Tragedie, extase, verdoemenis - Dennis van den Broek - E-Book

Tragedie, extase, verdoemenis E-Book

Dennis van den Broek

0,0

Beschreibung

Dit lijkt een werk van fictie te zijn. Er zijn momenten van spanning en mysterie, wat de toon en sfeer van het verhaal versterkt. De opbouw van de spanning wanneer de verteller 'Black, Ochre, Red over Red' van Mark Rothko ontdekt en zijn intense reactie daarop, draagt bij aan de intrige. De verteller benadrukt ook een persoonlijke transformatie, wat de lezer nieuwsgierig maakt naar het vervolg van het verhaal. Er zijn verschillende personages geïntroduceerd, elk met hun eigen kenmerken en reacties. Dit creëert diversiteit en diepgang. De setting wordt gedetailleerd beschreven, met specifieke locaties als het Chrysler Building en de Rothko Chapel. Dit draagt bij aan de visualisatie van de omgeving. De dialogen tussen de personages voelen natuurlijk aan en dragen bij aan het karakter van elk personage. Er is ook een mix van talen, zoals Engels, Nederlands en Italiaans, wat de authenticiteit kan vergroten. De indruk ontstaat dat de schrijver beinvloed is door de boeken van Haruki Murakami als de films van David `Lynch. De opbouw van het verhaal is zodanig dat de lezer het na een eerste keer lezen hoogstwaarschijnlijk meteen wil herlezen. -ChatGPT over Tragedie, extase en verdoemenis-

Sie lesen das E-Book in den Legimi-Apps auf:

Android
iOS
von Legimi
zertifizierten E-Readern
Kindle™-E-Readern
(für ausgewählte Pakete)

Seitenzahl: 314

Veröffentlichungsjahr: 2024

Das E-Book (TTS) können Sie hören im Abo „Legimi Premium” in Legimi-Apps auf:

Android
iOS
Bewertungen
0,0
0
0
0
0
0
Mehr Informationen
Mehr Informationen
Legimi prüft nicht, ob Rezensionen von Nutzern stammen, die den betreffenden Titel tatsächlich gekauft oder gelesen/gehört haben. Wir entfernen aber gefälschte Rezensionen.



Tragedie, extase, verdoemenis

Tragedie, extase, verdoemenis

Dennis van den Broek

Wat we vandaag de dag nodig hebben zijn mensen die hun reactie op doeken opschrijven, die in woorden proberen te vatten wat de doeken voor hen, als mens, betekenen.

-Mark Rothko-

Als je lang genoeg in een afgrond kijkt, dan kijkt de afgrond terug in jou.

-Friedrich Nietzsche-

Auteur: Dennis van den Broek

Coverdesign: Renzo Koopmans & Dennis van den Broek

ISBN: 9789403729992

© Dennis van den Broek

-開-

Parijs. In het net opgeleverde museum voor moderne kunst ontbrak boven de hoofduitgang een S. Er stond in grote letters ORTIE. Dat is Frans voor BRANDNETEL. Of zal dat ook kunst geweest zijn?

De Fondation Louis Vuitton leek van buiten op een schip waarvan de zeilen bol stonden, ook al waaide het niet. Een museaal paradepaardje van Bernard Arnault, de rijkste Fransman die de wereld voorzag van typisch Franse luxe in de vorm van champagne, tas of juweel. Om wat aandacht te genereren voor zijn nieuwe museum had hij uitgepakt. Ordinair uitgepakt. Van over de hele wereld was topkunst ingevlogen om hier in een tijdelijke tentoonstelling bij elkaar te hangen. ‘Les clefs d’une passion’: sleutels tot een passie. Alle stichters van de moderne kunst bijeen, dat was het idee. Kandinsky, Matisse, Mondriaan, Monet, Picasso en nog wat namen. Ik ging erheen, eigenlijk vooral om het gebouw van binnen te zien.

In de eerste zaal van deze drukbezochte tentoonstelling werd meteen duidelijk dat er aan het gebouw zelf niets te bewonderen viel, behalve misschien de enorme proporties. Zaal één was rechthoekig, groot, hoog. Geen enkel daglicht. Vaalwitte muren. Drommen mensen aan het andere uiteinde van de zaal. Pas toen ik dichterbij kwam zag ik dat ze naar ‘De Schreeuw’ van Munch stonden te kijken. Hij hing achter glas, de schreeuw was volstrekt onhoorbaar geworden. Ik ging vanwege de drukte voor dit ene doek juist meer focussen op de andere kunstwerken in deze ruimte. Ik keek rond om te kijken welk werk me pakte. Dat was een schilderij van een misvormde man die in een soort transparant hok op een stoel zat. Ook hij was aan het schreeuwen. De man in het doek van Munch leek te schrikken van iets vreselijks dat hij achter mij zag aankomen. Deze van Francis Bacon leek me beestig brullend ergens voor te willen waarschuwen.

Zaal twee was identiek aan zaal één. Net zo wit, net zo groots, net zo daglichtloos. Daar hingen de waterlelies van Monet. Hun kleur maakte indruk op me. Ik nam de tijd. Er waren in deze zaal beduidend minder mensen dan in de eerste. Uiteindelijk kwam ik in de buurt van de doorgang naar zaal drie. Ik bleef nog even voor het laatste doek in zaal twee staan, een voor mij nietszeggend werk met vage landschappen in onappetijtelijke kleuren. Tot zover nog geen sleutel tot een passie voor mij.

En dan gebeurt het. Door de opening naar zaal drie links voor me zie ik, alvast, ‘Black, Ochre, Red over Red’ hangen. Nog slechts van de zijkant. Er gaat een net zo korte als hevige huivering door mijn lijf. Ik blijf als aan de grond genageld staan, recht voor de saaie landschappen van Emil Nolde. Deze plek in de vorige zaal voelt nu opeens als veilig, neutraal territorium. Ik kijk voortdurend met een schuine blik naar dat ene doek in de volgende zaal, zoals op een feest wanneer je niet echt je aandacht richt op degene met wie je een gesprek probeert gaande te houden en alleen oog hebt voor die fascinerende, onbekende verschijning links op tien uur. Het is een doek met drie kleurvlakken tegen een rode achtergrond. Het vuurt een soort energie zaal drie in waarvan ik hier vanaf de zijkant alleen de restwarmte voel. Het woord zinderen komt in me naar boven. Zinderen is het niet helemaal. Of: het is niet alles. Er dreigt ook iets. Het is niet eenduidig positief en aangenaam. Het raakt me hoe dan ook op een manier die ik met kunst tot dan toe nog nooit heb meegemaakt. Ik loop een paar passen richting de muur van zaal twee. Daar kan ik zien hoe druk het in zaal drie is, hoeveel mensen er wel niet staan voor dat doek. Er staat niemand. Ik waag de stap, loop zaal drie in met de blik op de grond gericht, naar de plek die op een afstand van een meter of twee voor deze Rothko moet zijn. Ik draai me om en zie het hele gebeuren voor me. Het doek heeft de wand voor zich alleen. Het is groot, ruim tweeënhalve meter hoog bij ruim twee meter breed, lees ik later op het bordje ernaast. Zwart, oker, rood op rood zegt de titel. De rode achtergrond is een alert soort rood. Op dit rood zweven de drie kleurvlakken met fascinerende, rafelige randen in precies de omgekeerde volgorde als dat de titel aangeeft. Bovenaan een rood vlak, in het midden een oker vlak dat meer wit lijkt, daaronder een zwart vlak. Door alle drie de vlakken blijft het onderliggende rood, dat aan verdund bloed doet denken, in mindere en meerdere mate zichtbaar. De vlakken lijken door hun onduidelijke randen te zweven op, voor, tegen of over het onderliggende rood. Voorzetsels verliezen hier opeens hun plaatsbepalende pertinentie. Ik blijf minutenlang kijken. Het enige dat ik doe is af en toe dichterbij en weer verderaf gaan staan. Dat doe ik zodanig lang dat het de bewaking gaat opvallen. Hoe lang loop ik al rond in deze zaal? Ik ben het besef van tijd kwijt. Hun blikken halen me uit mijn trance. Ik begin de andere bezoekers te observeren. Er zijn heel wat mensen die even naar de Rothko kijken en vervolgens meteen doorlopen. De een zoekend met de plattegrond van de tentoonstelling voor de neus, de ander met een handtasje van Gucci om de pols en een mobieltje dat om aandacht vraagt. Ik doorloop de rest van de tentoonstelling in sluimerstand en kom steeds weer terug bij dit ene doek in zaal drie. Het zijn niet zozeer de kleuren die me aangrijpen, het lijkt veel meer om de verhouding te gaan van de drie vlakken tegen die achtergrond die ook het achterste van de tong nog niet laat zien. Het doek voelt als een warmtebron waar je koude rillingen van krijgt. Zoveel geborgenheid en toch vloeit er bloed.

Die paradox, dat was het beste dat ik daar op dat moment kon bedenken. Ik kende Mark Rothko tot die bewuste dag in Parijs alleen van naam. Mijn eerste kennismaking met hem slaat in als een bom. Hoeveel waarschuwingen heeft een mens nodig? Laat ik voor nu maar gewoon enthousiast met het vervolg van dit verhaal beginnen.

-II- What’s the photo for?

Ik ben in Parijs omdat ik onderzoek aan het doen ben voor mijn debuutroman. Ik heb voor een jaar lang een sabbatical genomen, waar ik goed voor gespaard heb en wil gedurende dit jaar werken aan een roman over een student filmwetenschappen die zich verliest in het werk van David Lynch. Lynch heeft in Parijs een exclusieve nachtclub ontworpen, Silencio Club, die ik graag wil bezoeken. Veldwerk, zeg maar. Maar de club is tijdelijk dicht wegens verbouwing. Een tegenvaller. Met het boek wil het sowieso nog niet echt vlotten. Mijn eerste ontmoeting met het werk van Rothko in de Fondation Louis Vuitton, waar ik heen ging om even mijn zinnen te verzetten, komt als een welkome boost van nieuwe inspiratie. Ik krijg zin om het roer om te gooien richting Rothko. Maar goed, laat ik niet te hard van stapel lopen. Ik wil nu in eerste instantie te weten komen hoe Rothko ‘het’ gedaan krijgt in zijn doeken. Of eigenlijk eerder nog: ik wil een duidelijker beeld krijgen van wat dat ‘het’ is. Ik koop na het bezoek aan de tentoonstelling in de museumwinkel de catalogus van de expositie, met daarin een uitgebreid artikel over de ‘Black, Ochre, Red over Red’. In de Eurostar terug naar Nederland begin ik mijn onderzoek. Met een nieuw notitieboekje voor me en een balpen binnen handbereik. De kunsthistoricus die het hoofdstuk over de Rothko heeft geschreven rept over het “bovenste, bonzende, rode vlak”. Dat zou de solide basis die het zwarte vlak aan het doek verleent volledig tenietdoen. Daardoor ontstaat er “een voortdurende instabiliteit voor de toeschouwer, misschien zelfs wel een nucleaire explosie.” Dat bonzend, kloppend rood herken ik wel. Die nucleaire explosie vooralsnog niet, maar iedereen ervaart een nucleaire explosie wellicht op een eigen manier. Rothko zelf, lees ik verderop, had het volgende te melden: “Mijn doeken kunnen twee kanten op gaan: óf hun oppervlak zet uit en slaat open naar buiten in alle richtingen, óf het oppervlak trekt samen en sluit zich naar binnen toe in alle richtingen. Tussen deze twee polen zit alles wat ik te vertellen heb.” Interessant. Ik maak in het notitieblokje een pagina aan waarboven ik UITZOEKEN zet en noteer mijn eerste regel.

<> Heeft Rothko geschreven over zijn eigen werk?

Ik kijk naar buiten. We zijn inmiddels alweer in Nederland, maar nog steeds op het hogesnelheidstraject. We schieten voorbij de auto’s en vrachtwagens op de A16. Het ziet er een beetje uit alsof ze allemaal last hebben van uitvallende motoren. Op hoge snelheid door oneindig laagland. Een apart gezicht.

<> Hangen er ook doeken van Rothko in Nederland?

Eenmaal thuis vind ik op internet vrij snel het antwoord op deze tweede zoekopdracht. Er hangen er in heel Nederland welgeteld twee: één in het Stedelijk in Amsterdam, één in het Boijmans in Rotterdam. Dat is in eerste instantie teleurstellend weinig. Maar met dat laatste doek dient zich precies nu een buitenkans aan. Het Boijmans zelf is dicht vanwege een verbouwing. In de tussentijd hebben ze hun Rothko uitgeleend aan het Stedelijk Museum in Schiedam. De Rothko is daar in een eigen, apart voor de gelegenheid ingerichte kamer opgehangen. En dan komt het: er mag maar één persoon tegelijk de kamer in. Die mag vijf minuten alleen zijn met de Rothko. En voor wie die vijf minuten niet genoeg zijn is het mogelijk om tegen extra betaling een uur lang alleen te zijn met de Rothko. Dat moet ik meemaken. Zo’n kans krijg ik niet snel weer. Ik bel meteen om een afspraak te maken, maar kan pas over vier weken een plekje krijgen. De belangstelling is blijkbaar enorm. De weken in de aanloop naar het tête-à-tête met mijn tweede Rothko ga ik verder met mijn speurwerk. Ik maak naast mijn UITZOEK-lijstje ook een LITERATUUR-lijstje. Ik bestel de biografie, geschreven door ene Breslin, en een vuistdik werk waarin al het werk van Rothko verzameld is. Een ‘catalogue raisonné’ noemen ze dat. Kost wat, maar dan heb je ook wat. Mijn eerste uitzoekopdracht kan ik ook meteen doorstrepen. Er zijn twee boeken van Rothko zelf: ‘Writings on Art’ en ‘The Artist’s Reality’. Ik zie ook nog een boek geschreven door zijn zoon, Christopher Rothko. Mijn boekhandel heeft niets ervan op voorraad, de boeken moeten in Amerika besteld worden, dus sommige gaan even op zich laten wachten. Geen probleem, ik moet me ook nog gaan verdiepen in dat ene doek dat ik straks uitgebreid kan bekijken in Schiedam. Wat is dit voor een Rothko? Het ziet er op de afbeeldingen die ik op internet vind indrukwekkend uit. Maar wil ik ooit een boek over Rothko schrijven, dan moet ik niet elk doek van hem dat ik de moeite waard vind uitgebreid gaan beschrijven. Dat is dodelijk voor de lezer. Dat werkt niet. Hoe dan ook: het is een groot exemplaar, 229 centimeter hoog bij 259 centimeter breed. De titel is ‘Grey, Orange on Maroon’. Het doek is uit 1960. Het ‘maroon’ uit de titel is inmiddels wat verschoten en van bordeauxrood tot paars geworden. Ook het grijs is donkerder geworden en lijkt meer op zwart. Het oranje is wel oranje gebleven. Heel oranje. In de beschrijving van het Stedelijk Schiedam staat dat Rothko met kleuren praat. Ik lees verder niks over de rafelige randen van de vlakken, die ook bij dit schilderij op mij weer zo’n betoverend effect hebben. Ik noem dat voortaan, en dat noteer ik onder het nieuwe kopje TERMINOLOGIE, de mate van wolkerigheid. Het doek roept, zo lees ik, spanning op. Spanning? Dat zie ik er niet in. Vooruit: het zwarte vlak is aanzienlijk groter en staat boven het dunnere, kleinere, oranje vlak. Dat oranje vlak is eigenlijk niet meer dan een stevige streep. Maar eentje die wel alle aandacht trekt. Omdat het in brand lijkt te staan. Het zwarte vlak erboven houdt zich gedeisd. Het valt niet op, terwijl het zoveel groter is. Maar om dat nu spanning te noemen. Op de site van het museum staat dat het doek bij mensen hevige emoties kan opwekken. Dat zal vast een marketingtruc zijn. Ik moet het in het echt zien, laat ik het daar op houden. Er gaan wat dagen voorbij dat ik, zoals tot voor kort nog altijd het geval was, helemaal niet met Rothko bezig ben. Uiteindelijk is het dan toch zover: op audiëntie bij de Rothko in Schiedam. In de trein van Arnhem naar Utrecht en van Utrecht naar Rotterdam zit ik tussen mensen die allemaal druk bezig zijn met werkmails, afspraken die komen, stukken die daarvoor nog snel doorgelezen moeten. Ik heb alleen maar de opdracht om om tien uur bij de voordeur van een museum te staan. Heerlijk, zo’n sabbatical. Klokslag kwart voor tien zie ik ter plekke nog niemand. Even later maakt Betty de deur voor me open. Ze oogt gehaast. Het lijkt alsof ze hard heeft moeten fietsen of lopen om op tijd hier te zijn. Ik vraag me af of ze niet per ongeluk in die gauwigheid het naambordje van een collega heeft opgedaan. Ze oogt jonger dan een Betty.

- Kom verder!

Ze zegt verder niets gedurende de lange wandeling door het nog lege museum. Aan het uiteinde van één van de gangen komen we in een soort antichambre uit waarvan de muren geverfd zijn in de kleuren van de bewuste Rothko. Mij valt meteen een klein, houten dressoir op tegen één van de muren. Er staat een lamp op met een smalle, rode lampenkap. Daarnaast een oude, bakelieten telefoon met draaischijf en een asbak waarin enkele uitgedrukte peuken liggen. Een bijzonder tafereel, waarvan de link met Rothko me vooralsnog ontgaat. Ernaast ligt een gastenboek met lappen tekst erin. Dat is interessant om straks na mijn sessie door te bladeren. Daar zitten vast wel een paar teksten bij die me op ideeën kunnen brengen. Betty schenkt thee voor me in. Ik ben niet zo van thee, maar dat maakt nu even niet uit. Ze begint haar verhaal, dat ze duidelijk al vaker heeft verteld. Het zijn meditatietips. Ik ben niet zo van meditatie.

- Ga eerst maar eens zitten en kijk door je halfgesloten ogen naar het doek. En dan weer met open ogen. En dat steeds afwisselen. Desnoods een minuut of vijf lang. Bedenk: je hebt alle tijd. Loop gerust naar het doek toe en bekijk het van heel dichtbij. Rothko zelf was van mening dat je zijn doeken op een afstand van vijftig centimeter moest zien. Om volledig op te gaan in het doek. Dat mag hier. Ik moet ingrijpen als je het doek gaat aanraken, maar ik vertrouw erop dat jij zoiets niet doet. Ik kan je voortdurend zien en in de gaten houden op dat scherm daar.

Ze wijst naar een beeldscherm naast de deur van de kamer. Ik zie in het kleine, digitale kader in zwartwit een lege bank met een koptelefoon over de leuning. De Rothko zelf is net niet te zien.

- Neem de tijd om te staren. En te voelen wat het doek jou te melden heeft. Waarschuwing: deze Rothko roept bij sommige mensen hevige emoties op. Je kunt altijd naar buiten. Dat je het weet.

- Ik vind het opeens spannender worden dan ik verwacht had. Ik was kort geleden in Parijs. Daar zag ik mijn eerste Rothko. Ik heb sindsdien het gevoel dat ik er iets mee moet. Dat ik er een boek over moet schrijven.

- Gaaf zeg! Dan gaat jouw ontmoeting met onze Rothko daarin hopelijk ook een rol spelen.

Betty ontdooit een beetje, maar gaat wel zakelijk verder.

- Ik wil je dan nu vriendelijk vragen je telefoon aan mij te geven. Foto’s maken mag je straks zoveel je wilt. Maar ons idee is dat je met je telefoon op zak toch uit je moment gehaald kunt worden door een sms of een pushbericht van de NOS. Vandaar liever geen telefoon. Ik hou hem bij me tot je weer naar buiten komt. Er staat een bank middenin de kamer. Ik raad je aan daar eerst eens op te gaan zitten. Er ligt ook een geluiddempende koptelefoon voor als je je nog meer van de buitenwereld wilt afsluiten. Zijn er nog vragen?

- Neen.

- Je bent er klaar voor?

- Yesss!

Ik lever mijn telefoon bij haar in. We lopen samen naar de deur van de kamer. Nu begint bij mij de spanning echt op te lopen en dat merkt Betty. Ze pakt me bij mijn arm.

- Gaat het nog?

- Zeker. Ik ben gewoon erg benieuwd.

- Oké, even kijken. Het is nu één minuut voor tien. Je hebt een heel uur, maar je bepaalt zelf wanneer het genoeg is geweest. Je hoeft het uur niet vol te maken. Je denkt nu misschien dat je een heel uur niet gaat volhouden en dat je al eerder naar buiten gaat komen. Maar dan zou je één van de eersten zijn. De tijd vliegt daarbinnen. Om elf uur zal ik je in ieder geval komen halen, want dan gaat het museum open en kunnen de eerste bezoekers komen. Prettige reis!

Ik pak de zware klink beet, open de deur die Betty achter me weer sluit, loop de ruimte binnen en kijk het doek recht aan. Oog in oog met mijn tweede Rothko. Er schieten me in een flits twee gedachten door het hoofd. Één: foto’s van dit doek bekijken op internet of in boeken is zinloos. Op geen enkele foto is te zien wat er hier voor mijn neus gebeurt. Het doek klappert, trilt, vibreert. Allemaal niet letterlijk en hoorbaar. Ik zal onder mijn kopje TERMINOLOGIE een lijst met nieuw vocabulaire moeten gaan aanleggen wil ik met woorden recht doen aan wat een Rothko in het echt vermag. Ik word meteen hoogdravend. Twee: ik heb vanaf het moment van binnenkomst aanhoudend last van rillingen. Het doek voelt als een toegangspoort tot een parallel universum waar barse wetten gelden die ik niet het voordeel van de twijfel geef. De eerste impressie is al met al veel minder aangenaam dan ik had verwacht. Ik schrijf onder het kopje SCHIEDAM mijn eerste observatie. Ik ben niet welkom in deze kamer. Ik loop om de bank heen naar het doek toe. De oranje, dunne balk in het lagere deel van het doek trekt alle aandacht. Het heeft de felheid van zojuist natgesproeid gravel dat op een zonnige ochtend klaarligt voor de eerste tenniswedstrijd van de zomercompetitie. Dit oranje is koket, ergens ook aandachtsgeil. En: kwetsbaar. Dat kwetsbare komt grotendeels door het grote vlak daarboven. Aha. Is dat die spanning waar ik op internet over las en die ik toen nog niet begreep? Tweede notitie van vandaag. Je kunt pas iets fatsoenlijks over een Rothko zeggen als je hem in het echt gezien hebt. Nergens op de foto’s was te voelen wat voor onaangenaams vooral dat donkere vlak heeft. Het bepaalt alles. Door dat zwart voel ik me niet welkom hier. Overigens, realiseer ik me nu: ik ben wel welkom, maar ik vind het niet fijn om in de buurt te komen van wat er achter dat zwart schuilgaat. Dat is het eerder. Het doek voelt als een toegangspoort naar een plek waar ik niet heen wil, maar die tijdelijk toegankelijker is dan ooit. Ik wend even mijn blik af. Ik zie de koptelefoon liggen. Die is blauw en van het merk Bose. Ik zet hem op. Wat er nog aan geluid in deze stille kamer heerste verdwijnt geheel en al. Ik hoor nu enkel mijn eigen hartslag. Die is opmerkelijk hoog: 156 bpm. Ik houd de koptelefoon op en kijk weer naar het zwarte vlak. Nu eens lijkt het juist erg oppervlakkig, dan weer meen ik er achtereenvolgens Japanse tekens, een kerkje en wolkenkrabbers in te zien. Laat ik maar even Betty’s aanwijzingen opvolgen. Ik bekijk het doek afwisselend met bijna dichtgeknepen ogen en dan met de ogen wijdopen. Dat levert nog geen extra inzichten op. Ik ga op de bank zitten. Ik krijg geen tranen in de ogen. Dat is niet wat dit doek met mij doet. Maar ik heb het ook nog nooit meegemaakt dat ik me zo niet op mijn gemak voel bij een schilderij. Ik blijf het proberen. Niks of niemand belemmert me om het doek op alle denkbare manieren te bekijken. Ik ga op het bankje liggen om het doek kuierend te bespieden. Ik ga naast het doek tegen de muur staan leunen om te kijken of er achter het doek een machinerie schuilgaat die die pulserende diepte genereert. Ik leg mijn benen over de rugleuning van de bank, ga op de bank liggen en hang mijn hoofd voor het zitgedeelte, om het doek op de kop te bekijken. Zo voelt het nog niet half zo krachtig, met de frêle oranje streep boven en het dominante zwarte blok onder. Al mijn trucjes geven nog steeds geen nieuw inzicht. Ik ga weer rechtop zitten, zet de koptelefoon af en houd honderdtwintig hardop getelde seconden lang mijn handen voor mijn open ogen, zodat mijn pupillen wijder worden. Als ik mijn handen wegtrek is er iets veranderd. Het is alsof het doek mijn spelletjes enigszins geamuseerd heeft aanschouwd. Ik voel me gewaardeerd. Het nare gevoel van het begin is grotendeels weg. Het doek is een vriend geworden. Ik kom dus maar eens heel dichtbij. Ik durf nu. Ik heb mijn neus bijna op het zwarte vlak. Daardoor zie ik eigenlijk niks. Een alarmbelletje gaat af. Apart dat ze zo’n schattig belletje gebruiken. Ik wenk snel een verontschuldigend handje omhoog richting camera. Betty grijpt niet in. Ik mag door. Ik bekijk het doek ook eens helemaal vanaf de andere kant van de kamer. Dat is niks. Ook hier in Schiedam vind ik de schuine blik vanaf de zijkant echt het mooist. Zoals ik mijn eerste Rothko in eerste instantie zag in de Fondation Louis Vuitton. Vanaf de zijkant kijken is een beetje als in de schaduw staan in plaats van in de volle zon. Dat gevoel is er weer. Een Rothko, durf ik stelliger te beweren nu ik er twee heb ervaren, vuurt iets op je af. Maar het kan je ook naar binnen trekken. Dat was dus geen grootspraak van Rothko. Om een vinger achter dit mysterie te krijgen besluit ik verder te focussen op het zwarte vlak. Maar dan gaat de deur open: Betty. Ik verontschuldig me nogmaals.

- Sorry dat ik zojuist het alarmbelletje liet afgaan. Ik stond er te dicht op denk ik.

- Nee, ik wou alleen maar even zeggen dat het al kwart over elf is en de eerste bezoeker nu toch echt staat te wachten.

Het uur is al ruim voorbij, ik moet de kamer uit. Het voelt ook een beetje als een opluchting. Het was daar binnen niet onverdeeld aangenaam. Ook al was dat op het eind veel minder dan in het begin.

- Ik hoor graag meer over je ervaringen. Ik ga nu eerst naar deze meneer.

Ze neemt de tweede bezoeker van vandaag apart om de kijktips door te geven. Terwijl Betty hem tekst en uitleg geeft blader ik door het gastenboek. Er staan heel nuchtere bijdragen in.

| Het is mij onduidelijk waarom dit soort inkleurpraktijken zoveel geld waard zijn.

| Ik denk dus ik zie het niet.

En een bijdrage waarvan me niet duidelijk is of die spottend of juist bewonderend bedoeld is.

| Ik koop nooit meer iets bij de Xenos.

Daar staat een onverholen compliment aan Rothko’s adres tegenover.

| Zolang er mensen zijn die dit soort doeken maken, heeft de mensheid nog een kans.

Verreweg de meeste mensen hebben het over het oranje en over kleuren die gaan bewegen. Veel mensen noemen iets als

| Geen besef van tijd.

Sommigen hebben niet iets geschreven, maar iets getekend. Vaak de vormen van de vlakken, maar ook totaal iets anders: een zon die opkomt, een lieveheersbeestje, een in brand staande boerderij. Een recente bijdrage is meer een filosofische notitie.

| Rothko’s doeken zijn effectiever dan spiegels. Voor een echte spiegel meen je jezelf te zien, maar wat je ziet is er in werkelijkheid helemaal niet. Je ziet in de spiegel een omgedraaid beeld van de werkelijkheid en gaat denken dat de rest jou en de werkelijkheid ook zo ziet. Een Rothko is wat dat betreft een betere spiegel, omdat je daaruit terugkrijgt wat het doek met je doet. Dat is de ware weerspiegeling. Dat is de informatie die jij uit dat doek kunt halen. Je kunt in een Rothko niet checken of je haar goed zit, maar wel of je gelukkig kunt worden.

Een doek van Rothko als een spiegel waar je vooral jezelf in terugziet. Dat zegt dan niet veel goeds over mij. Ik werd blijkbaar onaangenaam van mezelf. Dit begint toch wel interessant te worden. Betty is nog steeds bezig met de tweede bezoeker van vandaag. Die lijkt het een en ander niet te snappen. Ik lees vlijtig verder.

| Dit is het bewijs: pas als je door diepe duisternis heen bent gegaan kun je weer echte geborgenheid ervaren. - Cr. -

- Zei je nou dat je een alarmbelletje had gehoord?

Betty heeft de deur achter de man dichtgedaan en is weer mijn kant op komen lopen.

- Ja, sorry daarvoor. Ik stond er denk ik te dicht met mijn neus op.

- We hebben hier helemaal geen belletje. En het alarm heb ik ook niet af horen gaan.

- Oh?

- Je was wel de meest actieve kijker ooit waargenomen hier. Voortdurend in beweging. Wat vond je ervan?

- Poewee. Niet per definitie alleen maar aangenaam. Maar boeiend wel. Verraderlijk boeiend.

- Goede stof voor je boek dus?

- Ik denk het wel.

De deur gaat weer open. De meneer is nog geen twee minuten binnen geweest maar komt alweer naar buiten.

- Wat een onzin dit. Belachelijk!

Hij beent kwaad weg. Betty kijkt hem na.

- Oké dan. Zal ik anders even een foto van jou voor de Rothko maken?

- Graag!

- Voor op je Instagramaccount of zo.

- Dank voor de tip.

Ik poseer met de armen over elkaar voor de Rothko. Alsof ik het doek wil trotseren. Betty maakt van alle kanten foto’s. Ze vindt me geinig en bedankt me voor een inspirerende ochtend. In de trein terug naar Arnhem herkauw ik mijn tweede ontmoeting met een doek van Mark Rothko. Ik besluit mijn roman over de student filmwetenschappen definitief te laten voor wat het is en het in de hoek van Rothko te gaan zoeken. Thuis duik ik in die enorme catalogus van zijn werk. En wat veldwerk betreft moet ik het zelf ook maar eens proberen: schilderen.

-III-

Ik krijg via mijn uitgever een opmerkelijke email van een lezer.

| Goedemiddag. Ik heb je boek gelezen. Ik waardeer jouw toon en scherpe pen. Ik denk at ik die op korte termijn goed zal kunnen gebruiken voor een nogal bijzondere klus. Discretie en diplomatie zijn daarbij van belang. Als dit raar overkomt snap ik dat. Ik kan dat gevoel wegnemen. Als we elkaar ontmoeten. Ik woon ook in Arnhem. Als de wens er is kunnen wij elkaar spreken. Liefst snel. Ik hoor het graag. Crijn Drievoort.

Deze Crijn houdt van een staccato schrijfstijl, zoveel is duidelijk. Ik google zijn naam. Ik heb nog nooit van een Crijn Drievoort gehoord. Ik vind niks. Hij is volledig ontraceerbaar. Ik reageer bewust een dag later. Dat ik aangenaam verrast op de uitnodiging inga. Ik krijg per omgaande antwoord terug.

| Ik stel voor morgenochtend om tien uur bij de Oude Kerk in Oosterbeek. Bus 51 vanaf Arnhem Centraal naar Wageningen via Doorwerth. De halte is voor de deur van de kerk. Zonder tegenbericht zie ik je daar.

Kort en duidelijk. Ik ben benieuwd naar wat hij voor me in petto heeft.

Ik pak de volgende dag volgens voorschrift bus 51 richting Wageningen en stap uit bij de halte ‘Oude Kerk’. Daar staat - inderdaad - een oude kerk. Het is wat je makkelijk zou kunnen noemen een plaatje. Een Romaans kerkje in groene uiterwaarden. Er is nog niemand. Met zijn schrijfstijl wekte Crijn de indruk dat hij er eerder zou zijn dan ik. Een man van de klok. Dat was verkeerd ingeschat. Ik loop een rondje om de kerk. Aan de achterkant een aanbouw, deels van glas. Het is duidelijk moderner dan de kerk zelf en heeft een verweerde, stalen deur. Met in het midden, daar waar een brievenbus had kunnen zitten, een ijzeren plaatje met een tekst.

| Kunst is een avontuur naar een onbekende wereld die alleen ontdekt kan worden door degenen die risico’s durven te nemen.

Er zit aan de buitenkant verder nergens een klink aan de deur. Alleen een klein, felblauw rondje met daarin een driehoekig sleutelgat. In een film zou zo’n detail meteen opvallen. De kerkklok slaat tien keer. De oude deur in de kerktoren is dicht en op slot. Ik krijg niet eens beweging in de klink. Terug op het pleintje aan de straatkant. De deur daar is ook nog steeds dicht. Er staat hier een oude boom. Een lindeboom met lugubere vorm. Een bordje ernaast vertelt dat op deze plek in de Tweede Wereldoorlog vier Britse soldaten hebben geschuild. Totdat er een bom op de boom insloeg. Alleen de boom heeft het overleefd. Er is nog steeds niemand te bekennen. Ik begin te vermoeden dat ik voor de gek ben gehouden. Er komt een bus 51 vanuit Wageningen terug richting Arnhem Centraal aanrijden. Als ik nu een sprintje trek haal ik hem nog net.

- Hey!

Er staat een jongeman in de deuropening van de kerk. Hij is goed gekleed. Begin dertig. Hoogstens.

- Crijn hier. Jij moet de Schrijver zijn. Aangenaam.

We schudden handen.

- Aangenaam. Ik had je niet ín de kerk verwacht.

- Deze kerk was lange tijd inderdaad slechts zelden open voor publiek. Maar daar ga ik verandering in aanbrengen. Kom binnen.

Ik loop langs hem heen de kerk in. Die is volledig leeg. Crijn doet achter mijn rug de deur dicht en op slot. Hij gunt mij even de tijd om deze locatie in me op te nemen. “Maar daar ga ik verandering in aanbrengen.”

- Heb jij deze kerk in eigen bezit?

- Klopt! Koffie? Thee? Gedistilleerd?

Ik kies voor koffie. Crijn verdwijnt in de sacristie. Ik kijk rond. Ik ben nog nooit in zo’n lege kerk geweest. Geen bankjes of beelden, geen altaar of tabernakel, geen kaarsen of kruis. Alle symbolen die op de functie van een kerk zouden kunnen duiden zijn weggehaald. Het is brandschoon als onroerend goed dat voor Funda op de foto moet. In de apsis, boven de plek waar vroeger het altaar heeft gestaan, zweeft als enig object in deze ruimte aan onzichtbare draden een abstract schilderij met twee vierkante, donkerblauwe vlakken tegen een donkerrode achtergrond. Ik wijk geen centimeter van mijn plaats. De setting is - ik moet het toegeven - veelbelovend. Voetstappen verbreken sacrale stilte als Crijn onder het doek langs met twee blauwe koffiemokken naar mij toe komt lopen.

- Ik gok dat je je koffie zwart drinkt. Correct?

- Zwart is helemaal oké.

- Dan proost. Op een aangename kennismaking.

Ik hef de mok als een pul bier omhoog. Het is een straffe bak. Crijn blijft zonder enige gêne zwijgen. Ik voel dat ik me moet bewijzen. Die mysterieuze missie lonkt. Deze stilte voelt als een eerste test. Ik weet niet hoe ik het gesprek op gang moet brengen. Als Crijn uiteindelijk het woord neemt, zou dat zomaar uit medelijden kunnen zijn.

- Gris Dior.

Ik versta het niet meteen. Dat ligt niet aan de perfecte uitspraak van het parfum dat ik vanochtend opdeed. Ik had gewoonweg niet verwacht dat hier, in deze setting, op dit stadium van onze kennismaking zoiets als cosmetica het eerste gespreksonderwerp zou worden. Een caissière in de supermarkt versta je eerder niet dan wel als zij je, terwijl ze routineus je boodschappen scant, een lief complimentje maakt over je leuke krullen.

- Sorry?

- Gris Dior. Je parfum. Of zit ik ernaast?

- Je zit middenin de roos. Indrukwekkend! Je hebt een scherpe neus.

- “Che odorato perfetto”, zou jij dan zeggen.

Het ‘jij’ is specifiek en niet zonder betekenis. Er wordt Italiaans geciteerd. Ik herken de verwijzing niet. Test twee.

- Ik spreek wat Italiaans, ik ben alleen bang dat ik niet weet wie je citeert.

- Je hebt in ieder geval door dát ik iemand citeer. Dat is al een begin.

Hij tuurt naar de grond, vervolgens even vlak langs me heen, waarbij hij opeens bezorgd kijkt, alsof ver achter mij een spiegel staat waarin hij een onaangename weergave van zichzelf terugziet. Kortstondig somber. Crijn heeft in een paar minuten tijd bewezen over meerdere facetten te beschikken. Hoffelijk is de topnoot, de eerste indruk. Kwetsbaar is een duidelijk aanwezige hartnoot. Nu moet ik de basisnoot nog zien te vangen. Ik hou mijn mond en kijk Crijn afwachtend aan. Die hervat uiteindelijk zijn verhaal.

- De kerk is nu weer hoe die in een ver verleden was. Door de eeuwen heen zijn er steeds stukken aangebouwd. Ook de toren was er oorspronkelijk niet. Die is als het ware índe westmuur gebouwd. Zoals je daarnet zelf gezien hebt. In de Tweede Wereldoorlog is de kerk zwaar gebombardeerd. Vrijwel totaal vernietigd. Daarna is besloten weer te gaan reconstrueren naar hoe het oorspronkelijk was. Niet naar hoe het ten tijde van het bombardement was. Anders had je hier nu in een veel grotere ruimte gezeten. Een té grote ruimte. Dat is dan wellicht het enige waar de Tweede Wereldoorlog goed voor is geweest. Perfecte afmetingen voor wat ik met deze kerk wil. Waarmee ik het gesprek breng op de aanleiding voor jouw aanwezigheid hier.

- Ik ben één en al oor.

- Mooi. Ik stel voor dat jij mij vragen stelt. Dan zal ik daar steeds kort antwoord op geven. Is dat een idee?

Zijn verzoek is louter retorisch. Hij kijkt me bemoedigend aan, met de blik van de zwemleraar van vroeger toen ik voor het eerst zonder zwembandjes het grotemensenbad in mocht. Ik waag de sprong.

- Ben je katholiek?

- Nee. Deze kerk was overigens protestants.

- Ben je kunstenaar?

- Bepaald niet. Je mag ook best open vragen stellen.

- Waarom heb je precies mij uitgekozen?

- Intuïtie.

Ik schiet niet echt op. Ben je vermogend? Links? Gay? Dat zijn de gesloten vragen die ik eigenlijk wil stellen. Waarmee ik laag zou scoren op discretie en diplomatie. Aan de andere kant kan Crijn wel tegen een stootje.

- Hoe rijk ben je?

- Aha! De tweede open vraag is meteen een directe zoals vooral Hollanders ze kunnen stellen.

Zijn ogen beginnen te glinsteren. Mijn inschatting was juist. Crijn is niet geschoffeerd, eerder geamuseerd.

- Laat ik zeggen dat ik meer dan genoeg geld heb en mijn plannen hier zou kunnen verwezenlijken.

- Heb je een patent op iets? Was het een gevalletje geluk in de loterij?

- Ik bridge. Bridgede. Ik ben een paar keer Nederlands kampioen geweest. En tweemaal wereldkampioen.

- Rijk worden van bridgen?

- Je hebt vast de serie ‘The Queen’s Gambit’ gezien.

- Over dat schaakmeisje?

- Zo’n serie, een heftigere zelfs, zou er ook over bridge gemaakt kunnen worden. Het gaat er spannender aan toe dan mensen denken. Wild ook. Tijdens het spel bloedserieus en formeel. Buiten het spel - wie weet juist daardoor - is het alcohol, coke en seks op hoog niveau. Daar zou de gemiddelde hockeyer wit van wegtrekken.

Hij schiet zelf kort in de lach en vorst na of ik zijn woorden niet te plat geformuleerd vind. Ik zet mijn geamuseerde ogen op.

- Hoe dan ook. Heel veel prijzengeld dus. Op het topniveau gaat het om serieus grote bedragen. Ik won al een leuke cent toen ik voor het eerst Nederlands kampioen werd. Daarna werd ik nog twee keer Nederlands kampioen. En de eerste keer wereldkampioen.

Hij stopt, staart weer naar die spiegel ver achter mij en herpakt zich snel.

- Werken hoefde ik toen niet meer. Ik heb er goed van geleefd. En geïnvesteerd. Ik heb voor de gein, toen het nog niet zo’n hype was, een bedrag van 10.000 euro omgezet in bitcoin. Die was toen nog nauwelijks één euro waard. Ik had toen dus bijna 10.000 bitcoin.

Schalkse stilte. Hij kijkt me van de zijkant aan en vermoedt dat ik in mijn hoofd de snelle rekensom maak.

- Ik heb geen idee van de huidige koers van de bitcoin. Ik denk op basis van je verteltechniek dat één bitcoin inmiddels heel wat meer waard is dan één euro.

- De bitcoin was ooit, op de hoogste piek, 70.000 euro waard. Toen heb ik gecasht.

Dit verhaal gaat een onvermoede kant op. Ik zit in een lege kerk in Oosterbeek op twee eenvoudige klapstoeltjes te praten met een mysterieuze dertiger die bijna miljardair is. Ik tel het in mijn hoofd drie keer na. 10.000 x 70.000. Een zeven met acht nullen.

- Zelfs als de helft ervan aan belasting op zou gaan is het nog steeds een ongelofelijk bedrag.

- Eens. Mij hoor je niet klagen. Tijd voor een tweede kop koffie.