0,49 €
In 'De vreemde plant' verkent Herman Johan Robbers thema's zoals vervreemding en de zoektocht naar identiteit binnen een surrealistische en soms dystopische setting. Het verhaal volgt een protagonist die geconfronteerd wordt met een mysterieus fenomeen: een plant die zijn omgeving beïnvloedt en de psyche van de personages aan het wankelen brengt. Robbers' literaire stijl is poëtisch en doordrenkt van metaforen, wat zorgt voor een rijke, gelaagde leeservaring. De context van het boek weerspiegelt een bredere culturele en maatschappelijke bezorgdheid over de natuur en menselijke relaties, en sluit zich aan bij een stijl van hedendaagse literatuur waarin ecologische en existentiële vragen centraal staan. Herman Johan Robbers, een auteur met een achtergrond in ecologie en literatuur, haalt inspiratie uit zijn fascinatie voor de natuur en de complexe interacties tussen mens en milieu. Zijn eerdere werken benadrukken vaak de noodzaak van een diepere verbinding met de aarde en een reflectieve benadering van onze plaats daarin. Deze combinatie van expertise en persoonlijke betrokkenheid heeft geleid tot het ontstaan van 'De vreemde plant', waarin zijn inzichten op een inventieve en intrigerende manier worden weergegeven. 'Een vreemde plant' is een aanrader voor lezers die geïnteresseerd zijn in literatuur die ikkeert met existentiële en ecologische thema's. Het boek biedt niet alleen een verhaal vol symboliek en diepgang, maar ook een uitnodiging tot reflectie over de moderne wereld en de onderlinge verbondenheid van alle levensvormen. Robbers' unieke benadering zal zowel de intellectueel nieuwsgierige lezer als liefhebbers van poëtische proza aanspreken. In deze verrijkte editie hebben we zorgvuldig extra waarde gecreëerd voor uw leeservaring: - Zorgvuldig geselecteerde Gedenkwaardige citaten benadrukken momenten van literaire genialiteit. - Interactieve voetnoten verduidelijken ongewone verwijzingen, historische allusies en archaïsche uitdrukkingen voor een soepelere en meer geïnformeerde leeservaring.
Das E-Book können Sie in Legimi-Apps oder einer beliebigen App lesen, die das folgende Format unterstützen:
Veröffentlichungsjahr: 2023
DE ROMAN VAN BERNARD BANDT; vijfde druk, ƒ 0.50 ingenaaid, ƒ 0.75 gebonden.
DE BRUIDSTIJD VAN ANNIE DE BOOGH; zesde druk, ƒ 0.50 ingenaaid, ƒ 0.75 gebonden.
VAN STILTE EN STEMMING;een bundel studies (Kamerstemming, Verjaardag, IJs in de gracht, Heimwee, Einde, Vacantie, In de stilte.) ƒ 3.25 ingenaaid, ƒ 3.90 gebonden.
DE ROMAN VAN EEN GEZIN: I. DE GELUKKIGE FAMILIE (derde druk), II. EÉN VOOR EÉN (tweede druk); per deel ƒ 1.90 ingenaaid, ƒ 2.50 gebonden in linnen, ƒ 2.90 gebonden in leer.
HELENE SERVAES; ƒ 3.25 ingenaaid, ƒ 3.90 gebonden.
Een vreemde tuin lag stil in den maneschijn. Maar de maan was er niet. De schijn hing over de bloemen, die geurden. Groote bloemen op lange stengels recht op. Trotsch pronkend gloeiden de wijde kelken in het licht. En die eene—die groote witte—dat was zij....!
Zóó was de droom, die sterk als een herinnering lag in haar denken.
Zóó was de droom van haar jeugd, de zalige droom, de troost, de geheime heerlijkheid van haar jong leven.
De droom....? Was 't dan een droom geweest....? O! zij rook de geur nog, zij voelde de koele nachtlucht, zij hoorde de stilte!
O! die tuin! Waarom was ze er niet meer? Wat ruwe ruk had haar afgeknakt van den sappig-glanzenden stengel?.............................
Van zoolang haar heugde had ze altijd moeten denken aan dien vreemden tuin en aan die eene witte bloem, die zij was. En eens—'t was in haar twaalfde jaar—, op 'n zomeravond, in de schemering, had ze 't plotseling gevoeld, duidelijk gevoeld, zoodat ze rilde van verrukking: in haar, diep geworteld in haar hart stond rechtop de slanke stengel en de bloem bloeide en geurde en zacht togen de geuren door haar gansche lijf.... En toen had ze ook voor 't eerst gevoeld die groote smart, die over haar was gekomen als een bedwelming, mysterieus, zonder oorzaak, 'n onbestemd, onuitsprekelijk zoet lijden!..............................
Haar moeder was gestorven toen haar broertje geboren werd. Ze was vijf jaar toen. Haar vader had haar opgetild en ze had haar moeder zien liggen, wit en stil. Toen had ze zich den tuin herinnerd; was dat de eerste keer geweest? Ze had gedacht: Zou moeder nu naar den tuin gaan? Waarom had ze dat gedacht? Ze had er haar vader niet over durven spreken. Ze sprak nooit met iemand over den tuin, noch—later—over de vreemde plant. 't Was of 't dan alles weg zou gaan!—En 't was haar alles—haar alles!..............................
Want in droomen alléén had ze haar jonge jaren doorgeleefd, hatend de werkelijkheid, het dagelijksche leven, de school, die één lange straf was, vreezend haar vader en alle andere groote menschen, bang in het groote leege huis, bang vooral 's nachts, als ze wakker lag in haar bed, midden in de alomme drukkende duisternis, als ze niet durfde kuchen, niet verroeren.
Eén plekje was er maar geweest in het groote huis, een hoekje van een vensterbank, waar ze graag was. Daar zat ze dikwijls te droomen, kijkend naar de drijvende wolken. De wolken waren haar groote vrinden. Ze zag ze komen met herkenning en keek ze vertrouwelijk na. Ook onder de boomen en heesters en bloemen had ze vrinden en vertrouwden. Maar andere waren weer vijandig. En zoo ook de meeste dingen thuis. Er was een kast, waar ze niet voorbij dorst gaan, er was een leuningstoel, waarin ze niet zitten wou. Want doode dingen waren er niet, alles was bezield, de dingen keken haar aan, de dingen dreigden en grijnsden. Ze hield alleen van 'n paar oude etsjes die in de logeerkamer hingen in simpele zwarte lijstjes en die ze heel mooi vond, en van een ouderwetschen blaasbalg, die in de zaal naast den haard hing en van een wollen pop, die ze heel jong van haar moeder gekregen had, en van een koperen plaatje, schijnbaar zonder doel ergens aan den muur geslagen in de wijde gang. Zonder doel—maar voor haar een beschermer tegen de akelige gezichten in de marmeren steenen, de spotoogen en grijparmen.
Ze hield veel van haar broertje, maar hij was altijd bij de kindermeid, die zij haatte.
Van haar vader hield ze soms wel, als hij stil en vriendelijk was en zacht met haar sprak. Maar anders was ze alleen maar bang voor hem. Hij was 'n driftig-drukke man, hij liep hard en sprak luid en ruw. Zij was bang voor al wat ruw was, scherp en hard. Zij schrok er altijd weer van. Zachte geuren en tinten trokken haar aan.
Ze kon 't zichzelve zelden verklaren, waarom ze van den eenen dag wel hield en niet van den anderen. Maar 't was toch zoo. Alle dagen gingen om zonder verschil; toch hield ze van den Woensdag en niet van den Dinsdag. Ze begreep 't niet. Ze merkte alleen op dat alle dingen en begrippen een kleur hadden in haar denken en als ze de kleur niet verdragen kon hield ze ook niet van het ding of van de idee, die zoo gekleurd was voor haar ziele-oog. Dinsdag was geelachtig-bruin en daar hield ze niet van.
Toen ze ouder werd en leerde begrijpen wat plichten zijn en dat het haar plicht was haar vader dankbaar te zijn en van hem te houden, veel en altijd, weende ze dikwijls omdat ze 't niet kon en vond zich slecht en trachtte zich te dwingen met teederheid aan hem te denken. Maar zij kon het niet. Zij geloofde wel dat zij iets voor hem zou kunnen doen, iets moeilijks, een groote opoffering, maar zoo aan hem denken, dat kon ze niet.
Hoe ouder ze werd, hoe meer ze zich voelde aangetrokken door distinctie, verfijning, door exquise, bizondere dingen. En wat anderen onbegrijpelijk vonden was haar lief als 'n oude bekende; kleuren die niemand zag, geluiden die niemand hoorde, waren haar dagelijksche zielevoedsel. Zij kon heele concerten aanhooren zonder bewogen te worden en één golf van klanken roerde haar tot tranen toe; zij kon met groote kalmte lange gedichten opzeggen, die ze uit 't hoofd had moeten leeren, met vriendelijke stem en juiste intonatie, precies zooals 't haar voorgedaan was,—en soms was twee regels uit te spreken haar onmogelijk.
Ze had heel graag leeren schilderen: lucht en bloemen, maar haar vader vond dat niets voor 'n meisje. Hij was een koppig man, vergroeid met allerlei verroeste vooroordeelen. Zij moest leeren kooken en een huishouden bestieren. Daarom was ze later wel eens jaloersch op haar broer, die 't wel mocht leeren. Hij was 'n jongen met „lieve talenten.” Hij schilderde en dichtte en maakte muziek. Zij was trotsch op hem. Maar begrijpen deed ze hem nooit. Want hij schilderde heel anders dan zij 't gedaan zou hebben, zeker voelde hij heel anders dan zij. Toch hield ze veel van hem. Dat kwam door zijn fijne, blanke vel en zijn lenige leden en doordat hij óók lang kon liggen soezen en droomen. Zij begreep hem heelemaal niet. Hij was een slim ventje, lui, en altijd alleen bedacht op zijn eigen genot.
Haar ouder worden was 'n zich meer en meer bewust worden van haar droomleven, 'n steeds inniger voelen van haar neiging tot mijmeren, 'n langzame overgave, maar een volkomen overgave aan den wellust der melancolie. Zij bleef klein, tenger, nietig. Bij haar geen groeien van het lichaam tot volwassen kracht, geen zwellend rijpen van vrouwenvormen, geen wilde uiting van jeugd, geen driftig grijpen naar genot, geen siddering van lentelust, geen vermoeden van levensrijkdom. Zij bleef klein en tenger, en haar leven werd een reeks van zacht-weemoedige en zoet-smartelijke stemmingen.
Zij leerde wat ze leeren moest op school en ze leerde kooken en al wat bij de huishouding hoort, ze ging met haar vader naar dinétjes en avondjes, ze ontving zelf menschen en deed het met gratie, ja met opgewektheid, vriendelijk pratend met iedereen. Ze deed veel kennissen op en maakte zoogenaamde vrindinnen. Maar dat alles ging buiten haar om, buiten haar eigenlijke leven. 't Luchtig gepraat raakte niet haar stemming, geen menschenstem drong door in de stille dalen van haar mijmering. En zoo leefde ze voort van dag op dag, van maand op maand, van jaar op jaar....
Voor dat haar vader bankroet ging, gebeurde er nooit iets met haar, had ze geen geschiedenis. Eens alleen stoorde een groote verwondering haar droomleven. Een rijk jongman, iemand die haar nauwelijks kende—die ook haar rijk dacht en die een huishoudster lastig vond en duur—had haar tot vrouw verlangd. Hij had haar gevraagd aan haar vader, die 't haar vertelde met ingenomenheid. Verbaasd, verschrikt had ze geweigerd, kortaf, voor goed. Er was niet meer over gesproken. Hij had wel andere dingen aan zijn hoofd, haar vader!
Maar eindelijk kwam de groote verandering, de verwoesting, de ruïne!
Ze was vijf en twintig jaar toen de reuzenramp haar trof, haar greep in haar eenzelvig voortgeleef, haar schudde, schokte, dat ze gansch verbijsterd staarde voor zich uit met wijde oogen. Haar vader smakte die ramp neer op zijn ziekbed. Maar haar broer was 't een ontwaken, hij was de eerste, die zich redde, zichzelf alleen. Hij dacht altijd aan zijn eigen lot alleen.
Zooals 'n eenzaam herder, wiens hut verwoest is door den storm de planken weer bijeen zoekt, weer samenvoegt tot muren, tot een dak—maar zoo goed als vroeger wordt het niet—zoo herstelde zij zich na dien vernielenden schok. Voort! voort! moest ze nu. Ze had geen tijd meer om te soezen en te droomen. Ze moest haar vader—den verlamden, den versuften—verzorgen en ze deed het, meer als een zuster, dan als een dochter, als een liefdezuster, trouw doende wat haar plicht is zonder te denken aan eigen lijden.
Ze waren arm...................
