0,49 €
In "Aspasia" verkent Robert Hamerling de diepere lagen van menselijke emoties en de invloed van de grote denkers uit de Oudheid op de moderne tijd. Het verhaal weeft de levensgeschiedenis van Aspasia, de geliefde van de Atheense staatsman Perikles, die niet alleen een vrouw van mooie woorden is, maar ook een denker en invloedrijke figuur in een tijd van politieke en sociale veranderingen. Hamerling's literaire stijl is gekenmerkt door een poëtische proza en filosofische reflecties, die de lezer uitnodigen tot contemplatie over de rol van gender, liefde en intellect. Het boek is ingebed in de context van de 19e-eeuwse Europese literatuur, waar een hernieuwde interesse in klassieke thema's en de zoektocht naar authenticiteit en vrije wil centraal staat. Robert Hamerling, geboren in 1830, was een belangrijke figuur in de Oostenrijkse literatuur. Zijn eigen ervaringen, waaronder de tumultueuze politieke omgeving van zijn tijd, de invloed van het liberalisme en zijn belangstelling voor de klassieke oudheid, vormden de basis voor "Aspasia". Hamerling's kritische kijk op de samenleving en zijn fascinatie voor de kracht van de vrouw in historische en filosofische contexten geven blijk van zijn diepgaande intellectuele overpeinzingen, wat het werk een extra laag van betekenis verleent. "Aspasia" is een aanrader voor lezers die geïnteresseerd zijn in de relatie tussen geschiedenis en literatuur, en voor diegenen die waardering hebben voor een rijk taalgebruik en diepgaande karakterstudies. Dit boek nodigt uit tot reflectie over de natuur van liefde en inspiratie, en zal zonder twijfel resoneren met iedereen die zich bezighoudt met de vraagstukken van menselijkheid en creativiteit. In deze verrijkte editie hebben we zorgvuldig extra waarde gecreëerd voor uw leeservaring: - Een beknopte Inleiding plaatst de tijdloze aantrekkingskracht en thema's van het werk in perspectief. - De Synopsis schetst de centrale verhaallijn, waarbij belangrijke ontwikkelingen worden uitgelicht zonder cruciale wendingen te verklappen. - Een uitgebreide Historische context dompelt u onder in de gebeurtenissen en invloeden van die tijd, die de totstandkoming van het werk hebben gevormd. - Een grondige Analyse ontleedt symbolen, motieven en karakterontwikkeling om verborgen betekenissen bloot te leggen. - Reflectievragen nodigen u uit om persoonlijk in te gaan op de boodschappen van het werk en deze te verbinden met het hedendaagse leven. - Zorgvuldig geselecteerde Gedenkwaardige citaten benadrukken momenten van literaire genialiteit. - Interactieve voetnoten verduidelijken ongewone verwijzingen, historische allusies en archaïsche uitdrukkingen voor een soepelere en meer geïnformeerde leeservaring.
Das E-Book können Sie in Legimi-Apps oder einer beliebigen App lesen, die das folgende Format unterstützen:
Veröffentlichungsjahr: 2023
Tussen begeerte en beschaving laat Aspasia zien hoe publieke idealen voortdurend door privé-invloed worden uitgedaagd. Aspasia is een laat-negentiende-eeuwse cultuurhistorische roman van de Oostenrijkse dichter Robert Hamerling, gesitueerd in het Athene van Perikles in de vijfde eeuw v.Chr. Met de legendarische Aspasia van Milete als spil ontvouwt Hamerling een panorama van kunst, politiek en omgangsvormen in een stad die zichzelf als maat der dingen ziet. De roman weeft historische decorstukken met psychologische observatie en reflectie over moraal en macht. Zonder academische droogte of romantische nevelzucht kiest Hamerling voor een verhalende vorm die meeslepend is en de lezer uitnodigt de schittering van Athene te zien naast de schaduw van haar ambities.
Dankzij zijn reputatie als dichter behoort Hamerling tot de stemmen die de klassieke oudheid voor moderne lezers herschiepen, en Aspasia is zijn historische roman in die traditie. Hij schreef het werk in het Duits in de late negentiende eeuw, toen Europese literatuur de antieke wereld graag gebruikte als spiegel voor eigentijdse kwesties. Het genre is historische fictie met uitgesproken cultuurhistorische ambitie: scènes, gebruiken en denkbeelden worden breed uitgediept, niet enkel als decor maar als dragers van betekenis. Tegen de achtergrond van het Perikleïsche Athene, met zijn levendige publieke ruimte en intellectuele ferment, zoekt de roman naar de lijnen die privéleven en staatsbelang met elkaar verbinden.
De premisse blijft elegant eenvoudig: een uitzonderlijke vrouw beweegt zich in de kern van een stad die zichzelf uitvindt, terwijl haar woorden, relaties en keuzes repercussies hebben die verder reiken dan de salon. De lezer volgt ontmoetingen, gesprekken en festiviteiten, maar ook de stille momenten waarin overtuigingen gestold of juist vloeibaar worden. De vertelling wordt gedragen door een alwetende stem die geregeld uitzoomt om historische en morele contouren te schetsen, zonder het menselijke gezicht uit het oog te verliezen. Hamerlings stijl is rijk, beeldend en ritmisch; zinnen bouwen zich op in weloverwogen bogen, en beschrijvingen laten geuren, kleuren en gebaren nadrukkelijk meepraten.
Centraal staat de vraag hoe persoonlijke charme, intellect en affectie kunnen uitmonden in politieke werkzaamheid. Aspasia’s aanwezigheid toont hoe eros en logos elkaar niet uitsluiten maar juist onder spanning zetten, en hoe conversatie een vorm van macht kan worden. Zo ontvouwt de roman een subtiele verkenning van invloed: zichtbaar en onzichtbaar, geaccepteerd en betwist. Tegenover verheven idealen van kalokagathia plaatst Hamerling de rafelranden van roem, jaloezie en opportunisme. De vraag wat een ‘publieke deugd’ waard is zonder private integriteit wordt geen stelling, maar een parcours dat de personages en de lezer steeds opnieuw moeten afleggen.
Even indringend is het motief van vreemdelingschap en behoren: een vrouw uit Milete die in Athene een centrum van conversatie vormt, balanceert tussen gastvrijheid en argwaan. De roman onderzoekt hoe gender, afkomst en reputatie de toegang tot macht filteren, en hoe retoriek zowel brug als wapen kan zijn. De publieke ruimte verschijnt als een theater waarin men betekenis speelt, maar waar woorden gevolgen hebben die niet onder regie staan. In die wisselwerking tussen spel en ernst klinkt een modern aanvoelen door: identiteit en invloed worden gemaakt in netwerken, en die netwerken zijn tegelijk emanciperend en begrenzend.
Juist omdat Aspasia de kruising toont van privéleven, publieke opinie en esthetische pose, leest de roman verrassend actueel. Discussies over zichtbare en onzichtbare macht, de rol van partners van leiders, en de performativiteit van publieke moraal vinden hier een vroeg literair laboratorium. Ook de spanning tussen vrije meningsuiting en sociale reputatie, tussen kosmopolitisme en stedelijk zelfbeeld, is herkenbaar voor hedendaagse lezers. Waar onze tijd sociale media en zichtbaarheidscycli kent, toont Hamerling salons, festiviteiten en spreekplaatsen; de mechanismen van aandacht en framing verschillen in vorm, niet in werking. Daarmee nodigt het boek uit tot kritische herlezing van het heden.
Wie Aspasia leest, betreedt een zorgvuldig gecomponeerde ruimte waar beschrijving, idee en intrige in elkaars verlengde liggen. De roman vraagt om aandachtig lezen, maar betaalt die aandacht terug met een gelaagd portret van een stad en een vrouw die de maat van die stad mede bepalen. Zonder de uitkomst te verklappen, kan worden gezegd dat Hamerling vooral inzet op ambivalentie: schoonheid en macht, ideaal en compromis blijven elkaar spiegelen. Zo blijft Aspasia een rijke toegangspoort tot de antieke wereld en een prikkelende spiegel voor onze eigen tijd, waarin het privé en het publieke elkaar opnieuw onafgebroken ondervragen.
Aspasia is een negentiende-eeuwse historische roman van de Oostenrijkse dichter en romancier Robert Hamerling, gesitueerd in het Athene van de vijfde eeuw v.Chr. en geconcentreerd rond de figuur Aspasia van Milete. Het boek presenteert zich als een cultuur- en zedenbeeld van het Perikleïsche tijdvak: een panorama waarin politiek, filosofie, retorica en kunst verweven raken met persoonlijke verhoudingen. Hamerling gebruikt bekende namen en plaatsen als kader om de dynamiek van de stad te tonen. Zonder zich te verliezen in antiquarische details volgt hij een verhalende lijn die publieke ambities en private drijfveren voortdurend naast elkaar zet.
Centraal staat Aspasia’s entree en positie binnen de Atheense elite. Afkomstig uit Ionië vindt zij haar plaats in de kring rond Perikles, waar zij door geleerdheid en esprit een gastvrije ruimte creëert voor gesprek en tegenspraak. In haar huis ontmoeten denkers, redenaars en kunstenaars elkaar, en de roman toont hoe ideeën er circuleren voordat ze in het volkstoneel, op het spreekgestoelte of in de politiek weerklinken. Aspasia’s sociale intelligentie en beheerste onafhankelijkheid vormen zo een zachte machtsfactor. De tekst maakt voelbaar hoe charismatische aantrekkingskracht en intellectuele autoriteit elkaar versterken én frictie veroorzaken in een samenleving met strak omlijnde rollen.
De politieke achtergrond is een democratie op het hoogtepunt van zelfvertrouwen en maritieme macht. Volksvergadering, rechtbank en vloot bepalen het ritme van de stad, terwijl het woord als wapen dient. Hamerling laat zien hoe idealen van burgerdeugd botsen met persoonlijke ambities en partijstrijd. Tegen dit decor verschuift de vraag wat het betekent om burger te zijn, wie mag spreken en wie de zeden definieert. Als vreemdelinge zonder burgerrecht beweegt Aspasia zich langs die grenzen, en de roman onderzoekt de prijs van invloed wanneer legitimiteit niet rust op geboorte, maar op talent, netwerk en reputatie.
Het sociale spanningsveld rond Aspasia wordt zichtbaar in morele verontwaardiging, roddel en strategisch gebruikte aanklachten. De roman toont hoe conservatieve en religieuze gevoeligheden de vrijmoedige omgang met ideeën verdacht maken, en hoe privéleven en publieke sfeer in Athene nauwelijks te scheiden zijn. Processen, verhoren en pamfletten fungeren als arena’s waarin reputaties worden opgebouwd of afgebroken. Hamerling benadrukt minder de uitkomst dan het mechanisme: de kwetsbaarheid van kunst en denken waar het oordeel van de massa en de ijver van tegenstanders samenvallen. Zo groeit Aspasia’s huis uit tot symbool van gastvrijheid én hinderpaal, bron van inspiratie én aanleiding tot weerstand.
Naast politiek belicht de roman de artistieke bloei die het tijdvak kenmerkt. Bouwprogramma’s op de Akropolis, beeldhouwkunst, tragedies en festivals vormen een tastbare achtergrond voor gesprekken over schoonheid, maat en waarheid. Hamerling rangschikt deze cultuuruitingen niet als decor, maar als manier waarop Athene zichzelf vormt en opvoedt. Binnen deze stroom fungeert Aspasia’s kring als schakel tussen ideeën en uitvoering: vriendschappen, rivaliteiten en liefdes verbinden ateliers, podia en het bestuur. De verhaallijn laat zien hoe idealen zich vertalen in keuzes, en hoe smaak uitmondt in beleid. Esthetiek en ethiek blijken minder ver uit elkaar te liggen dan de spelers soms wensen.
Gaandeweg schuift een bredere geopolitieke dreiging naar voren. Expansiezucht en rivaliteit met andere Griekse machten belasten de Atheense besluitvorming, en het publieke debat verhardt. In toespraken, rechtszaken en bondgenootschappen wordt gestreden om richting en tempo: behoedzame staatskunst tegenover populaire impuls, langetermijnvisie tegenover onmiddellijke roem. Hamerling gebruikt die spanning om het gewicht van woorden te tonen wanneer de uitkomst niet alleen carrières, maar ook steden en levens raakt. Voor Aspasia krijgt elk gesprek politieke lading. De roman volgt hoe haar positie meebeweegt met het tij, zonder de latere afloop van gebeurtenissen uitdrukkelijk te etaleren of uit te meten.
Uiteindelijk ontvouwt Aspasia zich als meer dan een portret van één uitzonderlijke vrouw. Het boek stelt blijvende vragen over de aard van gezag, de macht van publieke opinie en de plaats van vreemdeling en vrouw binnen een zelfverzekerde, maar kwetsbare democratie. Door de schittering van cultuur naast de strengheid van moraal te zetten, onthult Hamerling de spanningen die elke voorhoede vergezellen. De roman blijft resoneren als cultuurhistorisch tableau en als reflectie op de verleiding van retoriek en het risico van morele paniek. Wat beklijft is de scherpte waarmee idealen en realiteit elkaar testen, in Athene én daarbuiten.
Robert Hamerling (1830–1889), een Oostenrijkse dichter van het laatromantische tijdperk, publiceerde in 1876 zijn roman Aspasia. Het werk, in het Duits geschreven, situeert zich in het Athene van de vijfde eeuw v.Chr., de periode van Perikles. Hamerling maakte gebruik van antieke auteurs zoals Thucydides, Plutarchus en de Attische komediën, en van de klassieke filologie die in de 19e eeuw hoog stond aangeschreven. De roman sluit aan bij de toen populaire cultuurhistorische roman, die het verleden gebruikt om maatschappelijke thema’s te belichten. Zonder de plot te onthullen, richt Aspasia zich op de samenhang tussen politiek, kunst en privéleven in de ‘Gouden Eeuw’ van Athene.
Het decor is de Atheense polis na de hervormingen van Kleisthenes en Ephialtes, waarin de volksvergadering (ekklēsia), de Raad van Vijfhonderd (boulē) en de volksrechtbanken (dikastēria) het politieke leven bepaalden. De macht van de Areopaag was ingeperkt, terwijl het burgerschap in 451/450 v.Chr. door Perikles werd beperkt tot kinderen van twee burgerouders. Athene had leiding over de Delisch-Attische Zeebond, waarvan contributies de monumentale bouwprogramma’s financierden. Onder toezicht van Phidias verrees op de Akropolis het Parthenon en andere tempels, die religie, staatsmacht en artistieke ambitie zichtbaar verstrengelden. Deze institutionele en materiële context vormt de achtergrond van het maatschappelijk handelen in Hamerlings roman.
De intellectuele dynamiek van het Perikleïsche Athene werd gedragen door sofisten, filosofen en kunstenaars. Denkers als Anaxagoras introduceerden natuurfilosofische verklaringen; sofisten als Protagoras onderwezen retoriek en politieke vaardigheid tegen betaling. In dit klimaat van debat en onderwijs ontwikkelde zich ook de klassieke tragedie (Aischylos, Sophocles, Euripides) en de scherpe politieke komedie (onder anderen Aristophanes), die actuele figuren en kwesties satiriseerde. Komische dichters viel ook Aspasia ten deel. De hogere waardering van retoriek, publieke prestaties en culturele competitie (agon) beïnvloedde reputaties en loopbanen. Deze atmosfeer van lof en laster, van publieke verantwoording en artistieke reputatie, vormt een essentieel kader voor de personages die Hamerling toont.
De historische Aspasia wordt in antieke bronnen beschreven als afkomstig uit Milete en als metoikos (ingezeten vreemdeling) in Athene. Zij wordt vaak geassocieerd met de status van hetaira, vrouwen die – anders dan burgeressen – in het openbaar konden converseren en gasten ontvingen. Volgens Plato, Xenophon en de Socratici werd Aspasia geroemd om haar geest en retorische vaardigheden; Plutarchus vermeldt dat zij onderwerp werd van aanvallen en aanklachten wegens goddeloosheid, waarbij Perikles haar publiek verdedigde. Door de burgerschapswet kon hij haar niet huwen; hun zoon kreeg, zo meldt Plutarchus, later via een bijzondere volksbeslissing het Atheense burgerrecht. Deze feiten omlijsten haar maatschappelijke positie.
Politiek en militair bevond Athene zich op een toppunt én in een groeiconflict. Het imperium over bondgenoten riep weerstand op, vooral bij Sparta en zijn coalitie. In 431 v.Chr. begon de Peloponnesische Oorlog. Perikles’ strategie was defensief op land en offensief op zee, met fortificaties en het vertrouwen op Athenes vloot en financiën. De overbevolking achter de Lange Muren droeg bij aan de verspreiding van de grote pest (430–426 v.Chr.), die een aanzienlijk deel van de bevolking trof en het moreel aantastte. Thucydides beschreef zowel de ziekte als haar sociale effecten, die het publieke leven en de reputaties van leiders ingrijpend beïnvloedden.
Het sociale weefsel van Athene kende scherpe scheidslijnen. Burgeressen hadden beperkte publieke rollen en traden zelden in het openbaar op; hun invloed lag vooral binnen de oikos. Metoikoi betaalden speciale belastingen en hadden een wettelijke beschermheer nodig; zonder bijzondere concessies bezaten zij geen burgerrechten. Hetairai namen een uitzonderlijke plaats in: zij konden onderwijs genieten, deelnemen aan symposia en als gastvrouwen en gesprekspartners optreden. Tegelijk waarborgden religie en rechtspraak – met processen wegens asebeia (goddeloosheid) of laster – de normatieve orde en boden ze ruimte voor persoonlijke aanvallen. Deze spanningen tussen status, reputatie en recht vormen een herkenbare achtergrond voor figuren rond Aspasia.
De negentiende-eeuwse context waarin Hamerling schreef, werd in het Duitstalige gebied gekenmerkt door klassiek onderwijs, historisme en een brede filhellenische belangstelling. Universitaire filologie en nieuwe archeologie voedden het beeld van de Oudheid: Duitse opgravingen in Olympia startten in 1875, Heinrich Schliemann publiceerde over Troje (vanaf 1870) en Mycene (1876). In de Oostenrijks‑Hongaarse Dubbelmonarchie markeerden de liberale jaren na 1867 een bloei van cultuur en openbaar debat. Historische romans en cultuurgeschiedenissen over de klassieke wereld waren populair en dienden vaak als vehikel voor reflectie op moderne politiek, moraliteit en kunst. Hamerlings Aspasia sluit aantoonbaar aan bij die leescultuur en belangstelling.
Binnen dit kader gebruikt Hamerling het Perikleïsche Athene om thema’s te verkennen die zowel historisch als eigentijds waren: de werking van democratie en retoriek, de wisselwerking tussen kunst en macht, de kwetsbaarheid van reputatie en de positie van vrouwen buiten het burgerlijke model. Door zich te baseren op antieke schrijvers en actuele wetenschap weerspiegelt het boek de 19e‑eeuwse overtuiging dat de Oudheid inzicht biedt in moderne vraagstukken. Critici uit zijn tijd prezen de eruditie; latere lezingen hebben gewezen op de cultuurkritische lading. Zo fungeert Aspasia als spiegel én toetssteen voor de idealen en spanningen van Hamerlings eigen eeuw.
[5]
Wanneer deze roman, naar eene vele malen aangehaalde les van onzen tijd, een volk—het oud-helleensche—„bij zijn arbeid opzoekt” en de cosmopolitische arbeid van het Helleensche volk zich uitstrekt tot den werkkring van kunstenaars, dichters en denkers, zal het dan niet schijnen, dat aan deze soort van arbeid en aan de schildering daarvan iets diepzinnigs en wijsgeerigs aankleeft?
Zal de frissche bekoorlijkheid van den indruk niet achterstaan bij die beelden, welke aan de bron van een naïef, oorspronkelijk, werkelijk ontluikend leven zijn ontleend, waaruit de poëzie nog heeft geput? En moet zulk eene poging, evenals op de bekoorlijkheid van dat naïeve en natuurlijke, ook niet schipbreuk lijden op de bekoorlijkheid van het geestige in onzen hedendaagschen zin, van het realistische pikante op de verscheidenheid der tegenwoordige poëzie? Mocht Helleensch leven anders dan met Helleenschen eenvoud voorgesteld worden? Mocht de schrijver naar iets anders trachten dan naar een adem van den Helleenschen geest, van Helleensche bevalligheid en liefelijkheid? Rijzen er bovendien geene bedenkelijke bezwaren, om een leven, dat reeds is ondergegaan te schilderen? Détail-schildering van het hedendaagsche leven wordt als een aantrekkelijk realisme geprezen; die der Oudheid echter zal op velen den indruk van huiveringwekkende geleerdheid maken. Inderdaad, wie [6]dit werk slechts vluchtig doorbladert, en opmerkt dat de afzonderlijke hoofdstukken verschillende zijden van het Helleensche leven openen, hij zal spoedig met zijn oordeel gereed zijn, hij zal gelooven alleen een schetsboek vóór zich te hebben, in het gunstigste geval een „historischen” roman, wat, naar de beschouwing des meesten, zooveel zegt als geen roman.
En toch—wanneer deze roman als kunstwerk van de levensbeschrijving, de geschiedenis, het bloote verhaal zich door innerlijke en uiterlijke samenstelling onderscheidt, wanneer hij niet alleen de uitdrukking van een in zich besloten leven en lot is, maar ook van een kamp in natuurlijke ontwikkeling en oplossing, dan is het volgende verhaal een roman te noemen. Want niet alleen blinkt daarin in bepaalde gestalte de schoone, geestelijk opgevatte zinnelijkheid door, en hare opkomst, bloei en verval; de strijd tusschen het aesthetisch en zedelijk levens-ideaal wordt ontwikkeld en beslist in het lot van één enkel persoon en van één volk. Steeds heeft deze vergelijking van het lot van enkele personen en volken, van het individueele en het algemeene leven mij voor den geest gestaan, als het echte geheim der Epische dichting, als haar hoogste beginsel, als haar eigenlijk gebied. Evenwel niet alzoo, dat het détail van het verhaalde individueele leven en van het algemeene juist naast elkander loopen: alsof het eene slechts eene episode ware van het andere, maar dat beide aan één en hetzelfde détail zijn vastgeknoopt en zooveel mogelijk, als een organisch geheel, levendig in elkander geweven en gevlochten zijn.
Met mate slechts mocht, om den reinen, bevalligen indruk van het beeld niet te bederven, de strijd worden aangegeven: slechts zacht mocht hij voortgaan en zoo schijnt de handeling wellicht door een dunnen draad verbonden te zijn. Maar de schilderingen en gesprekken, die als eene uitweiding voorkomen, dat alles zonder uitzondering komt ten laatste tot zijn recht, vol licht, het vertoont zich in [7]zijne noodzakelijkheid, in betrekking tot het geheel, tot de gedachte.
Maar niet tot eene gedachte in den afgetrokken zin des woords. Laat de meening zich niet van u meester maken, welwillende lezer, dat het verloop van deze geschiedenis om eene bepaalde strekking veranderd of verdraaid is geworden. Ik geef het reilen en zeilen, het worstelen en streven der menschen weder en de woorden waarmede zij het verdedigen. Ik heb geene strekking op het oog dan die van het leven, geene zedeleer dan die der noodzakelijkheid, geene logica dan die der feiten, welke uit schering en inslag bestaat, zoo gelijkmatig en bestendig, als het heen en weder bewogen worden van de pijnboomtoppen door den wind. De wijzen beweren wel te recht, dat de idee nooit volkomen opgaat in de werkelijkheid. De dichter, die eene bepaalde bedoeling beoogt, volgt haar tot op eene zekere hoogte van hare ontwikkeling, houdt ze daar op een punt, hetwelk zij toch eigenlijk slechts vluchtig raakt, met geweld vast, laat haar in alle bonte kleuren schitteren tot vreugde der stervelingen, en maakt de zeepbel tot eene vaste ster. De reine, onbevooroordeelde poëzie echter begeleidt de idee op den weg harer ontwikkeling het liefst tot dat punt, waar zij, om weder tot hare reinheid terug te keeren, aan den Phoenix gelijk, zich zelven aan de vlammen overgeeft.
R. H.
Gräz, November 1875. [8]
Op een zonnigen dag in het zwoele jaargetijde richtte een slanke, jeugdige vrouwengestalte, vergezeld door eene slavin, in de stad der Atheners haren snellen tred over de Agora[1]2. De verschijning dezer vrouw had de wonderlijke uitwerking, dat elk wie haar ook op den weg ontmoette en had aangekeken, achter haar stil stond en als vastgenageld haar een geruimen tijd naöogde. De oorzaak daarvan lag niet zoozeer in de omstandigheid, dat het schier eene zeldzaamheid was, wanneer men eene vrije Atheensche vrouw uit den hoogeren stand openlijk op de straten zag wandelen, als wel vooral hierin, dat deze vrouwengestalte van eene buitengewone en overweldigende schoonheid was.
Op de gezichten van hen, die bij de ontmoeting haar aanstaarden, of achter haar, als aan den grond genageld haar naöogden, spiegelde de verbazing zich op alle mogelijke wijzen van uitdrukking af.
Eenigen lachten met welgevallen, de oogen van grijsaards, wier baard reeds grauwde, fonkelden, anderen sloegen op de vrouw blikken, als die van [9]een Faun[2]3, wederom anderen drukten een soort van eerbied uit, alsof zij eene Godin zagen. Eenigen vestigden op haar een ernstigen, bevredigden kennersblik, anderen keken als dwazen, met den mond van verwondering half geopend. Evenwel waren er ook niet weinigen, die een spottenden grijnslach vertoonden en een kwaadaardigen, sarkastischen blik op haar vestigden, alsof schoonheid zonde ware.—Mannen, die twee aan twee of in groepen stonden, braken hun gesprek af. Gezichten, waarop de verveling te lezen stond, schenen op eens als bezield; het voorhoofd, met rimpels doorploegd, werd effen. Er kwam beweging in de gemoederen.
De verschijning der vrouw was als een zonnestraal, die in een priëel van rozen valt en waarin de muggen in bacchantische dwarling hare dansen uitvoeren.
Onder degenen, wier aandacht de indrukwekkende vrouwengestalte tot zich trok, waren ook twee mannen, die zwijgend naast elkander voortgingen. Rustig, ernstig, vol waardigheid en edel waren beiden van uiterlijk; de een, om wiens hoofd donkere lokken golfden, was jonger, statig, doch niet zonder een spoor van weekelijkheid in zijn trekken; nog hooger, bijna eerbied afdwingend, stak naast hem de gestalte uit van den ouderen man, en het groote voorhoofd welfde zich over zijn diepzinnige oogen. Het was, als zag men den vurigen Achilles voortschrijden, naast Agamemnon, den gebieder der volken.
De jongste sloeg een blik van verrassing op de betooverende vrouw; de oudste daarentegen bleef rustig: het was, alsof hij de schoone niet voor de eerste maal had gezien en hij scheen zóó onverschillig, zóó diep in andere gedachten verzonken, dat zijn metgezel eene vraag onderdrukte, die hem reeds op de lippen zweefde. [10]
Een slaaf liep achter de beide mannen. Zij volgden den langen, stoffigen weg, die naar den Piraeus[3]4 voerde.
Vorschend liet in het voortgaan de jongste soms zijn blikken weiden over den hel schitterenden spiegel van den Saronischen zeeboezem. Zijn oog was scherp, als het oog van een adelaar. Hij ontwaarde een schip, dat nog niet zichtbaar was voor den blik van een ander mensch. Hij zag het opdoemen aan het uiteinde van den horizont der zee. De nadering van het vaartuig was onmerkbaar bij den grooten afstand. De man, met den adelaarsblik, had het voorkomen van iemand, die zich weet te beheerschen; maar wanneer hij zoo heentuurde naar het vaartuig in de verte, scheen het toch soms voor een oogenblik, alsof hij met den adem van zijn eigene borst het talmende zeil wilde doen zwellen en het schip in snelle vaart doen naderen.
Wanneer men den blik rechts van den weg wendde, welken de beide mannen betraden, dan stiet men op eenigen afstand op een in de zon blinkenden muur, die schier onafzienbaar van de stad afliep tot aan het klippige strand der zee. Richtte men zijn oog naar den linkerkant, dan zag men een muur van dezelfde soort, als die, welke zoo even voor den blik van den beschouwer zich scheen op te doen. De bouwlieden stapelden rechthoekig gehouwen stukken op elkander en waar de massa gereed was, daar klonk wijd en zijt het dreunen van de hamers, die de aaneen hechtende ijzeren krammen in het arduin dreven.
Ook deze muur strekte zich naar beneden uit tot aan de zee, breidde zich daar met een groote kromming uit en, zoowel boven de stad als daar beneden met den anderen muur verbonden, omvatte hij de haven met hare gebouwen, als met een beschuttenden arm.
Op dit muurwerk rustte het oog van den jongste [11]der beide mannen vorschend en met eene soort van bevrediging, wanneer het voor een oogenblik zich afwendde van het door het zeil bewogen schip in de verte. En lachende sprak hij ten laatste, terwijl hij langs de eindelooze lijn van aaneengehecht arduin schouwde, zich tot zijn makker wendend:
„Wanneer ieder woord, dat ik met aandrang ter wille van dit werk tot de Atheners sprak, tot een steen daarvoor was geworden, waarlijk, dan zou het reeds lang gereed voor onze oogen staan. Maar ook nu zien wij het eindelijk der voltooiing nabij.”
„En was deze middelste muur inderdaad onmisbaar?” vroeg de oudste, terwijl hij op het werk een onverschilligen, vluchtigen blik wierp.
„Dat was hij,” hernam de ander. „Veel te ver wijkt de oudere, linker muur af naar Phaleron5. Eene groote uitgestrektheid van het strand der haven bleef open. Nu eerst is de taak ten volle afgewerkt. Verjongd uit de asch van den brand des Perzischen krijgs verrezen, heeft de stad Pallas Athene6, schitterend en machtig, gevoed door de cijnsen der Grieksche kunsten en eilanden, dezen arduinen gordel om haar leden geslagen, en is van nu af sterk genoeg, om de afgunst van Grieken, zoowel als den aanval van alle barbaren in het Oosten te trotseeren.”
De man, die zoo tot zijn makker sprak, was Xanthippus’ zoon, de Alcmaeönide7 Pericles[4], dien men den Olympiër noemde. Zijn metgezel echter was een beroemd beeldhouwer in metaal en marmer, Phidias[5] geheeten. Het werk zijner handen was het reusachtige standbeeld der „in de voorste rijen strijdende Athene,” dat van den top der Acropolis[6]8 wijd schitterde in het Attische land en in [12]de verte der zee, waar de naderende schippers de van goud fonkelende lansspitsen der Godin met blijdschap begroetten, als eerste kenteeken van het rechtsgebied van het „met violen omkranste Athenen.”
Bijna van denzelfden vorm schenen de zich ver uitstrekkende rijen van arduin, maar zij hadden, door het licht van den Griekschen hemel beschenen, niets sombers. Eene levendige drukte heerschte daartusschen van alle kanten. Luid klonken de uitroepen, waarmede de drijvers de muildieren aanspoorden en in lange rijen gingen de rijk bevrachte dieren langs den weg van de haven naar de stad en van de stad naar de haven.
Hier en daar reikte een olijfboschje tot vlak bij den weg, in welks groene toppen van tijd tot tijd een verfrisschend koeltje, van de golf overwaaiend, ritselde.
Dan nam de beeldhouwer den breed geranden petasus9 van het hoofd en liet het koeltje spelen om zijn hoog, kaal voorhoofd. De Olympiër echter stapte steeds moediger door, hield steeds vaster den blik op de galei gericht, die uit den boezem der baai nu toch langzamerhand de haven naderde.
Nu zijn zij beiden niet verre van de zee gekomen. De haven is bereikt. Ook hier weidt het oog van den man, dien men den Olympiër noemt, bevredigd rond. Zijn werk is het grootendeels, wat zich daar aan ’t oog voordoet, iets nieuws voor het volk der Grieken van dien tijd: breede, statige, recht loopende straten. Hier prijkt de groote, met zuilenrijen omgevene marktplaats, die naar den naam van haar bouwmeester Hipodamus, van Milete, genoemd werd. Trapsgewijze verheffen zich ter linkerzijde, over het woud van zuilen van het Theater heen, aan de helling van den versterkten heuvel Munichia, de rijen der huizen en op [13]den top van den heuvel prijkt schitterend het marmeren heiligdom van Artemis10. Daaronder echter in de vlakte strekken zich tot aan de zee onafzienbaar ver de zuilenrijen uit; hier de prachtige Stoa11 van Pericles, daar de ontzettende magazijnen, waar ontscheepte vrachten ten verkoop of tot verdere verzending zich bevonden, ginds de reusachtige bazar van de haven, de handelsbeurs, het „Deigma”12 waar schippers en handelaars hunne waren ten toon stelden, waar zij hun accoord troffen.
Tusschen deze zuilen, op deze steenterrassen staat de kloeke Griek, als op den bodem zijner kracht, verheugd omdat met het toenemen van het algemeen welvaren, ook zijn eigen welzijn toeneemt. Hier ontvangt hij uit de handen van den bevrienden zeegod den vollen hoorn aller gaven van het buitenland en ziet de laatste golfkringen van den Pontus13, van den Nijl en van de Indische zee aan zijn strand in schuim vaneenspatten.
Hier woelt het Grieksche volk van Pericles dooreen; schoone donkerbruine gestalten steken af tegen den achtergrond der witte marmeren zuilen. De hoofden der meesten zijn ontbloot, de sandalen ter nauwernood aan de voeten, het sobere, lichte gewaad, half doek half mantel, achteloos om de schouders geworpen,—maar toch in plastische schoonheid als bruine beelden van metaal, staan zij tusschen de zuilen. Doch levendig zijn hunne gebaarden en in het bonte mengelmoes van stemmen doen zij de klanken van het welluidend Grieksche taaleigen vernemen, vol energie in spraak en gebaarden en waardig tevens, als personen in het treurspel. [14]
Sinds de Athener na gelukkig gevoerde oorlogen de zee beheerschte, heeft hij geleerd zich te begeven naar de havenstad den Piraeus en zich te verrijken. Hij gaat naar den Piraeus en zoekt reeders voor overzeesche vaarten en ondernemingen op. Hij gaat naar de kassiers, de wisselaars, deponeert bij hen gelden of neemt ze in ontvangst en wanneer hij noch gelden te ontvangen noch te deponeeren heeft, zoo neemt hij eenige op. Want handel en vertier bloeien en de Athener kent de gelegenheden. Hij weet, wanneer het tijd is graan uit den Pontus te halen, of hout uit Thracië, of de papyrusplant uit Egypte, of tapijten uit Milete, of fijn schoeisel uit Sicyon, of druiven uit Rhodus. Hij weet ook waar zijn olijfolie, zijn honig, zijne vijgen, zijn metalen werken, zijn aardewerk gezocht en het duurst betaald worden. En de makelaar, de wisselaar geeft het geld zonder lang bedenken.
De rentestandaard is hoog en voor rijke percenten kan men iets wagen. Zoo menige vrij gelatene, menige Pasio14, menige Simo, menige Phormio zit thans tevreden achter zijn wisseltafel in den Piraeus, en gedraagt zich als een overheidspersoon, want men sluit bij hem contracten. Hij geeft twee talenten15, zonder van gelaat te veranderen, en ontvangt even onverschillig twee talenten, wanneer men die bij hem neêrlegt. Hij schrijft de som en den naam van hem, die ze gedeponeerd heeft, in zijn boek en de zaak is afgedaan. Men vertrouwt op de eerlijkheid van Pasio en Pasio is eerlijk, zoolang ten minste als niet het voordeel eener oneerlijkheid opweegt tegen den in gevaar gebrachten naam zijner eerlijkheid.
Thans zien de beide mannen de zee, zacht gerimpeld en smaragdgroen klotsend tegen de steenen terrassen. Open ligt voor hunne oogen de [15]diepe ronde bocht van de zeehaven den Piraeus. Als wachters der zeepoorten bewaken twee geweldige torens ter rechter en ter linkerzijde den ingang. In tijden van gevaar kan eene ijzeren, reusachtige ketting ter versperring van den eenen toren naar den anderen gespannen worden. In tallooze menigte liggen in de bocht de ronde, dikbuikige handelsschepen voor anker; het strand ter linkerzijde echter is geheel bedekt met de hooge triëren16 der Atheensche vloot, naar de gewoonte der Grieken, op het vaste land getrokken, ieder in hare bijzondere omheining, als monsters in hunne holen rustend, geweldige zeedraken, met phantastische snebben en met vinnen voorziene, in de hoogte zich verheffende staarten; en op de andere zijde van het Piraeische schiereiland bevinden zich nog veel meer van deze prachtige zeegedrochten, (in de krijgshavens Zea en Munichia) en daarachter strekken zich de zeearsenalen uit, waar het „want” der onttakelde schepen bewaard wordt, en verderop breiden zich de werven uit, waar onophoudelijk nieuw scheepsmateriaal gelost en onverpoosd nieuwe kielen gebouwd worden.
Nu loopt het vaartuig, hetwelk de Olympiër op den weg naar den Piraeus zoo scherp in het oog had gehouden, de haven binnen. Het is het Atheensche staatsschip „Amphitrite.”
Hoopen volks stormen naar de landingsplaats; in alle gaanderijen, op alle steenterrassen weerklinkt een gemompel van stemmen.
„Daar is de Amphitrite—de Amphitrite met den schat van Delos!—de Amphitrite met de bondskas!—zoo heeft hij het doorgedreven, de slimme Pericles!—Wat zullen de bondgenooten daarvan zeggen?—Wat zij willen! Wij staan aan hun hoofd, wij beschermen hen, wij zenden onze triëren naar hunne kusten, wij voeren hunne oorlogen, daarvoor betalen zij de bondsgelden—wat wij overhouden, is ons eigendom.” [16]
De tonen van fluiten klinken van het vaartuig, terwijl het nadert. Op de Amphitrite werd, evenals op alle staatsschepen der Atheners, de riemslag naar den klank der fluiten bestuurd. Ook gezang klinkt van de roeibanken en daartusschen het geklater van de door tallooze riemen geslagen zee. Als goud schittert van de spits der scheepsnebbe het beeld van de zeegodin, naar welke het schip is genaamd. Schoon beschilderd blinkt de rand van het hooge boord in den zonneschijn. Het gezang en de muziek van fluiten werd overstemd door de heldere, vroolijke kreten der Atheners, welke de door het weêr gebruinde zeelieden op het schip krachtig beantwoordden.
De klank der fluiten verstomt, de riemen bewegen zich niet meer, het schip ligt stil, er begint een gekraak van touwen, een gerammel van kettingen, een heen- en wederloopen aan boord; het anker wordt uitgeworpen, de zeilen worden gereefd, een trap wordt van den oever naar het schip gelegd. Eenige Atheensche overheidspersonen staan voor aan het uiterste van het strand. Hen nadert Pericles de Olympiër, en spreekt eenige woorden. De klank zijner stem heeft iets eigenaardigs, iets wondervols. Die hem nog niet herkend hebben, herkennen hem nu. Niet alle Atheners zagen nauwkeurig zijne gelaatstrekken in de volksvergadering op de Pnyx17. Maar allen hoorden, allen kennen zijne stem. Eenigen van de overheidspersonen begeven zich nu over de trappen aan boord van het schip.
Na eenigen tijd worden uit de diepte van het ruim een paar met ijzer beslagene, goed bewaarde vaten geheschen en aan land gebracht, waar een span muildieren voor den zwaren last gereed staat. De Triërarch18 komt aan land en spreekt met Pericles. [17]
Het is een gouden schat, welke de „Amphitrite” onder de oogen van het vol deelneming gespannen Atheensche volk op de blauwe zeegolven aandroeg. Het is de schat van het Atheensche Bond. Hij komt uit Delos, de „Ster der Zee”, naar het machtige Athene, welke, op aansporing van Pericles, niet meer als Bondschat zal beheerd worden, maar in ontvangst genomen als cijnsen der steden en eilanden.
Om gouden schatten zweeft iets huiveringwekkends, een schemerlicht, een adem van onzekerheid die bewuste verwachtingen ontvlamt, een onbewuste angst doet binnen sluipen. Het bare goud wordt gemunt, maar ook de munt wordt in de hand van den eigenaar weder omgemunt. Zij verandert onder iederen vinger, die haar aanraakt. Den eenen wordt zij ten zegen, den anderen ten vloek. En zóó ook deze schat van Delos, waarop de oogen van de schare der Atheners vol verwachtingen zijn gevestigd—wie weet, of er meer zegen dan vloek uit zal voortkomen, of er meer genot dan berouw voor gekocht zal worden, of er meer blijvends dan vergankelijks daarmede tot stand zal worden gebracht? Wie kent de winden, die uit deze Aeölusharp zullen waaien?
„Met dit goud zou men Athene tot den onbedwingbaren burg van Hellas19 kunnen maken!” dachten eenige der magistraten, die Pericles omgaven.
„Met dit goud zou men de zeemacht van Athene kunnen versterken, Sicilië en Aegypte veroveren, de Perzen beoorlogen, Sparta onderdrukken!” dacht de Triërarch.
„Met dit goud kon men ons de gelden voor feesten en schouwspelen betalen!” dacht het volk, dat de steenterrassen van de haven vulde.
„Van dit goud kon men de heerlijkste tempels bouwen, de schitterendste standbeelden oprichten,” [18]dacht de peinzende beeldhouwer aan de zijde van Pericles.
En Pericles, de Olympiër zelf?—In zijn hoofd, en in het zijne alleen, waren alle deze gedachten vereenigd.…
Het muildierspan, dat bestemd was, om de gouden vracht van de haven naar de stad te brengen, zette zich in beweging. De schare der Atheners verdrong zich daarachter en nadat het gedrang had opgehouden, namen ook Pericles en Phidias den terugweg aan. Daar het grootste deel van het volk den schat nastroomde, zoo was daarachter de weg van den Piraeus tamelijk ledig en enkele figuren konden gemakkelijk in het oog vallen.
Op de marmeren zerk van een der grafteekenen, welke aan den kant van den weg zich bevonden, zaten twee mannen in een levendig gesprek verdiept. Het gelaat van den eenen vertoonde de opgeruimde waardigheid van den wijze; somber waren de trekken van den anderen en uit zijne vurige oogen sprak eene dweepzieke eigenzinnigheid. De eerste groette Pericles, die hem voorbij ging, met een vertrouwelijken lach, de andere, met het sombere gelaat, wierp hem een scherpen blik uit vijandige oogen toe.
Weder waren de beide mannen een eind verder gekomen, toen zij een jongen man, in nadenken verzonken, zagen staan. Hij scheen de wereld om zich heen vergeten of onder de voeten verloren te hebben, en er over na te denken, waar hij een nieuwe konde vinden. Hij had eigenaardige, juist geene liefelijke trekken en staarde met onafgewenden blik naar den grond.
„Een van mijne steenhouwers!” zeide de ernstige Phidias tot zijn metgezel, terwijl hij in het voorbijgaan den peinzende op den schouder klopte, als om hem wakker te schudden; „een brave, maar wonderlijke knaap. Hij werkt een dag lang ijverig in mijne werkplaats, en den volgenden is hij verdwenen. Zoo peinzend daar te staan is zijne gewoonte.” [19]
Niet verre van den peinzende zat een lamme, kreupele man aan den weg ineengedoken, een bedelaar met een wonderlijk grijnzend gezicht. De goedhartige Pericles wierp hem een goudstuk toe. De kreupele bedelaar echter verwrong zijn grijnzend gelaat nog meer en scheen iets als een scheldwoord tusschen de tanden te mompelen.
Toen de twee mannen ongeveer de helft van den weg afgelegd hadden, en uit een olijfboschje, hetwelk den weg een eind als omzoomde, te voorschijn traden, rees de Acropolis van de stad voor hen op en men zag het reusachtige metalen beeld van „Athene Promachos”20, in den glans der avondzon schitteren. Men zag haar gehelmd hoofd, men zag de opgestoken lans en het groote schild, waarop haar linker hand rustte. Ook fonkelde van de helling van den berg, oogverblindend, een gouden Gorgonenhoofd21, dat een bemiddeld Athener daar als wijgeschenk had geplaatst.
Van dit oogenblik af aan greep eene zeldzame verandering plaats in het wezen van den beeldhouwer. Hij scheen nu geheel met zijn metgezel van rol verwisseld te hebben. Evenals toch deze op den weg van de stad naar de haven met opgewekten zin en vurigen blik naar een doel in de verte gestaard had, zijn metgezel echter ernstig, zwijgend, bijna onverschillig naast hem was voortgeschreden, zoo had nu omgekeerd op den terugweg de beeldhouwer met haastigen tred en vurigen blik onafgewend zich naar de Acropolis gericht, terwijl zijn metgezel bedaard en schier vermoeid naast hem voortstapte. Het was de aanblik zijner Godin, na hetgeen hij in den Piraeus gezien had, die hem eigenaardig opwekte. Daar was hem de praal van het nuttige voor oogen gekomen: het gewemel van de haven, het geschreeuw van kijvende makelaars, de geweldige, maar in hare groote eentoonige zuilengaanderijen, [20]welke op tempels zonder Goden geleken, eindelijk de door den nevelachtigen adem van het „onzekere” omhulden gouden schat: dat alles had zijne kunstenaarsziel bijna verduisterd. Hij moest het zijn gang laten gaan, maar het verstoorde zijne reeks van onverwezenlijkte, ideale, schitterende scheppingen, waarmede zijn ziel vervuld was. Thans, nu de Acropolis voor hem opdoemde, scheen hij veranderd en liet zóó peinzend, zóó vol nadenken en als ’t ware metend zijn onafgewenden blik over de blinkende hoogte van de Acropolis zweven, dat Pericles hem reeds naar de oorzaak zijner overpeinzingen wilde vragen.
„Vader!” zei op dit oogenblik een knaapje tot een ouderen man, onder wiens geleide het onmiddellijk vóór Pericles en Phidias op den weg liep met de donkere oogen onafgewend naar de Acropolis ziende: „Hebben de Atheners geheel alleen de stedebeschermende Godin Pallas op hun burg, of woont zij ook bij andere menschen?”
„Ook de Rhodiërs,” antwoordde de man het knaapje, „wilden haar bij zich op hun burg hebben, maar hun gelukte het echter niet.”
„Is Pallas Athene op hen vertoornd?” vroeg het knaapje verder.
„De Atheners op het vaste land en in de zee de Rhodiërs dongen naar de bescherming van de Godin. Genen zoowel als dezen maakten een offerfeest gereed op hun burg, om de gunst van Pallas te winnen. Maar de Rhodiërs waren achteloos; zij beklommen hun burg, doch toen zij het offer wilden brengen, hadden zij geen vuur. Zoo brachten zij geen betamelijk, maar een koud offer, terwijl bij de schrandere Atheners vuur en vetdamp vroolijk flikkerde en opsteeg over de rotsen van de Acropolis. Daarom gaf Pallas Athene den Atheners de voorkeur. Maar de Rhodiërs hielden aan bij Zeus en om hen schadeloos te stellen, goot hij van den hemel een gouden regen naar beneden, die hunne straten en huizen vulde. Deswege verheugden zich de Rhodiërs en troostten zich daarmede, [21]en plaatsten op hun burg den God des rijkdoms, Plutus.”
Deze vertelling, welke de man het knaapje deed, trof het oor der beide mannen, die achter hen liepen. Phidias glimlachte even en wendde zich na een oogenblik stilzwijgens tot zijn metgezel met deze woorden:
„Pericles, het komt mij voor, dat de tijden veranderd zijn en dat wij weldra zullen doen als de Rhodiërs. Denkt gij er ook niet aan, Plutus op den burg te plaatsen?”
„Vrees niets!” hernam Pericles lachend. „Zoo lang de zee het Attische strand bespoelt, zal het metalen beeld uwer Godin heerschend uitsteken op de Acropolis der Atheners!”
„Maar onder de puinhoopen der tempels,” hernam Phidias. „Half woest ligt nog steeds de rots van den burg, zooals hem de brandende hand der Perzen heeft gelaten. Laat toch de zuilbrokken en puinhoopen wegruimen en bouw daarmede uwe havendammen en lange muren verder: want wat de Pers in de stad vernielde, dat bouwt gij toch slechts in den Piraeus weder op!”
Op dit oogenblik keerde zich de man, die het knaapje geleidde, om, daar hij het geluid der sprekenden achter zich vernam, en hij herkende Pericles; deze beantwoordde vriendelijk zijn groet, want hij kende hem sedert langen tijd en was zijn gastvriend geweest, toen gene nog in Syracuse leefde.
„Uw gesprek en dat van uw zoontje Lysias, mijn beste Cephalus,” zeide hij tot den man, „heeft onzen Phidias hier zooeven aanleiding gegeven mij heftig aan te vallen.”
„Hoe zoo?” vroeg Cephalus.
„Wij komen uit den Piraeus,” vervolgde de Olympiër, „en reeds daar was onze vriend, de lieveling van Pallas Athene, bijna in eene slechte luim. Hij zou wel altijd onder godengestalten willen verkeeren. Hij haat de lange muren, de breede zuilengaanderijen, de balen koopwaren, de pakken, de vaten, de geiteleeren zakken; het geschreeuw der [22]makelaars in den Piraeus heeft zijn gehoorvlies verscheurd. Hij zal, wanneer hij door de poort de kromme, onaanzienlijke straten der oude Atheensche stad weder binnengetreden is, met een verlicht hart zich het stof van den weg naar de haven van zijne voeten afschudden.
„Maar zeg toch,” ging Pericles, tot den beeldhouwer zich keerend, voort, „wat staart gij zoo vol gedachten en onafgewend naar de hoogte der Acropolis? Is het het gezicht van uwe Godin, dat u bezielt—van uwe gehelmde, lansslingerende Promachos?”
„Weet,” hernam Phidias, „de gehelmde, lansslingerende Promachos is sedert geruimen tijd in mijne ziel verdrongen door eene Pallas Athene des vredes; door eene Pallas, die niet meer kampt met kletterend metaal, maar rustig en toch zegevierend met haar blinkend Gorgonenschild22 de geboorten van den nacht versteent. Wanneer ik nu mijn blik op de hoogte van de Acropolis richt, zoo weet, dat ik daar dit beeld, in mijn geest gerijpt, plaats en dat ik een heerlijk, schitterend feestelijk huis daarover welf; dat ik den gevel en den fries van dat huis met honderdvoudig beeldwerk tooi en dat ik zelfs van verre schitterende, prachtige portalen bouw, van den kant, waar de feestelijke optocht der Panathenaeën23 henen trekt. Maar vrees niet, dat ik goud en elpenbeen voor die Pallas Athene des Vredes, en marmer voor dat heiligdom van u zal afsmeeken—neen—ik bouw en versier zoo maar in gedachten—maak u niet ongerust!”
„Zóó zijn zij allen, de kunstenaars en de dichters,” zei Pericles, bijna gekrenkt door den spottenden toon van zijn vriend. „Gij weet niet, dat het schoone slechts de bloesem is van het nuttige. Gij vergeet, dat het volkswelzijn op vaste grondslagen [23]moet gebaseerd zijn en dat de volle bloei der kunst zich slechts in rijke, machtige staten ontplooit. Onze Phidias is op mij verstoord, omdat ik een paar jaren lang aan koornbeurzen in den Piraeus en aan den langen middelmuur gebouwd heb, in plaats van den tempel van de Acropolis weder op te richten, en omdat ik het niet geheel alleen aan de heerschende lans zijner metalen Godin op den burg overlaat, om ons tegen iederen vijand, die te land en ter zee ons kan bedreigen, te beschermen.”
Phidias hief het hoofd beleedigd op, en wierp een donkeren blik op Pericles. Deze echter beantwoordde den blik van den beleedigden met een verzoenenden glimlach en ging voort, terwijl hij de hand van zijn vriend greep: „Kent gij mij zóó weinig, dat gij mij in ernst voor een vijand en bespotter der goddelijke beeldende kunst moogt houden? Ben ik niet de vriend en bezielde aanmoediger van al het schoone?”
„Ik weet het,” zeide Phidias, nu op zijn beurt sarkastisch lachende. „Ik weet het, gij zijt de vriend van het schoone. Een blik in de oogen der schoone Chrysilla.…”
„Niet dat alleen,” viel Pericles snel in en vervolgde op ernstigen toon:
„Gelooft mij, mijne vrienden, wanneer de staatszorgen mij drukken, en nevens die van den staat mijne eigene, wanneer menige tegenwerking mij hindert, menige tegenspraak mij verbittert, wanneer ik ontstemd uit de vergadering der Atheners terugkeer, bijna verstoord door de straten wandel, zoo is dikwijls eene kleine zuilengalerij, die door schoone evenredigheden mijn oog bekoort, of een beeld aan den weg, met fijnen geest ontworpen, in staat mij af te leiden en mij in betere stemming te brengen, en ik herinner mij niet, dat ik ooit eene smart heb ondervonden, die niet door het voorlezen van een gezang uit Homerus ten minste gelenigd is geworden.”
De vrienden waren thans door de poort de stad [24]binnen getreden. Hier schenen de straten nauwer, de woonhuizen minder statig dan in den Piraeus. Maar het was het echte Athene. Het was heilige grond[1q].
Toen Phidias reeds in de nabijheid van zijn huis was gekomen, zeide hij tot Pericles en Cephalus: „Wanneer gij tijd en lust hebt, bij mij nog even binnen te komen, dan zult gij een belangrijken wedstrijd in mijne werkplaats door uwe uitspraak kunnen beslissen.”
„Gij prikkelt onze nieuwsgierigheid,” hernam Pericles.
„Gij herinnert u toch,” vervolgde Phidias, „het marmerblok, ’t welk het Perzische leger over zee met zich mede voerde, om, na onze onderwerping, een Perzisch zegeteeken, uit Perzisch marmer gehouwen, in Hellas op te richten, en dat, toen de barbaren verslagen waren, op het slagveld van Marathon24 in onze handen viel. Na menige omzwerving kwam het kostbare blok in mijne werkplaats terecht, en, zooals u bekend is, Pericles, wenschten de Atheners, dat daaruit een beeld van de Cyprische Godin25 gebeiteld werd, om de Tuinen daarmede te versieren. Geen mijner leerlingen hield ik er beter voor geschikt, dat Agoracritus van Paros26, om door de voltooiing van zulk een beeld zich roem te verwerven, en zoo vertrouwde ik hem, op zijn verlangen, het marmerblok toe, waaruit hij nu een voortreffelijk werk vervaardigd heeft. Maar, een ander van mijne beste leerlingen, de eergierige Alcamenes, benijdde Agoracritus het blok en den roem van zijn arbeid en waagde het, in wedijver met den Pariër, mijn lieveling, zooals hij hem noemt, een marmeren beeld [25]van dezelfde Godin te ontwerpen. Nu is het beeld van beide jongelingen voltooid en een groot aantal kunstlievende mannen is heden in mijn huis bijeen gekomen. Wanneer gij u bij hen wildet voegen, welk een spoorslag zou dat voor die beiden zijn! Komt en ziet, hoe verschillend het ideaal van het goddelijk wezen zich in de ziel van beide jonge mannen heeft afgespiegeld!”
Niet lang bedachten zich Pericles en Cephalus. Zij knikten toestemmend en traden met gespannen verwachting het huis van Phidias binnen.
Zij vonden hier reeds vele kunstkenners bijeen. Daar waren onder anderen de Milesiër Hippodamus, Antiphon, de redenaar, Ephialtes, de bij het volk geliefde aanhanger en medehelper van Pericles, de bouwmeester van den langen middelmuur en Ictinus27, een bouwmeester van groote geleerdheid en juisten kunstsmaak, de intieme vriend van Phidias.
Toen deze mannen en de nieuw aangekomenen elkander hadden begroet, bracht de meester hen in een der ruimste vertrekken van zijn huis.
Daar verhieven zich op een voetstuk naast elkander twee hooguitstekende, omhulde marmerblokken. Een bont doek was, om het witte, schitterende marmer, tegen stof en bezoedelingen te bewaren, daar over heen geworpen. Een slaaf trok nu, op een wenk van Phidias, het doek weg. Toen deden zich de beide schitterende beelden in hun machtig edel gevormde lijnen aan de blikken der beschouwers op, die daar vóór bijeen stonden.
De mannen staarden langen tijd en zonder een woord te spreken de beide beelden aan. Op hunne trekken stond een eigenaardige, overweldigende indruk te lezen. Het was klaarblijkelijk dat de merkwaardige verscheidenheid der beelden hen getroffen had.
Het eene vertoonde eene vrouwelijke gestalte [26]van verhevene schoonheid en bovenmenschelijken adeldom. Zij was omkleed en haar gewaad golfde in breede, schoon vallende plooien tot op de enkels af. Slechts een der beide borsten was onbedekt gelaten. De uitdrukking was strak en streng: niets vrouwelijks was er in de trekken, niets weelderigs in de ledematen, niets bevalligs in de houding. En toch was het schoon. Het was een strenge, eene rijpe en toch jonkvrouwelijke schoonheid. Het was Aphrodite zonder den geur van Crocus- en Hyacynth-bloesems, waarmede de later geboren Chariten28 en boschnymfen van den Ida29 de Goden omkransten. Zij verspreidde nog geen welriekende geuren en geen glimlach plooide nog hare lippen.
Zoo lang de omstanders alleen dit beschouwden, misten zij niets. Een door alle Gratiën en liefdegoden omgeven Cypris was tot nu toe nog niet in den geest der Grieken gerijpt.
Zooals zij daar stond, de uit het schuim geborene, door de hand van Agoracritus gebeiteld, was haar ideaal dat der vaderen.
Zoodra de beschouwer intusschen van dit beeld een tijd lang den blik gevestigd had op dat van Alcamenes, werd hij door eene soort van onrust aangegrepen; en wanneer hij dan tot het eerste beeld wilde terugkeeren, was het hem alsof het minder begrijpelijk was dan straks, en alsof hij den maatstaf voor de juiste waardeering daarvoor verloren had. Het was geheel iets nieuws, wat zich aan de blikken dier mannen voordeed. Nog konden zij niet zeggen, of hun dat nieuwe beviel. Nog wisten zij niet, of het recht had hun te behagen. Dit slechts stond vast, dat hun het vorige daarnaast thans minder voldeed.
Hoe vaker echter de blik van het beeld van Alcamenes naar dat van Agoracritus, en van dit naar [27]het andere dwaalde, des te langer bleef hij op dat van Alcamenes rusten.—Wat daarin met zulk eene heimelijke betoovering werkte, was de macht eener bekoorlijkheid, eener bezieling, van eene frischheid en eenvoud, zooals de beitel der Grieksche meesters tot nog toe nog niet bereikt, waarnaar hij niet eens had gestreefd.
Van allen bleef niemand, niemand met zoo vurige oogen aan de vormen, welke Alcamenes hier ten toon had gesteld, hangen, als Pericles.
„Dit werk,” sprak hij na eenigen tijd, „herinnert mij bijna het standbeeld van Pygmalion30; het schijnt bezield te zijn en juist op het punt, om van het strakke marmer in een levend wezen, met warm bloed in de aderen, te verkeeren.”
„Ja waarlijk,” riep Cephalus, „het werk van Agoracritus tintelt van den geest van zijn meester Phidias, ja overtreft het in ernst. In het beeld van Alcamenes echter schijnt mij eene vonk te gloren uit eene vreemde smidse, die het met een zeldzaam, eigenaardig leven doorgloeit.”
„Welke nieuwe geest is in u gevaren, wakkere Alcamenes,” riep Pericles uit, „daar toch tot hen uwe wijze van die van Agoracritus nauwelijks kon onderscheiden worden? Hebt ge soms de Godin in een droom gezien? Weet ge, dat ge mij in eene verrukking hebt gebracht, zooals nog nooit een beeld heeft vermocht?”
Alcamenes glimlachte. Doch Phidias vestigde nu, als door eene plotselinge gedachte bezield, een scherpen blik op het werk van Alcamenes en scheen de omtrekken, de vormen van enkele leden onder den invloed dier gedachte te bestudeeren.
„Geen droombeeld,” sprak hij eindelijk, „schijnt mij toe in dit marmer belichaamd te zijn, maar veel bekoorlijks uit de zinnelijke werkelijkheid opgenomen, om het beeld der Godin daarmede te [28]tooien. Hoe langer ik de slankheid van dit geheele beeld, het teedere en toch weelderige van dezen boezem en van deze heupen, de eigenaardige fijnheid van dezen spits toeloopenden vinger en bekoorlijk gebogen handgewrichten beschouw, des te sterker gevoel ik eene vrouw in mijne herinnering teruggeroepen, die wij een paar malen in dit huis hebben gezien.”
„Het is, zoo al niet het gelaat, dan toch de gestalte van de Milesische!” riep een ander der leerlingen van Phidias, naderbij tredende; en alle leerlingen naderden de een na den ander eerst het beeld en riepen toen elkander aanziende uit één mond: „ongetwijfeld; het is de Milesische.”
„Wie is die Milesische?” vroeg Pericles haastig en in spanning.
„Wie zij is?” zeide Phidias glimlachend: „gij hebt haar reeds eens gezien—heden—weinige uren geleden—een oogenblik slechts heeft de glans harer schoonheid u getroffen.—Overigens vraag het Alcamenes.”
„Wie zij is?” herhaalde nu de vurige Alcamenes. „Een zonnestraal is zij, een dauwdroppel, eene schoone vrouw, een roos, een verkwikkende Zephyr. Wie zal een zonnestraal naar zijn naam en afkomst vragen? Misschien weet Hipponicus wat anders van haar te zeggen. Hij heeft haar als gast in zijn huis gehuisvest.”
„Eens kwam zij met Hipponicus hier in deze werkplaats,” zeide Phidias.
„Met welke bedoeling?” vroeg Pericles.
„Om dingen te zeggen,” hernam Phidias, „zooals ik nog nooit uit den mond eener vrouw vernomen heb.”
„Derhalve is zij de gast van Hipponicus?” vroeg Pericles.
„In een klein huis, dat hem toebehoort,” zeide Phidias, „’t welk tusschen zijn woonhuis en dit is gelegen. Sedert echter de Milesische in dat huis vertoeft, is er een zonderlinge geest in dezen geheelen zwerm gevaren.” [29]
„Hoe dat?” vorschte Pericles.
„Sinds dien tijd,” hernam Phidias, „is de suffer, dien ge op de straat aan de haven eenzaam hebt zien staan, peinzend voor zich starend, nog veel droomeriger geworden, en wat Alcamenes betreft, hij behoort tot diegenen, die ik het meest boven op het platte dak van het huis aantrof, vanwaar men in het peristylium31 van het aangrenzende huis neerziet, en werwaarts zij van hun werk heensluipen, nu eens onder voorwendsel een ontsnapte vogel of aap op te vangen, dan weder om in de avondlucht zittende zich te verfrisschen, omdat hun, naar zij zeggen, het bloed zoo geweldig naar het hoofd steeg—inderdaad echter, om het snarenspel der Milesische te kunnen hooren.”
„En dezer toovenares dus,” zei Pericles, „heeft onzen Alcamenes hare bekoorlijkheden afgezien, die ons hier zelfs in het marmer verrukken?”
„Hoe het zich toedroeg, kan ik niet zeggen!” hernam Phidias. „Misschien heeft de suffer voor koppelaar gespeeld; want hij schijnt op een vertrouwelijken voet met haar te staan. Deze zonderlinge knaap toch heeft zich voorgenomen een Eros32 te beitelen en houdt het voor dit doel noodig vooraf goed bekend te zijn met het wezen van dezen God en zich er volkomen vertrouwd mede te maken. Want zoo is nu eenmaal zijne manier: hij tracht nooit naar de dingen zelven, maar steeds naar hun begrip, naar waarheid en wijsheid, zooals hij zegt; daarom noemen wij hem ook altijd den vriend der wijsheid en zoeker naar waarheid. Thans streeft hij naar het zuivere begrip van liefde en wil zich daarin door zijne schoone Milesische vriendin doen onderwijzen.
„Deze laat, naar het schijnt, den zonderling begaan en ik heb haar eens een uur lang, in dezen tuin op een steenklomp zittende, met hem zien spreken. Heeft nu werkelijk niet alleen hij, maar ook [30]Alcamenes, van het geheime onderricht van de Milesische genoten, zoo moge hij ook voortaan op dezen weg zijn heil zoeken. Moge hij voortgaan meer van schoone vrouwen te leeren, dan van de meesters zijner kunst.”
„Wat hier voor uw blik zich vertoont,” riep Alcamenes opstuivend op deze spottende taal van Phidias, „is het werk mijner handen; de berisping, die het ondervindt, neem ik op mij, en den lof, dien men het toezwaait, behoef ik met niemand te deelen!”
„Ei wat,” riep Agoracritus met donkeren blik; „met de Milesische hebt gij dien te deelen! Heimelijk sloop zij naar u toe!”
Een donkere blos kleurde Alcamenes’ wangen.
„En gij?” riep hij, „wie sloop naar u toe? Meent ge, dat wij het niet weten? Phidias zelf was het, de meester, die ’s nachts heimelijk in uw werkplaats kwam, om de laatste hand aan het werk van zijn lieveling te leggen.”
Nu kleurde eene donkerroode kleur Phidias’ gelaat, hij wierp een gramstorigen blik op den vermetelen leerling en wilde iets antwoorden.
Maar Pericles trad tusschen beiden en sprak verzoenend:
„Geen twist, voortreffelijke mannen! Het zij, zooals gij zegt; naar Alcamenes is de Milesische, naar Agoracritus is Phidias geslopen. Laat ieder leeren waar en op welke wijze hij kan en laat niemand zijn naaste het schoone benijden, dat hem door de gunst der Muzen33 of der Chariten of door welke andere Godheden ook ten deel is gevallen.”
„Ik heb het nooit versmaad iets van Phidias te leeren,” zeide Alcamenes, die het eerst van hun drieën zijne kalmte herkregen had; „maar ook [31]van de levende werkelijkheid de schoonheid af te zien, is het werk van een verstandigen kunstenaar; en, laat mij het eerlijk bekennen, mij komt eene Milesische of in ’t algemeen eene dochter van de levenslustige Ionische kusten beter in staat voor, aan het vorschend oog van den kunstenaar de geheimen der schoone kunst te ontdekken, dan de vrouwen en jonkvrouwen van ons Attische land. Het is niet hetzelfde hoe de kunstenaar de vrouw ziet; of ze in bloode schaamte den worm gelijk is, die schijnt in zich zelven weg te kruipen, dan of ze de bloeiende schoonheid harer vrouwelijkheid in vrije bekoorlijkheid ontplooit. Onze Atheensche vrouwen brengen haar leven in strenge afzondering, in hare vrouwenvertrekken bewaakt, door. Wil men den vrijen blik eener vrouw genieten, die het verstaat, zonder blooheid en zonder onbeschaamdheid door hare geheele bekoorlijkheid te verrukken, dan moet men tot deze Ionische, deze Lydische vrouwen gaan, die van gindsche kusten komende en tegelijkertijd een adem van de schoone ongedwongenheid van hare inheemsche dartele feesten met zich brengende, de vroolijke wet der schoonheid en der zinnelijke vreugde verkondigen.”
Velen der aanwezigen waren het met Alcamenes eens, en prezen hem gelukkig, dat hij de gunst had verworven van een vrouw, als de Milesische.
„De gunst?” vroeg Alcamenes. „Ik weet niet wat gij bedoelt; de gunst dezer vrouw heeft hare grenzen.… Vraagt het maar eens aan dien droomer, den waarheidzoeker, haar vriend.”
Zoo sprak Alcamenes en wees op den jongen beeldhouwer, die straks op de straat naar den Piraeus zoo peinzend had gestaan en, inmiddels teruggekeerd, het vertrek was binnengetreden. Alle aanwezigen keken op deze woorden van Alcamenes naar den droomer en glimlachten; want zij vonden in zijn uiterlijk niets, wat hun voorkwam, den omgang en de vriendschap der Milesische waardig te zijn. Hij had een stompen neus en zijn geheele [32]uiterlijk was niet dat van een welgevormden Griek. Wel is waar, de glimlach om zijn mond was, trots de dikke lippen, fijn, en wanneer zijne oogen niet nadenkend, star op één punt gericht waren, keken zij vroolijk en boezemden zij vertrouwen in.
„Wij raken van ons onderwerp af,” merkte Phidias nu op. „Alcamenes en Agoracritus wachten nog steeds ons oordeel af. Voorloopig schijnt het, dat we het hierover eens zijn dat Agoracritus eene Godin, Alcamenes eene schoone vrouw gebeiteld heeft.
„Nu,” sprak Pericles, „ik geloof waarlijk, dat onze Alcamenes niet alleen, maar ook onze Agoracritus, de onsterfelijken zullen vertoornen, omdat zij toch beiden van onzen meester Phidias geleerd hebben, wanneer zij een goddelijk wezen willen scheppen, de menschelijke gedaante tot in hare fijnste aderen, na te gaan. In den grond zijt gij beeldhouwers toch allen aan elkander hierin gelijk, dat gij voorgeeft Goden te vormen, in wie wij inderdaad iets goddelijks meenen te zien en aan te staren: wanneer we echter nauwlettender toezien, dan bevinden wij, dat dit goddelijke slechts de reinste schoonheid en volkomenheid van het menschelijke is, en dat ook de aetherische Godengestalte slechts eene samenvoeging is van menschelijke polsen, spieren, zenuwen en vaatbundels. Hoort nu ook eens de meening van dien tweeden leerling, uw droomer daar over, de Milesische! Ook hij is gerechtigd, zijne meening daaromtrent te zeggen.”
„Wat meent ge,” riep Alcamenes den droomer toe, „is de natuur van den mensch goddelijk?”
„Wat Homerus en Hesiodus34 betreft, en de andere dichters,” zeide de droomer, „zoo herinner ik mij, dat zij de zee en de aarde en alle mogelijke [33]dingen goddelijk noemen; het zou mij daarom verwonderen, wanneer de menschelijke natuur ook niet met hare zenuwen, spieren en aderen goddelijk was. Pindarus35
