch dilemma. ‘Als ik me vergis en ze is niet echt dood.’ Heimelijk was hij er blij mee, dat de verpleegkundigen er aan kwamen. Rick wilde hen spreken, voordat ze aan het werk gingen. Hij liep naar de ambulance en sprak de medewerkers aan, toen ze uitstapten. “Mag ik jullie wat vragen?” begon hij. Ondertussen legitimeerde hij zich als rechercheur. De man en de vrouw knikten, hun blauwe handschoenen hadden ze inmiddels aan. Rick liep met hen mee. “Ik denk dat de vrouw in de auto overleden is én ik denk dat er een misdrijf is gepleegd. Als jullie óók denken dat deze vrouw is overleden, willen jullie haar dan laten zitten zoals ze zit?” “U vraagt ons toch niet om deze vrouw op voorhand dood te verklaren?” vroeg de verpleegkundige. Nee, dat vroeg hij niet. “Ik heb het idee dat er bewijzen verloren gaan bij een reanimatie.” De vrouw keek hem schamper aan. “U overschat uw positie, meneer, door mij te vragen om mij buiten mijn verantwoordelijkheid te begeven. Ik mag niemand zomaar doodverklaren, evenmin als u.” Daarna liep ze met haar collega naar de auto toe. Rick keen haar na. Hij zag dat Sofie uit de auto stapte en ruimte maakte. Ze liep naar hem toe. “Van alle kanten heb ik foto’s gemaakt. Ik begrijp wat je bedoelde en ik denk dat je inderdaad gelijk kunt hebben, Rick, maar,” vervolgde ze, “je hebt in geen geval recht van spreken.” Ze liepen naar hun wagen toe en gingen zitten. “Wat gaan we doen?” vroeg Sofie aan Rick.“ Laat mij je foto’s eens zien?” gaf hij als antwoord. Sofie activeerde de foto-opslag op haar telefoon. “Hm,” zei ze, “we gaan naar het bureau, dit scherm is te klein om details te kunnen zien. En verder kunnen we toch niets doen. Als er geen natuurlijke dood wordt vastgesteld, komt er een onderzoek. Ik ben erg nieuwgierig.”

Drachten, 22.00 uur

“Wat een ellende dat alles nu tegelijk komt,” foeterde Kimberly Tamminga.

Het leven had de afgelopen periode veel van haar gevraagd en zou dat de komende weken nog blijven doen. Dit voorjaar waren haar beide ouders overleden, drie maanden na elkaar. Het ouderlijk huis was verkocht en kon worden opgeleverd. De woning moest daarom leeggehaald- en worden voorbereidt voor de overdracht. Daar was ze gistermiddag en -avond ook nog mee bezig geweest. Maar daar had ze eigenlijk geen tijd voor. De feestelijke opening van ‘Makelaardij van Vlier’, aankomende donderdag, nam al haar tijd in beslag. Ze had aangegeven in tijdsnood te komen, maar haar broers hadden geen enkele consideratie met haar en verlangden een gelijke inzet van de erfgenamen.

Toen ze vanmorgen eindelijk tijd had om de financiën bij te werken kwam het ergste. Tot haar schrik ontdekte ze dat er sinds eind vorige week forse bedragen van de bedrijfsrekening waren afgeschreven. En alleen zijzelf en haar compagnon konden bij het geld. Deze financiële mokerslag zette de start van haar bedrijf op losse schroeven. De opening zou misschien niet plaats kunnen vinden. Haar compagnon had pas geleden iemand aangenomen, omdat hij vond dat hij toch wel oud werd voor een nieuw avontuur. Als hij dat had overlegd, dan had ze het tegen gehouden. Kimberly vertrouwde níemand, ook de oude Griek niet. Ze had wel een enkele keer geprobeerd om mensen te vertrouwen, maar keer op keer merkte ze dat het verstandiger was om dat niet te doen. “Et voilà!” zei Kimberly hardop, als bevestiging van haar opstelling ten opzichte van de medemens. Over vier dagen ging de makelaardij open, maar de controle over haar bedrijf leek ze kwijt. Evenals het vermogen ervan. Haar liquiditeitsratio was zodanig verslechterd, dat de bank weleens problemen kon gaan maken.

Een volle blaas haalde haar uit haar gedachten en ze liep naar het toilet. Het geluid van haar urine dat in het water van de toiletpot viel, bracht haar in de actualiteit terug. Ze had vandaag meerdere keren geprobeerd om haar compagnon in Griekenland aan de lijn te krijgen. Hij zou toch die uitgaven moeten verantwoorden en belangrijker nog, hij zou het banksaldo op korte termijn weer moeten aanvullen. Haar telefoon ging over en Kimberly nam het gesprek gretig aan, omdat de naam van haar Griekse compagnon in de display stond. “Eindelijk, waar zat je, luie donder?” bracht ze uit. Fatsoensnormen waren niet meer aan de orde.

“Met Kimberly Tamminga, goedemiddag,” begon ze overnieuw. ‘Kimberly,’ glimlachte ze. Het was haar doopnaam, die ze in maart 1978 van haar ouders had gekregen. In het dagelijks leven werd ze steeds met Kim aangesproken, maar met de recente ontwikkelingen wilde ze terug naar het begin van haar bestaan en overnieuw beginnen; ze wilde Kimberly worden genoemd. “Leg uit hoe jij George kent en hoe hij in het ziekenhuis is beland. Want met al die uitgaven die zijn gedaan geloof ik daar geen barst van,” zei Kimberly verbaasd. “En voor de duidelijkheid, jij bent voor mij de eerste verdachte!” De reactie liet op haar gezicht weinig aan de verbeelding over. “Werk jij al maand met George samen en ík weet nergens van?” Het antwoord was blijkbaar kort. “En jij weet niets van die uitgaven af en je weet zeker dat George dat ook niet weet? Ik kan dat onmogelijk aan de bank uitleggen, als ze daarom vragen.” Het antwoord was opnieuw erg kort en ze overwoog om de telefoon door de kamer te smijten. “Luister Luuk,” zei ze zo beheerst mogelijk, “ik ga morgen naar Griekenland om George te zien, de zaken zelf te beoordelen en op orde te brengen. Ik zie je in Tripoli.” Geïrriteerd hoorde ze een laatste opmerking. “Geen sprake van dat je me ophaalt, ik meld je wel als ik wegrij uit Kalamata, slijmbal.” Daarna sloot ze het gesprek af.

Het was tijden geleden dat Kimberly zo’n hevige irritatie gevoeld had. Ze had zich aangeleerd om dat wat ze wilde ook altijd te krijgen. In gedachten verzonken struikelde ze over de tassen met spullen van vroeger, die ze uit het huis van haar ouders had meegenomen. Twee dagboeken van vroeger lagen opengeslagen de grond. Sinds anderhalve week keek ze daarin, voor het eerst sinds jaren. Veel van haar oneliners had ze uit het requiem van Mozart gehaald. De droeve sfeer van dit requiem paste toen bij haar gevoelsleven.

*Kyrie eleison*

Als een donderslag bij heldere hemel voelde Kimberly de spanning in haar lijf opkomen. Er schoten lichtflitsen door haar hoofd, lezen werd moeizaam, de woorden vormden geen zinnen meer. “GéVéDéee! Dat kan ik er nu niet bij hebben.” Een tijd lang had ze geen migraine gehad, voor zover ze kon herinneren was de laatste keer in januari. Na het overlijden van haar ouders leek het dat de spanning uit haar leven was verdwenen. En met de spanning meende ze dat ook de migraine verleden tijd was. Te vroeg gejuicht, dus. Vorige aanvallen waren steeds ruim op tijd voorafgegaan door signalen, die de migraine inluidden. Ze had dan energie voor tien, maar haar bewustzijn werd steeds nauwer. In haar ogen zag ze witte spikkels en wanneer haar oren het omgevingsgeluid niet meer konden verdragen, begon de echte migraine. Maar nu was het in één keer raak! Bovendien voelde het alsof alle gemiste aanvallen zich nu tegelijk manifesteerden. De aantekening van elf jaar geleden flitste door haar hoofd.

*Wanhoop! Eenzaamheid! Angst! Pijn! Hoe moet ik verder?*

Ze schreeuwde het uit, toen de dreunen in haar hoofd het constante ritme van haar hartslag begonnen te volgen. “Waar liggen de medicijnen?” kermde ze. Toen ze nog regelmatig een aanval had, lagen die pillen binnen handbereik. In haar nieuwe huis, had ze nog niet eerder een aanval gehad. In de badkamer kon ze het doosje niet vinden, in de keuken ook niet. Vloekend liep ze naar de slaapkamer. Ze moest de lamp aandoen, om in de kast te kunnen zoeken. PIJN! Haar ogen waren op een spleetje na dicht, toen ze haar medicatie in de kast vond. Ze wilde wel vier pillen nemen, omdat de waanzin van de pijn haar overmande. Ze had de tegenwoordigheid van geest om te beseffen dat ze dan nooit weer migraine zou hebben. Een dubbele dosis was al heftig, vertelde haar huisarts toen ze eens melding maakte van haar gewoonlijke medicijngebruik. Ze nam een dubbele dosis medicijnen in en ging op bed liggen.

*Heer, erbarm U*

Ze kreunde de vertaling van de aantekeningen die ze als eerste gelezen had. Het aanroepen van de Heer had Kimberly de afgelopen tijd achter zich gelaten. De verplichtingen van jaren geleden hadden haar tot wanhoop gedreven, maar de afgelopen periode had ze die wanhoop om kunnen zetten in hoop. Haar telefoon deed ze uit en gooide die in de hoek van haar kamer. “Luuk” zuchtte ze, “en George in het ziekenhuis.” Ruim twee weken geleden had George haar gebeld en voor het eerst iets over Luuk verteld. Tijdens dat gesprek had ze afgesproken dat ze naar Griekenland zou komen om er face to face te spreken, maar dat zou ná de opening zijn. “Luuk du Moulin,” zei ze, nu met zijn achternaam, “met o – u-.” Maar deze keer kon er wel ijs op haar stembanden zitten, zo koud klonk het. Ze kroop haar bed weer uit en zocht haar telefoon op. Die zette ze weer aan en verstuurde een bericht. ‘Vergeten te melden: morgenochtend vroeg vertrek ik naar Griekenland.’ Daarna zette ze haar toestel op vliegtuigstand, deed de gordijnen dicht en sloot zich op in haar slaapkamer. “Wat is er in godsnaam gebeurd?” huilde ze met een bonkend hoofd. Herinneringen aan vroeger doemden op, toen ze haar gedrag continu moest verantwoorden. Daardoor stond ze altijd onder een immense druk. Díe realiteit kwam met de pijn weer hard binnen.

Korinthe 22.30 uur

Los van de valse start vanmorgen was deze dag een vakantiedag zoals die zou moeten zijn. Bouke had het vakantiegevoel ook weer terug. Ze hadden van vakantiegangers gehoord dat de kust bij Korinthe ook erg mooi was en daarom waren ze vanmorgen die richting opgegaan. Nu stonden ze op een camping aan de golf van Korinthe. Ze hadden ontspannen in de omgeving rondgelopen, heerlijk aan het strand gegeten en nu was het de beurt voor een heerlijk glas Griekse witte wijn. Bouke en Sharon zaten te genieten van een heerlijke avond.

“Waar ligt jouw telefoon, Bouke?” vroeg Sharon. Hij keek haar met opgetrokken wenkbrauwen aan. “Geen idee, hoezo?” “Ik dacht dat ik een oproep hoorde, maar dan zou je telefoon in de camper moeten liggen.” Bouke stond op en liep sloom naar binnen. “Ik zie hem niet, bel me even!” riep hij naar Sharon. Even later hoorde hij de telefoon, hij lag tussen twee kussens verstopt. Blijkbaar was die daar ingezakt toen hij even op de bank had liggen uitbuiken. “Drie gemiste oproepen,” zei hij. Eén daarvan was van Sharon, die hem net gebeld had. Hij pakte de telefoon en opende de lijst van gemiste oproepen. “Jan van den Brug!” riep hij naar buiten. “Jan van den Brug heeft gebeld!” Bouke liep naar buiten, ging op zijn stoel zitten en belde handfree Jan van de Brug.

“Bouke!” dreunde het door de luidspreker. Jan van den Brug sprak altijd hard, erg hard. Bouke haalde vlug de telefoon van de speaker af. “Ik heb je twee keer gebeld,” vertelde zijn leermeester, “luister!”

Bouke kreeg een frons in zijn voorhoofd; Jan was er de man niet naar om hulp te vragen als dat niet nodig was en als een telefoongesprek met hem niet met een grapje begon was er echt iets aan de hand.

“Ik heb gezien dat je twee keer hebt gebeld, Jan, vertel!” zei hij rustig.

“Hugo is dood!” klonk het in zijn oor. “Ik stel het op prijs dat je me daarover informeert,” reageerde Bouke, “maar ik veronderstel dat dát niet de reden is van je telefoontje.” Het was even stil aan de lijn. “Zelfs in je vakantie ben je scherp, Bouke!” was het antwoord. “Mijn intuïtie laat van zich horen, jongen. Ik wil dat graag bij je toetsen.” Bewondering en irritatie vochten in zijn brein om de voorrang. Als de oud-rechercheur vroeger zei dat hij ‘graag iets bij hem wilde toetsen’ betekende dat meestal werk aan de winkel; zijn intuïtie was fenomenaal. Dat vandaag de overledene zijn zoon was, maakte zijn intuïtie niet minder betrouwbaar. “Moment, Jan,” reageerde hij. “Hugo van der Brug is overleden,” zei hij tegen Sharon Hugo behoorde sinds een half jaar tot hun vriendenkring. Voor zijn vakantie had Bouke nog in Drachten met hem geluncht. Sharon reageerde geschrokken. “Hugo?” Bouke knikte en wilde zich omdraaien, maar Sharon pakte hem bij zijn arm. “Wat betekent dat voor jou?” vroeg ze. Bouke begreep de vraag ogenblikkelijk. ‘Je hebt vakantie, Bouke. Wat beweegt je om met je werk bezig te zijn?’ zei ze amper twaalf uur geleden. Hij boog zich naar zijn verloofde toe. “Het feit dat Hugo overleden is triest, intriest.” Hij wees naar zijn telefoon. “Ik heb zijn vader aan de lijn en ik denk dat hij voor onrust gaat zorgen. Terechte onrust, vrees ik.” Het was geen rechtstreeks antwoord op haar vraag. Daarna liep hij de camper binnen en plofte in een comfortabele fauteuil. “Ik luister,” zei hij tegen Jan. “Als ik je overtuig, ga ik ervan uit dat je naar Nederland komt,” zei Van den Brug. Hij hield een slag om de arm, blijkbaar was hij er niet helemaal zeker van dat hij Bouke zou kunnen overtuigen. “Laat maar horen,” antwoordde Bouke. “Hugo is een twee maanden geleden in Namibië geweest,” begon Van den Brug, “ik heb geen idee of hij daar iets opgelopen kan hebben, maar daar gaat mijn intuïtie niet over.” Bouke luisterde geconcentreerd naar de overwegingen van Van den Brug. “Ik wacht je informatie af. Als je vermoeden inderdaad klopt, kom ik naar huis en zal ik het onderzoek verder leiden. Met Sharon zal ik overleggen wat zij in dat geval gaat doen. Heb je al iets van je schoondochter gehoord?” Daar kon Jan geen antwoord op geven.

Hij stond met lood in zijn schoenen op en liep naar buiten, zijn gezicht grauw als as. Sharon hoefde niet te vragen of het ernstig was, ze stond op, liep haar verloofde tegemoet en sloeg haar armen om zijn middel. “Jan twijfelt eraan of Hugo een natuurlijke dood gestorven is. Hij laat dingen uitzoeken, daar komt op korte termijn uitsluitsel over. Als dat inderdaad waar is ga ik naar Nederland om het onderzoek te leiden.”

Zijn telefoon kondigde een bericht aan. Bouke opende zijn whatsapp en las het bericht. ‘Gatverdamme, dat was ik helemaal vergeten!’ bedacht hij zich en was blij dat hij niet hardop gereageerd had. Sharon had hem vast huisarrest gegeven.

MAANDAG 29 AUGUSTUS

Drachten, 04.00 uur

Kimberly schrok wakker van de wekker. Met een harde dreun maakte ze een eind aan de irritante herrie. Ze keek op de klok en zag dat het vier uur in de morgen was, over drie uur moest ze op het vliegveld zijn.

De schoolreünie waar ze eergisteren heen geweest was, het leeghalen van het ouderlijk huis en tenslotte het lezen van oude dagboeken hadden haar erg vermoeid en ongetwijfeld de migraineaanval uitgelokt. Ze zag haar opmerking weer voor zich en veel herinneringen van jaren geleden beleefde ze opnieuw.

*Quantus tremor est futurus -- Welk een angst zal er zijn*

Ze voelde opnieuw de onmacht van vroeger om zelf keuzes te maken. Het eindeloze gevecht tussen de eigen mening en de wil van haar ouders én het continu moeten kiezen tussen identiteit en veiligheid. Veiligheid, het gevoel dat je ergens bij hoorde; het gevoel dat anderen je opvingen, als dat nodig was. Ze kon zich niet herinneren ooit opgevangen te zijn. ‘Veiligheid en Identiteit’ bestonden daardoor alleen maar in haar denken. In de praktijk kon ze er niks mee.

Tot verbijstering van haar broers was Kimberly vorig jaar openlijk de strijd met haar ouders aangegaan. Ze wist dat geen enkele broer de beklemmende keuzes van hun ouders deelden, maar ook dat ze dat niet durfden te zeggen.

Zíj deed dat wel en dat had ze geweten. Mentaal was ze regelmatig niet in de werkelijkheid. Veel van wat er sinds oktober vorig jaar binnen de familie gebeurde was aan haar voorbij gegaan. Ze wist niet of ze daar nieuwsgierig of juist angstig om moest zijn. Daar kwam bij dat ze van haar broers de indruk kreeg, dat die na het overlijden van haar ouders haar negeerden.

‘Er is veel gebeurt afgelopen jaar en ze weten nog niet alles.’ Met al deze gedachten was haar onderbuik ook aan het protesteren. Door de migraine waren haar gedachten stilgelegd, nu deden haar darmen het ook niet meer. Het was stil in haar buik. Zo reageerde ze nooit op stress.

“Het lijkt wel een ileus,” kermde ze, maar bedacht zich dat die gepaard ging met hevige darmkrampen.

Ze stapte uit bed en nam een kop lauwwarm water, in de hoop zo haar darmen weer aan de praat te krijgen. Na de eerste kop thee hoorde ze geborrel in haar buik en nam de druk wat af. Een half uur duurde het nog voordat het iets beter ging. Dat resulteerde in veel onwelriekende winden. Schaamte steeg haar naar het hoofd. ‘Jemig, hij komt me zo halen. Die moest je horen!’ kwam de gedachte aan haar broer binnen. Ze had geen behoefte aan een vervelende broer, hoezeer ze blij was dat hij haar weg wilde brengen. Hij moest voor zijn werk vandaag in Den Haag zijn en wilde zijn zus wel bij Schiphol afzetten. Het was inmiddels half vijf en over een half uur stond hij voor haar deur.

Kimberly liep naar boven en kleedde zich aan zonder te wassen. Daarna appte ze haar broer, dat hij haar bij het busstation-Knobbeldorfsplein op kon halen. In verband met een dreigende lucht trok ze een regenjas aan en vertrok. Naar het busstation lopen was niet zover, hooguit een kwartier. Ze liep de Stationsweg uit, stak de Lange West over naar de Noorderbuurt en liep door het winkelcentrum van Drachten naar de hoek Berglaan/ Burgemeester Wuiteweg. Door het stevige wandeltempo kwamen haar darmen goed in beweging en kwam de lucht los. Af en toe keek ze bezorgt achterom of er niet iemand dicht bij haar liep. Toen ze bij het busstation was stopte een auto naast haar en stapte haar broer uit.

“Wat hadden we nou afgesproken, waarom moet het weer anders?” begon hij geïrriteerd. Deze opmerking, én de kleinerende manier waarop die was uitgesproken, riepen herinneringen op aan eergisteren, toen ze met haar broers in het ouderlijk huis was.

* De psycholoog stelt vragen; kies je voor geluk of voor gelijk?

Wat een rotvraag. Ik kies voor gelijk, weet niet wat geluk is.*

“Maar even wat anders,” begon Kimberly over een ander onderwerp, “aan wie is ons huis eigenlijk verkocht? Weet jij wie het koopcontract bij zich heeft?” Haar broer wees met zijn duim naar achteren. “In mijn tas, pak die maar even. Het zit in het voorvak.” Kimberly maakte haar gordel los, klom half over de zitting en pakte het voorlopig koopcontract uit de tas. Ze glimlachte bij de informatie op de voorpagina. ‘Er is een forse prijs voor betaald.’

Korinthe, 09.00 uur

Bouke liep langs het strand bij Korinthe. Na een beroerde nacht was hij vroeg wakker geworden en wilde zijn gedachten ordenen. Aan Sharon had hij gemeld dat hij ging wandelen. Niet dat die zich direct zorgen zou maken.

Het gesprek met Van den Brug maalde de hele nacht door zijn hoofd. Hugo was gistermiddag bij zijn ouders. Daar werd hij misselijk en braakte. In korte tijd verslechterde zijn gezondheid; hij zag zo rood als een aardbei. De misselijkheid ging over in ernstige darmkrampen en hij zweette hevig. Hugo belde zelf nog 112 en -inmiddels zwaar hijgend- vroeg hij naar de politie, maar voordat hij verder kon praten verloor hij het bewustzijn. Jan van den Brug had de telefoon van zijn zoon gepakt en hem geëxcuseerd omdat hij naar de politie gevraagd had, terwijl hij een ambulance nodig had. Hugo werd met spoed naar het ziekenhuis gebracht, waar aan een vorm van vergiftiging gedacht werd. Maar voor dat de eerste onderzoeken klaar waren overleed hij al. Ze vroegen Jan wat er aan zijn overlijden vooraf was gegaan, of Hugo bekend was met allergieën en of hij de afgelopen periode in het buitenland geweest was. Hugo was dit weekend in Drachten voor een reünie én voor een overleg. Beide afspraken stonden al heel lang gepland en waren geen reden tot bezorgdheid. Hij had een internationaal congres in Namibië bezocht, maar dat was al even geleden. Daar kon je nu niet alsnog ziek van worden. En allergieën had Hugo niet, wist zijn vader.

Bouke keek om en zag dat hij al een flink eind gelopen had. Hij was vanaf de camping richting Korinthe gegaan en was net een scherpe bocht in de kustlijn gepasseerd. Nu kon hij Korinthe zien liggen, drie kwartier nadat hij was vertrokken. Bouke draaide zich om en liep terug. Met de cadans van zijn voetstappen probeerde hij zijn gedachten tot rust te brengen, maar de opmerking van Jan van den Brug bleef hangen. ‘Ik denk dat Hugo niet per ongeluk naar de politie gevraagd heeft, toen hij 112 belde.’Waarom bel je de politie als je een ambulance nodig hebt, vroeg hij zich af. Er zou obductie plaatsvinden, hij hoopte maar dat de doodsoorzaak zou berustten op een medisch verklaarbare reden. Zijn gedachten dwaalden af naar Robbert Johnson. Die was met Hugo naar een congres in Amsterdam geweest. Zou hij iets kunnen vertellen over wat er daar allemaal gebeurd was en of dat reden tot onderzoek zou kunnen zijn? Hij kreeg de drang om al met het onderzoek te beginnen. In New York was het zeven uur vroeger als in Griekenland, daar was het nu twee uur in de nacht, zag hij keek op zijn horloge. Hij plande rond drie uur vanmiddag een telefoongesprek met Robbert, dan was er misschien ook al wat over de doodsoorzaak bekend. Het laatste half uur liep hij langzamer, alsof zijn geest rust had gevonden. Toen hij bij de camper kwam was Sharon al op en had een ontbijttafel voorbereid. Bouke hoedde zich voor een gesprek over Hugo. Sharon had vakantie en was daar uitermate consequent in, daar was hij wel jaloers op. Hij was opgelucht toen ze er zelf over begon. “Op welke uitslag wacht je?” Bouke dacht na hoe hij dat in het kort zou verwoorden. “Heel zwart-wit vraagt Jan zich af of Hugo tegen een giftige stof is aangelopen.” Hij ging zitten en vervolgde, “Of dat iemand hem dat heeft toegediend.” Sharon floot tussen haar tanden. “Hugo is zó aimabel dat ik me bij opzet niets voor kan stellen,” dacht ze hardop. “Maar toch heeft zijn vader nadrukkelijk bedenkingen,” zei Bouke. Hij pakte de thermoskan om koffie in te schenken. “Wat ga jij doen als ik terug naar Nederland ga?” Sharon keek hem aan. “Ik weet het nog niet. Ik begrijp het als jij bij een opzettelijke dood van Hugo naar Nederland vertrekt, maar ík wil nog wel een paar dagen rust.” Ze tilde haar koffiekopje op, zodat Bouke haar ook kon inschenken. “Maar laten we niet op de zaken vooruitlopen, Bouke. Om een uur of drie wil je bellen, begrijp ik?” Hij knikte nadenkend. “Ja, dan is er wel een uitslag van de obductie. Die begint om elf uur, dan is het hier twaalf uur.”

Hij begon aan zijn ontbijt. “Maar ondertussen loopt er nog een zaak, waar we gisteren bijna ruzie over kregen. Ik moet dat even kwijt, omdat ik opeens met twee zaken zit. Vind je dat goed?” Sharon knikte en schoof haar stoel zijn kant op. “Je bent een lekkere grote beer, met een groot hard. Dat is vast niet makkelijk om mee om te gaan, denk ik,” zei ze met een glimlach. Bouke legde zijn hoofd op de schouder van zijn verloofde en zei zachtjes: “Als je een onderzoek stuurt verwacht je reactie. Dat vraagt alertheid, dus hoe kun je daar niet bij betrokken zijn? Wie zei dat gisteren?” Hij keek weer het plafond. “Je hebt gelijk, ik ben in hart en nieren politieman en hoop dat ik daar een draai aan kan geven. Wil je me ermee helpen, Sharon?” Tranen liepen over zijn wangen en hij snikte erover. “We moeten nog zoveel leren samen, maar ik wil je niet nu al kwijt. Ik hou zoveel van je, Sharon!” Ze liet hem begaan en hield hem stevig vast tot hij weer wat rustiger was. Ze maakte een hand los en hield die voor zijn hoofd. De diamant in de ring schitterde in de zon. “Sinds drie weken ben ik je verloofde, maar ik ken je al jaren; een man met passie voor zijn werk, rechtvaardig en eerlijk. Een speurder, die nog door een ouwe rot in het vak is opgeleid. Díe man heeft mij ten huwelijk gevraagd.” Indringend keek ze hem in de ogen. “Je denkt toch niet, dat ik daar zomaar ‘ja’ op heb gezegd Bouke?” Hij keek verbluft naar zijn verloofde. “Dank je, Sharon, ik was het door de emoties kwijt. En ík heb je niet zomaar gevraagd om met me te trouwen!” Hij tilde haar op en trok haar bij hem op schoot. Hij dwaalde af naar het begin van hun vakantie, een paar weken geleden. Toen had hij met vrienden in een hotel geluncht en ging de volgende dag op vakantie:

Toen hij thuis kwam zette hij alle bagage klaar. Sharon zag de koffers staan en keek hem verbaasd aan. “We gaan vanmiddag al naar Amsterdam,” zei hij glunderend, “ik heb als verrassing een hotel geboekt zodat we morgen rustig aan kunnen doen.” Sharon vloog hem om de hals. “Waar gaan we heen?” vroeg ze hem. “Naar Amsterdam zei ik toch,” plaagde Bouke. “Maar waar gaan we slapen?” vroeg Sharon. “In Amsterdam kun je overal slapen, we hebben vakantie.” Sharon drong niet verder aan, Bouke zou zijn geheim niet prijs geven. Daarna reden ze in hun auto naar Schiphol, waar Bouke zijn auto parkeerde. “Dat kan maar vast klaar zijn,” merkte hij op. Toen belde hij een taxi en noemde een adres in Amsterdam Oud-Zuid. Vlak bij het concertgebouw stopte de taxi bij een monumentaal pand. “Is het hier?” vroeg Sharon. “Dit adres heeft meneer mij gegeven, mevrouw. Hij heeft wel smaak, dat verzeker ik u,” zei de taxichauffeur in plat Amsterdams. Binnenin was de statige allure van de buitenkant veranderd in een modern en luxe hotel. Bouke checkte in en een medewerker van de afdeling hospitality bracht hen naar de suite. Een bagagist bracht de bagage achter hen aan. Even later bracht de roomservice een roltafeltje met twee champagneglazen en gekoelde champagne. Op dat tafeltje lag een dieprode roos en een klein doosje in dezelfde kleur. Bouke nam het tafeltje aan en pakte de roos. Die gaf hij met een kus aan Sharon. Toen zij de roos nog bekeek pakte Bouke het doosje. “Sharon, ik heb lang moeten zoeken naar een passende sfeer om iets belangrijks tegen je te zeggen,” begon hij en zakte op zijn knie. Hij opende het doosje en liet een prachtige ring zien, met een diamant in het midden. “Deze ring is hier vlakbij gemaakt door een van de oudste diamantairs ter wereld. Maar dat is volkomen onbeduidend als de ring niet om jouw vinger zit. Tenminste,” begon hij stotterend, “Sharon wil je met me trouwen?” vroeg hij met natte ogen.

Zij bekeek de ring. “Alleen om die ring zou ik al met je trouwen,” plaagde ze hem. Daarna knielde ze bij hem neer en omarmde hem. “Ook zonder ring trouw ik met je, het liefst vandaag nog.” Hij voelde haar tranen in zijn nek, nadat ze zijn huwelijksaanzoek had aanvaard.

Bouke hoorde iemand in het Grieks praten en merkte dat hij weer terug was in de realiteit. Hij keek zijn verloofde aan en gaf haar een heerlijke zoen. Hij zuchtte daarna diep, een zucht van ontspanning, merkte hij. “Je hebt vol overtuiging ‘ja’ gezegd, wat een kanjer ben je!” Hij veegde de tranen van Sharon en hemzelf af met een tissue. Daarna veranderde hij van onderwerp. “Wat ik je ga vertellen begon in de week voor Pinksteren, ongeveer,” zei hij, “toen ben ik begonnen om over Kim Tamminga een dossier aan te leggen.”

***

Sharon luisterde geconcentreerd naar het uitgebreide verhaal wat Bouke vertelde. “En hoe is het verdergegaan?” vroeg ze aan hem. “Er is al veel informatie verzameld,” antwoordde Bouke, “informatie waar we overigens nog niets mee kunnen, tenzij zich nieuwe strafbare feiten voordoen. Dan lopen we voor op de ontwikkelingen, als je me begrijpt.” Sharon schudde haar hoofd. “Onderzoek gebeurt normaal ná een strafbaar feit en het kan lang duren voordat je bewijs vindt. Nu leggen we een soort database aan, waardoor we razendsnel kunnen toetsen of bewijs valide kan zijn. Omdat we wéten waar we zoeken moeten,” voegde Bouke eraan toe. Hij smeerde ondertussen een beschuitje en wachtte even. “Tot nu toe is Kim alleen veroordeeld voor het ontvreemden van een politiewapen, maar ik denk nu dat ze minimaal aan drie moorden gelinkt zou kunnen worden. In mijn optiek betekent dat, dat ze een potentieel gevaar is voor de mensheid.”

“En daarom is iemand als Kim zo’n langdurig onderzoek waard?” vroeg Sharon. Bouke zuchtte diep, alsof hij heftige emoties verwerkte. “Met succes, er is gisteren nieuwe informatie binnengekomen.”

Methoni, 09.30 uur

“Ik mag niet met het vliegtuig naar huis.” Ryeen legde net de telefoon weg, toen zij dit tegen Kees zei.

“Pardon?” zei Kees tegen zijn vriendin. Hij stond op en liep naar haar toe. “Wie bepaalt dat?” Autonomie was een belangrijke drijfveer voor hem en daarom voelde hij zich agressief. “Ga weer zitten,” zei Ryeen dwingend, “dan vertel ik wíe dat bepaald heeft!” Ze kende haar vriend langer dan vandaag. Haar Amerikaanse accent klonk door in haar woorden, meer dan ze wilde. Kees keek zijn vriendin aan en liep daarna terug naar de stoel. “Oké, oké,” bracht hij uit. “Ik ga niet meer vliegen, er is een te groot risico,” vervolgde Ryeen. “Ik heb krampen in mijn buik gehad en dat heb ik vanmorgen voorgelegd aan mijn verloskundige.” Kees kreeg een kleur. “Kwam dat omdat we, eh…” Ryeen ging naast Kees zitten en legde zijn hand op haar buik. “Onze liefde van gisteravond zal de aanleiding geweest zijn, maar een baarmoeder moet daar niet zo op reageren. Nu dat wel gebeurde, is dat een teken aan de wand.” “Ik moet er niet aan denken dat jouw kind onder onze liefde zou lijden,” reageerde hij op het nieuws. Ryeen kuste hem. “Misschien moeten we met de seks stoppen. Maar ik verzeker je dat, ook zonder jij bij mij binnendringt, we elkaar lief kunnen hebben. Creatief denken is jouw sterke kant, laten we dat gebruiken.” Kees en Ryeen zaten een paar minuten tegen elkaar zonder wat te zeggen, elk met hun eigen gedachten. Ryeen ging over krap twee maanden bevallen, ze was tweeëndertig weken zwanger. Kees had haar zwangerschap vanaf het begin meegemaakt en zag dat ze zo langzamerhand last kreeg van haar volle buik.

“En nu, wat gaan we nu doen? Wil je hier wachten tot je bevalling?” vroeg hij. Ryeen kroop nog wat dichter tegen Kees aan. “Je bent niet op je best als je daar zo over denkt.” Hij keek haar aan. “Ik kan nu niet zo goed schakelen, dat belemmert mijn gedachten.” “Geaccepteerd,” zei Ryeen met twinkelende ogen. “Mijn verloskundige adviseert me om met de auto terug te gaan. Ik ga met Heleen praten. Als zij ons een stuk met de auto op weg willen helpen en we de rest met de Thalys reizen, komen we binnen drie dagen in Nederland aan.” Ze stond op en liep hun kamer uit op zoek naar Heleen, Kees achterlatend met een hoofd vol warrige gedachten. ‘Een stukje op weg willen helpen? Mijn hemel, dat is wel 1500 kilometer!’

Tien minuten later liep Kees ook naar beneden. Hij zag Martijn zorgelijk kijken en Ryeen had tranen in haar ogen. ‘Zwangere vrouwen, emoties te over.’ glimlachte hij. Heleen zat bij een tafel op de veranda, waar een uitgebreide brunch klaarstond. “Nou Kees,” begon ze, “ik hoor dat we nog een aantal uren samen zullen optrekken.” Kees knikte. “Ryeen is al bij jou geweest, begrijp ik. Waar praten Martijn en Ryeen nu over, weet jij dat?” vroeg hij. “Die kijken samen waar de eerste mogelijkheid is om de Thalys te nemen,” antwoordde Heleen “en hoe we daar komen.” Kees grinnikte. “Dat is dan een emotionele aangelegenheid, begrijp ik.” Heleen keek hem aan. “Wat zei je? Ik verstond het niet.”

“Dat dacht ik al, zei ik,” antwoordde Kees.

Leeuwarden, 10.00 uur

Fenna Maddé was vierendertig jaar en daarmee een jonge Officier van Justitie. “Hebben jullie nog plannen voor komend weekend?” vroeg ze aan Rick en Sofie. “Ik hoop dat ik met mijn vriend kan zeilen op de Friese Meren.” Sofie was in het zwart gekleed en haar blonde, bijna witte haren staken er sterk bij af. Een skinny jeans liet een deel van haar enkel zien. Net als gezicht, armen en decolleté had een bruine kleur daar de overhand. Met veel zon moest je je afgelopen week op het water wel iedere vijf minuten insmeren.

“Lekker op je rug liggen,” zei Fenna, “heb je gezelschap?” Sofie wist wat Fenna bedoelde. “De zon is prima gezelschap.” Haar vriend was timmerman en Fenna vond, dat als je er zo goed uitzag, wel iets beters kon vinden. Naast de bijna sexy blondine hoorde een sexy adonis te lopen. Fenna wist wel iemand, haar eigen broer was single en werkte bij de hondenbrigade. ‘Als je het over een knappe vent hebt.’

“Wat brengt ons hier bij jou?” Sofie kwam ter zake, niet gehinderd door de opmerking van Fenna. “Ik ben door het ziekenhuis gebeld, er is gisteravond een patiënt zonder identificatiegegevens overleden.” Rick keek Sofie aan. “Dat verbaast ons niets, wellicht rond een uur of tien ’s avonds?” vroeg hij glimlachend. “Daar weten jullie blijkbaar meer van,” reageerde Fenna. “Wij zijn gisteravond gebeld door de beveiligingsdienst van het vliegveld,” vertelde Rick. “Zij troffen een auto aan, met draaiende motor en een vrouw achter het stuur, waarbij adembeweging ontbrak en die als een slappe pop tegen de deur leunde, we besloten daarop de deur te openen. Nadat ik de deur geopend had, bleek het in de auto bloedheet te zijn. Het was bepaald niet koud buiten, dus waarom stond die verwarming vol aan? Een beveiliger had 112 al gebeld en de ambulance was er snel. Rick keek even naar Fenna en Sofie. Fenna luisterde ingespannen, ze hoorde deze informatie voor eerst. “Hartslag op zowel de pols, als in de hals was niet te voelen. De ogen herkende ik als ‘gebroken ogen’, de ogen van een dode. Er bekroop mij een voorgevoel van een misdrijf en ik bedacht mij, dat een reanimatie bepaalde sporen zou kunnen wissen. Ik legde dat voor aan de verpleegkundige, maar die was van de duidelijke regels en kon niet aan mijn vraag voldoen om een overlijden vast te stellen, hoe jammer ik dat ook vond.” Fenna onderbrak hem. “Wat voor sporen kunnen er verloren gaan door reanimatie?” Rick pakte met zijn rechterhand de linker wijsvinger beet. “Eén. Gebroken ribben.” Zijn middelvinger kwam erbij. “Als gevolg daarvan een klaplong. Het zal niet de eerste keer zijn dat dat voorkomt, ook bij professionele reanimaties. Drie, bloeduitstortingen op de borstkas.” Als laatste pakte Rick ook zijn pink erbij. “Vingerafdrukken.” Fenna en Sofie keken hem met bewondering aan. “Mijn schoonzus werkt op de SEH in het Academisch Ziekenhuis,” verklaarde hij. “Ah,” zei Fenna, “meneer heeft voorkennis. Wat maakt dat je juist in dít geval aan gemiste sporen van een misdrijf dacht?” Rick pakte zijn linkerhand weer. “Hou het kort,” adviseerde Fenna hem, wijzend naar zijn vingers. “De temperatuur in de auto,” begon Rick. “De verwarming stond vol aan bij een buitentemperatuur van rond de achttien graden op dat moment. Een lijk voelt in zo’n omgeving minder koud aan. Het schoot mij te binnen dat iemand dan eerder besluit om te reanimeren. Ik heb geen idee, hoelang die auto er al stond.” Fenna keek haar collega met een glimlach aan. “Hoe kunnen we jóu als verdachte uitsluiten?” Rick trok een ernstig gezicht. “Voor een alibi zal ik je het nummer van mijn collega geven, waar ik gister de middag en -avond mee heb samengewerkt.” Met een schalkse lach keek hij Sofie aan. “Prima,” grinnikte Fenna, “weet een van jullie trouwens op welk tijdstip de dood werd vastgesteld?” Na twee schuddende hoofden pakte Fenna de telefoon en belde het ziekenhuis, waar de vrouw gisteravond heen gebracht was. “Met Fenna Maddé, officier van justitie. De afdeling Spoedeisende Hulp, graag,” zei ze, toen een receptioniste het gesprek had aangenomen. Ze zette de telefoon op handsfree, zodat Sofie en Rick mee konden luisteren. “Hallo, de dienstdoende SEH-arts,” meldde zich een vrouw aan de lijn. “U bent Officier van Justitie, belt u over de reanimatie van gisteravond?” Fenna leek verbaasd. “Waarom denkt u dat?” vroeg zij. Het antwoord klonk afgemeten. “Omdat we de betreffende mevrouw niet konden identificeren én omdat een rechercheur de ambulancedienst vroeg om de dood vast te stellen, dat vonden ze verdacht. De verpleegkundige zei me gisteren dat ik niet verbaasd moest zijn als er onderzoek naar gedaan werd. En zie daar uw telefoontje.” Fenna keek haar collega’s glimlachend aan. “U was gisteravond betrokken bij de reanimatie. Is u daarbij iets bijzonder opgevallen?” vroeg ze. Een mompelend ‘nee’ kwam uit de luidspreker. “Ik twijfel of ik deze informatie via de telefoon aan u kan doorgeven, ik zou graag identificatie en legitimatie van u zien,” zei de arts. Een frons op het voorhoofd van Fenna liet irritatie zien bij het horen van deze opmerking. “Wanneer schikt u dat?” vroeg ze toch vriendelijk. “Komt u gerust hierheen, als u zich bij de hoofdingang meldt, haal ik u op.” Fenna stond op. “Kom, we gaan. Dan kunnen we de verdachtmaking gelijk rechtzetten bij die mevrouw,” zei ze tegen Sofie. “Idioten!” voegde ze eraan toe. “Waar is Rick trouwens?” vroeg ze. “Hier!” hoorden ze uit de gang, waar ook de toiletten waren. “Ik ben ook maar een mens van vlees en bloed,” verontschuldigde hij zich. “Wat gaan we doen?” vroeg hij, toen hij Fenna en Sofie bij de deuropening zag. “Naar het ziekenhuis,” antwoordde Sofie. “Heb ik wat gemist?” vroeg hij en voegde zich bij de anderen. “Ja,” zei Fenna, “loop maar mee, we praten je zo bij.” Twintig minuten later meldden zij zich bij de receptie van het stedelijk ziekenhuis en vroegen naar de dienstdoende SEH-arts.

“Goedemiddag,” hoorden ze een vrouwenstem achter zich, “Ellen Westra,” stelde de arts zich voor. Fenna had zichtbaar moeite om de vrouw te koppelen aan degene die ze eerder aan de telefoon had; de stem was onmiskenbaar hetzelfde, maar haar verschijning liet het idee van een bitch ver achter zich. De vrouw was klein, hooguit een-meter-zestig en tot in de puntjes verzorgt. Met haar uitstraling maakte ze indruk. Alle drie stelden ze zich voor en liepen daarna mee naar een gesprekruimte. Daar legitimeerden ze zich als OvJ en recherche van Leeuwarden.“Die achternaam hoor je niet vaak,” zei de vrouw tegen Rick, toen die zich legitimeerde. “Klopt,” zei Rick, “in Leeuwarden zijn er vier, geloof ik.” De arts keek hen alle drie aan. “De reanimatie van de onbekende patiënt gisteravond, daar belde u voor,” begon Ellen het gesprek. “Die onder verdachte omstandigheden is aangetroffen in een auto met draaiende motor, terwijl de portieren afgesloten waren,” vulde Fenna aan. Ze vergezelde haar opmerking met een innemende glimlach. “De opstelling van de ambulanceverpleegkundige was onvoldoende coöperatief, door zich alléén op haar verantwoordelijkheid te beroepen en niet te verdiepen in de reden van de vraag. Daardoor bestaat de kans dat bewijzen in dit misdaad-onderzoek verloren zijn gegaan.” ‘Ze laat er geen gras over groeien, het kan maar duidelijk zijn.