7,99 €
Een aangrijpend verhaal, even droevig als levenslustig, over een roedel honden zonder baasjes aan de rand van een grote stad. De helden geven ondanks alle tegenslag in hun 'hondenleven' hun droom van geluk nooit op. Een vertelling over de vreugden van de vrijheid en het ongebonden leven, en over de droom een echt thuis te vinden zonder zich te hoeven onderwerpen. Een verhaal voor kinderen en volwassenen van zeven tot zeventig jaar.
Das E-Book können Sie in Legimi-Apps oder einer beliebigen App lesen, die das folgende Format unterstützen:
Seitenzahl: 73
Veröffentlichungsjahr: 2015
Konstantin Sergienko
Vrije honden
© ARTEM Verlag UG (haftungsbeschränkt), Köln© Artem Sergienko, Text© Uit het Duits vertaald door Ludo Eijkelkamp© Michael Blechmann, Illustrationen
Alle Rechte vorbehalten.
In Duitsland verschenen in 2012 onder de titel ‘Die Schlucht der freien Hunde’ bij uitgeverij ARTEM Verlag UG, Keulen.
De originele uitgave verscheen in 1979 in Rusland onder de titel ´Do svidanija, ovrag!´ bij uitgeverij ´Detskaja literatura´, Moskou.
Vrije hondenwww.strassenhunde.eu
Tekeningen van Michael Blechmannwww.mibl.eu
Eindredactie: Ludo Eijkelkamp
Lay-out: Artem Sergienkowww.artem-verlag.de
ISBN 978-3-943974-06-5
Konstantin Sergienko
Uit het Duits vertaald door Ludo Eijkelkamp
Tekeningen van Michael Blechmann
Hè hè, eindelijk zomer. De beste tijd van het jaar! ’s Winters is het leven zwaar. Als je al op straat iets eetbaars vindt, is het zo stijf bevroren dat je je tanden erop stukbijt.
Bovendien valt er ’s winters niets te beleven. Je moet al dankbaar zijn als de kinderen een keer sleetje rijden. Dat zorgt voor wat afwisseling. Dan kun je ze achterna rennen, springen en blaffen.
Een van ons was een keer in het bos om te jagen. Daar zijn zoveel sporen, dat het hondenhart er sneller van gaat kloppen.
Maar dat is in het bos. Bij ons in het beekdal laat bijna nooit iemand sporen achter, alleen een kater, maar die is al bij iedereen bekend. De enige andere sporen hier zijn van mensen en vogels, en langlaufloipes. Als er ’s nachts verse sneeuw valt, is alles hier schoon en wit.
Nee, dan ’s zomers, dan is het hier absoluut veel beter. Het gras staat hoog, de bloemen staan met hun kopjes te wiebelen en alles is vol geuren. Je neus houdt gewoon niet op te kriebelen.
Ons beekdal is mooi, groot en oneindig lang. Als je er helemaal doorheen wilt lopen, is dat een flinke tippel. Opzij groeien struiken en bomen. Daar wonen de kraaien en raven. Hun huizen zien er uit als korven. Een hondenhut is natuurlijk beter, maar niet iedere hond heeft nu eenmaal een thuis.
Ik ken hier elke kuil in de grond. Er stroomt een beek door het dal. In de zomer is die bijna uitgedroogd, maar de bodem is vochtig en er zijn kleine plassen. Het gras groeit daar tot aan je oren. Het stikt er van de muggen en de kikkers kwaken er vrolijk op los.
Er slingert hier van alles en nog wat rond: oude sloffen en wanten, autobanden, ballen en planken.
Smarty heeft een oude, platgedrukte hoed gevonden die hij graag op zijn kop zet. En Krummel heeft een oude fruitkist om in te slapen. Die ruikt nog steeds naar appels, maar hij droomt van gehaktballetjes.
Zelf heb ik een keer een gouden ring gevonden. Toen ik er aan rook, wist ik onmiddellijk dat hij was gedragen door een goed mens. Ik weet alleen niet waarom hij hem hier heeft laten liggen.
Links en rechts naast het dal staan grote witte huizen, waarachter nog meer huizen staan. Daar claxonneren de auto’s en ’s nachts is daar een schijnsel van vuur.
Elke zomer wordt ons dal kleiner. De afgelopen lente werden alweer massa’s kiezelsteen, zand en leem gestort. Ze willen daar nog een huis bouwen. Iedereen van ons loopt erover te mopperen. Kunnen ze niet ergens anders gaan wonen? Waarom uitgerekend in ons dal? Waar moeten wij, honden, dan naar toe?
Maar wie luistert er nu naar ons?
Ik hou vooral van ons dal als het nacht is. Vanaf de diepe bodem zie je de stralende sterren aan de nachtzwarte hemel. Ze hangen heel hoog. Ook al kun je nog zo hoog springen, je kunt er toch nooit bij.
Als de bleke maan aan de hemel staat, loopt er een rilling over je rug en je haren gaan recht overeind staan. En als je in het maanlicht slaapt, heb je dromen waar je een behaaglijke steek van in je hart krijgt.
Wij zijn allemaal vrije honden. Vroeger was er naast het dal alleen maar een dorpje. Maar toen werden de huisjes afgebroken en werden er grote huizen gebouwd. De mensen trokken weg, de honden bleven achter.
Onze aanvoerder heet Blacky, een grote en sterke hond. Iedereen luistert naar hem, alleen ik hou me er buiten. We hebben een paar keer gevochten, maar sinds hij inzag dat ik ook scherpe tanden heb, laat hij me met rust.
Soms doe ik iets samen met de anderen, en soms blijf ik alleen. Toen Blacky begreep dat ik zijn honden niet bij hem weg wil lokken, vond hij dat geen probleem meer.
Vroeger had Blacky een kameraad, een grote, doortrapte stommerik die Sladood werd genoemd. Hij week niet van Blacky’s zijde en sloeg er bij de geringste aanleiding op los. Ondertussen is Sladood dood, maar toch is iedereen bang voor Blacky.
Een keer kwam Smarty bij me en zei: ‘Trotsie, neem me op in je roedel.’
‘Maar ik heb helemaal geen roedel’, zei ik tegen hem.
‘Stel er dan een samen. Tecksy en Hinkie doen ook mee.’
‘In het dal is geen plaats voor twee roedels.’
‘Daag Blacky dan uit voor een gevecht. Hij heeft mijn hoed in de modder gegooid.’
Smarty is onze waanwijze, want hij kan lezen. Urenlang zit hij op een verfrommelde krant te staren en plakt dan alle lettergrepen aan elkaar: “A-gra-ri-sche be-rich-ten”.
Soms zet hij zijn hoed op en trekt dan een verstandig gezicht.
‘Waarom zet je die hoed op, Smarty’, vroeg Blacky hem op een keer. ‘Wil je soms een mens zijn?’
‘Ik kan lezen als een mens’, gaf Smarty hem trots ten antwoord.
‘En ik kan bijten als een hond!’ zei Blacky grimmig en gaf hem zo’n schop dat zijn hoed langs de helling naar beneden zeilde.
‘Ha-ha-ha’, lachte Krummel.
Krummel lacht graag. Hij is een speels hondje, een beetje in de war, en altijd plakt er een klontje leem aan zijn snuit. Krummel is altijd opgewekt en het troeteldier van de kinderen. Ze nemen hem in hun armen en knuffelen en kietelen hem. Dan lacht hij alsof hij helemaal buiten zinnen is.
Als Krummel giechelt, slaakt Tecksy diepe zuchten. Om haar hals draagt ze een oude versleten strik die ze niet af wil doen, omdat die haar aan vroeger herinnert. Tecksy is onze ex-tekkeldiva.
Toen ze voor het eerst bij ons in het dal opdook, zei ze ‘u’ tegen iedereen. Maar Blacky heeft haar die tic snel afgeleerd. Volgens hem moet een hond zich als een hond gedragen. Daarom ziet hij het ook totaal niet zitten dat Yamomoto, de kater, mijn vriend is.
Eigenlijk is zo’n kater ook helemaal geen passende vriend voor een hond. Maar Yamomoto is nu eenmaal slimmer dan wij allemaal bij elkaar. Hij is de keizer van Japan, en iedereen weet dat. Yamomoto zegt dat de keizer nog meer macht heeft dan Blacky.
Yamomoto spreekt onze taal echt heel goed. We zitten vaak samen in de zon te praten.
‘Schaam je je niet om met katers te praten?’ vraagt Blacky mij dan.
‘Dat gaat je niets aan’, sist Yamomoto.
En dan stort Blacky zich op hem, maar Yamomoto zit al in de boom.
‘Ik krab dat smoelwerk van jou nog eens open’, blaast hij.
Blacky gromt dreigend. Ik kijk naar dat schouwspel maar bemoei me er niet mee. Yamomoto kan zich zelf verdedigen. Alle anderen zijn er al mee gestopt om hem achterna te jagen. Alleen Blacky kan het niet laten.
Ik praat met Yamomoto over van alles. Over het eten bijvoorbeeld, of het weer, en over Japan. Hinkie luistert graag mee. Hinkepotend komt hij dichterbij en gaat er dan stil bijzitten. Hij luistert, wrijft met zijn poot over zijn natte neus en bromt nu en dan wat.
‘Hè, wat?’ vraagt Yamomoto.
‘Dus die, hoe heet hij ook al weer…’, zegt Hinkie hees, maar dan houdt hij toch maar op met praten. Hij blijft nog even zitten en gaat er dan schielijk vandoor. Hinkie is nogal zuinig met woorden. Als hij een keer meer dan twee woorden achter elkaar zegt, is dat een grote gebeurtenis.
Blacky heeft al vaak geprobeerd om me voor zijn roedel te paaien.
‘Ik benoem je tot mijn rechter poot’, zegt hij.
Maar dat is niets voor mij. Blacky is niet de juiste leider. Als ik een leider kon uitzoeken, zou ik een ander nemen. Ik heb ook al iemand op het oog. Alleen heeft hij geen vier benen zoals wij, maar slechts twee. Hij heeft geen staart en zijn voorpoten heten ‘armen’. Hij is een mens, en Blacky haat mensen.
Bij de mensen heb je volwassenen en kinderen. Kinderen zijn kleine mensen. Kinderen zijn vrolijk en doen je geen kwaad. Bij de volwassenen heb je goeien en kwaaien. Mijn mens is de beste van allemaal.
