Erhalten Sie Zugang zu diesem und mehr als 300000 Büchern ab EUR 5,99 monatlich.
Leon doet er alles aan om te voorkomen dat zijn homoseksuele gevoelens aan het licht komen. Hij trouwt met een vrouw. Pas als hij zijn Innerlijke Kracht (IK) aanwendt om met afwijzing om te gaan, kan hij zijn ware leven gaan leiden. Een leven dat geen sprookje is – er valt nog genoeg strijd te voeren – maar waarin hij eindelijk gelukkig is. Kwetsbaar, eerlijk en open verhaal zonder opsmuk! EO Visie magazine: "Treffende spiegel! Leon Augustijn beschrijft zijn zoektocht en verlangen naar openheid en vrijheid – soms bijna ongemakkelijk – open en kwetsbaar en blijft dicht bij zichzelf. Daarbij weet hij zelfhulpboekenclichés niet altijd te vermijden, maar hij biedt vooral een treffende spiegel voor christelijke lezers." Gaykrant: "Dit boek is een poging van de schrijver om zijn persoonlijke ervaring in een context te plaatsen, in de hoop dat het hetzelfde doet voor de lezer. Daar slaagt het in. Leon Augustijn heeft onderzoek gedaan naar en nagedacht over zijn eigen coming-out om te begrijpen hoe zijn ervaringen zijn gevormd door de omgeving."
Sie lesen das E-Book in den Legimi-Apps auf:
Seitenzahl: 205
Veröffentlichungsjahr: 2024
Das E-Book (TTS) können Sie hören im Abo „Legimi Premium” in Legimi-Apps auf:
IK
Schrijver: Leon Augustijn
Coverontwerp: Leon Augustijn
ISBN:
© Leon Augustijn
www.leonaugustijn.nl
IK
Het vinden van Innerlijke Kracht om te zijn wie ik ben
Leon Augustijn
Voor mijn dochter
Mijn dochter is alles voor mij. Ik hou ongelooflijk veel van haar. Ze daagt me uit en maakt me aan het lachen. Ik wil dat zij in vrijheid opgroeit en zelf bepaalt wie zij wil zijn.
No, your mom don't get it
And your dad don't get it
Uncle John don't get it
And you can't tell grandma
'Cause her heart can't take it
And she might not make it
They say, "Don't dare, don't you even go there"
"Cutting off your long hair"
"You do as you're told"
Tell you, "Wake up, go put on your makeup"
"This is just a phase you're gonna outgrow"
There's something wrong in the village
In the village, oh
They stare in the village
In the village, oh
There's nothing wrong with you
It's true, it's true
There's something wrong with the village
With the village
There's something wrong with the village
Feel the rumors follow you
From Monday all the way to Friday dinner
You got one day of shelter
Then it's Sunday hell to pay, you young lost sinner
Well, I've been there, sitting in that same chair
Whispering that same prayer half a million times
It's a lie, though buried in disciples
One page of the Bible isn't worth a life
There's something wrong in the village
In the village, oh
They stare in the village
In the village, oh
There's nothing wrong with you
It's true, it's true
There's something wrong with the village
With the village
Something wrong with the village
There's something wrong in the village
In the village, oh
They stare in the village
In the village, oh
There's nothing wrong with you
It's true, it's true
There's something wrong with the village
With the village
Something wrong with the village
De grootste angst in mijn leven is altijd geweest om niet geaccepteerd te worden. Als kleine jongen vond ik alles wat vrouwelijk was prachtig. Daarmee was ik anders dan andere jongens. En dat voelde ik natuurlijk. Ook nu, als transvrouw, merk ik dat mensen – vaak uit onbegrip – zo kwetsend kunnen zijn in hun oordeel naar de ander.
In de acceptatie van mezelf heeft een rolmodel, iemand waar ik me aan kan spiegelen, echt geholpen. Voor mij was dat Loiza Lamers. Toen zij Holland’s Next Topmodel won en naar buiten kwam met haar ervaringsverhaal, voelde ik zo veel herkenning. Weten dat je niet de enige bent die niet in het perfecte plaatje past en zien dat het helemaal niet nodig is om daarin te passen, dat alles mogelijk is, was voor mij een eye-opener.
Met het winnen van de titel Miss Nederland 2023 zette ik letterlijk de kroon op mijn missie: bewustwording stimuleren en een voorbeeld zijn voor andere trans- en queerpersonen. Door het vertellen van mijn verhaal hoop ik anderen te stimuleren en te motiveren meer zichzelf te zijn. Ze te tonen dat ze niet alleen staan. Mijn wens is om dat samen met anderen te doen. Leon is er daar een van. In dit boek en met zijn podcasts streeft hij hetzelfde doel na.
Ervaringsverhalen, zoals dit van Leon, sterken je. Je bent niet de enige die zich anders voelt. Kom op voor jezelf! Je bent mooi zoals je bent. Acceptatie is de beloning die zowel Leon als ik onszelf gaven. Die acceptatie gun ik jou ook van harte!
Rikkie Kollé, Miss Nederland 2023
Ik werd als kind knap gevonden. Als mensen me complimenteerden, wuifde ik dat weg. Het kwam te dicht bij mijn gevoel en dat gevoel klopte niet.
‘Heb je nog geen vriendinnetje?’, werd me geregeld gevraagd en trots vertelde mijn moeder dan dat alle meiden achter me aanliepen. Blij werd ik daar niet van. Ik ontkende mezelf. Al wist ik toentertijd natuurlijk nog niet dat ik dat deed. Jezelf ontkennen voedt een negatief zelfbeeld. In dit geval bracht iets positiefs – wat er leuk uitzien toch is – iets negatiefs teweeg.
Ik was twaalf en onbewust zocht ik toen al afleiding. Door veel te werken in de supermarkt. Zwart, want natuurlijk was ik nog veel te jong. Ik rolde vervolgens via de horeca en de fitness in mijn werk bij de marechaussee en aansluitend bij de politie.
Ik zocht uitdaging in hobby’s. Schieten, fitness, vechtsport en hardlopen. Als ik er maar het beste in kon worden. Alles om mijn zelfbeeld op te vijzelen, alles om niet na te hoeven denken.
Mijn afweermechanisme van toen – afleiding zoeken – zet ik nog steeds in. Het helpt me overleven. Het sleept me door de momenten waarop ik mezelf ontken, dat ik diep zit. Het heeft me ook geholpen op beslissende punten in mijn leven. De momenten dat ik mezelf niet langer ontkende en eindelijk uitkwam voor mijn homoseksuele gevoelens, terwijl ik werkte in een machowereld, bij de politie.
Het hielp me tijdens mijn scheiding en bij mijn worsteling met het geloof.
Tussen dat jongetje van twaalf en de man van veertig die ik nu ben, zit zowat een half leven. En ook al heb ik hopelijk nog een andere helft te gaan, toch schrijf ik nu al dit (deels autobiografische) boek met de wat pretentieuze titel ‘IK’. Niet als egodocument, maar omdat ik mezelf niet meer wil ontkennen, niet meer wil verloochenen wie IK ben. Een hele strijd, die ik niet voor niets op papier zet. Het is een proces, waarin ik je de maskers van mijn privé-, mijn werk-, mijn sport- en mijn kerk-ik laat zien. Het afzetten van die maskers – wat trouwens, zoals je zult lezen, nog echt niet altijd lukt – doet een beroep op mijn Innerlijke Kracht (IK). Een kracht die ik heb leren aanboren en waarvan ik hoop dat ook jij die vindt of gevonden hebt. Als ik maar één persoon op deze wereld met mijn verhaal kan helpen of inspireren, dan heb ik mijn doel bereikt.
Leef meer, denk minder
‘Geef me je zakgeld, anders vertel ik het aan je ouders.’
Het moet rond 1990 geweest zijn dat ik voor het eerst gevoelens voor een jongen krijg en - daarmee samenhangende - aan mezelf begin te twijfelen.
Een jaar of drie later vertel ik mijn vriendje Peter over mijn gevoelens voor andere jongens. Hij heeft net mijn internetgeschiedenis gezien en weet waar ik op zoek: gayporno. Het is regenachtig weer en het waait buiten, dus zijn we naar binnen gevlucht en besluiten een computerspelletje te spelen. Dat hij het ontdekt voelt vreemd genoeg als een opluchting. Ik wil zo graag iemand in vertrouwen nemen. Maar die opluchting is van korte duur. Opportunistisch als mijn vriendje is, pest en chanteert hij me vanaf dat moment.
Om mijn gevoelens niet te veel toe te laten, ontpop ik me als de grapjas van de klas. Ik word Mr Bean genoemd, omdat ik grappen maak. Bij het eindtoneelstuk in groep acht heb ik een bijrol, daar probeer ik iets leuks van te maken door te proberen van alle kanten op een tafel te klimmen, wat niet lukt. Nu ik het zo opschrijf klinkt het allesbehalve hilarisch, maar destijds had ik de lachers op mijn hand.
Ik ben veel buiten, waar ik de rust vind. Ik herinner me van mijn jonge jaren veel slaap- en speelpartijen bij mijn beste vriendje Lucas op de boerderij. We spelen eindeloos in de maisvelden, maken daar gangpaden zodat er doolhoven ontstaan. Zo spannend. Ook bouwen we hutten, springen over sloten, spelen in de hooiberg. En als het regent, vermaken we ons uren op zijn slaapkamer met lego. Onbevangen zijn, dat kon daar.
Soms liggen we ook op onze rug naar de lucht te staren en kletsen we honderduit. Over van alles. Behalve gevoelens. Al geloof ik niet dat veel jongens van die leeftijd dat al doen.
Ik vind Lucas een mooie jongen om te zien. Hij heeft prachtige ogen. En daarnaast is hij ontzettend aardig en lief. Als we rennen en stoeien, ruik ik soms zijn geur en vind dat zo lekker. Bij hem voel ik voor het eerst vlinders in mijn buik.
Mijn favoriete boeken zijn die van Pietje Bell, de belhamel die vrij en avontuurlijk is. Dat probeer ik zelf ook zo veel mogelijk te zijn. Met een vriendenclubje van zo’n zeven andere jongetjes speel ik oorlogje en klim ik in bomen. Of we zoeken stenen, schelpen en fossielen bij de steengroeve van Losser. We kruipen dan door het hekwerk bij de versteende zandplaat. Schieten met besjes door een pvc-buis met een ballon eraan. Het liefst op witte muren, zodat er rode vlekken op de smetteloze achtergrond komen te zitten. Of we stoken vuurtjes in het park.
Het zijn leuke gozers en we hebben het altijd naar onze zin met elkaar. Tot ik op een dag met een van hen alleen ben. We zijn thuis bij mijn vriendje Sven en hij en ik spelen met de lego en de gi joe poppetjes. Sven heeft een hoogslaper. Op een gegeven moment zit hij daarop en vraagt:
‘Wat vind je van mijn piemel?’ Hij doet zijn gulp open en ineens hangt er een slap worstje met al een paar verdwaalde haren erop voor mijn neus. Ik schrik me rot en weet niet hoe snel ik naar huis moet rennen.
En daar begint het piekeren. Weet Sven dat ik op jongens val? Heeft hij gezien hoe ik naar Lucas kijk? Ik besluit niet meer met hem alleen af te spreken. En ga bewust briefjes sturen naar de meisjes in mijn klas. Petra en Linda happen. Met hen heb ik ‘verkering’, wat inhoudt dat we vriendje en vriendinnetje spelen. Maar op mijn gemak voel ik me niet bij hen. Dat heb ik alleen als ik bij Lucas ben.
Ik denk daar nog vaak aan terug. Bij ieder mens verdwijnt op een gegeven moment de kinderlijke onbevangenheid. In mijn geval heb ik deze – niet bewust natuurlijk – vervangen door een angst voor afwijzing.
‘Ik zit in de val.’
Ik zal deze woorden in mijn leven nog meerdere keren uitspreken. De eerste keer verkondig ik ze op mijn kamer. Ik hoor het me nog zeggen. Hardop. Ik zal zo’n jaar of dertien geweest zijn. De reden is het ontbreken van veiligheid bij mij thuis. Er is geen enkele openheid en mogelijkheid om het over mijn gevoelens voor jongens te hebben.
Als ik het woord homofiel hoor en mijn ouders vraag wat dat is, krijg ik geen antwoord. Daar wordt niet over gepraat.
Maar er is wel een oordeel. Over Paul de Leeuw bijvoorbeeld wordt gezegd dat het een viezerik is. Om maar te zwijgen over wat ze beweren over Gerard Joling. Viezeriken? Waarom? Dat vraag ik me dan al af. Er wordt binnen ons gezin veel gegrapt over homo’s. Woorden hebben effect. En deze grapjes zorgen ervoor dat ik er niet over peins om uit de kast te komen. Ik onderdruk mijn gevoelens op dat gebied.
Ik weet dan al dat het een hele worsteling gaat worden.
Nelson Mandela over homoseksualiteit:
"Er is een tijd geweest waarin ik met walging dacht aan het hele gedoe van homo zijn.
Ik schaamde me voor mijn oorspronkelijke visie, die van een samenleving afkomstig was die dit soort dingen niet kent.Ik begrijp de positie van homo’s en ik vind dat ze moeten blijven doen waar ze zin in hebben.’’
Mandela hanteerde later welgeteld één enkel principe: gelijke rechten voor iedereen, onafhankelijk van ras, klasse of geslacht.
Mandela heeft het over een samenleving, die dit soort dingen – homoseksualiteit – niet kent. We leven in ons gezin niet onder een steen, dus dat er mannen zijn die op mannen vallen of vrouwen op vrouwen, dat weet ik en dat weten mijn gezinsleden maar al te goed! Maar dat ze het begrijpen? Laat staan accepteren? Daar heb ik, hoe jong ik ook ben, al duidelijk mijn twijfels over. En daarom hou ik de deur van de kast angstvallig dicht.
‘En jullie dan?’ vroeg Hij. ‘Wat denken jullie over Mij?
Wie ben Ik?’
Mattheüs 16:15
Ik kom uit een gezin met een acht jaar oudere zus, een vijf jaar oudere en een vijf jaar jongere broer. Mijn vader werkt veel en is vaak van huis. Mijn moeder doet wat ze kan, maar het gezinsleven groeit haar geregeld boven het hoofd. Als klein jongetje heb ik een Playmobil auto. Het is mijn favoriete speelgoed. Gekregen van mijn opa en oma. Ik ben er zo blij mee. Tot mijn moeder hem op een dag achteloos weggooit.
Het is de desinteresse in mij als kind, die ik me herinner. Op school ben ik slecht in rekenen, vooral de tafels. De meester van groep 4 zegt dan ook dat ik thuis met mijn moeder moet oefenen. Mijn moeder zit daar niet op te wachten. Ze vindt dat ik er zelf mee aan de slag moet. Dat lukt me niet en ik blijf zitten.
Er is op dat moment al veel mot thuis. Tussen mijn ouders en mijn oudste zus en broer botert het niet. Vaak spring ik er bij ruzies tussen. Die onenigheden nemen veel ruimte in. Er is geen plek voor mij. Ik word niet gezien en voel me heel eenzaam.
Ook onderling discussiëren mijn ouders veel. Ze hebben vaak woorden en hebben genoeg aan zichzelf. Met mijn verhaal kan ik niet bij ze terecht. Als we allemaal het huis uit zijn, scheiden ze.
Ik krijg veel vrijheid van mijn ouders. Uit gemakzucht, maar toch ook wel als stimulans. “Mag niet ligt naast kan niet op het kerkhof’’, is een gebezigde uitspraak thuis. Als je iets echt wil, dan kun je het ook. Die houding stimuleren mijn ouders bij ons en daar heb ik tot op de dag van vandaag profijt van.
We hebben het bij tijden heel goed met elkaar. Als ik aan mijn vroege jeugd terugdenk, zie ik ons tijdens vakanties op de camping. We gaan vaak met de caravan op pad. Nooit ver weg, meestal naar een van de omliggende provincies. Soms huren mijn ouders een vakantiehuisje in Drenthe of het Sauerland. Er is dan rust. Mijn ouders zijn ontspannen en maken geen ruzie. We spelen spelletjes, gaan fietsen, maken lange wandelingen en genieten.
Vaak gaan kennissen van mijn ouders, mijnheer en mevrouw Bourtange, met ons mee. Hen beschouw ik als mijn opa en oma. Met mijnheer Bourtange ben ik tijdens de vakanties urenlang bezig met zijn postzegelverzameling en door het jaar heen krijg ik postzegels van hem. Om een eigen verzameling aan te leggen.
Ze wonen in de buurt, dus ook na de vakanties ga ik vaak bij hen langs. Ik help ze in de tuin of met de computer. Bij hen kan ik mezelf zijn, voel ik me thuis. Zij zien me, vragen hoe het met me is.
Het leven in Losser, waar we wonen, is overzichtelijk. Vlak aan de Duitse grens voelt het soms net of ik in twee landen opgroei. Tanken en boodschappen doen we in Duitsland. En er staat altijd Duits gebak bij ons in de koelkast!
Mijn moeder geeft bloemschikcursussen bij ons thuis in de schuur. Ik mag dan altijd koffie brengen.
Mijn vader is een druk baasje. Hij heeft twee banen. Naast schilder is hij ook hoofdconducteur bij de Nederlandse Spoorwegen. Als gezin reizen we geregeld met hem mee en zien we Nederland aan ons voorbij trekken vanuit de trein. Het leukste van al vind ik het als ik bij de machinist mag zitten. Ik geniet dan enorm.
Een Twents gebruik is het midwinterhoorn blazen. Ik zit in een groep met zo’n dertig jonge blazers. Je kunt met die hoorn onzichtbare, boze geesten verjagen. Die geesten zweven wel om me heen, maar ze verjagen? Dat lukt me nog niet. Misschien blaas ik niet hard genoeg? We doen geregeld mee aan wedstrijden, maar iets winnen, dat doen we nooit. Dat lukt later wel bij de schietvereniging, waar ik met luchtbuksen leer schieten. Ik wil presteren. Met ons team doen we mee aan provinciale wedstrijden en worden we kampioen.
Het is een belangrijk moment in mijn leven. Ik krijg, net als mijn ploeggenoten, de gouden sportpenning van de gemeente Losser en sta in de krant! Ik word gezien. Wat geweldig. Het voelt als een grote overwinning. Eindelijk heb ik iets gepresteerd, ik word op waarde geschat en durf ook nog eens voor een groep te staan.
Mijn middelbareschooltijd breng ik door op een kleine vbo-b-school in Losser. De vertrouwde vriendjes en vriendinnetjes van de basisschool gaan naar andere scholen in de grote steden Enschede of Oldenzaal en verlies ik uit het oog. Ik krijg nieuwe vrienden en vriendinnen, waar ik ‘s avonds graag mee chill in de garage van ons huis. Mijn ouders zorgen voor een volle koelkast. Op dat gebied, evenals op materieel gebied, ontbreekt het me in mijn jeugd aan niets.
Tijdens dit soort avonden zorg ik voor lekkere muziek. Die dansfeestjes zijn heel gezellig.
In mijn puberteit vind ik in de boekenkast op mijn ouders slaapkamer een boekje over seksuele voorlichting. Ooit gekocht om ons, de kinderen, te vertellen over de bloemetjes en de bijtjes, maar nooit gebruikt. Misschien was het te spannend voor mijn ouders? Spannend vind ik het ook. Stiekem gebruik ik het boek om mijn eigen lichaam te ontdekken. Ik lees over masturberen en hoe een man en vrouw seks kunnen hebben. Het is een boek uit de jaren tachtig, dus ook al volop aandacht voor seksueel overdraagbare ziekten.
Natuurlijk herinner ik me een stukje in het bijzonder. Dat gaat over homoseksualiteit. En vooral over de risico’s die seks tussen mannen met zich meebrengt. Hiv-besmettingen en aids liggen op de loer!
Toch gaat mijn aandacht vooral naar de naakte mannen.
Ik werk in die tijd als vakkenvuller in een plaatselijke buurtsuper. Daar hoor ik op een gegeven moment een meisje tegen een van mijn collega’s zeggen:
‘Zo hé, jij pakt die pizza’s sexy uit!’ Ik kijk opzij en zie inderdaad een heel mooie jongen.
‘Wat bedoel je?’ vraagt hij.
‘Nou gewoon. Je armen, zo gespierd, en de manier waarop je de pizzadozen neerlegt.’ Ik kijk de jongen aan. En hij kijkt naar mij. Ik draai gelijk mijn hoofd terug en ga verder met uitpakken. Zou hij gezien hebben dat ik naar hem keek? Zou hij doorhebben dat ik hem ook sexy vind?
Ik ben vijftien als ik contact opneem met mijn zus en haar man. Mijn ouders hebben dan al jaren geen contact meer met hen. Ik vind dat heel jammer en besluit dat ik oud genoeg ben om zelf te beslissen met wie ik omga.
Het is niet helemaal onbaatzuchtig, want ik weet dat zij bevriend zijn met een homostel. Ik hoop dat stel bij hen te ontmoeten. Om te horen hoe het is om gevoelens voor mannen te hebben. Zij weten tenslotte wat dat inhoudt. Of anders van mijn zus en zwager meer over hen te horen. Ik ben benieuwd hoe ze het allemaal hebben aangepakt. Wat dat ‘het’ is, weet ik zelf niet eens. Omdat er geen homo’s in mijn omgeving zijn – althans, dat neem ik aan – ben ik redelijk bleu. Ik heb mijn gevoelens, maar weet me er geen raad mee. Ik voel me anders en daardoor ook eenzaam en leeg.
Het lukt me niet om het er met mijn zus over te hebben. Wel fijn is dat we elkaar weer vinden en we sindsdien regelmatig afspreken. Voor mij ook prettig om de spanningen thuis geregeld te kunnen ontvluchten.
In mijn vrije tijd werk ik in de plaatselijke horeca. Het wemelt er van de aantrekkelijke jongens. Omdat ik zoveel werk, heb ik weinig tijd om me met hen bezig te houden. Een bewuste keuze ook, want uit zelfbescherming maak ik in eerste instantie geen verbinding en vermijd ik zelfs oogcontact. Dat wat me in de supermarkt gebeurde met die sexy jongen gaat me niet nog eens gebeuren. Stel je voor dat ik door de mand val en ‘ze’ merken dat ik op jongens val.
’Hij vindt jou een leuke jongen!’ Soms komen meisjes naar me toe en zeggen dat dan over een vriend van hen. Er zijn jongens die me leuk vinden! Ik voel me dan trots en verlegen. Maar hoe ik met zulke informatie om moet gaan, weet ik niet. Ik doe dus maar niets.
In die tijd drink ik altijd cassis. Ik vind het lekker en het is een drankje dat wij thuis niet hebben. Een collega begint me ‘cassis’ te noemen en in no time is dat mijn naam geworden. Er wordt om mijn bijnaam gegrinnikt en ik voel me belachelijk gemaakt en niet serieus genomen. Ik ga er wel tegenin, maar dat is zinloos, want het gaat gewoon door. "Ik ben Leon, en niet het drankje dat ik drink,’’ wil ik ze toeroepen. Ik besluit het over me heen te laten komen, er geen aandacht aan te geven. Een mechanisme dat ik in de toekomst nog vaak zal gebruiken.
De tweede helft van de jaren negentig komen de eerste gaychats op. Ik ga op onderzoek uit. Ik wil zeker weten of ik daadwerkelijk gevoelens voor mannen heb. Het antwoord weet ik natuurlijk al, maar je kunt maar beter het zekere voor het onzekere nemen. Ik begin stiekem naar een homodiscotheek te gaan als ik zestien of zeventien jaar ben. Heel spannend, want stel dat ik gezien word als ik naar binnen of naar buiten ga? Daarom stap ik de eerste keren nog niet door de toegangsdeur. Ik durf niet!
Op een zaterdagavond heb ik de moed. Als ik binnenkom zie ik een disco als zovele. Met lekkere muziek, af en toe een optreden van een artiest en dansers. De bezoekers zijn mannen en vrouwen. Oud en jong. Knap en minder knap. Ze zien er mooi en sportief uit, maar zijn vrijer dan de bezoekers van reguliere disco’s. Het voelt alsof ik in een warm bad stap.
Ik word aangesproken. Ik denk dat mensen zien dat ik er voor het eerst ben. Gelukkig maar. Zelf durf ik namelijk geen initiatief te nemen. Anderen stellen me op mijn gemak.
Vanaf het eerste moment weet ik dat dit is wat ik zoek: het onder gelijkgestemden zijn. Ook al zijn de ontmoetingen vluchtig, hebben ze weinig inhoud.
‘Hai, wat zie je er leuk uit!’
‘Dank je.’
‘Voor het eerst hier?’
‘Ja.’
‘Ik niet, ik kom hier vaker. Wil je wat drinken?’
‘Ja, lekker!’
‘Zie je nog wel straks. Geniet ervan!’
Ik voel me veilig. Ik klets met de mensen en bevind me in een losse, vrije en ontspannen omgeving. Ik zie mannen zoenen en samen dansen. Het is spannend én bevestigend.
Ik besluit de dansvloer op te gaan. Al gauw dansen er meerdere jongens om me heen. We schuren wat tegen elkaar aan. Ik voel de armen van een van hen om me heen en krijg een zachte zoen in mijn nek. Het voelt helemaal niet gek. Het tegendeel zelfs. Het voelt als een bevrijding. Ik kan mezelf zijn. We dansen nog wat en nemen dan afscheid met een lange tongzoen.
Wat een leuke jongen was dat. Zo lief en zacht. Jammer dat ik zijn naam niet ken en zijn telefoonnummer niet heb.
Er zijn ook mensen op seks uit. Dat vind ik beangstigend. Ik ben voorzichtig. Sommige mannen noemen me preuts. Het bevestigt wel mijn overtuiging dat veel homo’s wellustig zijn. Toch vind ik hier voor het eerst een plek waar ik gewoon mezelf kan zijn en ik niet over mijn schouder hoef te kijken. Ik zal deze disco nog geregeld bezoeken.
‘Ik ben weer thuis.’ Ik open de slaapkamerdeur van mijn ouders een klein stukje.
‘Waar ben je geweest?’, klinkt het slaperig uit de mond van mijn moeder.
‘Oh. Ik ben gewoon uit geweest,’ antwoord ik.
