Jo Mattens (1925-2023) - Wim Hendrikse - E-Book

Jo Mattens (1925-2023) E-Book

Wim Hendrikse

0,0

Beschreibung

Jo Mattens groeide op in een eenvoudig, gelovig gezin in Zuiddorpe. Ze had er toen nog geen idee van dat ze ooit onder moeilijke omstandigheden medische ingrepen zou verrichten bij de primitieve bevolking van onderontwikkelde landen. Jo had een katholieke, gelovige achtergrond. Het was niet verwonderlijk dat ze zich in 1959 aanmeldde om als zuster, verbonden aan de katholieke missie, te gaan werken in het buitenland. Na tien jaar in Ghana koos ze in 1969 voor het moeilijk bereikbare binnenland van het pas gevormde land Territorium Papoea en Nieuw-Guinea, waar een deel van de inheemse bevolking nog nooit een blanke had gezien. In 1980 vond Jo een nieuwe uitdaging in het verbeteren van de medische ondersteuning van de Aboriginalgemeenschap in het Australische Lombadina. Jo Mattens had een ontmoeting met Kardinaal Wojtyla, die later zou worden ingewijd als Paus Johannes Paulus II. Ze vloog mee met de Flying Doctors, verbleef bij Moeder Teresa in Calcutta, werkte en woonde onder primitieve omstandigheden in de bush en reisde over de hele wereld naar de meest afgelegen plaatsen. Het levensverhaal van Jo Mattens, opgetekend aan de hand van haar dagboeken, leest als een avonturenroman.

Sie lesen das E-Book in den Legimi-Apps auf:

Android
iOS
von Legimi
zertifizierten E-Readern
Kindle™-E-Readern
(für ausgewählte Pakete)

Seitenzahl: 474

Veröffentlichungsjahr: 2024

Das E-Book (TTS) können Sie hören im Abo „Legimi Premium” in Legimi-Apps auf:

Android
iOS
Bewertungen
0,0
0
0
0
0
0
Mehr Informationen
Mehr Informationen
Legimi prüft nicht, ob Rezensionen von Nutzern stammen, die den betreffenden Titel tatsächlich gekauft oder gelesen/gehört haben. Wir entfernen aber gefälschte Rezensionen.



Jo Mattens (1925-2023) Wereldreiziger in dienst van de missie

Jo Mattens (1925-2023) Wereldreiziger in dienst van de missie

Wim Hendrikse

Auteur: Wim Hendrikse

Coverdesign: Wim Hendrikse

Foto’s: Privé-collectie van Jo Mattens

Fotobewerking: Marie-Christine van Vooren

ISBN: 9789403742854

© Wim Hendrikse

Inhoud

Voorwoord

Het gezin Mattens

Jeugdjaren 1925 - 1934

Jeugdjaren 1935 - 1939

Medische ervaring opdoen 1940 - 1958

Ghana 1959 - 1961

Ghana 1962 - 1969

Naar Territorium van Papoea en Nieuw-Guinea 1969

Eerste jaar in Territorium van Papoea en Nieuw-Guinea

Het eiland Kaliai, december 1969

Territorium van Papoea en Nieuw-Guinea 1970 - 1971

Territorium van Papoea en Nieuw-Guinea 1971

Een rondreis van twee maanden

Territorium Papoea-Nieuw-Guinea 1972

Territorium Papoea-Nieuw-Guinea 1972 - 1973

Papoea-Nieuw-Guinea 1973 - 1974

Rondreis door Papoea-Nieuw-Guinea, augustus/september 1975

Nadenken over mijn toekomst 1977

Via Bangkok en Kenia naar Nederland 1978

Landor 1978

Een nieuw visum en eilandhoppen

Laatste jaren in Papoea-Nieuw-Guinea 1978 - 1979

Definitief afscheid van Papoea-Nieuw-Guinea 1979

Bij Moeder Teresa in Calcutta, juni/juli 1979

Nederland 1979

Ontmoeting met de Paus en weerzien in Ghana 1980

Reis door de Verenigde Staten 1980

Voorbereiding om bij de Aboriginals te gaan werken 1980

Mijn draai vinden in Lombadina 1980

Lombadina 1981

Colombia en de Nederlandse Antillen 1982

Lombadina 1982

Borneo en Maleisië 1982

Lombadina 1983

Tocht door de Kimberley, juli/augustus 1983

Lombadina 1984 - 1986

Rondreis Australië en Nieuw-Zeeland, januari-maart 1987

Rondreis door Zuid-Amerika 1987

Rondreis door Alaska 1987

In Nederland 1987 - 1991

Terug naar Australië 1991

Nawoord

Voorwoord

Al voor mijn geboorte vertrok Jo Mattens, de zus van mijn moeder, als missiezuster naar Ghana. Wij kenden haar als de tante die altijd in verre, voor ons onbekende landen werkte: Afrika, daarna in Papoea-Nieuw-Guinea en weer veel later bij de Aboriginals in Australië. Eens in de zoveel jaar was ze een paar maanden in Nederland, om naaste familie en kennissen te bezoeken.

Toen ik klein was vroeg ik me af waarom die vreemde, diepgebruinde tante bij ons logeerde. Dertig jaar later zei ze: “Marie-Christine, op een dag zat jij op een elektrisch kacheltje en bewoog wat met je beentjes heen en weer. Je staarde me een hele tijd zwijgend aan met je donkere ogen en sprak ineens in onvervalst Westdorps dialect: “Wa zij gij nun oardigen. Wat ben jij een rare”.”

Na haar pensionering begon tante Jo steeds meer op mijn moeder te lijken. De sterke, kordate vrouw met die uitgesproken mening over alles en iedereen veranderde en het harde verdween uit haar karakter. Iedere keer als ik tante Jo zag of sprak voelde ik meer genegenheid voor haar.

Mijn moeder, Maria Magdalena van Vooren-Mattens, was een lieve, zachtaardige vrouw die hard werkte en ook nog eens negen kinderen ter wereld bracht. Ze was geen moeder die je op schoot trok, over je bol aaide, of na schooltijd op je wachtte met thee en koekjes en vroeg: ‘Hoe was je schooldag?’ Wel was ze altijd lief voor mij.

Jarenlang ging ze naar het U.Z. in Gent, voor nierdialyse. Er traden complicaties op, ze gleed weg in een coma en overleed op 8 februari 1991, minder dan twee weken voor haar zevenenzestigste verjaardag.

Toen het verdriet naar aanleiding van haar overlijden een plaatsje had gevonden begon ik mij te realiseren dat ik eigenlijk weinig wist over haar jeugd. Nieuwsgierig naar mijn moeders jeugdjaren vroeg ik tante Jo om jeugdherinneringen op te schrijven en tegelijk ook haar eigen levensverhaal op papier te zetten. Aan de hand van haar dagboeken selecteerde ze gebeurtenissen die ze met de familie wilde delen en schreef een paar schriften vol. Bladzijde na bladzijde ontvouwde haar levensverhaal zich voor ons. Tijdens het lezen van haar levensverhaal, soms spannend, soms humoristisch, soms ontroerend, ontdekten we pas hoe moedig en volhardend zij zich al die jaren in die verre, vreemde landen staande hield, onder moeilijke omstandigheden, met slechts één doel voor ogen: het helpen van anderen.

Marie-Christine van Vooren, 26 januari 2024.

Het gezin Mattens

Mijn vader, Livinus Constantinus Mattens geboren op 9 april 1894 in Boschkapelle, werd Constant genoemd. Hij trouwde op 15 mei 1923 met Maria (Maatje) Adriana Beulens uit ’s Heerenhoek, geboren op 26 september 1898. Na hun huwelijk ging het pasgetrouwde stel in het Zeeuws-Vlaamse plaatsje Zuiddorpe wonen, dicht bij de Belgische grens.

Zuiddorpe bestond vroeger uit de Moerspuipolder en de Zuiddorpepolder. Het rustige dorpje telde nog geen duizend inwoners. De Dorpsstraat werd omzoomd door linden. De toenmalige burgemeester, Aimé Charles van Waes, was bijna iedere dag te vinden in het gemeentehuis, dicht bij de kerk. Hij zwaaide niet alleen de scepter over Zuiddorpe, maar ook over de gehuchten Bontekoe, Boschdorp, Molenhoek, Muis, Oudepolder, Ratte, Schaapdijk, Sterre en Waterhuis. Van Waes overleed op 28 december 1939 en hij werd opgevolgd door Maurice A.B. Puylaert. Aan het stadhuis wapperde fier de gemeentevlag: een gouden vlak, met daarop drie boekweitbloemen.

In de jaren na de Eerste Wereldoorlog lagen de verschrikkingen van die donkere jaren bij eenieder nog vers in het geheugen. Ons land was gelukkig niet bezet geweest door soldaten van een vreemde mogendheid. De verhalen van de Belgische vluchtelingen, die liefderijk werden opgenomen in het zuiden van ons land, logen er niet om. Ze kwamen Zuiddorpe binnengelopen over de onverharde weg, die bij slecht weer erg slikkerig kon zijn. Het waren moeilijke tijden, aan veel dingen was gebrek. Ook ons gezin had het niet breed.

Op 21 februari 1924, ruim negen maanden na de huwelijksdag van Constant en Maatje, kwam de eerste van drie dochters ter wereld. Vader Constant schreef haar in bij de burgerlijke stand onder een goede, katholieke naam: Maria Magdalena. Iedereen noemde haar Marie.

Op 25 november 1925 zag ik als tweede dochter het levenslicht. Mij gaven ze de namen Jobina Maria, roepnaam Jo.

Op de bok: vader Livinus (Constant) Mattens. Staand: oma Maria Magdalena Mattens-d’Hont, opa Antonius Mattens, tante Maria Christina Mattens of Tante Seraphina Angelia Mattens (niet bekend).

Vader en moeder met de kleine Marie

Jeugdjaren 1925 - 1934

Weinig herinneringen resten mij van vroeger. Het is ook alweer zo lang geleden, ik heb bijna een eeuw geleefd.

Een van mijn eerste herinneringen, ik was nog geen twee jaar oud, is de geboorte van mijn jongste zuster Fien, op 11 augustus 1927. Destijds sliep ik bij mijn ouders op de kamer. De avond voor Fiens geboorte bracht mijn vader me naar de zolder.

“Jij slaapt vannacht bij je oudere zus Marie in bed.”

’s Morgens was Fien er. Ze werd ingeschreven als Seraphina Angelina.

Als ik terugdenk komen er slechts flarden van herinneringen boven aan mijn jeugd in het vredige Zeeuws-Vlaanderen. Er is ook zoveel wat ik, als volwassene, heb meegemaakt in die verre landen. Zoveel indrukken, zoveel herinneringen. Bovendien ben ik pas een dagboek gaan bijhouden toen de herinneringen aan mijn jeugd al waren verdrongen door een waterval aan nieuwe indrukken.

Een ding schiet me ineens te binnen. Op een middag zat mijn moeder bij het raam kousen te stoppen en ze dronk een kopje thee. Ik zat op het houten, witgeverfde hobbelpaard. Fientje zat zeurend rechtop in de wieg. Mijn moeder deed wat thee en melk in een emaillen kopje. Ik mocht het aan Fientje geven. Fientje nam het kopje aan, nipte van de thee en ik keek vertederd toe. Mijn zusje vond de thee blijkbaar niet lekker en gooide het kopje met inhoud en al naar me toe. Van haar kant was er toen blijkbaar nog weinig sprake van zusterliefde.

Voordat we naar school gingen moesten we een vol bord pap opeten en een snee brood erbij. Mij kostte dat weinig moeite, in tegenstelling tot mijn oudere zus Marie, die een kleine eter was. De boterham verdween ergens tussen haar kleding en bij het passeren van de kippenren haalde ze hem tevoorschijn. Ze gooide hem in de ren en de kippen vochten kakelend om het grootste stuk.

Als we uit school kwamen moesten we een hele beker geitenmelk drinken. Geitenmelk was niet zo lekker als de duurdere koemelk, die bij de meeste andere gezinnen op tafel kwam. Als je de beker vlug achter elkaar leegdronk proefde je die akelige bijsmaak niet zo. Na het drinken van de geitenmelk mochten we naar buiten, tot opluchting van Marie. Wat trok dat kind een vies gezicht, als ze de melk met opgetrokken bovenlip naar binnen werkte.

Buiten konden we heerlijk spelen, we hadden geen buren. Tegenover ons huis lag een dijk, begroeid met braamstruiken. Waren ze rijp dan kwamen we met een schort vol bramen thuis. “Kijk nu eens naar je schort. Helemaal vuil van de bramen. En wie moet die weer wassen?” mopperde moeder.

Als goede katholieken stuurden mijn ouders me naar een katholieke kleuterschool. Zuster Rosa, groot en slank, hield er toezicht. In het begin dacht ik, simpele ziel die ik was, dat ze rechtstreeks uit de hemel was afgedaald. Mijn verbeelding ging een beetje met me op de loop, mogelijk geïnspireerd door de Bijbelverhalen die meneer pastoor vertelde. Ik dacht dat zuster Rosa was gezonden door God. In mijn verbeelding was ze naar beneden komen zweven, omgeven door lichtstralen en een goddelijk aura, om gracieus neer te strijken op het schoolplein. Tot mijn stomme verbazing kwam ze tijdens het speelkwartier uit het toilet. Ik dacht, wat doet ze daar? Als je uit de hemel komt hoef je toch nooit te plassen?

Na schooltijd, op weg naar huis, lesten we onze dorst met heerlijk verkoelend water uit de pomp die destijds naast het parochiehuis stond. Had je geluk en je kreeg wat geld, dan ging je naar de kruidenierswinkel van Frans Lockefeer en kocht er voor een cent twee snoepjes “van het blad”.

Onze geit stond op de dijk. Marie werd er door moeder op uitgestuurd om hem te halen en ik moest mee, tot chagrijn van mijn grote zus. Boos stapte ze met stevige passen door en ik dribbelde zo snel mogelijk achter haar aan.

Halverwege kwam er uit het niets een knul van een jaar of vijftien recht op me af gefietst. Op het laatste moment draaide hij zijn stuur, in een poging een botsing te voorkomen. Ik liep van schrik dezelfde kant op, waardoor hij letterlijk over me heen reed. Het spatbord van zijn voorwiel haakte in mijn voorhoofd. Ik bloedde als een rund en gilde als een varken. Geschrokken trok Marie me mee naar huis. Moeder zag vanuit de deuropening hoe we kwamen aanrennen en we maakten een kabaal alsof er een vos in een hoenderhok zat. Het bloed liep in stralen van mijn voorhoofd af. Het moet een angstaanjagend gezicht zijn geweest.

In Zuiddorpe hadden ze geen huisdokter. Vader sprong op de fiets en snelde naar de wijkzuster in het klooster van de Zusters Franciscanessen van Oudenbosch. De wijkzuster schakelde de dokter uit Koewacht in. Binnen korte tijd kwam hij op de motor aangestoven, zijn in leer gestoken handschoenen om de handels geklemd. Rook vermengde zich met het stofspoor achter zijn tweewielige monster.

De buurvrouw, kort en dik, was op het kabaal afgekomen. Ze trok me resoluut op schoot, tegen haar forse buik en hield me stevig vast, zodat de dokter op zijn gemak het gat kon dichtnaaien. Iedereen negeerde mijn gegil. De wijkzuster suste me en wikkelde een groot verband om mijn hoofd.

Toen ik zeven werd mocht ik, na de Paasvakantie, naar de rooms-katholieke lagere school. De hoofdonderwijzer, Eduard Lansu, liep met de vlag voorop om de kinderen te begeleiden van de kleuterschool van Zuster Rosa naar de lagere school in de Sint Marcusstraat. Juffrouw Van Denderen onderwees klas één en twee en ze schreef met krijt op een zwart schoolbord. Aan het metalen buizenstelsel van de houten bankjes waren tafeltjes vastgemaakt. Het tafelblad was opklapbaar, met eronder een opbergruimte. In het blad zat een inktpot en er was een gleuf waar je je kroontjespen in kon leggen. Ik kan me weinig herinneren van die jaren, vermoedelijk gleden ze zonder veel bijzonderheden voorbij.

Van klas drie en vier, waar we les kregen van een onderwijzer, kan ik me veel meer herinneren. Nare ervaringen blijven levenslang in je geheugen gegrift staan. De onderwijzer en ik hadden vanaf de eerste dag een hekel aan elkaar, zo simpel was het. Vermoedelijk was ik een lastig en koppig kind. Die koppigheid en vastberadenheid zijn me later in mijn leven, toen ik met regelmaat op mezelf was aangewezen in het buitenland, goed van pas gekomen. Als kind was het een mindere handige eigenschap.

Moeder was vaak ziek en de kinderen moesten dan een extra handje toesteken bij het huishoudelijk werk. Tijdens zo’n ziekteperiode kreeg moeder hulp van een zekere Gusta, die het vanzelfsprekend druk had met de zorg voor een zieke en drie kinderen.

Tussen de middag, na het eten, moesten we helpen met afwassen en daar hadden we eigenlijk geen tijd voor. We moesten naar school, de lastige onderwijzer wachtte op ons. Zodra we klaar waren met afwassen renden we naar school. Hijgend kwamen we de klas binnen, alweer te laat. Ik kreeg niet de tijd om op adem te komen.

“Waar kom jij vandaan?” klonk het bars uit de mond van de onderwijzer.

Zoek zelf maar uit waar ik vandaan kom, dacht ik bij mezelf en zweeg koppig, terwijl mijn gejaagde ademhaling enigszins tot rust kwam. Het had geen zin om uitleg te geven, ik zou toch straf krijgen.

“Voor het bord jij. Op je knieën, armen omhoog.” En daar zat ik dan, eindeloos lang. Soms zakten mijn armen aarzelend een stukje. Een gevoelige tik met de aanwijsstok zorgde ervoor dat ze weer omhooggingen. “Steek ze op!” En dat duurde zo tot de school uitging. Als je het goed beschouwt is dat gewoon kindermishandeling, waardoor je een kind kunt beschadigen voor de rest van zijn leven. Gelukkig zijn dit soort uitwassen tegenwoordig uitgebannen.

Huilend van kwaadheid stampvoette ik naar huis en vertelde alles aan mijn moeder, bij wie ik gelukkig mijn verhaal kwijt kon. Ze luisterde, zodat ik mijn frustratie gedeeltelijk van me af kon praten. Het gezicht van die onderwijzer ben ik nooit vergeten en ik heb hem ook nooit vergeven.

Kort daarop vroeg de onderwijzer aan alle kinderen om wat bij te dragen in de kosten van de jaarlijkse schooluitvoering. Wij konden die bijdrage niet betalen, we waren een arm gezin. Er was echt geen geld om in juni naar de kermis te gaan, of iets te kopen op de drukbezochte jaarmarkt. Wij beperkten ons tot gratis bezigheden, zoals zwemmen in het water van de ‘ratteput’ in De Ratte, of kijken naar de schaatsers op het ‘vaardeken’, een watertje in buurtschap De Muis, omdat we zelf geen schaatsen hadden.

Op de dag van de schooluitvoering kwam de klassenonderwijzer naar me toe en fluisterde in mijn oor: “Jij en je zus mogen toch meedoen, ook al hebben jullie niet betaald.”

Blijkbaar was zijn hart niet van steen. Wat een tweestrijd! We konden de bijdrage niet betalen en dan dit aanbod, uitgerekend van mijn kwelgeest, waar ik een gloeiende hekel aan had. Ik kon het niet over mijn hart verkrijgen om Marie dit plezier te ontzeggen en zwichtte voor de verleiding.

De grote kerk in Zuiddorpe, daterend uit 1865, was gewijd aan Onze Lieve Vrouw Maria Hemelvaart. Net als de andere Zuiddorpenaren werd ook ik er gedoopt en deed er mijn eerste communie.

In Axel kocht mijn moeder een hoedje voor me, wat ik kon dragen tijdens mijn eerste communie. Een week voor de grote dag kreeg ik last van een mazeleninfectie. Ik zie mezelf nog voor de spiegel staan, met die hoed op dat bespikkelde mazelenhoofd.

Na een feestelijke familieaangelegenheid volgde meestal een tocht naar de overkant van de Westerschelde, om op familiebezoek te gaan. Het was een hele reis. Ik zat bij moeder achter op de fiets, terwijl zij richting Terneuzen trapte. Daar stapten we op de boot naar Hoedekenskerke. Meestal bleven we een week aan de overkant van de Westerschelde.

Het gezellige bezoek was snel voorbij en na een week stapten we ’s avonds in Hoedekenskerke op de veerboot, om terug naar Zeeuws-Vlaanderen te varen. Nieuwsgierig keek ik om me heen en lette niet op mijn moeder. Waar was ze gebleven? Speurend keek ik rond en begon in paniek te raken. Was ze me vergeten? Tranen stroomden uit mijn ogen, snikkend liep ik over het dek, eenzaam en verloren.

“Wat scheelt eraan meisje?” vroeg een man, enorm groot in mijn bange kinderogen.

“Ik ben mijn moeder kwijt,” zei ik met een benepen stemmetje.

Gelukkig kwam ze er net aan en sloot me opgelucht in haar armen. Ondanks dat ik mijn moeder snel terugvond, voelde ik me nog een hele tijd eenzaam en verloren. De gebeurtenis maakte op mij, op die leeftijd, een diepe indruk.

De boot meerde aan in Terneuzen en we stapten op de fiets, richting Zuiddorpe. De rit verliep probleemloos totdat we in Axel kwamen en de carbidlamp van de fiets het niet meer deed. Inmiddels was het aardedonker en tot overmaat van ramp begon het te regenen. Er zat niets anders op dan lopend verder te gaan en de tramrails te volgen, tot we thuis waren. Moe als een hond viel ik gelijk in slaap. Later zou blijken dat het mijn moeders laatste reis was.

Korte tijd later werd er bij haar longtuberculose geconstateerd, een ongeneeslijke ziekte in die tijd. Mogelijk waren de kinderen besmet, of zouden nog besmet worden. Iedere drie maanden moesten mijn twee zusjes en ik naar het ziekenhuis in Terneuzen voor onderzoek.

Marie en ik zijn nooit besmet geraakt. Fientje had minder geluk, zij had waarschijnlijk buiktuberculose. Ze had een dik buikje en mocht niet naar school. Bij de schoolleiding werd gemeld dat mijn moeder tuberculose had. Marie en ik werden apart gezet, achter in de klas met een lege bank voor ons. Er werd ons niet gevraagd wat wij ervan vonden, in die tijd was het gewoon zo. Ik voelde me buitengesloten, een eenling tussen de andere kinderen.

Ze rond mijn achtste kregen we bezoek van tante Fien, een zus van mijn vader. “Zal ik één van de kinderen meenemen? Of ik voor zes of voor zeven kinderen moet zorgen maakt weinig verschil.”

Het was misschien wel een goed idee om de drukste, meest eigenwijze van de drie mee te nemen, dan had mijn moeder meer rust. Raad eens wie ze uitkozen? Naar ’s Heerenhoek gaan vond ik niet erg. In feite had ik er zelfs de tijd van mijn leven.

Tante Fien en mijn oom woonden aan een dijk. Bij harde wind namen we de slippen van onze jassen, hielden ze boven ons hoofd en zeilden onder grote hilariteit naar huis. Vaak speelden we “kerkje”. Mijn neef Toon was de enige jongen, dus hij speelde de pastoor en wij de gelovigen. We schoven twee stoelen tegen elkaar, gooiden er een schort over en gebruikten een stoof als tabernakel, met een beker pepermunt erin. We baden echt, gingen ter communie en kregen dan van “pastoor” Toon een pepermunt op onze tong. Dat was een goede reden om meerdere keren giechelend ter communie te gaan. We genoten de hele middag lang. ‘s Avonds ging de hele familie op de knieën en bad het rozenhoedje, behalve ’s zondags als we naar de lof waren geweest.

De man van tante Fien was vrachtrijder. Hij reed met paard en wagen naar Middelburg en Goes. In de schoolvakantie mochten we mee. Er waren nog weinig vrachtauto’s in die tijd. Om half vier stonden we geeuwend op en werden warm aangekleed.

“Ga maar zitten,” zei oom en hij legde een kriebelende paardendeken over onze benen. En daar gingen we, richting Middelburg. Om acht uur kwamen we aan op de markt. De grossierderijen brachten de goederen die de inwoners van ’s Heerenhoek eerder die week hadden besteld. Oom laadde ze in de wagen en wij hielpen een heel klein handje.

“Hier zijn een paar centen kinderen, koop er maar wat voor.”

Ik kocht tomaten, een destijds vrij nieuw soort groente in Zeeuws-Vlaanderen, en hapte er met smaak in. Mijn nichtje, Maria, was van mijn leeftijd en had nog nooit tomaten gezien of geproefd. Met verbaasde ogen keek ze ernaar.

“Mag ik een hapje?” vroeg ze bedremmeld.

“Een hapje?” antwoordde ik. “Je krijgt helemaal geen hapje, je krijgt van mij een hele tomaat. En het maakt me niet uit of je hem lekker vindt of niet, je eet hem helemaal op. Groente en fruit is gezond voor je.”

Maria, Toon en ik sliepen met z’n drieën in een bedstee. Dat was gezellig, totdat ik diarree kreeg, waarna de wijkzuster in vol ornaat langskwam.

“Dat meisje moet alleen slapen, anders besmet ze de andere kinderen. Ze mag niet meer naar school totdat ze genezen is.”

Op zolder werd een plaatsje voor mij ingeruimd, waarna de wijkzuster hoogstpersoonlijk nog een keer langskwam om te controleren of haar advies was opgevolgd. Ze klom de ladder op en wij, nieuwsgierige apen die we waren, stonden onder aan de ladder. We wilden wel eens zien wat ze onder die uniformrok droeg. Toen ze vertrokken was bespraken we, onder grote hilariteit, wat we hadden gezien.

Het vreugdevolle verblijf bij mijn oom en tante duurde ongeveer een jaar. Moeder hoorde dat ik ziek was geweest en werd ongerust. Ze wilde me weer thuis hebben en mijn vader haalde me op.

Livinus Constantinus Mattens

Maria Adriana Mattens-Beulens

Schoolfoto Zuiddorpe. Marie links, Jo drie plaatsen verder naar rechts

Jeugdjaren 1935 - 1939

Jaarlijks werd op het dorpsplein van Zuiddorpe een “ziekendag” gehouden. Op 15 augustus kwamen alle pastoors uit de omgeving naar ons dorp om deel te nemen aan de processie en de rozenkrans te bidden.

De eerste “ziekendag” had plaatsgevonden op 15 augustus 1931. De dag begon klein, met tweehonderd deelnemers. Onder de linden stond op het dorpsplein een rustaltaar opgesteld. De zieken werden bemoedigend toegesproken en daarna trok een sacramentsprocessie, onder leiding van pastoor Gerard Konings, vanuit de kerk naar het rustaltaar. De gelovigen droegen versierde kaarsen en stelden zich op aan weerzijden van de weg die naar de “Lourdesgrot” op het kerkhof leidde. De dag werd afgesloten met een korte dienst en het uitdelen van flesjes met “geneeskrachtig” water uit de grot.

De verering in de “Lourdesgrot van Zuiddorpe” begon al in 1876 in een grot in de tuin van de weduwe Onghena. De toeloop van Mariavereerders werd steeds groter en nog datzelfde jaar besloten ze een nieuwe Lourdesgrot te bouwen op het kerkhof, naast de kerk.

Op 5 juli 1904 verleende paus Pius X een volle aflaat voor al diegenen die in de maand mei de grot, staties en kapellen bezochten om er te bidden. In de jaren daarna nam het aantal bedevaartgangers gestaag toe.

Met bisschoppelijke toestemming richtte pastoor Van Hoek op 8 december 1917 de broederschap van Onze Lieve Vrouwe van Lourdes op om de godsvrucht van Maria verder te verspreiden. Vijf jaar later verzocht pastoor Van Hoek het Franse Grand Magasins des Nations Catholiques om een steen uit Lourdes af te staan, die hij in Zuiddorpe wilde laten inmetselen. Tot droefenis van de pastoor werd zijn verzoek afgewezen. Wel wilden ze hem een stuk steen toesturen uit een riviertje dat een meter of vijftien van de grot stroomde. De teleurgestelde pastoor wees het aanbod af. In later jaren werd er toch een steen ingemetseld bij de Lourdesgrot. De herkomst ervan is onbekend.

Een bedevaart speciaal voor alle katholieke Zeeuws-Vlaamse vrouwen bracht op 1 juli 1928 bijna tweeduizend bedevaartgangers op de been. Bij gehucht ‘Bontekoe’ werden ze opgewacht door de plaatselijke fanfare. Voor het hek van de kerk was een ereboog opgericht, versierd met bloemen. Boven de grot waren met witte bloemen de woorden ‘Ave Maria’ gevormd. In 1929 werd in Zuiddorpe een klooster gesticht, toegewijd aan Onze Lieve Vrouwe van Lourdes. Een jaar later werden de kapel en het klooster plechtig ingezegend.

In 1932 telde de “ziekendag” al tweeduizend deelnemers en stonden er vier lange rijen ligstoelen met zieken voor het rustaltaar. Zeventien priesters assisteerden bij de plechtige handoplegging. Het aantal toeschouwers werd geschat op vijfduizend.

Jammer genoeg voor de toeschouwers en de dagjesmensen was in 1933 de zeer fraaie molen van Zuiddorpe, met zijn gebroken daklijn en schaliën (eiken plankjes) op de kap gesloopt, ondanks het feit dat hij nog in vrij goede staat was. Het was ooit een van de mooiste molens van Zeeuws-Vlaanderen en dateerde van 1654. Vandaag de dag zou sloop ondenkbaar zijn, men zou hem ongetwijfeld restaureren en trots aanprijzen als bezienswaardigheid.

In 1936 werd de “ziekendag” voor de vijfde keer gehouden. Men wijdde honderden “Mariabeeldjes”, om als souvenir met de zieken mee te geven.

In de loop der jaren nam de belangstelling voor de Lourdesgrot in Zuiddorpe langzaam af. De “ziekendagen” in het naburig Hulst daarentegen werden steeds drukker bezocht. De laatste bedevaart in Zuiddorpe werd gehouden in 1960. Het klooster, toegewijd aan Onze Lieve Vrouwe van Lourdes, bleef bestaan tot 1973. Toen werd het bij gebrek aan bewoners gesloten.

Moeder had nog steeds tuberculose en ze hoopte op een wonderbaarlijke genezing. Als het enigszins ging en het weer het toeliet, bezocht ze dagelijks de “Lourdesgrot van Zuiddorpe”, met zijn heiligenbeeldje erboven. Iedere keer als moeder er naartoe fietste om te bidden ging ik mee, totdat ze niet meer de kracht had om te vechten.

We kwamen uit school. De ambulance stond voor de deur en moeder lag op de brancard. Hevig huilend werd ze afgevoerd naar het ziekenhuis in Sluiskil. Vader bezocht haar regelmatig en ik fietste dan zwijgend naast hem, stevig doortrappend. Wat was moeder mager. Haar zwakke stem was alleen nog in staat om te fluisteren en ik moest moeite doen om haar te verstaan.

Op 14 december 1935 kwamen we na schooltijd thuis en de tranen sprongen ons in de ogen. De blinden waren gesloten ten teken van rouw. Niemand hoefde ons uit te leggen wat er was gebeurd en we klampten ons aan elkaar vast, voordat we met lood in onze schoenen naar binnen gingen. Tranen liepen over onze wangen en ik kneep hard in Marie’s hand. Het drama had zich voltrokken, moeder was dood.

Het vroor dat het kraakte en de wegen waren glad. Sommige mensen kwamen van ver om afscheid te nemen. Ze hadden de paarden scherp gezet, zodat de hoefijzers meer grip hadden op de weg. Na de begrafenis dronk de familie koffie en at een boterham. Daarna ging ieder weer op huis aan, het leven ging verder.

Na moeders dood kwam er een vrouw bij ons inwonen: Gusta. Zij deed het huishouden en verzorgde de kinderen. Ze was aardig voor ons, toch kon ze moeder niet vervangen. We misten haar enorm, hoe goed Gusta ook haar best deed.

Op een dag was vader weg. “Hij is naar Den Haag,” zei Gusta. Mijn kennis van aardrijkskunde was niet groot en het leek me heel ver weg. Het kwam niet in me op om te vragen wat vader daar ging doen.

Enige tijd later kwam hij terug thuis en had tot onze verbazing een vreemde dame bij zich. Ze sprak deftig, heette Sjoukje Reedeker en was geboren op 15 februari 1895. Ze was bijna een jaar jonger dan mijn vader en het zou, tot onze verrassing, onze stiefmoeder worden. ’s Avonds ging ze naar een nicht van vader, die in de buurt woonde. Destijds mocht je niet onder één dak slapen als je niet getrouwd was. Bovendien was Gusta ook nog bij ons.

Mijn geboortehuis in Zuiddorpe werd verkocht en daarvoor in de plaats werd er een huis gekocht in het gehucht Drieschouwen, vlak bij Axel. Sjoukje Reedeker opende er een kruidenierswinkel. Op de linker ruit stond “Kruidenierswaren” en op de rechter ruit stond “Klompen”. Op het bovenraam zat een reclameplaat van Douwe Egberts koffie. We woonden vlak bij de watertoren, die nog maar net klaar was.

Op 30 december 1936, iets meer dan een jaar na het overlijden van onze moeder, hertrouwde vader met de deftig pratende dame, die nooit een echte moeder voor mij zou worden. Vader reed voortaan iedere dag met de bakfiets langs de dorpen in de omgeving om kruidenierswaren en klompen te verkopen. Sjoukje deed de winkel en ze bestierde het huishouden.

De jaren verstreken, totdat ik veertien werd en tot mijn opluchting eindelijk van school mocht om thuis te helpen in het huishouden. De vreugde was van korte duur. Op 10 mei 1940 brak de oorlog uit!

Het gezin met stiefmoeder Sjoukje Reedeker

Marie

Plechtige communie Jo, begin 1939

Medische ervaring opdoen 1940 - 1958

Het was schitterend weer op 10 mei 1940. Om vijf uur ’s morgens klonk het ongewone geluid van vliegtuigen. In een mum van tijd zaten we rechtop in bed, klaarwakker. We vlogen uit bed en stonden buiten, in de morgenzon. Wat was er aan de hand? Ongerust zette vader de radio aan.

“De Duitsers zijn ons land binnengevallen,” klonk het uit de radio. “Onze troepen bieden moedig weerstand. Op de Grebbeberg wordt hevig gevochten.”

Ik had er geen idee van waar de Grebbeberg lag. Ik wist niet eens dat we in Nederland bergen hadden.

Een paar dagen later marcheerden Duitse soldaten ons land binnen. Vlak voor ons huis liep een tramrails. Een paar weken na de capitulatie kwamen de eerste wagonladingen vol gevangengenomen soldaten van allerlei nationaliteiten aan op het gehucht Driewegen, net buiten Axel. Over dit spoor werden meer dan 50.000 gevangengenomen soldaten naar Duitsland afgevoerd.

Marie, mijn zus, werkte al bijna een jaar in de keuken van het St. Jozephziekenhuis in Vlissingen, dat werd gerund door de Duitse congregatie der Salscotten, genoemd naar Thomas Salscot, die in 1446 Bisschop werd. Voor mij was er ook werk, wel van een iets andere aard. “Jij mag gangen dweilen, badkamers en toiletten schoonmaken en alle andere schoonmaakklusjes doen.”

We sliepen op een grote zaal, boven de bejaardenafdeling. Rond de bedden hingen gordijnen om ons een beetje privacy te bieden. ’s Nachts vlogen er regelmatig vliegtuigen over en dan ging het luchtalarm af. Marie en ik bleven gewoon in bed liggen, moe van de lange werkdag. We zagen het gevaar gewoon niet, heel naïef natuurlijk.

Zeeland lag op de route van de geallieerde bommenwerpers die vanuit Zuid-Engeland richting het oosten vlogen. Soms konden ze hun doel niet vinden. Geladen met bommen mochten ze wel opstijgen in Engeland, maar niet terug landen, dat was te gevaarlijk. Ze moesten hun bommen ergens kwijt voordat ze terugkeerden. Vanuit de lucht waren de Zeeuwse eilanden goed herkenbaar, en dan met name het vliegveld, scheepswerf De Schelde in Vlissingen en de spoorlijn. Perfecte alternatieve doelen om hun dodelijke lading te lossen.

Op 9 januari 1941, zo rond twaalf uur ’s nachts, ging het luchtalarm en na een tijdje klonk het sein veilig. Onverwachts vlogen er ineens weer drie Engelse bommenwerpers boven Vlissingen en ze dropten hun dodelijke lading, met de bedoeling de haven te raken. Dat ging gruwelijk mis, het ziekenhuis werd geraakt. Met een oorverdovend lawaai ontploften de bommen. Het hele gebouw bewoog op zijn fundamenten, stukken stenen en hout vlogen ons om de oren en we werden gehuld in een enorme stofwolk. We doken gillend weg onder de dekens, trillend over al onze ledematen.

De rust keerde weer en onze harten kwamen langzaam tot rust. Voorzichtig gluurden we vanonder de dekens. Ik kon mijn ogen bijna niet geloven. De hele zijkant van de slaapzaal was verdwenen, we keken zo naar buiten! We worstelden ons onder de dekens en de gevallen gordijnroeden uit en gingen op zoek naar onze kleren. De deur van de slaapzaal was verdwenen en er gaapte een stoffig gat naar de gang. We klauterden over het puin heen en zochten ons een weg, richting de uitgang van het gebouw. Kozijnen waren weggerukt uit de ramen en lagen her en der in de gangen, tussen het puin. We klommen er overheen en daalden de trap af. Eenmaal beneden zagen we pas goed wat een puinhoop er na het bombardement over was van de bejaardenafdeling.

Een voltreffer had de katholieke kapel geraakt en er resteerde slechts een hoop puin. Over de brokstukken klommen we naar de hoofdingang, die nog intact was. We werden geteld en moesten enkele vragen beantwoorden, waarna ze ons naar de wachtkamer dirigeerden, die gespaard was gebleven. Matrassen, kussens en dekens werden aangesleept. De wachtkamer werd voor de komende maanden ons nachtverblijf. Overdag werden de matrassen aan de kant geschoven en de ruimte deed, net als voorheen, dienst als wachtkamer. De dokters ontvingen weer patiënten en het leven ging door, maar de schrik zat er goed in en iedere keer als de sirenes loeiden keek ik ongerust naar de hemel.

Onder de bejaarden, de patiënten en het personeel waren geen slachtoffers gevallen. Werkelijk een godswonder. Wel kwamen er drie nonnen om: Zr. M. Laeta Albracht, 55 jaar oud, Zr. M. Apollonaria Orth, 52 jaar oud en Zr. M. Warina Preuss, 44 jaar oud. Zij zaten tijdens het bombardement te bidden in de kapel en waren naar de Heer gegaan. Er werd niet veel van hen terug gevonden, slechts zwaar verminkte delen van lijken. Hun stoffelijke resten werden ter aarde besteld op het kerkhof van het moederhuis, klooster St. Franciscus Alverna in Aerdenhout.

“Heer, geef hunnen ziel de eeuwige rust en het eeuwige licht verlichtten hen, dat zij rusten in vrede. Amen,” sprak de pastoor.

Enkele maanden later werden we overgebracht naar een school aan de andere kant van de stad. De leerling-verpleegkundigen en ander personeel, woonden in gewone woonhuizen, met z’n drieën op een kamer. Beneden ons woonden twee zusters.

Ook toen klonk regelmatig het luchtalarm. Ondanks onze eerdere ervaringen bleven we gewoon in bed liggen omdat er dichtbij geen schuilplaats was. We doken diep weg onder de dekens, luisterden naar het verontruste bonken van ons hart en vertrouwden op onze engelbewaarders.

Om de beurt hadden we keukendienst en dat betekende om vijf uur uit bed en daarna lopend naar het ziekenhuis. Op weg naar het ziekenhuis passeerden we altijd een schuilkelder. Ik vond het eng, dat donkere hol.

In de keuken maakten we de kachel aan, zetten surrogaatkoffie, thee en kookten pap. Het was een lastig karweitje om de kachel aan de gang te krijgen. Was dat eenmaal gelukt dan haalde ik buiten melk. Een koelkast om de melk in te bewaren was er niet. We gebruikten een tent, waar vroeger de tuberculosepatiënten in lagen.

Op een dag deed ik de keukendeur van het slot, wilde vlug de melk halen en zag iemand hard wegrennen. Hij wist blijkbaar dat er iets te halen viel in de tent. Bekomen van de ergste schrik griste ik de pan met melk uit de tent, rende terug naar de keuken, deed de deur op slot en bleef hijgend staan. Wat een griezelige ervaring.

Op iets grotere afstand van de keuken stond een tweede tent. De slachtoffers van de bombardementen werden er tijdelijk neergelegd. Vlissingen werd zo ongeveer de meest beschoten stad van Nederland. Kort na de oorlog was er in heel Vlissingen vrijwel geen huis te vinden dat volledig ongeschonden was gebleven.

Er bleven oorlogsslachtoffers en zieken binnenkomen. We moesten improviseren, nu het ziekenhuis zo zwaar was getroffen. In de school werd plaatsgemaakt voor de röntgenafdeling, het laboratorium en de rouwkamer. Ik kreeg opdracht om het daar schoon te houden. Iedere morgen om negen uur, nadat de gangen van de school waren schoongemaakt, moest ik twintig minuten lopen naar het ziekenhuis aan de andere kant van de stad. Op mijn tocht passeerde ik scheepswerf De Schelde, waar ik het einde van menig bombardement afwachtte, mij er niet van bewust dat dit juist een locatie was waar de Engelse bommenwerpers hun lading afwierpen als ze hun doel niet hadden kunnen vinden en leeg wilden terugkeren naar Engeland. Ik had een rechtstreeks door Onze-Lieve-Heer gestuurde engelbewaarder op mijn schouder, het kan niet anders.

Nabestaanden, die de overledenen van de bombardementen een laatste maal wilden zien, werden begeleid naar de rouwkamer. Dat moest ik ook een paar keer doen, geen prettig werk. Als de zuster klaar was met het afleggen van de doden maakte ik de vloer schoon.

Op een keer zat ik op mijn knieën onder de brancard en dweilde de vloer. Vermoedelijk stootte ik tegen een poot van de brancard. Een arm van een overledene kwam op mijn schouder terecht. “Oe,” fluisterde ik met een geknepen stemmetje en mijn hart stond bijna stil. Toen ik het naderhand aan de anderen vertelde hebben we er smakelijk om gelachen. “Zal ik je eens een schouderklopje geven, Jo?” werd me in de daaropvolgende dagen regelmatig gevraagd.

Na vijf jaar oorlog kwam eindelijk de bevrijding en we zaten niet meer onder de knoet van de Duitse bezetter. De mensen pikten de draad weer op en mijn zus Marie trouwde op 3 oktober 1945 met Richard van Vooren, bijna dertien jaar ouder dan haar en ze verhuisde naar Westdorpe. Richards eerste vrouw was jong gestorven, op 9 september 1938, binnen twee jaar nadat ze waren getrouwd. Uit dat huwelijk had hij een dochter, Irma. Zo kreeg Marie op haar eenentwintigste de zorg over een stiefdochter van negen jaar oud. Geen gemakkelijke opgave.

Inmiddels was ik negentien en begon aan de verpleegsteropleiding. Eerst moest ik anderhalf jaar naar school in Hulst, waar ik mocht wonen bij een gezin met vier kinderen en het vijfde op komst.

Voor en na schooltijd zorgde ik voor de kinderen. De anderhalf jaar gingen snel voorbij. Met het diploma huishoudkunde op zak kon ik gaan solliciteren. De eerste twee keer werd ik afgewezen. De derde keer was het raak.

Op 2 januari 1947 begon ik in het St. Annadal ziekenhuis in Maastricht en deelde er een kamer met een ander meisje. Een halve kast en een nachtkastje helemaal voor mezelf. Daar had ik voorlopig voldoende aan. Voor de meeste dingen die we nodig hadden werd gezorgd en we kregen per maand tien gulden zakgeld.

Drie jaar lang studeerden en werkten we hard, veel vrije tijd was er niet. Bioscoopbezoek of naar toneel gaan was er niet bij. Na de eerste zes weken opleiding gingen de nieuwelingen, vierentwintig in getal, de nachtdienst in. Zo kort na de oorlog was er niet voldoende brandstof om het ziekenhuis te verwarmen. ’s Nachts ging de verwarming uit en wij zaten dan in de kou, met een deken om ons heen geslagen. Werd er gebeld omdat iemand hulp nodig had, dan wikkelden we de dekens van ons af. Overleed er ’s nachts iemand dan moesten we de zwerfwacht bellen, die ons hielp om het lichaam weg te brengen. Het mortuarium stond naast de wasserij en we moesten buitenom met het lichaam.

Na het derde jaar volgde het eindexamen. Tegen die tijd hadden we op alle afdelingen in het ziekenhuis drie tot zes maanden gewerkt. Omdat ik hard moest studeren ver weg van huis, zag ik mijn familie niet vaak. Nadat Marie in het huwelijksbootje was gestapt, was mijn jongste zus Fien aan de beurt. Zij trouwde op 12 januari 1949 met Achiel Martens uit Koewacht. Ik was blij voor mijn zussen, ze hadden iemand gevonden om hun leven mee te delen. Voor mij hoefde dat niet, ik had geen belangstelling voor jongens en vond voldoening in het volgen van een opleiding. Daarnaast zorgde het geloof voor een stevig houvast in mijn leven.

Na die opleiding volgden nog een jaar kraamafdeling en een training om te werken in de operatiekamer. In die tijd was er nog geen narcotiseur, dat deden we zelf. Met chloorethyl en ether kregen we de patiënten onder zeil, een simpele en veilige methode.

Na twee jaar had ik ook dat diploma op zak en toen was het tijd voor meer verantwoordelijk werk. In het ziekenhuis in Groningen werkte ik als hoofd van de gynaecologische operatiekamer. Voor een jonge vrouw een uitstekende start van een carrière in de, toen nog, door mannen gedomineerde medische wereld.

Het ziekenhuis was verbonden aan een universiteit en er werden allerlei soorten gynaecologische operaties verricht. Al snel kwam ik in gewetensnood omdat niet alle gynaecologische handelingen strookten met de katholieke geloofsleer. Regelmatig lag ik er wakker van, vroeg me af of ik wel juist handelde en bad tot de Heer om raad. Ik kwam er niet uit en besloot mijn worsteling te bespreken met een pater jezuïet.

“Ik adviseer je het werken daar geleidelijk af te bouwen en werk te zoeken waar je je wel prettig bij voelt,” adviseerde hij.

Er volgde een gesprek met mijn leidinggevende, een professor.

“Ik heb begrip voor jouw situatie en ik snap dat je problemen hebt met een deel van ons werk,” sprak de professor. “Wij zullen ons werk en onze werkwijze niet aanpassen. Als je daar te veel moeite mee hebt, dan kun je beter een andere betrekking zoeken. Je kunt uiteraard blijven totdat je een andere baan hebt gevonden.”

Zo kwam er een abrupt einde aan mijn werk als hoofd van de gynaecologische operatiekamer.

Een en ander zette me aan het denken. De gynaecologie op zich vond ik zeer interessant en ik was dol op jonge kinderen. Bij een nieuwe baan zou ik mogelijk tegen dezelfde problemen aanlopen en ik was niet van plan om mijn standpunt te wijzigen. Het zou me niet lukken om dingen te doen die in strijd waren met mijn geloofsovertuiging.

Ik had er geen behoefte aan om mijn leven met iemand te delen en wilde een ongebonden vrouw zijn die zich niet door mannen de les liet lezen, lang voordat het woord emancipatie in zwang kwam. In principe was ik op dat moment zo vrij als een vogel en ik kon alle kanten op, zolang het in overeenstemming was met mijn geloofsovertuiging. In mijn hoofd begon het plan te rijpen om, in het kader van de katholieke missie, naar de tropen te gaan en er met kinderen te werken. Naar het buitenland vertrekken ging niet zomaar, het vergde een lange voorbereiding.

In Tilburg, waar de opleiding erg goed was, haalde ik na een jaar een kinderaantekening. Het diploma vroedvrouw zou een mooie aanvulling geweest zijn op mijn eerdere studie, maar de opleiding in de vroedvrouwenschool in Heerlen kon ik jammer genoeg niet afmaken. Een meningsverschil met de leidinggevenden betekende het einde van die opleiding, zonder diploma. In het ziekenhuis in Venlo leerde ik het laboratoriumwerk en bij de Memisa in Rotterdam volgde ik een tropencursus van zes weken.

Nu mijn opleiding voltooid was kon ik weer aan de slag. Ter voorbereiding op mijn toekomstige werk in het buitenland begon ik in 1956 in woonoord Lunetten in Vught, het kamp waar gezinnen van Molukse KNIL-militairen waren gehuisvest. Ik werkte er twee jaar en kon al een beetje wennen aan het werken met mensen die een andere culturele achtergrond hadden. En toen was ik helemaal klaar voor het grote avontuur, ver weg van huis.

Fien 13 jaar, 1940

Jo in het St. Annadal ziekenhuis.

Maastricht, 1949

Kraamstaf St. Annadal ziekenhuis.

Maastricht, 1951. Jo rechts

Woonoord Lunetten in Vught, 7 september 1957. Jo rechts

Ghana 1959 - 1961

Ghana is gesitueerd aan de westkust van Afrika. In het westen grenst het land aan de Ivoorkust, in het noorden aan Burkina Faso, in het oosten aan Togo en in het zuiden aan de Golf van Guinee.

De Britten trokken het land binnen en noemden de nieuwe kolonie vanaf 1901 Gold Coast. De koloniale overheersing duurde tot 6 maart 1957. Het land werd onafhankelijk en heette voortaan Republiek Ghana. De Engelsen drukten hun stempel op Ghana. Zo werd er in het begin links gereden, tot men op 4 augustus 1974 rechts ging rijden. Engels is nog steeds de officiële voertaal, maar er worden vele inheemse talen gesproken. Ruim de helft van de bevolking is Christen, waarvan ongeveer een derde katholiek. Daarnaast zijn er nog de nodige aanhangers van natuurgodsdiensten en ongeveer veertig procent is islamiet. Het grote aantal Christenen in Ghana komt tot uitdrukking in het nationale volkslied: God Bless Our Homeland.

Ghana ligt iets ten noorden van de evenaar en het land heeft een tropisch klimaat. Aan de zuidoostkust, in de buurt van de hoofdstad Accra, is het warm en relatief droog. Het zuidwesten is vochtig en het noorden is heet en droog. Cacao is het belangrijkste exportproduct. Ghana bestaat voornamelijk uit laagvlakte. In het oosten bevindt zich een enorm stuwmeer, het Voltameer.

In 1959, twee jaar nadat Ghana zich had bevrijd van de koloniale overheersing, bracht mijn jongste zus, Fien, me naar een vrachtboot van de Holland-West Afrikalijn. Langzaam dreef de boot steeds verder weg van de kade in Amsterdam en de fanatiek zwaaiende Fien op de vaste wal werd steeds kleiner. We wisten toen niet dat we elkaar in dit aardse leven nooit meer zouden zien.

De reis duurde drie weken. Als de boot ergens aan de 539 kilometer lange kustlijn van Ghana lag aangemeerd om te laden of te lossen, kon ik van boord om voorzichtig kennis te maken met het land, in een onbekend werelddeel, waar ik geruime tijd zou gaan werken.

Zelfstandig werken in Ghana was voor mij niet mogelijk, het kon alleen als ik was verbonden aan een organisatie. Vanuit Nederland had ik mij aangemeld bij de S.M.A. (Societas Missionum ad Afros). Vanuit mijn katholieke geloofsovertuiging voelde ik me geroepen de zieke en behoeftige Afrikanen te helpen. In de katholieke missieblaadjes werden ze destijds nog aangeduid als: “de arme negertjes” en “de heidenen”.

Na drie weken varen en een stuk over land kwam ik op de plaats van bestemming. Twee katholieke zusters hadden een plaatsje voor mij gereedgemaakt in hun huis. De ene zuster deed de kliniek, de ander runde de apotheek. In het begin liep ik er maar een beetje bij, kookte en deed huishoudelijke klusjes. Dat was niet wat ik in gedachten had, toch schikte ik me in mijn lot en gebruikte die tijd om me aan te passen aan de plaatselijke gebruiken en het klimaat.

Gitzwarte gezichten keken me nieuwsgierig aan. In mijn ogen leken ze in het begin allemaal op elkaar. Ze droegen armoedige kleding en woonden primitief. Dat sterkte me in mijn overtuiging dat ik er goed aan had gedaan de lange reis te ondernemen. Ze hadden onze hulp hard nodig, daarvan was ik destijds overtuigd.

Bijna dag en nacht werkten we in een vochtig, warm klimaat en we slikten braaf onze malariamedicijnen. Viel er regen dan stroomde de neerslag in grote tanks. We maakten er mondjesmaat gebruik van. De plaatselijke bevolking liep dagelijks met een zware ton op het hoofd naar de bron in het bos. In een mum van tijd waren de eerste acht maanden voorbij en ik nam steeds meer taken over van de andere twee zusters.

Werken in een tropisch klimaat en ziek worden zijn nauw met elkaar verbonden. Dat geldt niet alleen voor de plaatselijke bevolking, ook als buitenlander ontsnap je er niet aan. Het lopen ging me ineens moeilijk af en ik moest voor onderzoek naar Accra, de hoofdstad van Ghana, gelegen aan de Golf van Guinea. Na de nodige onderzoeken zei de arts tot mijn stomme verbazing: “U hebt een vorm van kinderverlamming.”

“Weet u dat zeker?” vroeg ik toen het ongeloofwaardige bericht de tijd had gekregen om te kunnen bezinken.

“Ja, ik weet het zeker,” sprak de arts zelfverzekerd en hij schoof zijn zware bril omhoog op zijn neus.

Vanwege het besmettingsgevaar verbleef ik geruime tijd in een geïsoleerde ruimte en mocht geen bezoek ontvangen. Gekleed in een schort en beschermd door een mondmasker betraden de dokter en de verpleegster mijn kamer, voor onderzoek en verzorging. Na een aantal rustweken mocht ik mijn bed weer uit. Het herstel verliep voorspoedig en al snel kon ik weer normaal lopen. Na al die jaren betwijfel ik nog steeds of de destijds gestelde diagnose juist was.

Omdat we met weinig blanken waren, tussen de donkergekleurde bevolking, klitten we soms bij elkaar. Bij verjaardagen werden Paters en personeelsleden van andere poliklinieken uitgenodigd. Zelfs Sinterklaas vierden we. Aan zwarte Pieten geen gebrek. Geen Afrikaan die daar toen moeilijk over deed. De plaatselijke bevolking vond het heerlijk om mee te mogen doen in ons toneelstukje.

Met Kerst zaten we te zweten in de bushkerk, zuchtend onder een temperatuur van negenendertig graden. Iets verderop zuchtte een zwangere vrouw om een heel andere reden. Tijdens de nachtmis beviel ze van een jongetje. Met een brede lach op zijn gezicht legde de dokter het kind voorzichtig in de kribbe en verklaarde op luide toon: “Er is een kindeke geboren op aard.” Na afloop van de nachtmis aten we beschuit met muisjes. Kan het Nederlandser?

Onverwachts kwam de vicaris van de Bisschop langs.

“Beste Jo Mattens, we willen je overplaatsen naar een ander Bisdom. In de kliniek in Kumasi zitten ze dringend verlegen om hulp. Je bent daar harder nodig.”

Er werd verder weinig over gepraat, de missie besliste waar je werd ingezet en ik vertrouwde op hun oordeel. Mijn weinige bezittingen werden ingepakt en de chauffeur van de missie bracht me naar de verwaarloosde kliniek van Kumasi, in de bush. Er was een dokter en slechts één verpleegster. Terwijl de dokter zijn best deed om zoveel mogelijk patiënten te zien zetten wij, de verpleegsters, met z’n tweeën de schouders eronder en improviseerden omdat er veel te weinig linnengoed was.

Eerst bracht ik de operatiekamer op orde, zodat we in ieder geval de spoedgevallen konden helpen, hoe primitief de omstandigheden ook waren. De generator produceerde ’s avonds twee uur elektrisch licht. Bevallingen deden we bij het licht van een stormlamp. Er waren een paar watertanks en we zetten hier en daar waterbakken in de kliniek zodat we onze handen konden wassen. Er kwam een heleboel op ons af en ik had nauwelijks tijd om na te denken, zoveel werk was er te doen. Eigenlijk konden we het werk niet aan met z’n tweeën en ik begreep nu waarom het Bisdom van Kumasi dringend had gevraagd of ze er een verpleegster bij konden krijgen.

Omdat er via de Societas Missionum ad Afros geen verpleegsters meer beschikbaar waren, vroegen we Memisa om minimaal een extra verpleegster te sturen. Memisa is een Belgische organisatie (NGO) voor medische, niet-gouvernementele ontwikkelingssamenwerking. Na een tijdje kregen we versterking, er arriveerden twee Nederlandse zusters die vanuit een ander deel van het land kwamen. Het maakte ons werk iets gemakkelijker. Helaas ging een van die twee zusters al na korte tijd op vakantie. Ze had drie jaar achter elkaar gewerkt en was toe aan rust.

In het begin woonden we in het ziekenhuisje omdat er geen aparte woonruimte voor ons was. Op een dag kwam er een bouwpater langs: “Dames, ik mag voor jullie een nieuw onderkomen bouwen.”

Hij ging fluitend aan de slag en bouwde in een half jaar tijd een huisje voor ons. Niet luxe afgewerkt of weelderig ingericht, maar wel met de basisvoorzieningen. Ook al hadden we geen airconditioning, we waren blij dat het huis muskietenbestendig was. Na verloop van tijd begon ik min of meer te wennen aan de hitte.

Het ziekenhuis kwam ook steeds meer op orde. We hadden het ingedeeld in een mannenzaal en een vrouwenzaal, met ieder tien bedden. Er was een kraamzaal met zes bedden en een kinderzaal met negen bedden. Voor de meest zieke patiënt was er een apart kamertje, onze “Intensive Care”.

We namen een lokale jongen in dienst om de cementvloer van de zalen te dweilen en de was te doen. De communicatie verliep niet vlekkeloos, wat overigens geen probleem was, eenvoudig werk kun je meestal wel uitleggen met gebarentaal. De bedden hadden geen matrassen, er lag canvas op. De onder –en bovenlakens zaten met linten aan het ledikant vast. Met de primitieve middelen die we hadden deden we, met kunst –en vliegwerk, ons werk. Het grootste probleem was het watertekort. Alleen in het regenseizoen viel er genoeg water om de bedden grondig te schrobben en de zalen een goede beurt te geven.

De dokter zag ongeveer tachtig patiënten op de poli. Hij had daarnaast nog patiënten buiten het ziekenhuis en deed ’s middags zo nodig operaties. Wij deden de ziekenhuisbevallingen. Meestal was er iets bijzonders aan de hand als de vrouwen naar ons kwamen, normaal gesproken bevielen ze thuis.

We gaven de vrouwen die regelmatig op controle kwamen adviezen. We hadden net zo goed tegen een dove kunnen praten, ze sloegen de adviezen van die blanke betweters in het ziekenhuis in de wind en gingen thuis naar een Afrikaanse dokter die, met zijn beperkte medische kennis, inlandse medicijnen meegaf. Met regelmaat stierven er vrouwen die vertrouwden op de kennis van de plaatselijke medicijnman.

Op een dag kwam een Fulani, een lid van een erg arme bevolkingsgroep uit het noorden van Ghana bij de dokter. De oorspronkelijke naam van de etnische bevolkingsgroep de Fulani was de Peul. Ze woonden in de Sahel, verspreid over een aantal landen in West-Afrika van Mauritanië tot Kameroen. Afhankelijk van de streek waar ze woonden werden ze anders genoemd. Ze heetten ook wel de Foulah, Peulh, Fula, Fulfulde of Fulbe. In het Ghanese deel werden ze Fulani genoemd.

“Hebt u werk voor mij?” vroeg de magere man timide.

“Jazeker, je mag ’s nachts de toiletemmers leegmaken,” antwoordde de dokter en hij lachte beminnelijk.

“Goed dokter, dank u.”

Een tijdje deed de man keurig zijn werk, tot hij op een morgen bij de dokter langsging en zei: “Ik stop met dit werk.”

“Waarom?” vroeg de dokter.

De man legde uit hoe hij zijn werk deed. Van jongs af aan was hij gewend om een last bovenop zijn hoofd te dragen. Dat deed hij ook ’s nachts tijdens het werk. Die nacht was de bodem uit een toiletemmer gevallen en hij had de inhoud over zich heen gekregen, de stumper! De dokter legde de man uit dat er andere, meer veilige manieren bestonden om een emmer te dragen. Hij keek de dokter korte tijd taxerend aan en zei toen aarzelend: “Ik denk niet dat het zo lukt, maar ik wil het wel proberen.”

We kregen tal van problemen op ons bordje en vaak moesten we improviseren om ze op te lossen. Sommige gebeurtenissen blijven je bij, ook al is het lang geleden.

Een mannetje bezocht de kliniek en hij fluisterde me toe: “Er zit iets in mijn oor.”

Ik gekeken en inderdaad, hij had gelijk. Ik spoot het oor uit en tot mijn verbazing kwamen er maden uit!

“Hoe zijn die erin gekomen?” vroeg ik belangstellend.

“Ik moest naar het toilet. De vloer begaf het en ik ging kopje onder in de uitwerpselen.”

Tijdens een kort bezoek aan het ziekenhuis in Hwidiem had ik Truus Soemers leren kennen. Zij was twee jaar eerder gearriveerd in Ghana, om voor de Societas Missionum ad Afros te werken. We konden het onmiddellijk goed met elkaar vinden en bouwden in de maanden daarna het contact uit middels een briefwisseling. Ik was inmiddels een jaar in Ghana en ik wilde het land beter leren kennen.

“Heb je zin om samen met mij een korte binnenlandse reis te maken?” vroeg ik Truus. “Misschien kunnen we onze jaarlijkse vakantieslaten samenvallen.”Ze reageerde onmiddellijk enthousiast: “Geweldig plan. Ik wil al een tijdje naar het noorden van Ghana. Als jij het goed vindt stippel ik een route uit en maak een reisschema waaraan we ons losjes kunnen houden.”

Onze vakantie begon en de bus bracht ons van Kumasi naar een missiepost, ik meen me te herinneren in Yeji, waar we een Afrikaans echtpaar met zes kinderen ontmoetten. Twee ervan waren Albino. Donkere kinderen met een blanke huid, wit kroeshaar en rode oogjes. Alsof je naar het negatief van een foto keek. Door het ontbreken van pigment in hun huid hadden ze veel last van de immer schijnende zon, die ook voortdurende pijn deed aan hun ogen. Iemand vertelde de ouders dat we verpleegkundigen waren en ze hoopten dat we iets voor hun kinderen konden doen. Helaas, wij konden niets veranderen aan deze wonderlijke speling der natuur in donker Afrika.

De Chief van Yeji, een soort burgemeester, ontving ons op officiële wijze. Hij zat op een Ashanti stoel, met naast zich een tolk en een aantal landgenoten. De wanden van de hut waren behangen met amuletten, om de boze geesten te weren. De Chief stelde ons een paar vragen en na een korte stilte waarin ook wij niet wisten wat we moesten zeggen, wenste hij ons een behouden reis. Langs de White Volta rivier wandelden we terug en keken hoe vrouwen de was deden, terwijl anderen een bad namen of zaten te vissen.

In Tamele bezochten we de missiepost en maakten er kennis met de Ierse Mgr. Champagne en Mgr. Amissah, de eerste Ghanese Bisschop. Het dorp Bolgatanga verraste ons door zijn eenvoud en primitieve levenswijze. We waanden ons even in het paradijs, bij het zien van de bewoners, slechts gekleed in een boomblad dat hun genitaliën bedekte.