9,00 €
Het boek "Romeo de Slager" vertelt het bloedstollende verhaal van een ogenschijnlijk gewone slager in een klein stadje, die een dubbelleven leidt. Na persoonlijke tragedies en confrontaties met een falende rechtsstaat besluit hij zelf recht te zetten wat misdadigers ongestraft doen. Met zijn kennis van het slagersvak, strategisch inzicht en uitzonderlijke vechtvaardigheden, waaronder Pencak Silat, voert hij stille, nauwkeurig berekende acties uit tegen criminelen die de wet ontlopen. Niemand weet wie hij echt is, behalve een oude, trouwe vriend die zijn geheim deelt. Terwijl de dreiging van de georganiseerde misdaad toeneemt, balanceert Romeo tussen wraak, rechtvaardigheid en persoonlijke overleving. Het boek verweeft actie, spanning en morele dilemma's, en laat zien hoe één man, gewapend met moed en vaardigheid, het verschil kan maken in een wereld vol gevaar en corruptie. Achter elke confrontatie schuilt ook een diep menselijk verhaal over verlies, loyaliteit en de grenzen van rechtvaardigheid.
Das E-Book können Sie in Legimi-Apps oder einer beliebigen App lesen, die das folgende Format unterstützen:
Seitenzahl: 249
Veröffentlichungsjahr: 2025
Romeo de Slager
De schaduwzijde van de Stille
Lancar Ida-Bagus
Colofon:
Disclaimer:Alle personen in dit boek zijn fictief. Overeenkomsten met bestaande personen zijn louter toevallig.
© 2025 Vishnuh-Genootschap. Alle rechten voorbehouden.Geen enkel deel van deze publicatie mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen of op enige andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de auteur.
Inhoud
Proloog – Het Pad van de Wreker
Hoofdstuk 1: Het begin van de wraak
De Straatterrorist
De Kleine Impactvolle Straf
Hoofdstuk 2: Het netwerk van geheimen
Hoofdstuk 3: De grote daad
Schaduwen in het Hart van de Stad
De Nacht dat de Schaduwen Beefden
Hoofdstuk 4: Morele vragen
Het Bloedige Evenwicht
De Schaduw van Sietse de Vries
De Schaduw van Leeuwarden
Hoofdstuk 5: Het mislukte complot
De Nacht van de Schaduwdood
Hoofdstuk 6: De schaduw van angst
De Val van de Nacht
De Drie Rechters
1. Van Dalen — De Eerste Val
2. Vermeer — De Slimste, Maar Niet Slim Genoeg
3. Koster — De Paranoïde Rechter
Hoofdstuk 7: De prijs van stilte
De Nacht van het Zwijgen
De foute Burgemeester van Breda
De Molukse arrogantie
Advocaat Smit – Meester in Bedrog
Hoofdstuk 8: Meester van strategie
De Verrader en de Stilte
De verwaande hoofdagent van Dijk
Marlene’s val
Hoofdstuk 9: Onopgeloste wraak
De Grijze Wolven en de Stilte van Rechtvaardigheid
De notoire onderwijskrachten
De hebzuchtige zakenman
De Schaduw van de Haven
Hoofdstuk 10: Het eeuwige geheim
De Stilte van de Wreker
De Kindermisbruiker
Officieel Dossier / Justitieel Rapport
De geheime Bende
Sambo Cijntjes
De eerwaarde Pastoor uit Emmen
De Schaduwen van Holwerd
Zijn vriend de Zwijger
Romeo Stopt
E P I L O O G
Romeo lijkt een gewone slager in een klein, rustig stadje, een man die de dagen doorbrengt met vlees snijden en klanten begroeten. Maar achter die ogenschijnlijke alledaagsheid schuilt een man die een dubbelleven leidt. Persoonlijke tragedies, verlies en de confrontatie met een falende rechtsstaat hebben hem gevormd tot iemand die zelf rechtvaardigheid zoekt, buiten de wet om.
Wanneer misdadigers ongestraft hun gang gaan, treedt Romeo op. Hij gebruikt zijn kennis van het slagersvak – precisie, geduld, en een scherp oog voor zwaktes – gecombineerd met list, strategie en een diep begrip van menselijke zwakheden, om hen te confronteren en te straffen. Zijn daden zijn perfect gepland, ongrijpbaar, en vrijwel niemand vermoedt wie erachter schuilt.
Er is slechts één uitzondering: een oude vriend, iemand die de geheimen van Romeo kent en hem een belofte heeft gedaan – “zwijgen voor altijd. “ Samen dragen ze de last van geheimen en wraak, terwijl Romeo een pad bewandelt dat gevaarlijker, duisterder en allesomvattender wordt dan wie dan ook ooit had kunnen vermoeden.
Intro:
De regen sloeg onophoudelijk tegen de kasseien van Hamburg. Straatlantaarns flikkerden door de mist, en de stad leek ademloos, alsof ze de aanwezigheid van een onzichtbare kracht voelde. Binnen een kleine, onopvallende slagerij zat Romeo in het schijnsel van kaarslicht. Rondom hem lagen kaarten, krantenknipsels en notities, een ingewikkeld web van misdaad dat zich over Europa uitstrekte. Elk blad voelde als een steen op zijn schouders, elk adres een oordeel dat nog uitgesproken moest worden.
Soms, ’s nachts, hoorde hij de stemmen van degenen die hij had gestraft. Het waren geen hallucinaties; het waren herinneringen aan het oordeel dat hij had uitgesproken, de macht die hij had genomen, en de stilte die hij had achtergelaten. Was hij een redder of een wreker? Een beul of een held? Het antwoord lag enkel in de leegte van de schaduwen die hem omringden.
Zijn zwijgende vriend zat in een hoek, een stille schaduw die alles zag en niets zei. Zijn aanwezigheid was een spiegel: Romeo had niemand nodig om zijn keuzes te verantwoorden, alleen zichzelf. Maar deze keer voelde de last anders, zwaarder. De dreiging die hij tegemoet zou treden, was internationaal, georganiseerd, meedogenloos. Zijn pad zou hem van Hamburg naar Warschau en verder naar Frankrijk leiden. De dreiging was omvangrijker dan alles wat hij eerder had overwonnen.
Romeo dacht terug aan Turkije, aan de Grijze Wolven — de gevreesde ultranationalistische bende onder leiding van Murat Öss, een man die zijn macht gebruikte alsof hij boven wet en menselijkheid stond.
Romeo herinnerde zich hun schaduwrijke netwerken: wapensmokkel, ontvoeringen, intimidatie, politieke manipulatie. Hij had hun wreedheid geproefd, hun arrogantie gezien in de ogen van mannen die dachten dat niemand hen ooit zou durven confronteren.
Maar hij had het wel gedaan.En niet zomaar.
Één voor één had hij hen gebroken. Niet met brute kracht alleen, maar met strategie, stilte, timing. Murat Öss — de sluwe leider die zich onkwetsbaar waande — was gevallen in zijn eigen val, zorgvuldig geweven door Romeo’s hand. De echo van hun ondergang was hem altijd bijgebleven: een herinnering aan het moment waarop een enkele man, bewapend met vaardigheid, geduld en onverzettelijke rechtvaardigheid, een heel netwerk kon laten imploderen.
Nu, terwijl hij zich voorbereidde op de grootste dreiging van zijn leven, wist hij dat wat hij toen had gedaan slechts het begin was geweest.
Hun verdwijning was zo totaal dat de onderwereld nooit had geweten wat er gebeurd was. Slechts één man wist de volledige waarheid, en hij zweeg. Het was een les die Romeo nooit vergat: stilte is een wapen dat machtiger is dan welk geweer ook.
**Romeo de Slager stond in zijn werkplaats. Zijn mes lag glimmend op de tafel, zijn stokken lagen binnen handbereik. Maar zijn grootste kracht zat in zijn eigen lichaam: jarenlange training in een oeroude Indische vechtkunst die bewaard is gebleven binnen een Zuid-Amerikaans niet-religieus besloten gemeenschap. Elke draai, trap, stoot en worp voerde hij vloeiend en dodelijk uit. Zijn bewegingen waren onvoorspelbaar, zijn timing perfect. In een fractie van een seconde kon hij een vijand uitschakelen en verdwijnen in de schaduwen, geluidloos en exact. Zijn lichaam was een levend wapen, zijn geest een strategisch brein dat het slagveld zag voordat de vijand het zelf deed.
Van zijn leermeester had hij grimmige lessen geleerd, lessen die hem door oorlogen, achtervolgingen en confrontaties heen hadden gedragen. Geen kennis uit boeken, maar regels die waren geschreven in bloed, verraad en overleving.
Reik je vijand nooit de hand wanneer je weet dat hij hem wil afbijten.
Genade is een luxe die een krijger zich niet kan veroorloven tegenover iemand die alleen maar wacht tot je knippert.
Laat een gewonde vijand niet leven.
Een wanhopige man zonder eer keert altijd terug — niet om te vechten, maar om te steken wanneer jij niet kijkt.
Vertrouw nooit op vrede.
Een vijand die met je lacht tijdens een wapenstilstand, slijpt zijn mes onder de tafel.
Ken de schaduw van je tegenstander beter dan zijn gezicht.
Mensen liegen, lichamen liegen, maar schaduwen verraden altijd intenties.
Beheers jezelf, anders beheerst je vijand jou.
Woede maakt blind; koelte maakt dodelijk.
Sla nooit eerst… maar sla wél beslist wanneer het moment komt.
Twijfel is de opening waar een mes doorheen glijdt.
Een geheim gedeeld is een zwakte gecreëerd.
Stilte redt je leven; woorden openen je graf.
Observeer meer dan je ademt.
Wie alles ziet, wordt door niets verrast.
Deze regels waren zijn onzichtbare wapenrusting.Ze hadden hem door Turkije, Hamburg, Warschau, Nederland, België en Marseille geleid, door bendes, corrupte zakenlieden en geharde militairen, en ze zouden hem nu opnieuw beschermen — tegen een dreiging die groter, georganiseerder en nietsontziender was dan ooit tevoren.
Op de tafel lag een kaart van Europa. Hamburg, Warschau, Lyon, Marseille — elke stad herbergde een deel van een netwerk van ex-militairen die wapens smokkelden, corrupte handlangers die winst maakten over de rug van onschuldigen, en smokkelaars die mensenhandel dreven alsof het handelswaar was. Romeo’s missie was glashelder: uitschakelen, voorgoed. Geen sporen achterlaten, geen getuigen, geen fouten.
Hij herinnerde zich de slapeloze nachten van training in bosrijke gebieden, verlaten steegjes, koude gymlokalen en verlaten parken waar alleen de maan getuige was van zijn groei. Hij leerde guerrillatechnieken en oeroude tactieken die als geheime kennis, zorgvuldig en onverbroken, van generatie op generatie waren doorgegeven aan de erfgenaam van een eeuwenoud Genootschap. Zijn leermeester had hem niet alleen geleerd hoe hij moest vechten, maar hoe hij moest overleven, denken, anticiperen.
Romeo beheerst het nu perfect.
Zijn lichaam reageerde sneller dan gedachten, zijn zintuigen stonden voortdurend op scherp. Elk geluid — het knakken van een tak, het verschuiven van een schoenzool op nat asfalt, het trillen van een metalen regenpijp — werd onmiddellijk geanalyseerd. Elk schaduwpatroon werd gecategoriseerd, elke ademteug buiten zijn muren geregistreerd alsof hij deel uitmaakte van het duister zelf.
Zijn planning was chirurgisch.
Geen detail ontsnapte hem. Hij kende de gewoontes van zijn vijanden, hun routes, hun fouten, hun zwaktes. Hij voorspelde hun acties nog voordat zij het zelf wisten. Romeo wist wanneer ze zouden toeslaan, waar ze zouden verzamelen, welke wapens ze droegen en zelfs wie er als eerste zou aarzelen.
Want dit was geen instinct meer.Het was een erfenis.Een doctrine van overleving.Een kunst die alleen zijn leermeester volledig beheerste — en hij had die kunst aan Romeo doorgegeven.
En nu, met de internationale dreiging die dichterbij kroop, voelde Romeo hoe alles samenkwam: elke les, elke wond, elke nachtelijke training. Het was alsof het universum hem had voorbereid op precies dit moment.
Hij was klaar.Dodelijk klaar.
Romeo was toen nog maar een schim van de man die hij later zou worden. Zijn hart was zwaar, gevuld met het rauwe verdriet om zijn vader, die tijdens een brute straatroof het leven had verloren. De dader was nooit gevonden, nooit berecht, nooit zelfs maar gezien. Het enige bewijs dat er ooit een mens had gestaan, was het stille lichaam dat Romeo later moest identificeren — koud, roerloos, en beroofd van alles behalve de herinneringen die Romeo met hem deelde.
Dat onrecht vrat hem van binnenuit op. Niet met schreeuwen, maar met fluisteringen. Het knaagde elke nacht aan zijn ribben, trok aan zijn gedachten, en wrong zich als een ijzeren hand om zijn hart.
Hij wist niet hoe hij moest vechten, hij wist niet hoe hij moest zoeken, en hij wist al helemaal niet hoe hij moest helen. Hij had geen richting, geen kracht, geen strategie. Alleen verdriet — en de vurige wens dat iemand, ergens, hem kon vertellen hoe hij moest terugvechten tegen een wereld die hem alles had afgenomen.
Wraak borrelde in hem, maar hij wist niet wat hij ermee moest. Want ondanks zijn woede… had hij nooit gevochten. Niet eens per ongeluk.
Zijn fysieke staat was op zijn best beschamend.Jarenlange gymlessen had hij ontweken alsof ze radioactief waren. Een push-up was voor hem een mythisch concept, en zijn jaarlijkse poging tot een sit-up eindigde meestal in een filosofische discussie met het plafond over waarom zwaartekracht altijd won. Zijn lichaam voelde eerder als een zoutzak dan als een wapen van rechtvaardigheid — log, ongecoördineerd, en totaal niet ontworpen voor heldendaden.
Hoe wil ik op deze manier de misdaad bestrijden? dacht hij bij zichzelf, terwijl hij zijn buik zachtjes heen en weer zag deinen als een gelatinepudding die net een nare waarheid had gehoord.
Dat was het moment waarop het lot hem naar het Zuiderpark in Den Haag stuurde. Niet als held, niet als krijger, maar als een gebroken zoon die wanhopig op zoek was naar een manier om het onrecht te begrijpen, laat staan recht te zetten. En wat hij daar vond, was geen troost — maar een man die hem zou veranderen. Tot op het bot.
De ontmoeting met zijn leermeester was een keerpunt — het soort moment dat het lot zonder waarschuwing op je pad gooit.
Op een dag in maart 1980, toen hij zichzelf had getrakteerd op een dagje Den Haag — deels om te ontspannen, deels om te ontsnappen aan het besef dat zijn lichaam weinig meer was dan een vrijwillige zoutzak — besloot hij het Zuiderpark in te wandelen.
Het was zo’n dag waarop de lucht grijs hing als nat karton en de stad zuchtte onder haar eigen gewicht. Romeo slenterde zonder doel, meer bezig met niet nadenken dan met echt genieten.
Maar toen zag hij hem.
In een afgelegen hoek van het park, verscholen achter een rij bomen, trainde een bruine man met een intensiteit die niet in deze wereld leek te passen.
Zijn bewegingen waren vloeiend maar vernietigend, ritmisch maar onheilspellend precies. Hij trapte, sloeg, draaide, landde op zijn voeten alsof zwaartekracht een suggestie was in plaats van een wet. Het was niet sporten.Het was overleven.Het was oorlog in stilte.
Romeo bleef staan, betoverd en tegelijk geïntimideerd. De man bewoog alsof hij zich voorbereidde op een gevecht met de duivel zélf — en de duivel had geen schijn van kans.
Later zou Romeo begrijpen dat hij niet tegenover een gewone man stond — geen sporter, geen martial-arts-hobbyist. Dit was de “Adhipatih” van het Vishnuh-Genootschap, door ingewijden “Mass” genoemd, een titel die generaties lang fluisterend werd doorgegeven. Hij beheerste de zuivere Pencak-Silat, de gevechtsleer die door zijn voorouders was ontwikkeld en bewaakt binnen het Vishnuh-Genootschap.
Een man met een aura die maar één boodschap uitstraalde: raak me aan, en je breekt iets dat je nodig hebt.
Iedereen met gezond verstand zou weglopen.
Maar Romeo… was Romeo.
Om redenen die tot op de dag van vandaag niemand begrijpt — zelfs hijzelf niet — liep hij naar de Adhipatih toe. Misschien was het moed. Misschien was het domheid in een duur jasje. Misschien was het ambitie die zijn hersenen had gehackt.
Of misschien was het simpelweg het eerste teken dat het lot besloten had om zich met zijn leven te bemoeien.
Toen hij de Adhipatih naderde, stopte de meester abrupt met trainen. Niet omdat hij moe was — dat woord leek niet in zijn vocabulaire te bestaan — maar omdat hij Romeo had opgemerkt. Zijn ogen, donker en onverzettelijk, boorden zich in hem alsof hij hem van binnenuit las. Romeo voelde het onmiddellijk: dit was geen gewone blik. Het voelde alsof hij al gevloerd was zonder dat de meester zelfs een vinger had bewogen.
Romeo slikte, groette beleefd en vroeg — met een stem die verrassend standvastig klonk — of de Adhipatih zijn leraar wilde worden.
Een stilte volgde.Een lange, ongemakkelijke, bijna kosmische stilte.
Mass keek hem aan, zijn blik zo scherp dat Romeo zich afvroeg of hij daadwerkelijk in tweeën zou vallen als de meester dat zou willen. Geen spier bewoog in het gezicht van de Adhipatih, maar zijn ogen spraken boekdelen: Wie ben jij dat je mij dit durft te vragen?
Romeo legde zijn motivatie uit. Nadat hij uitgepraat was knikte de meester instemmend.
Niet met enthousiasme.Niet met trots.Eerder met de berusting van iemand die zag dat het lot besloten had.
Maar hij gaf één waarschuwing, een die als een dreun in Romeo’s ziel terechtkwam:
“Discipline is heilig.Altijd op tijd komen.Geen uitzonderingen.Zelfs niet als je door weer, wind of een existentiële crisis moet kruipen.”
Romeo knikte, zonder volledig te begrijpen waar hij precies instapte.
Hij wist niet dat deze woorden de fundamenten zouden worden van zijn transformatie.Hij wist niet dat te laat komen bij de Adhipatih erger was dan een gevecht verliezen.Hij wist niet dat dit de eerste stap was in een pad dat hem zou veranderen van een onzekere zoutzak in een krijger van vlees, bloed en onverzettelijke wil.
Maar op dat moment… geloofde hij alleen dat hij een kans kreeg.Een kans die zijn hele leven zou herschrijven.
De eerste trainingsdag was geen introductie.Het was een executie van zijn oude zelf.
Romeo kwam aan nog vóór de zon het park raakte. De Adhipatih stond daar al, onbeweeglijk, alsof hij nooit had geslapen en het donker hem in leven hield. Geen begroeting. Geen uitleg. Alleen een knik. En daarna begon het.
En zo begon Romeo’s traject: drie keer per week trainen, onder alle denkbare weersomstandigheden — regen die als kogellagers uit de hemel viel, wind die probeerde hem terug naar huis te blazen, en kou die zijn tenen deed twijfelen aan hun contract met zijn lichaam.
De Adhipatih zei vaak niets.Dat was zijn stijl: stilte als instructie, pijn als feedback.
Romeo hield het vol. Vijf jaar lang. Soms met tegenzin, soms met knikkende knieën, soms strompelend na een nacht doorwerken, met koorts of half ziek, maar altijd aanwezig. Want één ding had hij al vroeg geleerd: te laat komen was een doodzonde. De Adhipatih verscheen niet in je leven om jou te sparen. Hij verscheen om te breken wat zwak was.
Elke training voelde als een beproeving door de elementen zelf:• modder die hem vastzoog• lucht die sneed als glas• spieren die schreeuwden om genade• en een meester die nooit schreeuwde, maar altijd zwijgend keek.
Romeo werd niet alleen gevormd tot een wapen;hij verloor langzaam het vermogen om überhaupt nog iets anders te zijn.
Zijn menselijkheid werd geen onderdeel van hem meer, maar een herinnering — vaag, vervormd, alsof het toebehoorde aan iemand die hij ooit gekend had maar allang begraven lag in de modder van het Zuiderpark. Iedere training met de Adhipatih was als een mes dat weer iets van zijn oude ik afhakte: zijn twijfel, zijn angst, zelfs zijn empathie.
Wat overbleef was discipline, stilte en iets dat grimmiger was dan vastberadenheid: onverschilligheid.
Niet richting het leven, maar richting pijn — in welke vorm dan ook.
En precies dát was de bedoeling.De Adhipatih trainde geen mannen.Hij trainde overlevenden.
De Adhipatih had hem destijds één zin gezegd, die hem de rest van zijn leven zou achtervolgen:“Een man die sterk wil zijn, moet eerst bereid zijn alles te verliezen wat hem mens maakt.”Romeo had gelachen. Kort. Ongemakkelijk. Onwetend.
Romeo ontdekte dat het niet zijn kracht was die hem dodelijk maakte, maar de leegte die hem omhulde. Niet de aanwezigheid van angst, maar het ontbreken ervan. Niet de twijfel, maar de totale afwezigheid ervan. Zijn grenzen waren opgeheven; elke remming, elk geweten, had plaatsgemaakt voor een ijzige logica. Wat ooit een missie leek, was nu een natuurwet geworden — onvermijdelijk als het verval dat alles uiteindelijk consumeert.
Die leegte kwam niet plotseling. Ze sloop binnen — langzaam, geduldig — als een schaduw die elke dag een centimeter verder kroop over zijn ziel, tot er geen hoekje meer overbleef waar het licht nog kon ademen. Aanvankelijk vocht hij ertegen, koppig, alsof wilskracht alleen het duister kon terugdringen.
Hij klampte zich vast aan herinneringen: de geur van zijn slagerij in de vroege ochtend, het warme hout van het oude hakblok, het ritmische geluid van zijn eerste mes dat hij slijpte onder het scherpe, goedkeurend-knikkende oog van zijn vader.
Maar zelfs die kostbare beelden begonnen te vervagen. Ze werden dun, ongrijpbaar — alsof ze geschreven stonden op papier dat langzaam door regen uit elkaar viel. En hoe harder hij probeerde ze vast te houden, hoe sneller ze wegspoelden tussen zijn vingers.
Het duister won niet in één enkele klap. Het won centimeter voor centimeter — en uiteindelijk won het alles.
Zijn training met Mass had hem iets geleerd: emoties zijn onvoorspelbaar, gevaarlijk, en doen je trillen op momenten dat juist stilstand vereist is. En dus werden ze geëlimineerd. Niet bewust — maar door de opeenstapeling van jarenlange discipline, pijn en offers.
Mass zag het gebeuren. Hij zag hoe Romeo’s blik veranderde: van mens naar instrument, van leerling naar entiteit. En toch zei hij niets. Want hij wist dat sommige paden niet gekozen worden, maar ontstaan. Niet uit verlangen, maar uit noodzaak.
Op een avond, tijdens een training waarin de koude lucht zijn longen schuurde als scherven glas, stopte Romeo plots. Niet omdat hij uitgeput was, maar omdat hij besefte hoe ver hij gekomen was. Hoe ver hij van zichzelf was afgedreven.
“Je voelt het eindelijk,” zei de Adhipatih.Romeo keek hem aan, zijn gezicht onaangeroerd, zijn hart een stil orgaan zonder verlangen.“Wat voel ik?”“Het verdwijnen,” antwoordde de Adhipatih. “Wat overblijft als een mens te lang oorlog voert met zichzelf.”
Romeo zei niets. Want woorden waren inmiddels overbodig geworden. Hij bestond niet meer als man, maar als reactie op onrecht. Als instrument dat deed wat gedaan moest worden.
De georganiseerde misdaad, diep verweven met de stad Den Haag als wortels in verrotte grond, moest worden uitgerukt tot het laatste vezeltje. Het kon hem niets schelen hoeveel levens, banden of herinneringen daarbij mee zouden scheuren.Wanneer zijn mes, zijn stokken of zijn strategie in beweging kwamen, bestond er geen half werk. Hij handelde met de precisie van een ritueel: snijden was geen keuze, maar een belofte – een zekerheid.Hij stopte pas wanneer er niets meer bewoog, wanneer de stilte zwaarder werd dan de adem die eraan voorafging. Totdat de leegte zelf het laatste woord had. In die leegte vond hij een vreemd soort vrede. De wereld was chaotisch, maar in zijn handen voelde hij orde. Het was hard, het was definitief, en het was hem ontnomen om te aarzelen. Want aarzeling was een luxe die hij niet langer kon permitteren.
De vroegere “Pendekars”, onder het waakzame oog van het Vishnuh-Genootschap, hadden het al lang begrepen: bescherming was slechts een illusie, een fragiele schijn die zelfs de sterksten uiteindelijk in de steek liet.
Genade? Een luxe die de wereld nooit werkelijk bezat, slechts een woord voor de zwakken om zich eraan vast te klampen. Hun erfenis was hard, koud en onverzettelijk. Simpel in zijn essentie, meedogenloos in uitvoering.
De Pendekars leerden dat ware kracht niet in spier of zwaard lag, maar in het vermogen het onvermijdelijke te herkennen en te handelen zonder een fractie van aarzeling. Zij wisten dat er momenten waren waarop een pad onherroepelijk was, waarop zwijgen gelijkstond aan toegeven, en waarop handelen het enige antwoord was dat de wereld nog recht kon trekken.
Ze begrepen dat sommige wortels, hoe diep ze ook gegroeid waren, met chirurgische precisie moesten worden uitgerukt om chaos te voorkomen. Onzuivere intenties, verborgen verraad, misbruik van vertrouwen — niets daarvan kon blijven bestaan binnen een gemeenschap die zichzelf wilde beschermen.
En degenen die dachten veilig te zijn achter muren van leugens, manipulatie of status, begrepen vroeg of laat de waarheid: veiligheid was slechts uitstel. Een korte adempauze voordat de wet van het genootschap hen inhaalde — onverstoorbaar, rechtlijnig, onfeilbaar.
De nalatenschap van de Pendekars was geen verhaal van glorie of luid bezongen eer. Het was een harde, sobere les in realiteit. Een koude waarheid die nagalmt in de handen van degenen die durfden te handelen… en in de stilte van hen die dat niet deden — en daardoor vergingen.
“Wie recht wil brengen, moet bereid zijn meer te breken dan botten.”
… Romeo voelde die zin in zijn hoofd, alsof een stem uit een andere tijd hem influisterde dat de grens tussen gerechtigheid en vernietiging altijd dunner was dan mensen wilden toegeven.
Hij liep nu met die grens in zijn kielzog — als een onzichtbare lijn die hem volgde, dag en nacht. Hij kende haar positie precies. En hij wist exact wanneer hij haar zou overschrijden.
Zijn innerlijke stilte was gevaarlijker geworden dan welk wapen dan ook. Het was de stilte vóór een storm, de stilte die mannen fluisterend maakt… en mannen die fluisteren laat verdwijnen.
Hij keek niet langer naar de wereld met hoop, maar met berekening. Hij telde: fouten, schulden, zonden. In zijn hoofd tikte elke schuld als een klok die nooit stilstond — een aftelling die geen enkele dader kon ontwijken.
Redding bestond niet meer voor hem. Niet voor anderen. En zeker niet voor zichzelf.
Maar juist dat maakte hem efficiënter. Want iemand die niets meer heeft om te verliezen, verandert in precies het soort monster dat de onderwereld vreest — en dat de wereld, hoe ironisch ook, af en toe nodig heeft.
Romeo werd een wreker, een beschermer van de stemlozen—een levende legende van stilte, dreiging en rechtvaardigheid. Terwijl hij terug dacht aan zijn verleden, besefte hij hoeveel van zijn wraakacties nooit het daglicht hadden gezien.
In Berlijn had hij een drugsnetwerk geruisloos laten instorten, alsof het nooit had bestaan.In Warschau had hij een corrupte politiedienst ontmaskerd, waar de waarheid als een spook door de gangen van het bureau had gedwaald totdat de schuldigen één voor één vielen.En in Marseille had hij de bende in mensenhandel geëlimineerd; drie misleide handlangers spaarde hij — de rest verdween voorgoed, alsof de zee zelf hen had opgeëist.
Geen politie, geen media, geen crimineel syndicaat wist dat één man deze zuiverende chaos had veroorzaakt. De wereld bleef blind, de onderwereld in verwarring, de autoriteiten radeloos.
Alleen zijn stille vriend kende de ware geschiedenis — en hij zweeg, niet uit angst, maar uit onverwoestbaar respect.
Romeo voelde hoe de spanning in zijn spieren zich vastzette als ijzerdraad. Elke misdaad die ongestraft bleef, elke dader die door de mazen van het systeem gleed, was voor hem een rechtvaardiging om opnieuw te handelen. Twijfel was er soms — een schaduw in een ver vergeten hoek van zijn geest — maar zelfs die schaduw wist dat dit zijn pad was.De wereld had gefaald.En dus sprak hij, als wreker, in daden in plaats van woorden.
Buiten sloeg de regen harder tegen de ramen, alsof de stad zelf nerveus werd onder zijn aanwezigheid, alsof ze hem wilde waarschuwen voor wat er nog zou komen. Maar Romeo luisterde niet naar waarschuwingen. Hij luisterde naar ritmes — het ritme van ademhaling, het ritme van hartslagen, het ritme van schuld.
In zijn geest zag hij de kaarten van Europa oplichten als slagvelden:Duitsland — waar hij ooit een pand betrad als een schaduw en als storm weer vertrok.Polen — waar corrupte agenten vergaten dat monsters ook uniformen konden dragen, totdat hij hen herinnerde.Frankrijk — waar de straten van Marseille fluisterden over een onzichtbare kracht die de balans had hersteld.
Hij visualiseerde de komende confrontaties met de precisie van een chirurg. Zijn mes, zijn stokken, zijn vuisten, zijn adem — alles was één beweging, één wapen. De sierlijke maar vernietigende logica van Pencak-Silat vloeide door hem heen; het was geen vechtkunst meer, maar een taal die hij sprak zonder ooit één fout te maken.
Geluidloos.Dodelijk.Ongrijpbaar.
Romeo was klaar. De wereld wist het nog niet, maar het oordeel was onderweg.
Romeo ademde diep in, zijn hartslag kalm, zijn zintuigen scherp. Zijn zwijgende vriend keek toe, zwijgend als altijd. Geen woorden waren nodig; ze begrepen elkaar volledig. De wereld sliep, onwetend van wat komen ging.
Met een laatste blik op het mes dat glansde in het kaarslicht — een koude, stille belofte van wat komen ging — en de korte Pencak-stokken die als verlengstukken van zijn wil klaar lagen, ademde Romeo langzaam in. Elke beweging was gecontroleerd, gewogen, noodzakelijk. Het licht flikkerde over het staal terwijl het de contouren van zijn verleden weerspiegelde: elke strijd, elke fout, elke dader die dacht aan hem te ontsnappen.
Toen stapte hij de schaduwen in.Zonder aarzeling.Zonder spijt.Zonder om te kijken.
De wereld wist op dat moment niet dat een wreker was opgestaan — geen held, geen martelaar, maar iets dat daartussenin zweefde: een kracht die niet werkte met waarschuwingen, maar met resultaten. Waar systemen faalden, waar wetten te laat kwamen en waar de onschuldigen te weinig bescherming kregen, zou hij wél verschijnen.
Romeo liep niet om de toekomst te redden, maar om het verval te stoppen. Niet uit idealisme, maar uit noodzaak. Alles in hem schreeuwde dat de rot eruit moest worden gesneden — tot op het bot, tot in de kern, hoe diep die ook zat.
En in dat moment, waar stilte en duisternis elkaar raakten, begon zijn eigen vorm van gerechtigheid. Een gerechtigheid die men zou fluisteren in steegjes, die men zou ontkennen in rechtbanken, maar die men overal zou voelen.
Romeo was klaar.Europa nog lang niet.
Zijn pad van bloed, stilte en gerechtigheid was begonnen. Een pad waar geen bordjes stonden, geen regels, geen genade. Een pad dat steden zou redden zonder dat ze wisten hoe dichtbij de afgrond ze waren geweest. Een pad dat criminelen zou vernietigen met de precisie van een chirurg die niet in patiënten gelooft.
En ergens, diep in de nacht, begon langzaam de eerste fluistering. Een verhaal. Een naam. Romeo.Geen man meer. Geen leerling meer.Maar een legende in wording — gesmeed uit duisternis, discipline en de wreedste vorm van rechtvaardigheid die een mens kan dragen.
Een legende die nooit vergeten zou worden,omdat niemand die hem tegenkwam nog over bleef om hem te vergeten.
Elke stad droeg zijn spoor, onzichtbaar maar onmiskenbaar, als een plotselinge stilte na de storm, als de onverwachte scheuren in criminele netwerken die niemand zag instorten. Men wist niet hoe ze gevallen waren, alleen dat ze gevallen waren.
Niemand zou ooit vermoeden dat één man — slechts één — de balans tussen recht en chaos had verlegd. Een man die met Pencak-Silat, guerrilla-technieken en een onverzettelijke wil de rot uit Europa sneed, alsof hij vlees van bot scheidde, en tegelijk ongrijpbaar bleef. Zijn aanwezigheid was slechts een fluistering, zijn invloed onzichtbaar, maar zijn impact diep en onuitwisbaar.
Romeo de Slager was onderweg.En de nacht hield zijn adem in.
Romeo veegde het zweet van zijn voorhoofd terwijl hij het vlees in de slagerij sneed. Zijn mes gleed soepel door de stukken, ritmisch, bijna hypnotisch. Buiten lag het dorp nog in diepe rust; de straten waren stil, de lantaarns wierpen lange schaduwen. Maar in zijn hoofd speelde zich een ander, ongrijpbaar verhaal af.
Hij herinnerde zich die nacht dat zijn vader werd overvallen en vermoord, midden op een stille straat. Het geluid van schreeuwen en de klap van wapens klonk nog steeds in zijn geheugen. Jaren later was zijn familie slachtoffer van een gewelddadige inbraak; dezelfde woede, hetzelfde gevoel van machteloosheid. De politie had niets gedaan, hun daden bleven ongestraft, en de daders liepen vrij rond alsof rechtvaardigheid slechts een woord was.
Die herinneringen brandden als vuur achter zijn ogen. Terwijl hij zijn werk voortzette, voelde hij de oude pijn vermengen met een koele, scherpe vastberadenheid. Dit was geen gewone dag — dit was een dag waarop een man, gevormd door verlies en onrecht, zich voorbereidde om de balans op zijn eigen manier te herstellen.
Zijn hand trilde niet terwijl hij een scherp mes hanteerde. De stilte in de winkel voelde als een tweede huid. Buiten hoorde hij het zachte gerinkel van de straatlantaarns. Hij glimlachte flauwtjes: dit was zijn moment. Rechtvaardigheid was iets dat hij zelf moest creëren.
