Aan het einde van de regenboog - Lydia Bottenburg - E-Book

Aan het einde van de regenboog E-Book

Lydia Bottenburg

0,0

Beschreibung

Op een noodlottige nacht in november 2021 verloor ik mijn zoon, Mathias, aan een tragisch ongeval. Hij werd aangereden terwijl hij samen met zijn hond Baloo op de snelweg liep, volledig gedesoriënteerd door een benzo die hij online had gekocht. Dit boek is mijn neerslag van alles wat er de daaropvolgende twee jaar is gebeurd. Gaande van het hartverscheurende nieuws op die ene bewuste nacht over het moment dat ik mijn kind moest begraven tot het besef nooit meer écht te kunnen genieten van het leven. Met dit boek hoop ik, samen met Mathias, anderen te waarschuwen voor het gevaar van 'research chemicals' die in toegankelijke webshops worden aangeboden. Het laat de verwoestende impact zien van deze ogenschijnlijk onschuldige pillen, die vaak worden gebruikt voor ontspanning of om te slapen. Dit verhaal schrijven brengt me soelaas. Ik eer mijn zoon, door zijn verhaal volledig te vertellen, zo rauw en eerlijk als wij het hebben beleefd. Zo eerlijk was hij en zo eerlijk zullen we hem herinneren. Mathias was niet perfect, maar hij is ook een slachtoffer.

Sie lesen das E-Book in den Legimi-Apps auf:

Android
iOS
von Legimi
zertifizierten E-Readern
Kindle™-E-Readern
(für ausgewählte Pakete)

Seitenzahl: 460

Veröffentlichungsjahr: 2023

Das E-Book (TTS) können Sie hören im Abo „Legimi Premium” in Legimi-Apps auf:

Android
iOS
Bewertungen
0,0
0
0
0
0
0
Mehr Informationen
Mehr Informationen
Legimi prüft nicht, ob Rezensionen von Nutzern stammen, die den betreffenden Titel tatsächlich gekauft oder gelesen/gehört haben. Wir entfernen aber gefälschte Rezensionen.



Aan het einde van de regenboog

Aan het einde van de regenboog

Lydia Bottenburg

Auteur: Lydia Bottenburg

Coverdesign: Gaétan Bols

Foto Mathias: Marielle Laubie

Foto Mathias en Lydia: Gaétan Bols

Foto Regenboog: Annemarie de Groot

ISBN: 9789403716152

© Lydia Bottenburg

Proloog

Uit de toespraak van het crematorium op 29 november 2021:

Moeten wij fluisteren of schreeuwen, zwijgen of toch maar op zoek gaan naar iets passends om uit te spreken? En altijd zijn er die woorden, woorden waarvan je dacht dat ze in jouw leven geen plaats zouden vinden. Woorden die je kent van veraf, nooit dichtbij en plots staan ze voor de deur met alleen maar de harde naaktheid van zichzelf in een lege koffer. En ja, ze brengen verdriet, ze brengen pijn.

Plotseling is er inderdaad een hele nieuwe vocabulaire in mijn leven. Woorden die ik voorheen zelden gebruikte en die nu zoveel leed bevatten. Woorden die symbool staan voor rouw, pijn en verdriet. Woorden die een tijd omvatten die er niet meer is en nooit meer zal komen.

Tegelijkertijd mis ik zoveel woorden. Woorden om duidelijk te maken wat ik voel, woorden om mijn pijn, het gemis en de leegte te omschrijven. Woorden die ik moet zoeken, ze zijn ongrijpbaar in mijn gedachten; woorden die ik moet creëren en die ik moet leren uitspreken.

Ik merk dat mijn woordenschat tekortschiet; ik vind niet genoeg afwisselende woorden en synoniemen om mijn gevoelens te beschrijven. Wanneer ik teruglees wat ik geschreven heb, zie ik dat ik voortdurend dezelfde uitdrukkingen gebruik: 'heel erg', 'ontzettend verdrietig', 'diep geraakt'… er zit weinig variatie in. Er zit ook niet veel variatie in mijn emoties en gevoelens; het is erg en ontzettend verdrietig en ik ben natuurlijk diep geraakt, maar ik krijg niet goed onder woorden hoe diepgaand dat is.

Dat is ook wat ik, vooral in het begin, vaak hoor en herhaaldelijk lees op de kaarten die mensen me sturen: Hier zijn geen woorden voor, of: Woorden schieten te kort. Het is waar, die woorden liggen niet zomaar klaar.

Er bestaan geen eenvoudige woorden om mijn gevoelens duidelijk te beschrijven. De totale, absolute ontreddering en de pijn die me in stukken splijt, mijn ziel klieft en mijn hart doorboort – geen enkel woord kan dat gevoel vangen. Geen pasklare zinnen, spreuken of slogans. Ik probeer het met beeldspraak, maar ook daar strand ik. Geen metafoor is toereikend, geen enkele beeldspraak evenaart wat ik voel. Hoewel: geen grotere waarheden dan clichés, dat heb ik ook ontdekt.

Tegelijkertijd speelt de taal mij parten. Ik verwissel tijden; ik begin in de tegenwoordige tijd, realiseer me dat ik de verleden tijd moet gebruiken, richt me tot Mathias in de tweede persoon en spreek vervolgens weer over hem in de derde persoon. Het is verwarrend.

Ik ben voortdurend op zoek naar woorden, woorden om mijn gevoelens te kaderen, mijn pijn duidelijk te maken, om andere mensen uit te leggen hoe het met mij gaat of om Mathias te herinneren – zowel voor mijzelf als voor anderen. Ik wil woorden vinden voor mijn ongeloof en verbijstering, taal zoeken die verklaart wat ik niet begrijpen kan. Taal is mijn beste houvast.

Ik vind het fijn en ben dankbaar wanneer anderen de woorden voor mij vinden. Een vriendin die een berichtje stuurt dat mij raakt, een passage uit een boek, zomaar een tekstje of ineens een flard van een zin uit een willekeurig gesprek. Het kan plotseling een houvast zijn, een strohalm waar ik mij de volgende minuten aan kan vastklampen.

Ik ben altijd een taalmens geweest; als kind verslond ik boeken en schreef ik schriften vol verhaaltjes. Nederlands was mijn lievelingsvak op school en daarna koos ik voor de lerarenopleiding Nederlands en Geschiedenis. Ik heb nooit lesgegeven, maar jarenlang gewerkt in communicatie en marketing en ik bleef schrijven, zowel professioneel als privé, al beperkte dat laatste zich tot dagboeken en brieven.

Nooit heb ik beseft dat ik mijn hele leven aan het oefenen was om ooit het verhaal van mijn kind te schrijven. Nu weet ik dat het zo moest zijn.

Het schrijven helpt mij in mijn rouwproces: door de woorden te zoeken om het verhaal te vertellen en mijn gevoelens te beschrijven, krijgt het meer inhoud, meer betekenis en wordt mijn pijn tastbaarder en niet langer alleen een bodemloze put van verdriet.

Het schrijven helpt me om mijn emoties te hanteren: door er woorden aan te geven, worden ze begrijpelijker en het onder woorden brengen van het leed verzacht de ergste pijn.

Ik creëer een hele nieuwe wereld met een nieuwe en totaal andere relatie met Mathias. Een relatie van woorden, van gevoelens en van herinneringen. Een relatie zonder fysieke aanwezigheid, maar met grote liefde en dankbaarheid.

Ik heb alleen nog taal en mijn herinneringen, maar herinneringen zijn ook taal. Ik moet de woorden vinden om de herinnering aan mijn kind vast te houden en aan anderen door te geven. Als ik de woorden niet vind, doe ik Mathias niet de eer aan die hij verdient. Als ik de woorden niet vind, kan ik niet vertellen hoe invloedrijk hij was, hoe groot het gemis is.

Het schrijven helpt me om te onthouden. Als ik niet alles opschrijf, zal ik veel gebeurtenissen en details vergeten. En als ik het vergeet, dan wordt Mathias ook vergeten. Ik wil mijn herinneringen noteren en vastleggen wat er gebeurt net voor, tijdens en nog lang na zijn dood.

Ik zoek beeldende taal om de pakkende beelden, beelden die hij mij gaf, die hij iedereen gaf, te beschrijven en zo vast te houden.

Wanneer woorden tekortschieten, gebruik ik ze maar allemaal. Misschien biedt er toch één woord de troost die ik zoek.

Dit verhaal, mijn woorden, zijn de woorden voor Mathias.

1.23 november 2022

Vandaag, precies een jaar geleden, in het holst van de nacht, kreeg ik de politie aan de deur. Ze brachten me het allerergste nieuws dat je als ouder kunt krijgen: je kind is dood.

Een volledig jaar heb ik verder geleefd zonder mijn zoon. Het is het zwaarste, verdrietigste, meest pijnlijke en meest intense jaar van mijn leven geweest. Elke dag die voorbijging miste ik zijn lach, zijn stem en zijn aanwezigheid.

Ik heb meerdere keren en op verschillende manieren afscheid genomen van Mathias, zonder hem ooit nog te zien of aan te raken. Elke dag, elk uur, zelfs elke minuut nam ik in mijn gedachten weer afscheid.

Maar tussen het verdriet door zijn er ook momenten van vreugde geweest. Momenten waarop ik Mathias vierde. Bij zijn uitvaart, met Kerst, op zijn verjaardag, toen we zijn urne in de zomer begroeven, toen we samen met zijn vrienden zijn sterfdag herdachten en elke keer dat ik met een hart vol liefde en een hoofd vol prachtige herinneringen aan hem dacht.

Ik ben gesteund, getroost en gedragen, maar ook in de steek gelaten, teleurgesteld en ontgoocheld. Vrienden hebben mij vastgehouden, terwijl anderen mij hebben laten vallen. Ik heb prachtige ontmoetingen gehad met oude bekenden en ik heb nieuwe, mooie mensen leren kennen. Ik heb in een hoekje gezeten en gehuild, maar ook gereisd, geleerd en gelachen. Elke dag was een nieuwe strijd, maar ook een nieuwe kans om op te staan. En zo zijn alle seizoenen voorbijgegaan: een stormachtige herfst, een milde winter, een zachte lente en tenslotte een hete, droge zomer.

Ik heb me maandenlang afgevraagd wat er met mijn kind gebeurd is. En die zoektocht stopt niet. Waarschijnlijk zal ik mijn hele leven blijven graven naar nieuwe inzichten, antwoorden en uitleg. Ik heb gezocht naar redenen en motieven, naar keiharde feiten en bewijsstukken. Ik heb alles uitgepluisd om die laatste uren van zijn leven te reconstrueren en te begrijpen waarom hij stierf.

Als een gedreven rechercheur heb ik elke informatiebron en elk detail, hoe klein en schijnbaar onbeduidend ook, grondig onderzocht. Ik sprak met iedereen die misschien iets meer kon zeggen en ik heb elke steen op mijn pad omgedraaid totdat ik alles wist wat er te weten viel.

Mijn zoektocht naar antwoorden verliep anders dan ik had verwacht of had gehoopt. Het leidde me naar plaatsen en gebeurtenissen waarvan ik liever niets had geweten. Het was pijnlijk en werd pijnlijker naarmate ik meer ontdekte.

Mijn zoektocht heeft op bepaalde vlakken een einde gemaakt aan het vertrouwde en geliefde beeld dat ik van mijn kind had, maar het zorgde er tegelijkertijd voor dat ik meer duidelijkheid kreeg en was daardoor een belangrijk onderdeel van mijn verwerkingsproces. Het gaf me zelfs iets dat op opluchting leek. Ik weet nu genoeg.

Als er één ding is dat iedereen die hem goed kende met zekerheid kan zeggen, dan is het dat Mathias dit nooit had gewild. Ik ben er zeker van dat hij razend zou zijn geweest op zichzelf om die stommiteit. Hij zou zoveel spijt hebben gehad dat zijn mooie leven zo abrupt was beëindigd.

Mathias, die levenslustige, blije, energieke jongen die zo van het leven genoot, is zonder het te willen, zelfs zonder het te beseffen zijn dood tegemoet gelopen: midden in de nacht, midden op de snelweg, volledig onbewust van het verkeer om hem heen. Dat kon gebeuren omdat hij onder invloed was van een ‘research chemical’ die hij heel gemakkelijk en goedkoop online had gekocht.

Mathias, de jongen die altijd iedereen hielp en nooit oordeelde, zou dit verhaal zelf willen vertellen, anderen willen waarschuwen voor het gevaar van die research chemicals. Daarom doe ik het voor hem. Ik ben de stem die hij niet meer heeft, want ik ben zijn moeder. En ook nu Mathias dood is, blijf ik zijn moeder. Mathias is bij me, hij zit in me. Ik draag hem voor altijd met mij mee en ik blijf voor hem zorgen.

2.Mathias

Op 4 april 1995 werd Mathias Jan Willem Van de Wouwer geboren in Antwerpen, als oudste en enige zoon van Patrick Van de Wouwer en Lydia Bottenburg.

Ik was 26 jaar oud toen Mathias werd geboren en ik was precies twee keer zo oud toen hij op 26jarige leeftijd overleed. Mathias, mijn oudste kind, heeft mij tot moeder gemaakt en heeft mij in grote mate gevormd tot de vrouw die ik nu ben. Ik heb zoveel geleerd van mijn kind. Zijn vrolijkheid en optimisme, zijn nuchterheid en geduld, zijn doorzettingsvermogen en zijn sociale betrokkenheid bij de hele wereld hebben mij geïnspireerd en het beste in mij naar boven gehaald. Ik weet zeker dat hij een groter voorbeeld was voor mij dan ik voor hem. Ik ben een beter mens geworden dankzij mijn zoon.

Toen Mathias vijftien maanden oud was, werd zijn zusje Margot geboren. Vanaf die dag waren ze onafscheidelijk.

Mathias was een heel gewoon kind. Gewoon een leuk kind, geen speciaal kind zoals ouders van overleden kinderen weleens zeggen. Hij had geen bijzondere eigenschappen of talenten, hij was simpelweg ‘onze Mathias’, van wie we zielsveel hielden.

Als jongvolwassene had hij zich ontwikkeld tot een bijzonder mens. Een beetje een tovenaar. Iemand die anderen hielp, zijn glimlach cadeau gaf en overal waar hij kwam, een beetje geluk en energie achterliet. Een dromer met een groot hart en open armen. Iemand van wie je vanzelf ging houden. Zijn ouders, zijn zusje, zijn hond en zijn vrienden, maar ook zijn collega’s, reisgenoten, buren en iedereen die toevallig, kort of wat langer, op zijn pad kwam. Allemaal hielden we van Mathias. We zijn diep in ons hart geraakt door die bijzondere jongeman en zijn plotselinge dood.

Mathias was een makkelijk kind. Hij was sterk en gezond, doorliep de lagere school zonder problemen en had volop vriendjes, interesses en bezigheden. Hij was niet sportief of muzikaal, niet creatief of anders getalenteerd, maar spontaan, vrolijk en gemakkelijk in de omgang. We hebben nooit grote problemen met hem gehad, zelfs niet tijdens zijn puberteit. Hij was opmerkelijk taalvaardig, las graag en veel en kon op jonge leeftijd al duidelijk verwoorden wat hij dacht en voelde.

Opvallend was zijn speciale band met dieren. Of ze nu groot, klein, mooi, lelijk of zelfs eng waren, hij vond ze geweldig en zij hem en ze zwermden altijd om hem heen.

Honden waren zijn meest favoriete dieren. Hij had een hele verzameling hondenboeken en kende elk ras uit zijn hoofd. Elk dier was automatisch een vriendje voor Mathias en dat was wederzijds. Ooit vond ik hem, hij was een jaar of tien, volledig op zijn gemak, liggend tussen de enorme poten van een reusachtige jak, bij een circus ergens in Zuid-Frankrijk. Mijn hart sloeg een slag over en ik vroeg hem om voorzichtig op te staan en naar me toe te komen. Hij gehoorzaamde een beetje verbaasd. Hij kende geen angst voor dieren.

Het grootste obstakel in zijn ontwikkeling, naar mijn idee, was zijn ADHD. In de eerste klas van het middelbaar onderwijs kreeg hij wat leerproblemen, waardoor hij bij het CLB terecht kwam en zij ontdekten dat. Als jongvolwassene, was hij niet ‘over zijn ADHD heen gegroeid’ en worstelde hij er nog mee. Hij behoorlijk chaotisch in het dagelijks leven, had constant drukte in zijn hoofd, was ontzettend vergeetachtig en had totaal geen gevoel voor richting of tijd. Het was elke ochtend een klein drama om op tijd de bus naar school of werk te halen. Studeren bleek onmogelijk.

Tegelijkertijd had hij een fascinatie voor dingen die hem echt interesseerden: hij kon zich volledig vastbijten in een – alweer nieuwe – hobby, waar hij alles over wilde weten en een tijdlang gepassioneerd over was. Dat was leuk om te zien en vaak, ook voor ons, zijn familie, heel leerzaam. Honden, waterschildpadden, bonsaiboompjes, paddo’s, survivaltechnieken, kraken … Mathias wist het tot in detail en als hij iets niet wist, zocht hij het direct op. Zijn: ‘Wacht, effe googelen’, hoorden we dagelijks.

Zowel zijn vader en ik, als zijn leraren en de opvoeders van het internaat waar hij drie jaar verbleef, probeerden de voordelen van zijn ADHD te benadrukken, die waren er zeker. Hij zat altijd vol energie, was vindingrijk, hulpvaardig en gezegend met een sterk inlevingsvermogen voor anderen en hun emoties. Daarnaast had hij een heerlijk gevoel voor humor. Met Mathias was het leven nooit saai.

Hij straalde rust en vertrouwen uit naar andere mensen, vooral de mensen met een lichamelijke of mentale beperking voor wie hij zich dagelijks inzette. Waar chaos heerste, bracht hij kalmte, ook al was het in zijn eigen hoofd nooit rustig. Toch kende hij geen stress en maakte hij zich nooit zorgen om wat nog moest komen omdat het hoogstwaarschijnlijk anders zou uitdraaien. Hij kon je met een paar welgekozen woorden terug met je beide benen op de grond zetten wanneer je je te veel zorgen maakte, je je kalmte was verloren of wanneer je beren op de weg zag die er niet waren. En als die beren er wel waren, verjoeg hij ze voor je. Of hij werd vriendjes met de beren, dat kon ook.

Vanaf halverwege zijn tienerjaren ontwikkelde hij zich veel alternatiever dan zijn leeftijdsgenoten. Hij liet zijn krullenbos uitgroeien tot lange dreadlocks, werd op zijn 15de een overtuigd vegetariër (hij heeft nadien nooit meer een hap vlees gegeten), kreeg politieke interesses die vooral anarchistisch van aard waren en zette zich in voor milieu, mens en dier om de wereld beter te maken. Het begon vrij klein: hij was een enthousiaste en trouwe leider bij de KSA, hij hielp in een Spaans hondenasiel tijdens de schoolvakantie en koos voor de richting ‘Jeugd en Gehandicaptenzorg’ in het middelbaar onderwijs.

Het eindigde groots: hij werkte mee aan complete bouwprojecten in ontwikkelingslanden, had een verantwoordelijke baan in de gehandicaptensector en een eigen kraakpand in Melle.

Het leven met Mathias was een feest, letterlijk en figuurlijk. Geen tentfuiven of plaatselijke discotheken, maar free party’s onder een brug, festivals van Frankrijk tot Albanië en alles wat daarbij hoorde en eigenlijk niet bij hoorde. Experimenteren met drugs, af en toe stevig in de alcohol vliegen, bewust of onbewust trippen … Hij deinsde er niet voor terug. Hij zorgde er altijd voor dat hij zich goed informeerde voordat hij ergens aan begon en dat hij zich in een veilige omgeving bevond. Hij nam zijn verantwoordelijkheid voor zijn werk en vrienden zeer serieus. Hij verscheen nooit onder invloed op zijn werk. Nooit. Er waren dagen dat hij veel koffie nodig had, maar hij stond er altijd, ziekmelden kwam niet bij hem op.

Misschien had hij gewoon geluk, alles ging altijd goed. Tot die ene nacht het geluk hem in de steek liet.

In dit hartverscheurende en onbegrijpelijke verhaal weten wij, zijn ouders, zijn zus en zijn vrienden, absoluut zeker: het was een ongeluk, een domme vergissing die resulteerde in een tragedie.

Mathias was een ontzettend blije, levenslustige en positieve jongen die leefde met passie en die een duidelijke missie had: de wereld om hem heen een beetje mooier maken. Hij werkte met mensen met een verstandelijke beperking en nam deel aan vrijwilligersprojecten in het buitenland. Hij had massa's vrienden en stond altijd voor iedereen klaar met raad en daad en met een luisterend oor; hij liet nooit iemand in de kou staan.

Ann, de moeder van zijn beste maat, schreef op de kaart die ik na zijn dood van haar ontving: zijn laatste woorden aan mij waren: ‘graag gedaan’.

Dat is Mathias ten voeten uit. Hij betekende zoveel voor de mensen in zijn leven en hij besefte zelf niet eens hoeveel. Hij had geen idee hoe waardevol hij was, hij doolde maar wat rond, bezig de wereld een betere plek te maken, iedereen een beetje plezier te bezorgen en zelf het hardst te genieten. Hij had nog zoveel dromen en zijn leven had nog zoveel toekomst: hij zat altijd vol plannen en ideeën, wilde zoveel plezier maken, had zoveel liefde te geven en zoveel dierbaren om dat alles mee te delen. Hij heeft voluit geleefd: het leven was een avontuur waartegen hij volmondig ‘ja’ zei. Hij leefde het leven dat hij wilde leven.

Als ik Mathias met één woord moet beschrijven, is dat zonder twijfel: blij. Hij was zo’n blije jongen en hij maakte iedereen in zijn omgeving ook blij. Het was zo leuk om Mathias in ons leven te hebben; ik heb 26 jaar genoten van een geweldige jongen.

Ik heb hem altijd aangemoedigd in alles wat hij deed, hem de vrijheid gegeven om zijn eigen weg te gaan, hoe ver die ook van mij heen leidde. Ik bleef altijd vertrouwen in hem hebben: hij handelde nooit ondoordacht, bereidde alles zorgvuldig voor en zorgde er altijd voor dat hij volledig geïnformeerd was voordat hij aan iets nieuws begon.

Hij heeft me vaak bedankt voor het vertrouwen dat ik in hem stelde en de vrijheid die ik hem gaf. Hij wist dat ik er voor hem was als het nodig was en hij maakte daar vaak gebruik van. Hij was altijd dankbaar en nam mijn hulp – financieel, praktisch of emotioneel – nooit als vanzelfsprekend aan.

En altijd kwam de dag dat ik zijn vrolijke stem weer hoorde: ‘Hé mamaatje’ en dan vertelde hij vol enthousiasme en humor over zijn avonturen. Ik hing aan zijn lippen en was zo trots dat ik daar al mijn geluk uit haalde. Daar ben ik het meeste dankbaar voor: de trots die hij mij schonk. Het was een voorrecht om Mathias als zoon te hebben.

In de nacht van 23 november 2021 werd Mathias aangereden en was hij op slag dood.

Mathias, de jongen met de mooiste lach en de wijze ogen, was zo verminkt dat ik hem niet meer mocht zien. Hij is niet opgebaard, hij is niet meer thuis geweest, niemand heeft afscheid kunnen nemen. Er was alleen een gesloten kist.

En nu is er alleen leegte. Een geest van vreugde en vrijheid, een bron van liefde en energie, is uitgedoofd. De wereld heeft een tovenaar verloren.

3.Slecht nieuws

Maandagnacht 23 november 2021, rond half 4, gaat de deurbel een paar keer achter elkaar. We slapen vast en horen het niet meteen. Iemand bonkt hard op de voordeur, nu hoort Dimitri het en hij staat op. Ik merk niets en word pas wakker als hij naast het bed staat.

‘Wat doe je?’, vraag ik slaperig.

‘Ze staan op de deur te kloppen.’

Wat raar, dronken gasten zeker, denk ik in mijn halfslaap en ik haal mijn schouders op, Dimitri zal het wel afhandelen. Ik hoor hem de trap aflopen en de voordeur openen. Vanuit mijn bed kan ik, nu iets meer wakker, alles verstaan. Ik heb geen zin om op te staan, ik lig hier lekker warm.

‘Woont Lydia Bottenburg hier?’, hoor ik een mannenstem vragen.

‘Ja, maar ze slaapt’, antwoordt Dimitri een beetje geïrriteerd.

Nu spits ik mijn oren. Dit belooft niet veel goeds.

‘Is dat de moeder van Mathias Van de Wouwer?’, vraagt dezelfde stem.

Ik ben op slag klaarwakker. Dit gaat helemaal fout. Ze komen zeggen dat mijn kind dood is.

Ik spring uit bed, schiet mijn badjas aan en ga snel naar het toilet. Wanneer ik beneden kom, staan twee politieagenten in volledige uitrusting op mij te wachten in de living. Ze dragen kogelvrije vesten, zijn gewapend, hebben walkie talkies bij en elk een mondmasker op. Ze staan daar wijdbeens, kaarsrecht en bewegingloos, de duimen onder het vest gestoken. In de houding, klaar om het vreselijke nieuws te brengen.

‘Gaat u even zitten mevrouw’, zegt een van de agenten.

Ik gehoorzaam, maar voel mij wat opstandig worden; ik bepaal zelf of ik ga zitten.

‘We hebben slecht nieuws. Uw zoon Mathias was betrokken bij een auto-ongeval en hij heeft het niet overleefd.’

Hij zegt het op een droge, onbewogen toon. Er klinkt geen spoortje medeleven door in zijn stem.

Ja, ik wist al dat jullie dat kwamen zeggen, denk ik bij mezelf, maar het kan niet. Die twee idioten in hun gevechtstenue vergissen zich. Alleen andere mensen gaan dood in auto-ongevallen, niet mijn mooie, lieve jongen. En dat zeg ik ze duidelijk: ‘Het kan niet.’

‘Helaas wel, mevrouw.’

Ik bevries. Er gebeurt niets met mij: ik huil niet, ik roep niet, ik val niet flauw. Ik zit doodstil, mijn armen rond mijn middel, verdoofd. Dimitri legt een arm om mij heen, maar ik duw hem weg. Als ik dit heel hard ontken, dan is het gewoon niet waar.

Hoewel iedereen in deze koude, donkere kamer het blijkbaar gelooft, doe ik niet mee met hun domme ideeën.

‘Ik wil hem zien’ zeg ik. ‘Ik wil naar hem toe.’

‘Dat gaat helaas niet, mevrouw. U mag hem niet meer zien.’

Hoezo, mag ik hem niet meer zien? Het is mijn kind en ik beslis of ik hem zal zien of niet. Ik ben razend. Mijn kind. Van mij!

Meedogenloos zijn ze, die slechtnieuwsbrengers met hun kogelvrije vesten.

‘Vanaf half 12 kan u terecht bij de begrafenisondernemer. Hier zijn de gegevens. En hier heeft u een folder van Slachtofferhulp.’ En ze vertrekken.

Ze maakten er niet te veel woorden aan vuil, maar ja, hoeveel woorden bestaan er om een moeder het verlies van haar enige zoon te vertellen?

Ik huil nu een beetje, ik begrijp niet wat er gebeurt. Een paar uur geleden kreeg ik een appje van Mathias met een foto van een berg eten en gebroken glas op straat. Hij was gevallen met zijn fiets en al zijn boodschappen lagen verspreid over de straat. De bierglazen die hij als Sinterklaascadeautje voor Dimitri had gekocht, waren kapot. De flesjes Karmeliet ook. ‘Een Mattike doen’, noemden we zulke stoten. En nu is hij dood?

Tot nu toe liep alles in Matti’s leven op rolletjes. Hij was nooit ernstig ziek, zelfs zelden ziek. Ja, op zijn twaalfde kreeg hij de diagnose ADHD, dat verklaarde veel. Zijn chaotische koppeke en de concentratieproblemen werden plotseling duidelijk. Hij leerde ermee omgaan en nam een paar jaar medicatie: Relatine, Concerta, Strattera … Hij probeerde ze allemaal, met wisselend succes. Tijdens zijn reis naar Afrika, op zijn zeventiende, besloot hij resoluut te stoppen. Het paste niet meer bij hem.

Eén keer bleef hij zitten; in het vierde middelbaar. Grappig genoeg kwam hij daardoor in dezelfde klas als zijn zus terecht, wat handig bleek voor Matti; Margots agenda was altijd in orde, die van hem zelden. Dat jaar slaagde hij weer niet, maar het maakte niet meer uit; hij veranderde van school, hij had zijn roeping gevonden: gehandicaptenzorg. Dat was wat hij wilde en dat was wat hij de rest van zijn leven deed.

Ik herinner me één angstaanjagend moment, een moment waarop ik vreesde voor het leven van mijn kind: 18 augustus 2011. Die dag vertrok Mathias naar Pukkelpop – met veel bagage en nog meer goesting – samen met de maten van Hoogstraten: Thibault, Pieter (de later succesvolle muzikanten van de band Equal Idiots), Sam en een paar jongens waarvan ik de naam ben vergeten.

Iets na zes uur die avond brak een hevige storm los boven de festivalweide. De wind was zo krachtig dat bomen omvielen, zware tenten instortten en mensen in paniek elkaar omverliepen op zoek naar een veilige plek. Mathias raakte zijn vrienden kwijt in de chaos en moest zichzelf zien te beschermen. Gelukkig was hij slim genoeg om niet in een tent te gaan staan of te schuilen onder iets dat kon instorten.

Ik hoorde het nieuws op de radio en belde met de moeder van Thibault. Ze stelde voor dat we naar haar huis zouden komen om samen op nieuws te wachten. Haar man was onderweg naar de festivalweide om te kijken of hij de jongens kon vinden. Margot en ik zaten urenlang bij haar thuis te wachten en hoopten op contact met onze jongens. Door de overbelasting van het netwerk was telefonisch contact onmogelijk. We konden alleen voor de tv zitten en naar de livebeelden kijken, terwijl we probeerden contact te houden met Thibaults vader. We waren bezorgd en een beetje bang.

Tegen elf uur die avond kreeg ik Mathias aan de lijn: de storm was gaan liggen, hij was veilig. Hij wilde die nacht per se in zijn tent op de festivalweide blijven en de volgende ochtend met de trein terugkomen. Ik liet hem zijn gang gaan, hij moest het op zijn eigen manier oplossen; hij was tenslotte 16 jaar oud.

De volgende dag kwam hij thuis met de helft van zijn bagage, onder de modder en op blote voeten. Hij was emotioneel aangedaan en diep onder de indruk van al het leed dat hij had gezien. Wekenlang sprak hij erover. Er waren vijf mensen overleden en vele anderen waren zwaargewond geraakt. Het was angstaanjagend, maar toch wilde hij blijven. Ik begreep dat.

Het is 4 uur. Nu moet ik eerst Margot bereiken om haar te vertellen dat haar broer dood is. Ik weet dat ze niet alleen is, Gaétan, haar vriend, is bij haar, ik durf wel te bellen.

Ze neemt direct op: ‘Mama, wat is er?’ In haar stem klinkt paniek door. Gelooft zij het ook?

‘Het is Matti’, kan ik nauwelijks uitbrengen.

Haar angstige ‘neeee’ snijdt me door merg en been. Zij gelooft het ook.

‘We komen er nu aan’, zegt ze.

Drie kwartier later zijn ze er. Twee jonge mensen, bleek en stil, de verbijstering is af te lezen van hun gezichten. Ze zien er compleet verslagen uit.

Margot komt naast me zitten en pakt me stevig vast: ‘Mama, ik ga er duizend procent voor jou zijn, jij hoeft dit niet alleen te doen.’

Ze huilt. Ik niet, ik ben verdoofd. Of misschien huil ik wel, ik weet het niet meer.

We vertellen ze wat we tot nu toe weten, maar dat is niet veel. Het schijnt dat Mathias op de snelweg liep en daar is aangereden. Hoe dat kon? We hebben geen idee.

Dimitri belt met de politie van Gent, hij wordt een paar keer doorverbonden en krijgt uiteindelijk een agent van de dispatch aan de lijn die de melding van een passant vannacht heeft ontvangen en die de camerabeelden gezien heeft. Hij vertelt dat hij op die beelden iemand over de snelweg zag wankelen en zwalpen en dat er een hond bij leek te zijn.

‘Zwalpen’ dat woord blijft me bij. Dat kan betekenen dat Mathias niet nuchter was. Alcohol? Drugs? Het is mogelijk, maar het verbaast me. Het is een gewone doordeweekse avond, hij was vandaag op zijn werk. Waarom zou hij zoiets doen? Ik begrijp er niets van.

Wat nu? Het is inmiddels bijna 6 uur.

Patrick! Oh God, ook zijn kind is dood, realiseer ik me plotseling. Zou hij al op de hoogte zijn gebracht? We kunnen hem moeilijk bellen om dat te vragen. Stel je voor dat hij nog niets weet. Maar hij woont 60 kilometer hier vandaan in Haacht. Alleen in dat grote huis van zijn moeder voor wie hij zorgde totdat ze in juli overleed. Mijn hart gaat naar hem uit, ik voel een diep medeleven opborrelen. We moeten hem steunen, proberen er voor hem te zijn.

Patrick en ik kenden elkaar vier maanden toen ik, in de nazomer van 1994, ontdekte dat ik zwanger was. Het was min of meer gepland, misschien niet zo snel. Dat dat een beetje onverstandig was begrepen we pas achteraf, we waren verliefd en gelukkig.

Patrick was tien jaar ouder dan ik, hij was 35 jaar en de oudste van zes kinderen. Zijn broers en zussen hadden al voor nageslacht gezorgd en hij wilde niet achterblijven. Hij verlangde naar een eigen gezin, liefst een groot gezin. Hij kwam uit een moeilijke relatie, was opnieuw gaan studeren om zijn leven een andere wending te geven en gaf bijles Frans om zijn studie te bekostigen.

En zo kwamen we op elkaars pad: leerling en leraar Frans. Ik viel als een blok voor die grote, knappe man met zijn zwarte krullen en zijn prachtige Frans. Het feit dat Patrick werkloos was en nog studeerde, en dat ik zelf, zoveel jonger dan hij, weinig levenservaring had en nooit van plan was geweest om langer dan een jaar of twee in België te blijven – ik ben in Nederland geboren en opgegroeid – ach, het zou wel goed komen, dachten we. We huurden de benedenverdieping van een oud herenhuis in het centrum van Antwerpen. Het was zomer, de wereld lachte ons toe en wij lachten terug.

Patrick zocht gemotiveerd naar werk, maar vond alleen wat tijdelijke vertaalopdrachten bij een bank. Mijn ouders regelden wat meubels voor ons en ik werkte intussen te lange dagen voor te weinig geld.

Het was moeilijk en ondanks dat het min of meer goed kwam, had de stress die dat met zich meebracht, een grote impact op onze relatie en op mijn zwangerschap. Vanaf de zesde maand moest ik verplicht rust nemen en platliggen. De dermatologenpraktijk waar ik op dat moment werkte, sloot resoluut zijn deuren voor mij: er was geen plaats voor een zwangere assistente. Ik zat zonder werk. Nog meer stress.

Op Driekoningen trouwden we in kleine kring: de sneeuw lag een halve meter hoog in Antwerpen, niemand was op tijd in het stadhuis en de plechtigheid begon twee uur later dan voorzien. Het maakte niet uit, we waren samen. Onze huwelijksreis was een weekendje Parijs, dat was genoeg voor ons.

Tegen het einde van de zwangerschap was alles min of meer geregeld en kwam er eindelijk wat rust. Alle controles waren goed; we waren in blijde verwachting van ons nieuwe leven. Helaas bleek, zodra de winter aanbrak, dat de gezellige benedenverdieping met kamers van vijf meter hoog en één gaskachel, alleen lekker warm was tegen het plafond: beneden kwamen de wind en de sneeuw onder de oude terrasdeuren door. Het was geen ideale woning voor een baby en een moeder die binnen zes maanden opnieuw zwanger was.

Het laatste huis waar Mathias woonde in zijn veel te korte leven, heeft ook hoge kamers en slechte ramen, waar de wind doorheen blaast. En ook nu is de winter koud, ook al is het pas eind november.

We besluiten naar Haacht te rijden om Patrick zelf te vertellen wat er is gebeurd; dat zijn kind is verongelukt. We kleden ons warm aan, met stevige schoenen, dikke winterjassen en sjaals. Het is koud en ik kan mezelf niet opwarmen, ik voel mij vanbinnen bevroren. We nemen een fles water en wat koeken mee voor onderweg.

Gaétan gaat terug naar Antwerpen om aan zijn werkdag te beginnen. Margot zal straks haar werk bellen om te laten weten dat ze vandaag niet kan komen. Ik moet om 12 uur beginnen met werken en het is 7 uur geweest. De ploeg van de vroege shift is er al, ik zal straks contact opnemen met de leidinggevende. Regelen … dat is het enige wat we nu kunnen doen, het enige wat ons houvast geeft.

Dimitri rijdt, Margot zit achterin en tijdens de rit praten we over het ongeluk. We herhalen keer op keer de paar details die de agenten bij ons thuis hebben verteld en de aanvulling daarop via de telefoon van de agent in Gent. Wat is er gebeurd? Wat deed Mathias daar? Hoe is hij daar terechtgekomen? Hij was blijkbaar samen met zijn hond Baloo. Was Baloo ontsnapt en ging Matti achter hem aan? Het is moeilijk te begrijpen hoe dat kan, hoezeer we ook ons best doen om er iets zinnigs van te maken.

Om half 8 ontvang ik een sms van Patrick: Veel sterkte Lydia. Dit komt heel hard aan. Hij weet het dus ook. Hij is vast in shock: twee ouders die net hun kind hebben verloren en dan zo’n sec berichtje …

Margot belt om te zeggen dat we onderweg zijn naar hem. Hij reageert nauwelijks.

Als we aankomen bij het huis van mijn ex schoonmoeder, het huis dat ik zo goed ken, maar waar ik nog zelden kom, staat de voordeur open. We gaan binnen en vinden Patrick in de keuken. Hij heeft Corona. Hij is ziek, koortsig en inderdaad in shock.

Rond 6 uur vanmorgen is er een agente bij hem geweest met die afgrijselijke mededeling. Zijn boodschapster was empathisch en heeft rustig verteld dat zijn zoon is verongelukt. Daar ben ik dankbaar voor, een vader alleen …

‘We komen je halen, we gaan samen naar Melle, naar Matti’s huis, om te zien wat we daar vinden.’

Hij knikt dat het goed is en reageert volledig gelaten op alles.

‘Maak eerst wat koffie’, zeg ik tegen hem. Dat doet hij, traag en afwezig.

We drinken een kop koffie, hij wil niet eten. Met sjaal, muts en mondmasker zit hij aan de keukentafel. Het is er koud en vuil.

Deze plek heeft altijd iets magisch gehad voor mij. Het grote huis in het midden van de oude tuin, gebouwd in de jaren vijftig van de vorige eeuw, destijds heel modern en nu nog altijd chic, maar al jaren verwaarloosd, herbergt een schat aan herinneringen.

Mijn schoonmoeder heeft, in de zestig jaar dat ze er woonde, eerst zelf zes kinderen grootgebracht. Later ontving ze haar vijftien kleinkinderen, hun ouders en talloze vrienden en bekenden gastvrij en verzorgde ze hen met liefde. De deur stond altijd open, iedereen was welkom en je vond er altijd een vleugje magie, een beetje inspiratie of een stukje moed en in ieder geval een hapje eten. Er was altijd muziek. De oude vleugelpiano heeft geen dag stilte gekend. Er waren ontelbare boeken, kunstvoorwerpen en souvenirs van reizen en van mensen die al lang niet meer leefden. Te midden van dat alles zat Mamie, altijd vol verhalen, declamerend, vertellend en pianospelend; het was er nooit stil.

Nu wel. Alleen Patrick woont er nog, maar ook hij zal binnenkort vertrekken. Het huis wordt verkocht en deze plek zal voorgoed verdwijnen.

We gaan nu snel naar Melle. Ik word onrustig, ik wil naar mijn kind toe. Vader en dochter zitten achterin, Patrick houdt zijn mondmasker op. Het is stil in de auto, we zijn elk in onze eigen gedachten verzonken. Wat valt er te zeggen? Hoe erg het is? Dat we het niet begrijpen?

Ik heb één allesoverheersend gevoel: hoop. Daar focus ik mij op. Ik hoop zo hard dat het één groot misverstand is en dat we Matti straks gewoon thuis aantreffen. Hij slaapt vast nog.

4.Margot

Op 13 juli 1996 werd onze dochter Margot geboren in Antwerpen, het enige en liefste zusje van Mathias.

Margot heeft haar broer verloren en in één harde klap is ze ook enig kind geworden. Ze zegt zelf: 'Ik had mijn broer bij me tijdens de belangrijkste jaren van mijn leven.' Ik vind dat prachtig. Het troost me en stelt me gerust, maar het doet me ook zoveel pijn dat ze haar broer moet missen. Voor de rest van haar leven zullen er gebeurtenissen zijn die ze niet meer met hem kan delen. Ze zullen elkaar nooit hoeven herinneren aan verjaardagen en Moederdagen, nooit samen overleggen over een cadeau. Ze zullen geen tante en oom worden, geen familiefeestjes, Kerst of Sinterklaas samen vieren. Ze kunnen elkaar nooit om advies vragen, ze zullen nooit samen mijn begrafenis regelen ... Alle jeugdherinneringen en flauwe familiegrapjes die broer en zus verbinden en waar ze samen om lachen en huilen: Margot is ze kwijt en zal het voortaan alleen moeten doen.

Ik ben zelf enig kind en heel vaak in mijn leven heb ik me daardoor eenzaam gevoeld. Op cruciale momenten in je leven – vaak de moeilijke: het ziekbed of het verlies van je ouders, een scheiding, het overlijden van een dierbare (ik durf niet eens te denken aan het overlijden van een kind, dat mag mijn dochter nooit overkomen) of juist de mooie momenten: geboortes en feesten – is het zo'n gemis om geen broer of zus te hebben om dat te delen.

Margot was als kind verlegen en teruggetrokken, heel anders dan Mathias, die juist heel sociaal was, makkelijk vriendjes maakte en totaal niet verlegen was. Hij sleepte haar mee, gaf haar het goede voorbeeld en gaf haar dat kleine duwtje in de rug dat ze zo nodig had. Hij was haar beschermer en verzorger.

Zij was een maand of negen, hij net twee jaar, ze zaten beiden in hun kinderstoelen aan de keukentafel, waarop het eten al klaarstond. Margot huilde omdat ze honger had en mama liet op zich wachten. Mathias begon spontaan zijn kleine zusje lepeltjes eten te geven, wat hem prima lukte.

Wanneer Margot een standje van mij had gekregen, kwam hij altijd voor haar op: 'Niet boos zijn op Margot, mama.'

Twee jaar voor zijn dood, toen hij op het punt stond om weer naar Israël te vertrekken na twee weken thuis in België – hij woonde op dat moment daar met Lilu, zijn Israëlische vriendin – en het afscheid met zijn zus een beetje gehaast en koel verliep, merkte ik ironisch op dat het wel een innig momentje was. Hij antwoordde dat hij zijn zusje heel lief vond en dat hij veel respect had voor alles wat ze deed. ‘Ik zal Margot altijd beschermen’, zei hij.

Ik kreeg er toen al tranen van in mijn ogen en nu nog. Waar vind je zo iemand nog, als je broer dat niet meer voor je kan doen?

Mathias ging altijd een stapje verder dan zijn zus in alles wat hij ondernam: zijn bestemmingen lagen verder weg, zijn reizen duurden langer – maar kostten minder – en brachten hem vaak in extreme omstandigheden, die hij telkens met zijn grote optimisme en onuitputtelijke energie het hoofd bood. Zijn feesten waren heviger, zijn vriendschappen en verliefdheden intenser en zijn levenspad veel alternatiever dan waar Margot – of ik – ooit van had durven dromen.

Margot doet het ongelooflijk goed nu. Ze staat honderd procent voor mij klaar en slaagt erin een goede balans te vinden tussen het toelaten van haar verdriet en volop genieten van het leven. Ze heeft een prachtig leven met een fijne relatie, een boeiende baan en een hele groep geweldige vrienden en vriendinnen die haar oprecht tot steun zijn. Ze woont samen met Gaétan in Antwerpen en zorgt met liefde en toewijding voor Mathias' hond Baloo; ze sparen kosten, noch moeite voor dat lieve beestje.

Margot liet een klein regenboogje op haar pols tatoeëren als levenslang aandenken aan haar broer. De grote broer, die ze vandaag nog altijd trots wil maken op zijn kleine zusje. Margot grijpt, een jaar na Matti’s dood, nog naar haar gsm om aan haar broer te vragen of ze het goed doet met Baloo of om die leuke foto van zijn hond met hem te delen.

Ze slaagt erin mij te laten voelen dat ik er nooit alleen voor sta, dat ik altijd bij haar terecht kan en ze weet altijd de juiste woorden te vinden om mij rust te brengen wanneer ik overmand ben door verdriet, machteloosheid of frustratie. Ze is zo overtuigd dat Matti's dood een tragisch ongeluk was, iets wat hij nooit heeft gewild of gezocht, dat ze geen moment twijfelt. Dat geeft mij rust en vertrouwen, zelfs als mijn eigen onzekerheid me doet denken dat ik meer had kunnen doen om zijn dood te voorkomen, dat ik alerter had moeten zijn op signalen of tekenen, strenger had moeten zijn in de opvoeding of bij duizend andere momenten waarop ik denk: had ik maar ...

Laatst zei ze tegen me: ‘Mathias durfde zo avontuurlijk te leven omdat hij wist dat hij altijd op jou kon rekenen.’

Ik wil mijn dochter niet te hard belasten met mijn hartzeer. Ik waak ervoor dat ik haar nooit het gevoel geef dat ze verantwoordelijk is voor mijn welzijn, dat ze verplicht is mij aandacht te geven of voor mij te zorgen. Ik heb zelf ervaren met mijn eigen moeder, die niet alleen kon zijn, hoe verstikkend dat kan zijn.

Ergens las ik over iemands broer, die jaren geleden was overleden, hij zei dat het verdriet om de overleden zoon altijd zwaarder woog bij zijn ouders dan het geluk om de levende zoon. Dat wil ik vermijden. Margot is mijn troost, mijn inspiratie en mijn belangrijkste bestaansreden. Margot is mijn geluk.

Mijn sterke dochter, die zo indrukwekkend sprak tijdens de uitvaart, die haar broer zo treffend beschreef en de woorden wist te vinden die haar voor altijd met hem verbinden.

Simpel toch: ‘Je suis Mathias, je peux jouer avec vous?’ Dat was jouw antwoord toen ik je op vakantie in Frankrijk vroeg hoe je zo gemakkelijk vriendjes kon maken. Met grote ogen keek ik naar jouw zelfvertrouwen. Dat had ik niet. Ik was zelfs te verlegen om een ijsje te bestellen. Gelukkig was jij er om mee te gaan. Je nam me overal mee naartoe en sleepte me uit mijn comfortzone.

Natuurlijk konden we elkaar in de haren vliegen, zoals dat tussen elke zus en broer gaat, maar tussen het trekken en het spelen, het huilen en het lachen, waren wij twee handen op één buik. Onze band was enorm sterk.

Naarmate de jaren verstreken, ontwikkelden we beiden andere interesses. Onze leefwerelden groeiden uiteen. Jij koos voor dreadlocks, ik voor een stijltang. Jij voor verre reizen, ik voor studies dichter bij huis. De paden die jij bewandelde waren niet de meest conventionele, maar je vertrouwde altijd op je gevoel en je intuïtie. Het liet je nooit in de steek. Dat maakte jouw leven zo mooi en bijzonder.

Ik ben heel dankbaar dat ik een paar stukjes van jouw leefwereld mocht ervaren. Het mooiste was de reis naar Nepal waar ik met mama jou en je project bezocht. Om bij jullie kamp te komen, hebben mama en ik 24 uur op een bus vanuit Kathmandu gezeten. We hadden de keuze tussen een gammel busje waarin we tussen de kippen en geiten zouden zitten of een 'moderne bus' waarin de kippen en geiten in de kofferbak zaten. Mama en ik betaalden wat extra roepies voor de laatste optie. Jij koos natuurlijk voor de eerste. Niets schrok jou af. Niets was te uitdagend voor jou.

Ik was zo trots om te zien hoe vlot jij in het Nepalees contact maakte met de locals en mij en mama aan heel het dorp voorstelde. ‘Namastē Didī, Yō mērō bahinī ra āmā hō.’ Ik voelde me weer dat kleine zusje dat vol bewondering naar jou opkeek.

De laatste keer dat we samen waren, begin oktober, kwam je Gaétan en mij helpen verhuizen. Ik herinner mij dat je je autosleutels, die je altijd trouw aan een koord rond je nek droeg, afdeed omdat ze in de weg zaten. Toen ik je ‘s avonds met de auto wegbracht tot aan je busje buiten de LEZ-zone, realiseerde jij je natuurlijk dat jouw sleutels nog bij mij thuis lagen. Hop, helemaal terug. Lachend, maar lichtjes geïrriteerd zei ik: ‘Allee, ge hebt weer een Mattike gedaan seh.’

Nu ben ik blij dat je je sleutels was vergeten en we dat half uurtje langer hebben kunnen babbelen.

Daarna hebben we elkaar niet meer gezien. Ik wou dat het anders was, maar zo gaat de tijd nu eenmaal. Ik had je nog een etentje beloofd als bedankje voor je hulp, maar de drukte van het leven haalde ons in. Het bleef bij wat telefoontjes en berichtjes over en weer.

Tot dinsdagnacht, dat ene telefoontje van mama.

En plots bevriest de tijd. De grond onder onze voeten lijkt te zijn verdwenen.

Matti, je was altijd op zoek naar het hoogste geluk, maar helaas raakte het geluk jou even kwijt.

Ik weet dat stilstaan niet goed is, dus ik probeer in beweging te blijven. Ik probeer te groeien en te leren, geïnspireerd door wie je was en wat je me hebt geleerd. Misschien ben ik klaar voor een nieuw begin, vandaag nog niet, maar morgen misschien.

Ik ga je missen Matti. Je blijft voor eeuwig mijn grote broer, mijn grote held, mijn grote voorbeeld. Ik ben zo trots op jou.

Dankjewel dat je de wereld een stukje mooier hebt gemaakt. Ik hou van jou.

En ik van jou, schat.

5.Op zoek

De files vallen mee; binnen een uur zijn we in Melle. Margot komt vandaag voor het eerst hier, Dimitri en ik waren hier twee weken geleden op zondagmiddag, ook voor Dimi was het toen de eerste keer. Voor ons beiden was het de laatste keer dat we Mathias gezien hebben. Patrick is ook bij Mathias op bezoek geweest, een paar weken geleden.

Het hek aan de inrit van de grote tuin is gesloten, ik ken de cijfercode van het slot, die had Mathias me gegeven de eerste keer dat ik hier kwam; we raken makkelijk binnen. In de verte horen we Baloo blaffen.

Baloo is Matti's trouwe hondenvriend en zijn reisgenoot sinds zes jaar. Die twee hebben heel wat avonturen beleefd met elkaar. In de jaren dat Matti zijn baasje was, hebben ze samen dertien landen bezocht!

In december 2015 zocht Mathias een zinvolle en liefst plezante bezigheid om zijn kerstvakantie mee te vullen. Hij was geen jongen voor de kerstdis en het luieren, hij ging liever op avontuur. Hij had maar twee weken vakantie, dus het mocht niet te ver weg zijn. Zo kwam hij met dat plan om te helpen in een hondenasiel ergens in Zuid-Spanje in de buurt van Malaga. Hij was dol op honden en vond het prima om twee weken lang bergen stront te scheppen te midden van oorverdovend geblaf. En of ze daar blij waren met zijn hulp! Hij legde leuke contacten en had een toffe tijd.

‘Je brengt geen hond mee naar huis hoor’, had ik streng tegen hem gezegd voor zijn vertrek. ‘We hebben er al twee.’

Hij beloofde plechtig dat hij dat niet zou doen, maar rond de derde dag begonnen de berichtjes en de foto’s binnen te stromen … Baloo, die nog Witvoet heette, was zo lief en zo braaf, de leukste hond ooit. Matti zou goed voor zijn hondenvriendje zorgen, alle kosten op zich nemen en ik zou er geen last van hebben. ‘Please, please mama, mag het?’

Ik ging overstag; waar plaats voor twee is, is ook plaats voor drie.

En op kerstavond postte Mathias op Facebook:

Van zwerven rond het vliegveld van Malaga en zoeken in vuilnisbakken naar eten, naar een hokje van twee vierkante meter. Je kreeg elke dag je bakje voer en vers water, maar je keek zo hard uit naar een baasje om mee op stap te gaan. Wel, hier ben ik! Vanaf nu is het niet meer 'ik' maar ‘wij’, niet 'mij', maar 'ons'. Ik beloof plechtig dat ik er altijd voor je zal zijn, lieve vriend.

We rijden de lange oprijlaan over, zo’n 100 meter tot aan het huis waar Matti met een paar vrienden in juli is gaan wonen. Het oude gebouw, dat jaren geleden onbewoonbaar werd verklaard, was ooit het jachthuis dat behoorde bij het kasteel van Melle. Van het kasteel is niets meer over, het werd tijdens de oorlog platgebombardeerd. Er staat nog een klein stukje muur overeind en hier en daar zie je een deel van een oud hek tussen de bomen, ooit prachtig smeedwerk, nu verroest en overwoekerd door klimop en andere planten. Het park rondom het kasteel, inclusief de slotgracht, bestaat nog wel. Ondanks dat het uitgestrekte terrein – 38 hectare groot – grotendeels overwoekerd is door bramenstruiken en onkruid, kun je zien dat het ooit een prachtige parktuin was. Verschillende soorten bomen, rododendrons en heesters omzoomden de brede lanen, die je kunt ontdekken als je door de dichte begroeiing heen kijkt. Het jachthuis is een villa, gebouwd aan het einde van de 19e eeuw in eclectische stijl, met grote hoge kamers verdeeld over drie verdiepingen en een scherp puntdak met torentjes.

De deur van de erker staat open, boven in Matti’s kamer brandt licht. Baloo rent rondjes door de tuin en blaft onophoudelijk. Hij begroet ons blij en zenuwachtig. Ik vlieg naar binnen en loop zo snel als ik kan door het hele huis. Er is niemand. Niet beneden, niet boven.

Met een schok realiseer ik me dat ik Mathias had verwacht, maar er is niemand hier, alleen de hond.

We lopen samen nog een keer door het hele huis, maar alle kamers zijn leeg, ook Matti’s kamer. Zijn schoenen liggen onder tafel, zijn koplampje ligt erop. Zijn laptop staat nog aan, ernaast een halfleeg flesje Karmeliet. Blijkbaar waren niet alle flesjes gebroken gisterenavond bij zijn val met de fiets. In het stopcontact naast zijn bed zit zijn telefoon, maar de oplader is niet goed aangesloten en de telefoon is niet opgeladen. Zijn bed is onbeslapen, zelfs keurig opgemaakt, iets wat hij thuis nooit deed. De hele kamer is opvallend netjes, het verbaast me.

Het is hier koud, er hangt een kille vochtigheid in de lucht, die me doet huiveren, alles om mij heen voelt leeg en onwerkelijk. Er klopt iets niet, er is iets heel erg mis.

Naast de laptop ligt een klein zakje met een beetje wit poeder, met de tekst Etizolam erop. En er staat: NOT FOR HUMAN CONSUMPTION met een vet zwart kader eromheen, gevolgd door: 18+ not for sale to anyone under 18. Dat klinkt niet geruststellend. Margot stopt het zakje in haar handtas. We moeten uitzoeken wat het is.

Wat nu? Het is duidelijk dat Mathias halsoverkop vertrokken is. Heeft hij zelfs zijn schoenen niet aangedaan en het koplampje niet opgezet? Maar hij had natuurlijk meerdere schoenen en koplampjes lagen er ook genoeg in huis. Omdat er geen verlichting rondom het huis is en zeker niet in het grote bos erachter, hebben alle huisgenoten van die koplampjes, die je toelaten wat licht te hebben in het donker en je handen vrij te houden.

Waar moeten we beginnen met zoeken?

‘De Chateau?’ opper ik. Zo noemen ze het kraakpand van de buren, een groot en oud kantoorgebouw een stuk terug in de straat, waar al zeven jaar, met toestemming van de eigenaar, een groep krakers verblijft met wie Mathias intussen bevriend was geraakt. Komend voorjaar moeten zij het gebouw verlaten, de meesten leven in vrachtwagens rondom de gebouwen. Een aantal bewoners verhuist dan naar nummer 5, het huis waar Matti nu woont.

Matti zag het al voor zich: die vrachtwagens zouden op het terrein rondom zijn huis komen te staan. Het kon alleen maar toffer worden: hoe meer zielen, hoe meer vreugde! Hij had het me aangewezen tijdens mijn eerste bezoek: ‘Daar halen we die bramenstruiken weg, dat wordt één open vlakte waar de vrachtwagens komen staan.’

Op een maandag in oktober ging ik alleen naar hem toe, we hadden allebei een vrije dag. Voor de eerste keer sinds hij er in juli ingetrokken was, kwam ik zijn huis en zijn bos bewonderen. Hij gaf me een rondleiding door het huis, van beneden tot op de zolder. Het zag er aardig uit; ruim en licht, maar het geheel verkeerde in erbarmelijk slechte staat. Dat vond ik, voor alle duidelijkheid; hij vond dat niet. Matti zag geen obstakels, alleen mogelijkheden. Zo is hij altijd geweest.

Ik deed oprecht mijn best om blij voor hem te zijn en het leuk te vinden. Ik oordeel nooit over de levenshouding van mijn kinderen, maar ik vond het moeilijk om het te waarderen; ik zag het gebrek aan comfort: geen stromend water, geen centrale verwarming en de winter stond voor de deur. Maar ik zag hoe blij en trots hij was en dat stelde me gerust.

Ik had een lekkere lunch voor ons beiden meegenomen: salade, brood, kaas en twee flesjes bier. We zaten gezellig samen in de erker te eten. Ik vond het behoorlijk koud, maar hij had nergens last van en gaf me zijn gewatteerde hemd om over mijn kleding te dragen. ‘Ik ben opgegroeid in Haacht, ik ken geen kou’, zei hij altijd, verwijzend naar het grote huis van zijn grootmoeder, die zo zuinig leefde dat er nauwelijks werd verwarmd.

Na het eten maakten we een grote wandeling door het prachtige bos achter het huis. We probeerden in te schatten hoe groot het was, maar het begrip ‘hectaren’ was voor ons allebei te abstract. We liepen langs de rand van het domein om een idee te krijgen van de totale oppervlakte. Het lukte niet, de begroeiing was op veel plaatsen te dicht om doorheen te komen. Later stuurde hij screenshots van Google Maps: we hadden een groot deel niet ontdekt.

Het was een droge en zonnige herfstdag. Ik maakte een foto van hem in het bos. Hij staat er stoer op, met zijn benen een beetje gespreid, de armen over elkaar, een trotse blik. 'Een echte grootgrondbezitter', grapten we samen. Het werd de laatste foto die ik van mijn zoon nam. Helaas is het een typische foto van mij: als ik inzoom zijn de blaadjes van de bomen scherp, Matti staat er een beetje wazig op.

Het maakt me verdrietig: mijn laatste kans en ik heb het verprutst. Na zijn dood vond ik foto's van mezelf op zijn telefoon, op hetzelfde moment genomen. Ze waren haarscherp.

Nu staan we daar met zijn vieren in dat koude, lege huis: Dimitri en ik, Patrick en Margot. We hebben geen idee wat we moeten doen en besluiten na overleg om bekenden van Matti te zoeken die ons hopelijk meer kunnen vertellen over wat er afgelopen nacht is gebeurd.

We nemen Baloo mee in de auto en rijden de oprijlaan weer af en de weg op tot aan de Chateau op nummer 2a. We kloppen aan bij elke vrachtwagen die er geparkeerd staat, maar niemand doet open. Alles is donker in het gebouw en de grote glazen voordeur is gesloten. Is hier ook niemand? Dat is vreemd.