92,99 €
In dit werk bespreekt de auteur de belangrijkste basisbeginselen inzake het testament.
Naast de klassieke grond- en vormvoorwaarden wordt dieper ingegaan op de inhoud van het testament. Hierbij worden enerzijds de soorten legaten en modaliteiten onderzocht, maar gaat anderzijds ook heel wat aandacht naar het belang van funeraire bepalingen, bepalingen inzake orgaantransplantatie en de figuur van de testamentuitvoerder.
Vervolgens worden de belangrijkste interpretatieregels overlopen en wordt dieper ingegaan op de bewijskracht van het testament.
Het werk wordt afgesloten met een analyse van de verdwijning van de oorzaak als bijzondere grond tot verval van het testament.
Bij dit alles heeft de auteur niet alleen aandacht voor de theorie, maar ook voor de praktijk, waarin hijzelf als advocaat dagdagelijks verkeert.
Das E-Book können Sie in Legimi-Apps oder einer beliebigen App lesen, die das folgende Format unterstützen:
Seitenzahl: 235
Veröffentlichungsjahr: 2015
Bibliotheek Burgerlijk Recht en Procesrecht Larcier
Onder de hoofdredactie van:
Gerd Verschelden, hoofddocent Universiteit Gent
Onder de redactie van:
Elisabeth Alofs, docent Vrije Universiteit Brussel,
Hélène Casman, erenotaris, professor emerita Vrije Universiteit Brussel en Université Libre de Bruxelles
Charlotte Declerck, docent Universiteit Hasselt, advocaat balie Brussel
Yves-Henri Leleu, hoogleraar Université de Liège en Université Libre de Bruxelles, directeur Interuniversitair Centrum Voor Rechtsvergelijking, advocaat balie Luik
Vincent Sagaert, hoogleraar Katholieke Universiteit Leuven afdeling Kortrijk en Universiteit Antwerpen, advocaat balie Brussel
Frederik Swennen, hoogleraar Universiteit Antwerpen, advocaat balie Brussel
Bernard Tilleman, gewoon hoogleraar Katholieke Universiteit Leuven afdeling Kortrijk en decaan van de faculteit Rechtsgeleerdheid van de Katholieke Universiteit Leuven
Thierry Vansweevelt, gewoon hoogleraar Universiteit Antwerpen, advocaat balie Brussel
© Groep Larcier NV, Brussel, 2015Larcier GentCoupure Rechts 298 – 9000 Gent
Verantwoordelijke uitgever: Marc-Olivier Lifrange, CEO Groep Larcier
Opmaak: Softwin
Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen of enige andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever.
ISBN: 978-2-8044-8411-8
Reeds verschenen in de Bibliotheek Burgerlijk Recht en Procesrecht Larcier
• Alain Verbeke, Knelpunten Familiaal Vermogensrecht 2003, 120 p.
• Alain Verbeke & Kristof Vanhove, De wet Breyne sans gêne, 2003, 144 p.
• Hélène Casman, Yves-Henri Leleu, Alain Verbeke, Eigenzinnig familiaal vermogensrecht. 2: Actualia. Schenkingen/Le droit patrimonial de la famille sans préjugés. 2: Les donations. Thèmes actuels, 2005, 185 p.
• Steven Brouwers, Echtscheiding door onderlinge toestemming, 2006, 285 p.
• Frederiek Baudoncq, De burgerrechtelijke aansprakelijkheid van de syndicus, 2006, 179 p.
• Paul Depuydt, De aansprakelijkheid van de advocaat, 2006, 276 p.
• Ken Andries, Het bemiddelingsbeding, Geldigheid, effect inhoud en afdwingbaarheid, 2007, 128 p.
• Thierry Delahaye en Christophe Castelein, Het voorlopig bewind, 2007, 272 p.
• Mary Ann Masschelein, Schenking bij notariële akte, 2007, 322 p.
• Sven Mosselmans, Onderhoudsbijdrage tussen echtgenoten in echtscheiding: begroting, aanrekening en woonstvergoeding, 2007, 146 p.
• Christoph Castelein, Erfrecht wettelijk samenwoners, m.i.v. alle overige wijzigingen van het erfrecht door de wet van 28 maart 2007, 2007, 114 p.
• Jacques Herbots, Contracteren in China, 2008, 226 p.
• Marie-Noëlle Veys, De Wet Patiëntenrechten in de psychiatrie, 2008, 256 p.
• Nan Torfs, Gezin en Arbeid, Enkele huwelijksrechtelijke twistpunten, 2008, 132 p.
• Bertel De Groote en Stefaan Voet, Collectieve Schuldenregeling, 2009, 212 p.
• Paul Depuydt, Aansprakelijkheid van de gerechtsdeurwaarder, 2009, 222 p.
• Steven Brouwers, Echtscheiding door onderlinge toestemming, 2010, 392 p.
• Sven Mosselmans, Rechterlijke motivering, 2010, 92 p.
• Julie Del Corral, Dwaling, 2011, 144 p.
• Matthias Maselis, Vorderingsmogelijkheden bij samenhangende overeenkomsten, Rechtsvergelijkende analyse met inbegrip van exoneratiebedingen, 2012, 218 p.
• Vincent Sagaert en Koen Swinnen, Privaatrechtelijke erfdienstbaarheden door het oog van de 21ste eeuw, 2012, 132 p.
• Liesbet Pluym, Draagmoederschap, 2014, 170 p.
• Mary Ann Masschelein, Het koppel in het huurrecht, 2014, 154 p.
De Bibliotheek Burgerlijk Recht Larcier werd in 2003 gesticht door professor Alain Verbeke en nestelde zich toentertijd in een korte maar reeds gevestigde traditie bij Larcier van bibliotheken van monografieën in een bepaald rechtsdomein (Handelsrecht, Sociaal Recht, Fiscaal Recht, Strafrecht).
De bibliotheek Burgerlijk Recht is ab initio flexibel en ruim opgevat met maar één doel voor ogen: wetenschappelijk onderbouwde maar voor de praktijk interessante en nuttige boeken die aanzwellen tot een mooie en evenwichtige bibliotheek over een rijke variatie aan facetten van het burgerlijk recht. De bibliotheek biedt een thuishaven voor dunnere en dikkere boeken over privaatrecht, met zeer diverse onderwerpen, gevat onder het drieluik van persoon, verbintenis en vermogen.
De initiële redactie bestond, naast hoofdredacteur Verbeke, uit de professoren Hélène Casman (VUB-ULB), Jacques Herbots (KU Leuven), Yves-Henri Leleu (ULg-ULB) en Thierry Vansweevelt (UAntwerpen). Ze werd in 2006 uitgebreid met Bernard Tilleman (KU Leuven-KULAK) en in 2007 – toen Jacques Herbots terugtrad – met Vincent Sagaert (KU Leuven-KULAK en UAntwerpen), Frederik Swennen (UAntwerpen) en ondergetekende (UGent). Na zeven boekdelen werd de bibliotheek in 2007 omgedoopt tot Bibliotheek Burgerlijk en Procesrecht Recht Larcier, waarna de reeks gestaag groeide. Een tweeëntwintigste deel verscheen in 2012.
In 2014 nam Alain Verbeke ontslag als hoofdredacteur en verloor de reeks dus zijn stichter, maar de redactie werd uitgebreid tot minstens één vertegenwoordiger per Vlaamse rechtsfaculteit met de professoren Elisabeth Alofs (VUB) en Charlotte Declerck (UHasselt). Ondergetekende trad aan als hoofdredacteur.
In de komende jaren mag de lezer boeken verwachten zowel over afgebakende kleine deelonderwerpen als over bredere evoluties in onder meer het domein van het personenrecht, familierecht, familiaal vermogensrecht, verbintenissenrecht, contractenrecht, zakenrecht, aansprakelijkheidsrecht, zekerheidsrecht en het algemene vermogensrecht. Niet alleen het materiële recht kan hierbij aan bod komen, maar ook de internationaalprivaatrechtelijke, procesrechtelijke of Europeesrechtelijke dimensies van deze vakgebieden.
In naam van de redactie hoop ik u te mogen verwelkomen als lezer en abonnee van onze bibliotheek, of misschien als auteur van een boeiende monografie. Alle ideeën en suggesties zijn zeer welkom en zullen met veel zorg door de redactie in overweging worden genomen. Alle boeken die in deze reeks verschijnen, werden onderworpen aan een dubbele peer review. De sterke redactie waarborgt de kwaliteit.
Gerd Verschelden
Hoofdredacteur
1. Huidig werkstuk vindt zijn oorsprong in de openingsrede die ik op vraag van de Conferentie van de Jonge Balie Kortrijk op 11 oktober 2013 verzorgde voor de Kortrijkse advocatuur en magistratuur. De oorspronkelijke tekst werd reeds gepubliceerd door Larcier onder de titel Testamenten anno 2013 – Balanceren op de grenzen van de wilsautonomie en werd vandaag geactualiseerd en enigszins uitgebreid.
Het testament is wellicht de rechtshandeling die het meest tot de verbeelding spreekt. Rode draad doorheen menig detectiveroman, voedingsbodem voor spannende filmscenario’s of inspiratiebron voor langdradige tv-feuilletons, testamenten lenen zich nu eenmaal tot een opflakkering van gevoelens, zowel in de positieve als in de negatieve zin. Horatius wijdde reeds een volledig boekdeel – met name Satiren II, 5 – aan testamenten en ook Dante gaf in zijn La Divina Comedia een voorbehouden plaatsje aan een testamentvervalser, weze het in de hel.
Het testament is als het ware een stem uit het graf, waarbij de erflater dikwijls zijn affectieve gevoelens voor hen die achterblijven juridisch vertaalt.
2. Testamenten zijn dikwijls ook een statement, waarbij sommige erflaters het zeer vermakelijk lijken te vinden om nog een laatste keer tegen de schenen te schoppen of een oude rekening te vereffenen. Zo vond Marcus Antonius er niets beters op dan al zijn goederen bij testament te vermaken aan de twee kinderen die hij bij zijn Egyptische gemalin Cleopatra had verwekt en uitdrukkelijk te voorzien dat wanneer hij in Italië zou sterven, zijn lichaam moest worden begraven in Egypte. Als aanfluiting van de eerder chauvinistische Romeinse idealen kon dit tellen. Jammer genoeg voor hem gebruikte zijn aartsrivaal Octavianus het testament tegen hem. Nadat hij Marcus Antonius en Cleopatra in de pan had gehakt bij de slag bij Actium en beiden op Egyptische bodem gestorven waren, las Octavianus het testament publiekelijk voor, met afkeur van de Romeinse bevolking voor Marcus Antonius en een lofbetuiging voor de nieuwe heerser Octavianus – of zoals hij zichzelf zou noemen: keizer Augustus – tot gevolg. Wie kan het verbazen dat Shakespeare dergelijk verhaal omvormde tot een heuse tragedie?
Testamenten zijn wat Pitlo noemt “een spiegel voor de mensheid”1 of zoals Puelinckx-Coene het omschrijft “een wapen van postume macht”2.
3. Zoals bij ieder wapen stelt de vraag zich naar de slagkracht ervan. Voor een jurist is deze vraag zelfs van cruciaal belang voor de dagelijkse praktijk. Hoe ver kan een erflater immers gaan bij de redactie van zijn testament? Wat is geoorloofd en wat niet? De menselijke wil is een gegeven en het feit dat men deze wil over het graf heen juridisch kan bestendigen via een testament evenzeer, doch het kan niet ontkend worden dat die wil – of zoals hij hierna wordt omschreven via het concept ‘testeervrijheid’ – op heel wat vlakken zal worden beknot door zowel de wetgeving als de rechtspraak.
4. In het raam van huidige uiteenzetting fietst de auteur door de belangrijkste principes van het testamentair erfrecht, zodat zij die in hun dagelijkse praktijk misschien minder met testamenten worden geconfronteerd de gelegenheid hebben even bij te benen, maar gaat hij tevens op zoek naar een algemene evolutie inzake testamenten, die misschien minder vanzelfsprekend is.
Alvorens we van wal steken, eerst nog mijn oprechte dank aan hen die mij met raad en daad hebben bijgestaan in het algemeen en aan diegenen die ik hierbij onvermijdelijk heb geërgerd in het bijzonder.
Kortrijk, 12 mei 2015
1 A. Pitlo, “Het testament, spiegel der mensheid” in E. Meijers en J. Eggens (eds.), Het Testament, een bundel van monografieën uitgegeven ter gelegenheid van het honderdjarig bestaan van de broederschap der Candidaat-Notarissen, Arnhem, Gouda Quint, 1951, 38-50.
2 M. Puelinckx-Coene, “Het testament: het woord dat men na zijn dood laat klinken, een wapen van postume macht!” in C. Castelein, A. Verbeke en L. Weyts (eds.), Notariële clausules. Liber Amicorum Prof. Johan Verstraete, Antwerpen, Intersentia, 2007, 277.
§ 1. De werkelijke wil als uitvalsbasis
5. Het Belgisch privaatrecht wordt overheerst door het principe van de wilsautonomie. Als product van de liberale 19e eeuw huldigt het Burgerlijk Wetboek de gedachte dat de richting die een individu aan zijn bestaan wenst te geven centraal dient te staan bij het verrichten van rechtshandelingen.
Het belang van dit beginsel blijkt ten overvloede uit het contractenrecht en meer bepaald uit artikel 1156 BW waarin wordt gesteld dat in de eerste plaats de werkelijke wil van rechtssubjecten moet worden achterhaald en dat deze prevaleert op de wil zoals deze tot uiting komt in een geschrift, toch ook een heilig huisje van datzelfde wetboek.
De Page brengt de wilsautonomie terug naar het wezen van de mens: “Toute volonté implique une émission, une déclaration, une manifestation. Sans quoi, elle n’est que mentale, et par consequent socialement inéfficace.”1Na deze analyse maakt de auteur vervolgens een onderscheid tussen enerzijds de werkelijke wil (‘la volonté pensée’) en anderzijds de uitgedrukte wil (‘la volonté déclarée’) waarbij hij uiteraard – hoe kan het ook anders nu artikel 1156 BW het zo bepaalt – tot de bevinding komt dat de werkelijke wil moet primeren op de uitgedrukte wil.
Een ander eminent rechtsgeleerde, advocaat-generaal bij het Hof van Cassatie Frédéric Dumon, maakte in zijn plechtige openingsrede van het jaar 1978 voor het Hof komaf met deze latente vorm van schizofrenie door voor eens en altijd duidelijk te stellen: “In werkelijkheid is er maar één enkele wil, namelijk de werkelijke wil. Die welke de uitgedrukte wil wordt genoemd is er geen.”2
Dat een en ander misschien toch iets genuanceerder was, zag ook de advocaat-generaal zelf in, want ter gelegenheid van de publicatie van zijn tekst in het Rechtskundig Weekblad, voegde hij meteen een voetnoot 81a in, waarin hij stelde: “tenzij, bij uitzondering, de partijen de bedoeling hebben gehad van in de akte een ander akkoord of een andere wil te doen vaststellen dan die welke werkelijk bestonden”.
6. De testeervrijheid is in het erfrecht wat de contractvrijheid is in het verbintenissenrecht. Men kan de testeervrijheid in navolging van de contractvrijheid dan ook definiëren als de kring waarbinnen het recht de burger toelaat om naar eigen keuze uiterste wilsbeschikkingen te treffen3. Verschillend van het contractenrecht is dat het testament steeds een eenzijdige wilsuiting behelst, wat impliceert dat voor de rechtsgeldigheid van het testament niet vereist is dat de begunstigde dit ook aanvaardt.
Het recht om een testament op te maken betreft bovendien een onvervreemdbaar recht waaraan niemand kan verzaken. Dit zou trouwens indruisen tegen het verbod om te contracteren over niet opengevallen nalatenschappen4.
7. Het recht om testamenten op te maken behoort tot het wezen van ieder individu en is dan ook zeer persoonsgebonden5.
8. Uit het persoonlijk karakter van het testament vloeit voort dat de testator geen mandaat kan geven aan een derde om in zijn naam en voor zijn rekening een testament op te stellen6. Dit verklaart meteen waarom een bewindvoerder geen testament kan opmaken in naam en voor rekening van een beschermde persoon7.
Moeilijker wordt het wanneer de testator aan een derde – bijvoorbeeld een testamentuitvoerder of een notaris – opdracht geeft om een legaat concreet in te vullen. Wanneer de wilsuiting wordt verschoven van de testator naar die derde komt het inderdaad voor dat dit indruist tegen het zuiver persoonlijk karakter van testamentaire wilsbeschikkingen. Zo wees het Franse Hof van Cassatie de geldigheid van een testament waarbij de testator aan zijn notaris opdracht gaf om een legaat over te maken aan diegene die zijn vertrouwen wegdroeg resoluut van de hand8.
9. Vertrekkende vanuit het beginsel dat eenieder naar believen testamenten kan maken, beschikt de burger dus over de principiële mogelijkheid om zijn nalatenschap te vermaken aan wie hij wil en op de wijze die hij zelf verkiest.
Psychologisch gezien biedt de testeervrijheid de kans om de plannen en activiteiten die iemand tijdens zijn leven heeft opgezet ook na zijn overlijden vorm te geven, wat meteen een stimulans kan vormen voor de testator om nog tijdens het leven te blijven streven naar een zo groot mogelijke welvaart, nu deze na het overlijden nog gevolg zal hebben in de zin zoals hij dat zelf wenst9.
10. De zonet aangestipte parallel met het contractenrecht mag echter ook niet té ver worden doorgetrokken.
Het testament wordt in de regel immers alleen gemaakt. Daar waar de rechtsonderhorige bij het afsluiten van een overeenkomst nog in dialoog treedt, is het testament een persoonlijke en eenzijdige rechtshandeling, waarbij de testator de principiële vrijheid geniet om zijn gevoelens van affectie, dankbaarheid, wraak of haat de vrije loop te laten.
Dit kan onder meer door middel van legaten, i.e. clausules in een testament waarbij men bepaalt wat er met zijn vermogen dient te gebeuren na zijn overlijden. De begrippen ‘testament’ en ‘legaat’ dekken elkaar niet. Een legaat onderstelt weliswaar een testament, doch een testament bevat soms ook andere clausules dan legaten10. Zo kan men ook zgn. ‘extrapatrimoniale bepalingen’ opnemen in zijn testament11.
In de hypothese dat een testator zijn testament onderhands alleen opmaakt of dat hij een testament dicteert aan een notaris die geheel passief blijft, beschikt hij dus over de mogelijkheid om te schrijven of te dicteren wat hij wenselijk acht, waarna zijn wil na zijn overlijden wereldkundig wordt gemaakt en uitwerking dient te krijgen.
11. Dit alles geeft aan de testator een grote vorm van macht maar maakt hem tegelijk ook bijzonder kwetsbaar. Dikwijls worden mensen op leeftijd reeds jaren voor hun dood omgeven door geïnteresseerde familieleden of derden, die meestal menen gerechtigd te zijn op net iets meer dan de anderen. Handig gebruik makend van de zwakheid van de erflater komt het regelmatig voor dat wat in het testament wordt neergepend niet zozeer de wil is van deze laatste doch veeleer van hen die hem omringen.
Precies om dergelijke misbruiken te vermijden en de vrije wilsvorming van de erflater te verzekeren heeft de wetgever een aantal veiligheidsmaatregelen uitgedokterd, die in dit werk zullen worden behandeld.
12. De wil van een individu is geen blijvend gegeven. Wat vandaag iemands vurigste wens is, kan morgen even goed diens ergste nachtmerrie zijn. Sommige erflaters worden zelfs eerder gekenmerkt door wispelturigheid dan door standvastigheid.
Een essentieel kenmerk van het testament betreft dan ook zijn herroepbaarheid. Zolang hij leeft, heeft de testator steeds de mogelijkheid om zijn mening te herzien. Niet voor niets sluit de wetgever bij de definitie van het testament in artikel 895 BW dan ook af met de zinsnede “en die hij kan herroepen”.
13. In dat opzicht is enkel de ‘laatste’ wil van de erflater relevant. Indien er meerdere testamenten voorhanden zijn, zal het laatste dus primeren op eerdere testamenten, doch uiteraard slechts in de mate dat de vorige wilsbeschikkingen ook afwijken van de laatste.
De herroepbaarheid van het testament is één van de meest fundamentele kenmerken ervan. Vandaar dat ook algemeen wordt aangenomen dat het beginsel de openbare orde raakt12.
Uit het principe van de herroepbaarheid kan men een aantal belangrijke gevolgen distilleren.
14. Testamenten vormen een wilsbeschikking mortis causa of zoals men het in verouderde handboeken wel eens omschrijft “ter oorzake des doods”.
Tijdens het leven van de testator komt aan het testament eigenlijk geen juridische waarde toe. Dit volgt uit artikel 895 BW: het testament is een akte waarbij de erflater voor de tijd dat hij er niet meer zal zijn, over het geheel of een deel van zijn goederen beschikt en die hij kan herroepen. De wil moet met andere woorden tijdens het leven worden geuit maar krijgt maar uitwerking na het overlijden van de testator.
15. Een gevolg van deze redenering is dat bepalingen die worden opgenomen in een testament tijdens het leven van de erflater niet in rechte kunnen worden gebruikt als bewijsmiddel.
De aanzet hiertoe werd gegeven door het hof van beroep te Bordeaux, dat oordeelde dat een schuldbekentenis door de testator in een authentiek testament niet tegen de testator kon worden ingeroepen terwijl deze nog in leven was, omdat het testament te allen tijde herroepelijk is en een wilsuiting betreft die pas uitwerking krijgt na het overlijden. Tot zolang diende het testament eigenlijk geheim te blijven en kan men het niet aanwenden als bewijsstuk of zelfs niet als begin van een geschreven bewijs13. Ook het Belgische Hof van Cassatie sprak zich later in die zin uit14.
Evenmin kan men in een testament aan de legataris een last opleggen die hij dient te vervullen tijdens het leven van de testator15.
Indien de testator van dit principe – zelfs ten dele – probeert af te wijken in zijn testament, is het risico op latere nietigverklaring reëel. Zo verklaarde de rechtbank van eerste aanleg te Brugge een testament nietig omdat de testator zijn goederen wenste te vermaken “bij laatste en onherroepelijk testament”16 en gaf de bepaling in een testament “dat ieder later testament dat niet notarieel werd opgemaakt hoe dan ook ongeldig was” evenzeer aanleiding tot een nietigverklaring17.
In de – vooral Franstalige – doctrine is er al heel wat inkt gevloeid nopens de vraag of een mandaat dat pas uitwerking krijgt na het overlijden al dan niet strijdig is met hetgeen voorafgaat. Wanneer het mandaat een aanvang nam voor het overlijden van de testator en ingevolge de bewoordingen van de overeenkomst van lastgeving nadien kan worden verdergezet, vormt een en ander geen probleem18. Artikel 2003 BW voorziet weliswaar dat het mandaat een einde neemt bij het overlijden van de lastgever, maar in een arrest van 1 maart 1994 liet het hof van beroep te Gent nog opmerken dat dit beginsel “behoort tot de natuur van het contract van lastgeving maar niet tot de essentie ervan”19. Dit arrest borduurde verder op eerder tussengekomen rechtspraak van het Hof van Cassatie waarin werd gesteld dat de regel dat de lastgeving een einde neemt bij de dood van de lastgever, slecht toepasselijk is onder voorbehoud van een strijdige wilsuiting. Die laatste kan blijken uit de tekst van de lastgeving zelf alsook uit het door de lastgeving nagestreefde doel20.
Moeilijker is het zogenaamd mandaat propter mortem, dat pas uitwerking krijgt ingevolge het overlijden van de lastgever.De Page en Dekkers wijzen dergelijk mandaat af als illegitiemHof21. De testator kan niet zomaar een mandaat geven aan anderen om te beschikken over zijn goederen, omdat een en ander niet meer spoort met zijn steeds herroepelijke wilsuiting. In navolging van de Franse visie ter zake pleiten sommige Franstalige rechtsgeleerden evenwel voor een soepeler benadering en achten zij een mandaat propter mortem toch rechtsgeldig op voorwaarde dat het geen vluchtroute betreft om te ontkomen aan een nietige gift22.
16. Een ander gevolg van de herroepbaarheid van testamenten vindt men terug in artikel 968 BW, dat verbiedt om een testament op te maken in één akte, hetzij ten voordele van een derde hetzij als wederkerige en onderlinge beschikking.
Vroeger kwam het wel eens voor dat de – alsdan nog niet zozeer geëmancipeerde vrouw – het testament van haar echtgenoot mee ondertekende en zich aldus aansloot bij de uiterste wilsbeschikking van haar man.
Dergelijke casus werd in 1953 voorgelegd aan het Hof van Cassatie, al was het in het concrete geval de man die het testament van zijn vrouw had ondertekend. Als verbrekingsmiddel werd aangevoerd dat de nietigheid van de wilsbeschikking van de man niet kon worden betwist, omdat deze het testament enkel had getekend, doch dat dit daarom nog geen aanleiding gaf tot de nietigheid van het testament van de vrouw, die het volledig had geschreven en ondertekend. Het Hof had geen oren naar deze argumentatie en wees er op dat dergelijk betoog indruiste tegen de klare en ondubbelzinnige bewoordingen van artikel 968 BW. Ook dergelijk gemeenschappelijk testament was absoluut nietig omdat de nietigheid zich uitstrekt tot alle beschikkingen die in het testament zijn opgenomen23.
17. Wel is het zo dat er juridisch sprake dient te zijn van een vereniging van twee testamenten. Een loutere materiële vereniging waarbij bijvoorbeeld twee testamenten op hetzelfde blad worden aangebracht, is derhalve wel geoorloofd24. Ook het opbergen van twee testamenten in één omslag met daarop de vermelding “dit is ons testament” werd om die reden door het hof van beroep te Luik toch geldig bevonden25.
Testamenten die naar elkaar verwijzen zijn geoorloofd in zoverre ze niet afhankelijk zijn van elkaar. Wanneer om het ene testament te kunnen uitvoeren dient teruggegrepen te worden naar een ander testament – en dus naar de wilsuiting van een ander rechtssubject – is dit duidelijk niet het geval. Gelet op de verbondenheid van beide wilsuitingen bestaat de kans dat de feitenrechter het testament nietig zal verklaren26.
18. Het Belgisch erfrecht omvat geen specifiek artikel dat handelt over de testeervrijheid. Niettemin wordt het principe beschouwd als één van de fundamenten van het erfrecht.
Wanneer men de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek aangaande testamenten en de gedachtegang die aan de oorsprong hiervan ligt goed wenst te begrijpen, dient men in de eerste plaats oog te hebben voor de plaats van deze bepalingen in het wetboek zelf.
De rechtzoekende vindt de relevante wetsartikelen terug in boek III van het Burgerlijk Wetboek “Op welke wijzen eigendom verkregen wordt”. Nadat in boek II de goederen en hun statuut werden behandeld, besteedt de wetgever vervolgens aandacht aan de manier waarop deze goederen overgaan van het ene rechtssubject op het andere.
Het eerste artikel van boek III, met name artikel 711 BW, geeft meteen de verschillende wijzen van eigendomsverkrijging weer: “Eigendom van goederen wordt verkregen en gaat over door erfopvolging, door schenking onder de levenden of bij testament, uit kracht van verbintenissen.”
Vervolgens wordt boek III opgedeeld in titels, waarbij de verschillende wijzen van eigendomsverkrijging één na één worden besproken.
Het recht om over zijn goederen bij wijze van testament te beschikken, is derhalve onlosmakelijk verbonden met het eigendomsrecht.
In die filosofie kon het eigendomsrecht onmogelijk volledig zijn als men niet het recht had om er op het ogenblik van zijn dood naar goeddunken over te beschikken.
19. Een aantal rechtsgeleerden had hier kritiek op. Zij meenden immers dat het ‘meesterschap’ van een rechtssubject over diens goederen onvermijdelijk ophoudt op datum van zijn overlijden en het vanaf dan aan andere instanties toekwam om te bepalen wat er met deze goederen diende te gebeuren. Het is met andere woorden de wet die kracht verleent aan een testament en niet zozeer het individu27.
Volgens Kluyskens houdt dergelijke redenering geen steek want “wanneer iemand bij testament beschikt over zijn goederen voor den tijd dat hij er niet meer zal zijn, doet hij zulks niettemin binnen den tijd waarin hij er nog is, en waarin hij derhalve voor de toekomst als onmiddellijk zijn goederen vervreemden kan”28.
In die zin vindt men volgens de auteur in het eigendomsrecht wel degelijk de bron van de testeervrijheid terug. Ook Coene komt tot de conclusie dat de testeervrijheid moet worden afgeleid uit artikel 544 BW29.
20. Uiteraard zal het probleem van de overgang van goederen naar aanleiding van het overlijden zich slechts stellen wanneer de samenleving waarvan sprake ook voorziet in een systeem van private eigendom. In maatschappijordeningen waar de private eigendom moest wijken voor een stelsel van gemeenschapseigendom is een erfrechtelijk systeem eigenlijk overbodig.
Een eerste toepassing vindt men in oude feodale maatschappijen, waar het publiekrechtelijk karakter van de overgang doorwoog en er dermate hoge rechten werden geheven dat het privatief bezit bij overlijden voor een groot stuk werd uitgeschakeld. Nochtans zijn er geen systemen bekend waar de fiscale overgangsrechten zo hoog waren dat de nalatenschap volledig toekwam aan de gemeenschap. Inderdaad, het erfrecht bestond als dusdanig wel degelijk ook in deze feodale maatschappijen, al kenden die stelsels nog veel hogere fiscale overgangsrechten dan vandaag in de moderne natiestaten30.
Een andere toepassing van een rechtsstelsel waarbij het traditionele erfrecht aanzienlijk wordt uitgehold, treft men aan in de collectivistische systemen, waarvan het Sovjetregime het bekendste is. De Grondwet van 1977 voorzag in een eigendomsordening, waarbij aan rechtssubjecten de nodige bekwaamheid werd ontzegd om zich bepaalde goederen in eigendom toe te eigenen. Vooreerst was er een aantal goederen die zich enkel en alleen in staatseigendom konden bevinden, zoals grond, bodemschatten, wateren, wouden, de transport- en communicatiemiddelen, de banken en het belangrijkste gedeelte van het stedelijk woonbestand. Bovendien kon de Staat zich om het even welk productie- of consumptiemiddel toe-eigenen. Men spreekt in dit verband van zgn. ‘coöperatieve eigendom’. Kolchozen (coöperatieve landbouwbedrijven) en andere coöperatieve organisaties konden beslissen om zich bepaalde productie- of consumptiemiddelen toe te eigen voor zover dit nodig was voor de verwezenlijking van hun statutair doel. Naast de staatseigendom en coöperatieve eigendom kende de Sovjetunie bovendien ‘maatschappelijke eigendom’ die toekwam aan vakbonden en andere maatschappelijke organisaties. Aan de basis van dit hiërarchisch systeem bevond zich de massa der Sovjetburgers, die slechts over een zeer beperkte rechtsbekwaamheid beschikten om zich bepaalde goederen, bestemd voor ‘persoonlijke eigendom’ toe te eigenen31. Naast de goederen die waren uitgesloten voor persoonlijke eigendom voorzag de regelgeving bovendien in strenge voorwaarden. Ieder gezin mocht slechts één woning bezitten van maximaal 60 m² en wanneer men zijn eigendom probeerde te verhuren, riskeerde men confiscatie door de Staat. Het is nogal evident dat in dergelijk systeem, waarbij het eigendomsrecht tot een absoluut minimum is herleid, ook het erfrecht slechts een marginale rol van betekenis toekomt.
Het erfrecht en daarmee onlosmakelijk verbonden de testeervrijheid zijn dan ook afhankelijk van het eigendomssysteem dat een samenleving kenmerkt.
21. M.i. is de discussie betreffende ‘de bron’ van de testeervrijheid veeleer een theoretische discussie.
Feit is dat in ons recht het individu over de mogelijkheid beschikt om ook na zijn overlijden een plaats te geven aan gevoelens die hij tijdens zijn leven koesterde tegenover bepaalde individuen of organisaties.
De wijze waarop die gevoelens via een testament worden vertaald, kan gebeuren op een positieve doch ook op een negatieve manier.
22. Een mooi voorbeeld van de eerste categorie zijn de zgn. ‘vergoedende testamenten’ waarbij de erflater personen (of organisaties) die hem na aan het hart liggen, wenst te bedanken – of, zo men wil, belonen – na zijn overlijden. Door middel van een testament heeft men hierbij zelfs de mogelijkheid om ook diegenen die op grond van de wettelijke devolutie daartoe nooit in aanmerking zouden komen een stuk van (of in bepaalde gevallen zelfs volledig) zijn patrimonium na te laten. Te denken valt aan de vriend, de collega, de behulpzame buurvrouw, e.d.m.
Van belang hierbij is ook de rol van de katholieke kerk, die gedurende de geschiedenis een aanzienlijk patrimonium wist op te bouwen door middel van giften en legaten in haar voordeel, dewelke zij op grond van het wettelijk erfrecht uiteraard nooit had kunnen bekomen. Het gevolg was een categorie van goederen die nooit meer het voorwerp uitmaakte van fiscale rechten, een doorn in het oog van de moderne natiestaat. Het fenomeen is algemeen bekend als dat van ‘de dode hand’.
23.
