Erhalten Sie Zugang zu diesem und mehr als 300000 Büchern ab EUR 5,99 monatlich.
Moskou, voorjaar 2022. Met het gewapende conflict in Oekraïne in volle gang, brandt het woord 'Rusland' opeens op ieders lippen – en dat dan vaak in vraagvorm. Wat is er aan de hand in Rusland? Wat staat er daar nog te gebeuren? Maar ook: hoe konden de Russen het zover laten komen? Om die laatste vraag te beantwoorden doorloopt 'Rusland – zonder excuses' de acht jaren tussen de annexatie van de Krim (2014) en het begin van de huidige oorlog. Ook in dát tijdperk wordt de Rus overspoeld door buitenlandse sancties en onder de duim gehouden door de eigen autoriteiten; hem rest ondertussen weinig anders dan een voortmodderend proces van collectieve gelatenheid. De auteur maakt deel uit van die dagelijkse Russische zwanenzang, en beschrijft deze – in 50 'vooroorlogse' anekdotes – tot in detail. Daarbij ligt de focus vooral op klein leed en plezierige verrassingen: zaken die voor een westerling opvallend of zelfs onbegrijpelijk zijn, maar waarvoor geen Rus zich zal of wil excuseren. 'Rusland – zonder excuses' is uiteindelijk een graai naar de onbegrepenheid waarin Rusland zich prima thuis voelt.
Sie lesen das E-Book in den Legimi-Apps auf:
Seitenzahl: 411
Veröffentlichungsjahr: 2023
Das E-Book (TTS) können Sie hören im Abo „Legimi Premium” in Legimi-Apps auf:
Rusland
– zonder excuses
Rusland
– zonder excuses
Robert Sinke
Coverfoto: Egor Myznik via Unsplash
ISBN: 789403686592
© Robert Sinke 2023
Uitgegeven via Mijnbestseller.nl
Inhoud
Inleiding
Twaalf visums, dertien ongelukken: Inleiding
Twaalf visums, dertien ongelukken: België
Wij, robotten: Inleiding
Wij, robotten: De onderwijzer onderwezen
Twee problemen: Inleiding
Twee problemen: Nachtrit
Jalta: De omweg ernaartoe
Puegoet
Maksim Jevgenjevitsj: Inleiding
Maksim Jevgenjevitsj: Een spiegel voorgehouden
Twee problemen: Sneeuwtarief
Wij, robotten: Spieking test
De lafhartige Samaritaan
De zevende achtste maart
Het onbenoembare: Inleiding
Het onbenoembare: Kluchtafweer
Maksim Jevgenjevitsj: Rookvlees
Twee problemen: Schuifdeur
Jalta: Met vier benen in het verkeerde bed gestapt
Jalta: Sprechen Sie Niemetskij?
Wij, robotten: Ze komen, ze gaan (B.)
Twaalf visums, dertien ongelukken: Litouwen
Nachtleven en -dood
Wij, robotten: Ze komen, ze gaan (C.)
Twaalf visums, dertien ongelukken: Rusland
Elk geval een spoedgeval: Inleiding
Elk geval een spoedgeval: Pannenkoek
Maksim Jevgenjevitsj: Bloed, zweet en Dagestanen
Suske en Whiskey
Bewoonbaar verklaard: Inleiding
Bewoonbaar verklaard: Ingericht en opgerot
Twee problemen: Snelwegrecht
Twaalf visums, dertien ongelukken: Armenië
Elk geval een spoedgeval: de Poolse bruid
Orsk
Elk geval een spoedgeval: Bukken voor de wetenschap
Twaalf visums, dertien ongelukken: Nederland (1)
Bewoonbaar verklaard: Remont
Wij, robotten: Ze komen, ze gaan (R.)
Twaalf visums, dertien ongelukken: Nederland (2)
Elk geval een spoedgeval: Slippertje
Bewoonbaar verklaard: Neus
Roeblik (1)
Honds behandeld
Het onbenoembare: De voorbijwandelaar
Het OeFeMS
Het onbenoembare: Politieke verrektheid
Roeblik (2)
Het onbenoembare: Turkenstaten
Haastige Spoetnik
23 Februari 2022
Epiloog
Dankwoord
‘Rusland’ en ‘excuses’: het zijn twee moeilijk met elkaar verenigbare begrippen.
Als buurman van veertien soevereine staten en (nog altijd) verduisterd door de schaduw van de Koude Oorlog, lijkt het de Russen soms alsof de halve wereld verlegen zit om hun excuses. Daar is geen beginnen aan – dus begint men er ook gewoon niet aan. Dat werkt gelukkig wel twee kanten op, want op andermans excuses zit men ook niet echt te wachten: onoverzichtelijke tijdverspilling, allemaal.
“Bemoei je met je eigen zaken en wij laten je met rust”, aldus. Maar ook: “Bemoei je met onze zaken en het zal je bezuren”, want Rusland laat zich geen excuses opdringen.
Als bovenstaande paragrafen wat eufemistisch in de oren klinken, kan dat te maken hebben met het feit dat ze dik anderhalf jaar geleden werden opgesteld. Inmiddels leeft Rusland (en de rest van de wereld) in een nieuw soort realiteit; eentje die een nieuwe inleiding behoeft. Ik heb zelfs overwogen om de titel van dit boek te veranderen in zoiets als Rusland - van A tot Y, of Rusland - van Annexatie tot Invasie, maar dat zou de originele gedachte erachter al te zeer onderhevig maken aan het huidige politieke tijdsgewricht.
Feit is wel dat ik in het jaar van de annexatie van de Krim naar Rusland ben getrokken en dat dit boek eindigt op de dag van de Russische invasie van Oekraïne. In die tussenliggende jaren vond men het al vreemd dat een westerling zich vrijwillig in Rusland zou willen huisvesten. “Waarom ben je naar Rusland gekomen?” is dan ook de vraag die mij het meest gesteld wordt (en dat al sinds ik hier nauwelijks een maand woonde). “Waarom wil je hier blijven?” is een goede tweede; zeker vandaag de dag, in onze nieuwe realiteit.
Wie aan het Rusland van vóór de invasie denkt, kan zich een toeristisch tripje naar het cultureel hoogontwikkelde Sint-Petersburg waarschijnlijk prima inbeelden; ook Moskou bood (en biedt) voldoende pracht en praal om de zure smaak van allerhande visumperikelen binnen een paar dagen weg te spoelen. Echter, wie langer dan een weektrip in Rusland wil verblijven, verankert zich daarmee dieper in een wantrouwige maatschappij die steeds hogere stapels papierwerk opwerpt om bemoeiallen buiten de deur te houden – zeker nu, en al helemaal wanneer het om bemoeiallen uit ‘onvriendelijke' landen als Nederland gaat.
Wie standvastig genoeg is en over voldoende geluk beschikt om te ‘mogen’ blijven, zal uiteindelijk met de andere, meer menselijke kant van Rusland geconfronteerd worden. Dat is niet noodzakelijk altijd een positieve ervaring – elk land heeft zijn blaam en elke burger diens eigen humeur – maar vaak wel verrassend en vermakelijk; en beslist de moeite van het vertellen waard.
Inmiddels stuiter ik al meer dan zeven jaar van blunder naar mijlpaal te midden van een weelde aan anekdotes, maar tot voor kort vond ik steeds een of andere smoes om niets van dat alles op papier te hoeven zetten. Werk, woning, huwelijk: alle ambtelijke tegenwerking ten spijt, raakte ik steeds dieper in de Russische samenleving verstrengeld en paradoxaal genoeg leverde dat dus méér verhalen, maar mínder vrije tijd op. Bijna twee jaar geleden werd ik voor het eerst vader en sindsdien is elke minuut rust er werkelijk eentje geworden om te koesteren en uit te buiten.
Recentelijk drong het tot me door: veel Russen werken van de vroege ochtend tot de late avond, sporten daarnaast twee of drie keer per week. Ze bloggen dat ze vloggen over hun drie kinderen, waarvan de jongste kleuterliedjes in het Chinees opdreunt en de oudste drie verschillende muziekinstrumenten kan spelen. En tussen dat alles door maken ze nog tijd om eens bij vrienden langs te gaan en gezamenlijk te koken, te drinken en steeds sterkere verhalen op te rakelen. Aannemelijk roddelen ze tegenwoordig bij kaarslicht over de ‘speciale operatie’ aan de westgrens, aangezien die niemand onberoerd kan laten.
Niettegenstaande het stereotype beeld dat men in het Westen voor ogen heeft, vormen spectaculaire reisverslagen over worstelpartijen met Siberische tijgers overigens voor slechts weinig Russen een onderdeel van hun normale leven. Toch is dat ‘normale’ leven voor buitenstaanders vrij speciaal en zeker de moeite van het beschrijven waard. Uiteindelijk is dit boek dus vooral een collectie van vertellingen over het Russisch dagelijks leven: dingen als rare supermarkt-bezoekjes, de strijd met de ambtenarij of strubbelingen met fraudelente taxichauffeurs. Dat zijn allemaal zaken die relatief eenvoudig naast hun respectievelijke evenknieën in andere landen te leggen en vergelijken zijn. De daaropvolgende conclusie zal vaak luiden dat Rusland wel degelijk ‘uniek’ genoemd mag worden. Een uniek land dat mij stapje voor stapje in de armen aan het sluiten is. Of wás, tot voor kort.
Recente ontwikkelingen ten spijt ben ik méér en méér ‘Russisch-normaler’ geworden, en dat plaatst mijn levenswandel toch weer in een steviger perspectief. Elke Rus heeft zijn levenstaken, en een van de mijne is het voltooien van dit boekwerk. Je huilerige baby of een uitzonderlijk aanhankelijke vrouw terzijde; de bijzonder lawaaierig bovenbuurman of je onbegrijpelijk onverbeterlijke studenten niettegenstaande: een schrijver kan altijd wel ergens vijf tot tien minuten vandaan toveren om een of andere anekdote neer te pennen.
Als een ware Rus bevrijd ik mezelf van elk schuldgevoel, door alle excuses simpelweg terzijde te schuiven. En zo geef ik mijzelf, tussen duizend andere dingen door, over aan Rusland – zonder excuses.
Rusland is ongeveer 9000 kilometer lang en 4000 kilometer breed: waar begin je in hemelsnaam met het ‘uitleggen’ ervan? Vangt zo’n ontdekkingsreis op het Wislahaf nabij de Poolse grens aan, of probeer je vanaf Alaska de contouren van Kamtsjatka te ontwaren?
Welnu, om Rusland te kunnen bevatten dien je er eerst naar af te reizen; maar dat is makkelijker gezegd dan gedaan. Ervaren reizigers kunnen erover meepraten: een in zichzelf gekeerd land als Rusland (of Turkmenistan of Bhutan) komt men niet binnen met enkel een glimlach of een slap excuus. Je moet een hele procedure doorlopen voordat je een geldig visum te pakken hebt en dat is best intimiderend: men stuurt je bij de ambassade of het consulaat namelijk zonder blikken of blozen terug naar huis als er iets niet in orde is.
In zes jaar tijd en in vijf verschillende landen heb ik een hele rits Russische visums verzameld en bij elke nieuwe aanvraag viel er wel weer iets opmerkelijks te noteren. Enkele van die gebeurtenissen zijn verspreid over dit boek onder de noemer Twaalf visums, dertien ongelukken terug te vinden.
Inmiddels ben ik in het bezit van een (tijdelijke) verblijfs-vergunning en behoort een Russisch paspoort ook tot de mogelijkheden; het lijkt er dus op dat het gerommel met visums binnen afzienbare tijd tot het verleden zal behoren. Daarvoor komen echter ongetwijfeld allerhande andere registratie- en belastingperikelen in de plaats en uiteindelijk zal ik wellicht met weemoed terugkijken op het ‘schamele’ aantal visumongelukken dat mij in de voorgaande jaren is overkomen – om er dan misschien zelfs nog eens een beetje naar terug te verlangen.
Antwerpen. Toeristenvisum voor vijf dagen.
Probleempunt: een paspoort dat zes maanden en zes dagen later zou verlopen; naar de letter van de wet een foutmarge van zes dagen, want identiteitsbewijzen dienen minimaal nog zes maanden geldig te zijn bij aanvraag van een visum.
“De verwerkingstijd bedraagt vier tot tien dagen, dus u loopt het risico dat uw aanvraag geweigerd wordt.”
Tot mij spreekt een ongeïnteresseerd maar niet per se onvriendelijk Sovjet-reliek, dat met haar rechterhand een binnenkort – weer –modieuze leesbril wat verder naar beneden trekt, terwijl de andere arm als een schijnbaar onafhankelijk wezen de rest van het stapeltje documenten terug in de schuiflade onder de scheidswand duwt. Mevrouw rommelt wat met de combinatie van daglicht en een bureaulamp om het paspoort nog een paar keer te controleren. Het tafereel schommelt ergens tussen plichtmatigheid en meedogen-loosheid in.
“Maar een nieuw paspoort aanvragen kost ook een hoop tijd. Dan heb ik alsnog geen geldig visum tegen de tijd dat mijn vlucht vertrekt”, veins ik administratieve kennis van zaken.
“Wij kunnen die keuze niet voor u maken. Als u deze aanvraag wilt indienen, kost dat 200 euro. Direct te betalen.” Het wordt gebracht op een toon die suggereert dat laatstgenoemde optie eigenlijk helemaal geen optie is.
De bureaulamp wordt uitgeschakeld en het paspoort boven op de andere paperassen gelegd, waardoor het geheel nu natuurlijk niet heel lekker meer onder het plexiglas door past; maar na wat karateklappen en vergezeld door een diepe zucht, komt een en ander dan toch weer in mijn handen terecht.
“Dit zijn onze openingstijden indien u terug wilt komen met een nieuwe visumaanvraag”, tikt mevrouw met een pen tegen een A4’tje op ooghoogte. Einde discussie, wat haar betreft. “Vergeet niet dat u in dat geval via onze website een nieuwe afspraak moet boeken.” Ze kijkt langs me heen alsof ik een kapstok of een waterkoeler ben. “Wie is de volgende?”
Pas later zal ik vreemd opkijken van die vraag: in Rusland is het ten eerste meestal de klant die naar de volgorde in de wachtrij vraagt; ten tweede luidt de vraag dan: “Wie is de laatste (in de wachtrij)?” hetgeen eigenlijk veel praktischer is: je kan dan immers gewoon lekker weglopen om een kop koffie te drinken en bij terugkomst zien of ‘de laatste’ al wat dichter naar het loket is geschuifeld.
Op dit moment ben ik echter gewoon nog een van de ‘volgenden’ die de balie mopperend en gedesillusioneerd verlaat, hopend dat zulks in ieder geval de laatste keer zal zijn. Typische ijdele westerse hoop, natuurlijk.
Het woord ‘robot’ klinkt de meeste mensen heel natuurlijk in de oren. Een Nederlandssprekend persoon zal waarschijnlijk van een Engelstalige etymologie uitgaan, of misschien een in hightech Japan gelegen oorsprong vermoeden – maar slechts weinigen zullen op de hoogte zijn van het feit dat robot een oud-Slavische achtergrond heeft: het is afgeleid van robota, ofwel ‘werk’.
Slaven, werk, robot: wie bekend is met de Slavische werkcultuur, kan de losse eindjes makkelijk aan elkaar geknoopt krijgen. Over het algemeen zien Russen hun baan inderdaad als een noodzakelijk kwaad, dat op de automatische piloot afgeraffeld kan worden tot het weekend is. De meesten onder hen zijn permanent ontevreden over hun salaris en tegelijkertijd geheel onverschillig over het reilen en zeilen van het bedrijf dat hun loon uitbetaalt. Je baas is nu eenmaal een lul; je cliënten te dom voor woorden – daar valt weinig interessants over te vertellen.
Wat dat betreft heb ik het goed getroffen: mijn baas is niet echt een ‘baas’ en dus ook niet echt een lul, zijn cliënten worden (dankzij/ondanks mij) stapsgewijs steeds slimmer; dat tezamen is allemaal vaak best interessant. Weliswaar functioneer ikzelf ook als een soort robot – mijn voornaamste doel is immers het elimineren van imperfecties – maar gelukkigerwijs is ons cliënteel demografisch uiterst divers. Dat vergt een zekere mate van aanpassingsvermogen aan beide kanten van de tafel, hetgeen het menselijke aspect dan weer vaak naar de voorgrond weet te halen.
Voor de goede orde: ik ben geen psycholoog of filosoof, maar ‘doodgewoon’ leraar Engels op een particuliere talenschool. Het merendeel van mijn studenten bestaat uit weinig gemotiveerde belhamels en tieners met welgestelde ouders. In die hoedanigheid houd ik meestal het aanbevolen lesmateriaal aan, geef er af en toe eens een onverwachte draai aan en schrijf aan het eind mijn uren netjes bij in de daarvoor bedoelde loonstaat.
Dat duurt nu al een jaar of zeven voort en wordt er niet bepaald interessanter op: je kunt onveranderlijke grammaticale concepten op tientallen verschillende manieren uitleggen, maar dat verandert natuurlijk niets aan de basismaterie. Tel daar de luiheid en onverschilligheid van veel studenten bij op, alsook een weinig perspectiefrijke carrièreladder en je kunt je afvragen wat iemand bezielt om überhaupt aan zo een onderneming te beginnen. Welnu: leest u even verder.
Om uiteindelijk in Rusland te belanden, moeten we in mijn geval een jaar of twintig teruggaan: naar mijn late tienerjaren dus. Aan het eind van de middelbare school had ik namelijk geen flauw idee wat er verder stond te gebeuren – er zal heus wel enige mate van voorlichting hebben plaatsgevonden, maar dat is destijds allemaal aan mij voorbijgegaan – zodat ik uiteindelijk maar “Kunstacademie” heb geantwoord op de vraag: “Wat ga je volgend jaar doen?” en zulks ook in het jaarboek is opgenomen.
Logischerwijs schreven mijn ouders me vervolgens in blinde paniek in voor een studie ICT en belandde ik via die weg in de wereld van hightech consumentenelektronica; her en der internationale beurzen bezoekende ten bate van een veelal Amerikaans publiek. Dat ging best lekker maar liep onherroepelijk fout af, aangezien mijn economische vaardigheden ongeveer vergelijkbaar waren met de borduurkwaliteiten van een blauwe vinvis: bedroevend ontoereikend.
Spoelen we nu twintig jaar vooruit, word ik geïnterviewd door Anton en Marina: twee van mijn jongvolwassen studenten, die als journalisten werkzaam zijn bij de lokale tv-zender. Marina vraagt me met aandoenlijke hertenoogjes om een algemeen inleidend riedeltje op te hangen: wie ik ben en wat ik hier doe en zo. Uiteraard probeer ik het allemaal in het Russisch en nog uiteraarder is het eindresultaat een eindeloos onbeholpen volzin, getekend door een gemankeerd soort van basisvocabulaire.
“Ik was een programmeur en ik had een firma en ik werkte in Amerika en uiteindelijk was er een catastrofe en ik dacht: wat is er tegenover (bedoeld: het tegenovergestelde van) Amerika? Wel: dat is Rusland. Wat weet ik over Rusland? Niets en ehhh... Kom op, fwuuut (denk hierbij aan het geluid van iets als een futuristische schuifdeur) ... En nu ben ik hier.”
*
Tussen die ‘catastrofe’ en het ‘fwuuut’-gedeelte zit nog een universitaire studie Slavistiek verborgen, trouwens. Dat studeren ging in het begin heel aardig, maar vanwege (alweer) financieel malheur liep een en ander na een jaar of twee opnieuw in de spreekwoordelijke soep. Via een studievriendin werd ik vanuit het niets in contact gebracht met een Vlaamse jongedame, woon- en werkachtig in de Moskouse voorstad Domodedovo, alwaar men verlegen zat om leraren Engels; een oppervlakkige, stief vijftien minuten durende kennismaking later kon er al een ticket Brussel-Moskou geboekt worden. Al met al een vrij compact verhaal, dat voor een niet-Rus evenwel nog steeds veel te moeilijk is om zomaar in het Russisch op te lepelen; dus haalt deze informatie het tv-interview niet.
*
De camera gaat even uit, ik word een beetje klaargestoomd voor de volgende vraag. We maken wat sfeerbeelden van mijn klasje tienjarigen, van wie zelfs de grootste etterbak zich wonderwel eventjes gedeisd weet te houden. In een hoekje van het lokaal waar dit allemaal wordt opgenomen staat Olga, onze ultrafanatieke, potlood-dunne hoofdlerares met een kapsel dat nooit echt in de mode is geweest of ooit zal komen. Ze steekt een duimpje op en zegt dat het tot nu toe heel erg goed is gegaan. Om mij heen zie ik niets dan kamerbrede glimlachen en dat geeft een nogal onbestemd gevoel in een land waar de glimlach vooral als teken van idioterie geldt.
“Nu gaan we het hebben over hoe je je vrouw hebt ontmoet en wat er daarna is gebeurd. Denk je dat je uit je woorden kan komen?” vraagt Marina.
“Natuurlijk kan hij dat” antwoordt Anton, terwijl hij zijn vingers in de rondte draait om de cameraman bij de les te houden; ook ik begrijp de boodschap. Er zit weinig anders op dan lachend ten onder te gaan – Rusland houdt niet van slappe excuses of laffe uitwegen, zoals we weten.
Robert: “Mijn hart zei, zei me, kom op! Vraag het eh… aanzoek, ja? En dat was alles.”
Marina: “En zij zei ‘ja’.”
Robert: “Hm-hm. Ja, natuurlijk! Natuurlijk, ja!”
Dat was het dan: vijftien seconden schermtijd, weggemoffeld in een ochtendrubriekje waarnaar waarschijnlijk niet meer dan een paar honderd bejaarden hebben gekeken, en dan ook nog enkel terwijl ze alvast de aardappels aan het schillen waren. Ik betwijfel of zelfs één enkel iemand het laatste stukje nog heeft meegekregen, waarin een tienerstudent mij hortend en stotend wat complimenten in de maag splitst – hoewel ik hem tot op dat moment welgeteld één keer heb lesgegeven.
“Hij is heel creatief, aardig, grappig, slim”, zegt de dertienjarige Ivan, waarna hij duidelijk in het midden van een zin wordt afgekapt door middel van een hard cut, gevolgd door nog wat uitleidend gekwaak. De videobewerker vond het wel welletjes geweest, blijkbaar.
Het was geen gemakkelijke ervaring, maar gelukkig zijn de rollen morgen weer omgedraaid. Dan mag ik Anton en Marina weer naar hun huiswerk vragen en hen erop attenderen dat je een aanzoek niet vráágt, maar dóét (of máákt, in het Engels); daarbij het menselijke aspect achter die imperfectie in ieder geval wat méér waarderend dan een week geleden.
Mijn baan zit vol van dit soort momenten en dat maakt het allemaal prima de moeite waard; verwende snotapen en bureaucratische dagtaakjes niettegenstaande.
Hoewel Russen er niet van houden wanneer anderen hun land bekritiseren of – erger – bespotten, zijn ze zelf meesters in het omlaag praten ervan. Dingen die in Rusland gemaakt zijn, tja: die werken natuurlijk niet. Alle politici zijn corrupt en iedere politieagent is daarvan op de hoogte. En dan is er nog het volkse openbaar vervoer, de pokdalige infrastructuur en allerhande daaraan gerelateerde zaken. Wanneer men het over verkeer heeft, geeft de gemiddelde Rus grif toe dat men hier onder twee onoplosbare problemen gebukt gaat: slechte wegen en slechte chauffeurs (‘idioten’, in het oorspronkelijke spreekwoord).
Ik moet opmerken dat het me aanvankelijk nog wel meeviel met die infrastructuur. De eerdergenoemde journalistenvriend Anton heeft al heel wat pagina’s over mij en mijn gezin in de regionale krant volgeschreven. Hij herinnert mij er steeds aan dat ik in het begin verbaasd was dat de stoplichten hier vaak van timers voorzien zijn – toch een nuttige toevoeging die we in Nederland (om onduidelijke reden) moeten ontberen. Ook was ik eertijds blij verrast dat er überhaupt autowegen van en naar diverse steden en dorpen zijn aangelegd en dat deze enigszins logisch bewegwijzerd zijn (voor een Nederlander blijft het overigens fantastisch om een afritbord als ‘Novosibirsk – 3425 km’ tegen te komen).
De twee problemen worden echter steeds duidelijker naarmate je langer in Rusland verblijft. Zelfs in een relatief geordende regio als de Moskouse Oblast wemelt het van de wegen die enkel op de landkaart bestaan. Ik weet nog goed dat het asfalt op de ‘weg’ naar onze huwelijksreceptie eerder hinderlijk dan hulpvaardig aandeed: de broze plakken teer creëerden een soort van maanlandschap waarbij auto’s en bussen in het ene ravijn na het andere werden gestort, en wel op dusdanig grove wijze dat in ieder geval één van onze gasten een emmertje nodig had (toegegeven: de zelfgestookte alcohol was daar ook debet aan).
Anderzijds legt men net zo makkelijk een prachtig fietspad aan dat even abrupt eindigt als dat het begon en dat je in geen ANWB-gids of equivalent terug zal vinden – temeer omdat het ’s winters in een soort van ijsbaan verandert en de winter hier nog weleens behoorlijk lang wil duren.
Sowieso is de fiets nog een vrij nieuw fenomeen in deze contreien, met alle bijkomende kinderziektes van dien: Russische fietsers kunnen we dan ook moeiteloos schikken onder het kopje ‘slechte chauffeurs’. Ze rijden altijd zonder licht, begeven zich net zo makkelijk op de stoep als op een driebaansnelweg (ja, echt waar) en dat doen ze soms op fietsframes die je tussen twee vingers in elkaar kan knijpen. Een prachtig stereotype is de slingerende Centraal-Aziaat getooid in een hoge wollen muts op een veel te klein, piepend groen fietsje, dat niet veel meer dan een paar tientjes kan hebben gekost. Zulke mensen zie je vooral op en rond de hier alom aanwezige bouwputten; juist daar waar een goed stel schokbrekers geen overbodige luxe zou zijn geweest.
Maar goed, wanneer we het over chauffeurs hebben, betreft dat uiteraard vooral auto- en taxibestuurders; en ja, de verhouding tussen die twee groepen benadert de verhouding fifty-fifty gevoelsmatig heel aardig. De auto is hier nog altijd een statussymbool – in het grootste land ter wereld betekent dat dus ook ‘hoe groter, hoe beter’. Wie enkel krakkemikkige Ladaatjes en paardenwagens verwacht te zien, komt enigszins bedrogen uit: de Porsche Cayennes vliegen je (in de vreselijkste kleuren) om de oren en elke Russische jongedame lijkt een dikke SUV tot haar beschikking te hebben. Wees echter gerust: de oude Ladaatjes vormen een afkalvend, maar nog altijd substantieel deel van het totale wagenpark – meestal bestuurd door plompe mannen op weg naar hun volkstuintjes (21xx-serie), of opgeschoten laaghoofdige trainingspakfiguren (volledig geblindeerde Samara, soms eens een 11x-serie); maar hoe dan ook luidruchtiger dan een olifant aan de schijterij.
De top drie van populairste auto’s kan ik makkelijk uit het hoofd opnoemen, aangezien ik er bijna dagelijks in rondrijd: de Hyundai Solaris, de Kia Rio en – mijn favoriet – de Renault Logan; bij voorkeur in de karigste uitvoering (spierwit, draairaampjes en optionele stuurbekrachtiging) omdat die het begrip ‘instapmodel’ nu eenmaal zo prachtig belichaamt.
Voor de goede orde: voornoemde wagens zijn de meest voor komende taxi’s die overal en nergens in Rusland rondrijden en waarvan miljoenen mensen afhankelijk zijn om van en naar het werk of familie te kunnen reizen. Anders dan het nijpende parkeerplaatstekort doet vermoeden, beschikken veel Russen niet over een eigen auto; een feit waarop de taximarkt goed is ingesprongen door hun diensten tegen zeer schappelijke prijzen aan te bieden (hoewel de situatie op het moment van schrijven aan het verslechteren is). Veel van mijn logistieke avonturen (gecategoriseerd als Twee problemen) hebben dan ook plaatsgevonden in en/of rondom taxi’s – in 50% van alle gevallen voorafgegaan door de vraag “Waar komt u vandaan?” (naar aanleiding van mijn blijkbaar grappige accent); in 50% van de rest gevolgd door doodse stilte tot de eindrekening ter sprake komt.
Zoals gezegd was ik aanvankelijk blij verrast door de lage taxitarieven in Rusland. Helaas was mijn allereerste Russische taxirit echter onaangenaam prijzig en weinig vreugdevol.
Het is het voorjaar van 2014 en ik ga op weg naar Sotsji, een Russische badplaats die enkele maanden eerder (vreemd genoeg) dienst heeft gedaan als organisator van de Olympische Winterspelen. Vanaf Brussel maak je dan een tussenstop in Moskou; aldaar gaat de pret met visums en aanverwante documenten vrolijk verder waar ze in Antwerpen was opgehouden. “U moet achteraan in de rij van het volgende loket aansluiten”, “U heeft het verkeerde formulier ingevuld”, et cetera, et cetera. Als puntje bij paaltje komt, heb ik net genoeg tijd weten te verkwanselen om mijn aansluitende vlucht te missen.
Nu, ere wie ere toekomt: Aeroflot regelt zonder al te veel tegensputteren een vervangende vlucht zonder bijkomende kosten, een tijdverlies van vier uur niet meegerekend. Sowieso is Aeroflot geenszins de horkerige, onbetrouwbare en ronduit gevaarlijke Sovjet-firma die veel westerlingen zich inbeelden bij het horen van de naam ervan. Wat internationale (en populaire binnenlandse) vluchten betreft is het gewoon een prima luchtvaartmaatschappij, die beslist niet onderdoet voor haar westerse tegenpolen.
Goed: een kwart dag later dan gepland landt mijn vliegtuig op de hypermoderne luchthaven van Adler, niet ver van de ijshal waar de Nederlandse olympiërs enkele weken eerder de nationale goudvoorraad hebben weten te verdubbelen. Mij was al verteld op te passen voor de opdringerige taxichauffeurs die garen spinnen bij de onwetendheid van de gemiddelde toerist; het is niet ongebruikelijk dat deze kerels vier of vijf keer het gebruikelijke tarief aanslaan. Dat is in Rusland niet veel anders dan in de rest van de wereld, natuurlijk.
“Hé, hé, taxi? Taxi?”, staan er drie mannen in het holst van de nacht naar de vier overgebleven niet-Russisch uitziende passagiers te roepen. “Ik ben een hele goedkope taxi”, zegt er eentje in vleugellam Engels.
Ik ben moe en wil er maar vanaf zijn. Bussen rijden er niet meer en om nu dertig kilometer naar Sotsji te gaan lopen is ook weer wat te veel van het goede. “Hoeveel? Niet meer dan 1500 (roebel).”
“1400, heel goede prijs. Kom met me mee.”
Meneer heeft zijn vangst binnen en schakelt vrijwel meteen terug naar Russisch terwijl we het parkeerterrein oplopen. Aangekomen bij een zwarte Hyundai Sonata (type ‘heeft zijn beste tijd wel gehad’), ritst hij zijn leren jack open en zet de verwarming op volle sterkte aan.
“Sorry, ik spreek niet zo goed Russisch, maar…” probeer ik boven het kabaal van het geblaas uit te komen.
“O mijn vriend, je spreekt geweldig Russisch!”
“Dank u, maar even om zeker te zijn over de prijs…”
De taxichauffeur lacht mijn zorgen weg. “Hele goede prijs, 1450 roebel. Daar gaan we!”
En inderdaad, vlotjes gaan we op weg. In het begin is het nog wel aardig en grappig, het uitwisselen van halve onverstaanbaarheden terwijl we langs de kustlijn omhoog en omlaag slingeren op zoek naar een onopmerkelijk hotelblok. Ik zeg dat het pal aan het strand ligt; hij vraagt me keer op keer naar foto’s en straatnamen, maar herkent niets van dat alles. Mijn Belgische simkaart werkt hier niet en het beltegoed van de chauffeur is op, dus onze internet-hulplijn geeft nul op rekest. Op een gegeven moment duurt het allemaal te lang en is de blazende kachel het enige geluid dat nog vanuit het interieur op te merken valt.
Helemaal ongemakkelijk wordt het wanneer meneer (tussen twee pakjes peuken door) het strandhotel in de bergen besluit te gaan zoeken. We kruipen sloom door iets wat voor de achterbuurten van Sotsji zou kunnen doorgaan, af en toe stoppend om een argwanende voorbijganger om hulp te vragen. Op een gegeven moment stapt de taxibestuurder aan het einde van een doodlopende straat uit, en loopt richting een nabijgelegen café om daar te vragen of ze internet hebben.
“Niet uitstappen, blijf zitten”, snauwt hij me toe.
Treurig om zo aan mijn einde te moeten komen, denk ik in doemscenario’s, op zoek naar een brandblusser om ramen of schedels mee in te kunnen slaan. Enige mate van boerenverstand en -gierigheid helpt me mijn moed terug te vinden. Ik kan wel wegrennen, maar dan rijdt hij natuurlijk weg met al mijn bagage. Wellicht heeft hij dit al vaker gedaan.
Gelukkig zijn we op dit moment op een dusdanige hoogte aanbeland dat de helverlichte kustlijn de geblindeerde achterruit van de sedan geheel opvult. Ik herinner me de satellietfoto waarop het strandhotel ergens in een inham nabij een spoorlijn gelegen ging en verrek: met die voorkennis kan je mijn beoogde bestemming vanaf dit punt vrij duidelijk zien liggen; zelfs in de scheef hangende achteruitspiegel van een afgetrapte Hyundai Sonata.
“Geen internet”, slaat de chauffeur kwaad de deur dicht. “Dit kost me een hele nacht aan klandizie. Dat hotel bestaat verdomme helemaal niet.” Tussendoor mompelt hij nog iets over achterlijke buitenlanders, als ik het goed begrepen heb.
“Daar. Het ligt daar”, zwaait de achterlijke buitenlander een beetje onbestemd richting de horizon. “Net achter de spoorlijn naast de zee, ziet u wel?”
Ja, hij ziet het. De sfeer verbetert lichtjes. Meneer – Aleksej, of iets in die richting – rijdt voor de vorm nog een paar keer de verkeerde doodlopende straat in en uit, alvorens we dan eindelijk op de plaats van bestemming aankomen. Het is inmiddels drie uur ’s nachts en beiden zijn we mentaal en zelfs fysiek uitgeput.
“Dat adres dat je hebt opgegeven, klopt niet”, klopt de bestuurder zijn laatste peuk uit in de rechter-onderhoek van zijn zijspiegel. “Onder de spoorlijn loopt een andere straat en dat is waar dit hotel geadresseerd is.”
Hij heeft gelijk. “Dat spijt me. Ik kan u 1500 roebel geven in plaats van de 1400 die we afgesproken hadden.”
Op dit moment ben ik nog niet voldoende bekend met de uiterlijke kenmerken van Russisch briefgeld en om vergissingen te voorkomen, vraag ik de chauffeur of hij de interieurverlichting in kan schakelen. Dit heeft tot gevolg dat we beiden een goede blik op de inhoud van mijn portemonnee kunnen werpen: exact 1500 roebel, alsook een euro of 25.
“1500 roebel?” lacht de beste man sarcastisch, “Een hele nacht heb ik aan dat klotehotel van jou verspild. Geef me die euro’s maar. Roebels zijn hier waardeloos.”
“Ja, dag meneer. U kunt ook te ver gaan, hoor. Het is toch niet mijn schuld dat u als taxichauffeur de weg in uw eigen stad niet weet?”
“Geef me 1500 roebel en tien euro. Ik moet sigaretten kopen.”
Een hotelbediende komt langzaam naar ons toegelopen en de koude oorlog wordt daarom plots besloten met een afkoopsom van 1000 roebel en vijftien euro; destijds gelijk aan ongeveer 1700 roebel in totaal. Meneer smijt mijn handbagage de stoep op en stuitert onbeholpen het slechte wegdek terug omhoog.
“Hoeveel heeft u betaald?” vraagt de koddige hotelbediende geïnteresseerd, terwijl ze het grote toegangshek met een hangslot verzegelt.
“1000 roebel en…”
Ze lacht eens hartelijk. “Veel te veel, dus.”
Ze leren het nooit, die buitenlanders, denkt ze waarschijnlijk – en het zal nog jaren duren voordat ik haar daar ongelijk in kan geven.
In het Krimstadje Jalta heeft men er geen idee van dat Vlamingen en Nederlanders (een soort van) dezelfde taal spreken, en dat ze desondanks nogal wat vooroordelen over elkaar op de plank hebben liggen. Eén van die vooroordelen werkt beide kanten op: Belgen zijn te veel in zichzelf gekeerd, terwijl Hollanders al snel overmoedig worden.
Boven alles blijf ik toch Nederlander: een Nederlander wiens overmoed hem tijdelijk uit Rusland weg wist te jagen, terug naar het ouderlijk huis in België waar het prima in-zichzelf-keren is. Als Moskou destijds al ver van mij verwijderd leek, moet Jalta bijna in een ander universum hebben gelegen.
Aanvankelijk had mijn Russische werkgever mij enkel als docent ‘spreekvaardigheid’ aangenomen – min of meer iemand die met zijn studenten babbelt ten behoeve van hun vocabulaire en uitspraak/intonatie, in plaats van hen urenlang te bombarderen met allerlei abstracte grammaticale concepten. Deze functie voelde heel natuurlijk aan, gezien ikzelf op een niet-schoolse manier de Engelse taal had leren beheersen: veel televisiekijken, artikelen lezen, online met Amerikanen praten et cetera. Voor toetsen of examens had ik nooit echt ernstig hoeven studeren: de 7 op het eindexamen voelde voor mij als een persoonlijke nederlaag, maar had me aan de andere kant ook maximaal drie uur aan studietijd gekost.
Achteraf gezien was het toch wel redelijk waanzinnig om zonder enige vorm van grammaticale kennis aan een nieuw carrièrepad als leraar Engels te beginnen. Ik had op mijn eerste werkdag serieus geen idee wat present simple was, bijvoorbeeld; het interesseerde me eerlijk gezegd ook bijzonder weinig. Ergens moest dat natuurlijk wel gaan knellen: toen studenten van niveau B2 met vragen kwamen aandragen over de grammatica uit hun vorige les (gedoceerd door een andere leraar) was het – veelal foutief – improviseren geblazen. Dan moet je opeens gaan uitleggen waarom er geen passieve vorm van de progressieve voltooid tegenwoordige tijd is of iets dergelijks: totaal ondoenlijk voor iemand zonder gedegen voorkennis.
Gelukkig ben ik van nature iemand die zich als een kameleon aan zijn nieuwe habitat kan aanpassen. Feitelijk was ik gedurende die eerste maanden zowel docent als student en met behulp van de één verbeterden ook de vaardigheden van de ander. Op een gegeven moment voelde ik mij zelfverzekerd genoeg om te informeren naar de mogelijkheid van een vast contract: je wilt toch graag wat zekerheden in je leven, zelfs als je op totaal willekeurige wijze in een voorstad van Moskou terecht bent gekomen.
“Oké, dan moet je met de directeur van onze franchise spreken” zegt Katja, onze bamboelange en -slanke hoofdreceptioniste met ogen als bierviltjes.
“En die zit in Moskou?”
(We bevinden ons nog in een grijs, pre-‘op afstand werken’-tijdperk, dus ben ik bang dat ik in een statige Moskouse flat in driedelig grijs op sollicitatiegesprek moet.)
“Och, je kunt dat gewoon via Skype afhandelen, hoor.”
Een beetje zoals mijn oorspronkelijke intakegesprek, dus. Nou, dat zou dan wel in orde komen.
Enkele dagen later begin ik, gesterkt door die typisch Nederlandse gezonde dosis overmoed, aan een conferentiegesprek met de franchise-directeur in kwestie. In het achtergrondgeheugen van mijn laptop staat een flink aantal websites open; dit voor het geval dat de beste man mij lastig gaat vallen met grammaticale vraagstukken waar ik niets van weet.
Het gevreesde scenario vindt inderdaad plaats en ik heb grote moeite om bijtijds de juiste tabbladen te vinden. De hoorbare klikjes van mijn muis en de manier waarop ik tactisch vertraging in mijn antwoorden aanbreng, kunnen waarschijnlijk op weinig waardering rekenen aan de andere kant van de lijn.
“Kun je een voorbeeld van een gerundium geven?”
Een warm gevoel: dit woord heb ik ergens gezien. “Swimming”, zeg ik – want een gerundium eindigt met de lettercombinatie -ing.
“En waar gebruik je dat dan voor?”
Dit vereist al wat geblader. “Present… eh, continuous, bijvoorbeeld.”
Maar de directeur wil exacte toepassingen weten, jammer genoeg. Uiteindelijk lepel ik een zwamverhaal op over het tekenen van een tijdlijn en een man die al zwemmende vissen vangt. Weinig overtuigend, maar voldoende om naar een volgend onderdeel over te schakelen: didactiek.
“Stel je eens voor,” klinkt het vanachter de ruisende Skype-lijn, “dat een van je studenten constant je lessen verstoort. Wat zou je doen om dit probleem te verhelpen?”
“O, ik zou hem isoleren en voor lul zetten waar iedereen bij is.”
Merkbare verbazing, enige stilte. “En als hij of zij daarna toch weer doorgaat met klieren?”
“Dan improviseer ik wel wat en gooi ik hem uiteindelijk de klas uit, denk ik.”
“Oké Robert, dank je wel voor je antwoorden, het was een interessant gesprek. Je hoort snel weer van ons.”
Mijn Vlaamse collega is razend geïnteresseerd in het verloop van het interview. We praten wat bij in een lokaal café en ik glim overmoedig van zelfvertrouwen: “Het ging heel soepel, ik voorzie geen problemen.”
Mijn gesprekspartner, honderdmaal meer gekwalificeerd dan de persoon tegenover haar, fronst spreekwoordelijk de Belgische wenkbrauwen. Zelf is ze weleens ‘live’ in het klaslokaal geëvalueerd door iemand van het hoofdkantoor en dat was geen prettige ervaring geweest: blijkbaar was haar destijds zelfs een toiletbezoek ontzegd, want ‘geen onderdeel van het lesplan’.
Enkele weken later, na vele verzoeken mijnerzijds, wordt mijn reeds lang geleden ontvangen evaluatie dan toch maar uit de brandkluis getrokken. De in het rapport genoemde bevindingen vallen me rauw op het dak.
“Kandidaat heeft weinig benul van grammaticale concepten, houdt er contraproductieve didactische methoden op na en lijkt zich niet bewust van lesplanning. Hij vertrouwt volledig – maar volledig onterecht – op zijn improvisatievermogen om de les gaande te houden. Zijn vocabulaire is overigens ronduit indrukwekkend te noemen.”
En bedankt.
“Eindbeoordeling: wij raden niet aan deze kandidaat op te nemen in ons personeelsbestand.”
Mij wordt verteld dat het allemaal niet heel veel uit zal maken; dat ik gewoon lekker in de grijze marge kan blijven bijbeunen; dat het hoofdkantoor een verzameling van dooie, humorloze lullo’s en dozen is waar je niet ‘officieel’ bij moet willen horen. En inderdaad: het schooljaar kabbelt sloompjes voort tot in de na-lente; mijn werkervaring en -capaciteiten groeien tot aan volwassen niveaus; het gaat allemaal best prima. Dat wil zeggen: tot mijn visum in april verloopt en ik te horen krijg dat het niet de moeite zal lonen om een nieuw exemplaar aan te vragen. Immers: “De zomervakantie komt eraan en dan ligt alles hier toch drie maanden op zijn gat”.
Zodoende zit ik begin mei tóch weer bij pa en ma in België op de bank, wachtend op een telefoontje vanuit Domodedovo dat maar niet wil komen. Af en toe een berichtje: ja, dat wel. Duidelijkheid: nee, niet echt. Een tijdschema of deadline: niets van dat alles.
De lente maakt plaats voor de zomer; ik haal een certificaat leervaardigheid omdat het lesgeven me toch wel heeft weten te bekoren. Sollicitatiebrieven richting Sint-Petersburg, Jekaterinburg en zelfs Kazachstan halen weinig uit, evenals een videogesprek met een guitige Engelsman in Tjoemen (west-Siberië) die vergeten is om zijn strijkplank uit de achtergrond te verwijderen.
De tijd breekt aan om het over een andere boeg te gooien, gegeven ook de begrijpelijke scepsis van ouderlijke zijde: een boeg vol avontuur. Ik stel een nette email op en stuur die naar de Russische ambassade in Den Haag, met als algemene strekking ‘het verbeteren van de betrekkingen tussen onze beider landen’, aangezien die wel wat herstelwerk kunnen gebruiken (MH17, Krim-crisis, gedoe met dronken diplomaten). Kort samengevat stel ik voor om door Rusland te reizen en in documentairevorm ‘het ware gezicht’ van ‘het ware Rusland’ te laten zien.
Wonderlijk genoeg krijg ik een antwoord. In het begin lijkt het een vrij standaard mailtje, met hier en daar wat tips over visumtypen en
-procedures; maar aan het eind wordt er een concreet contactpersoon genoemd, alsook een manier om hem te bereiken. Ik babbel wat met de beste man, er zit best rek in de conversatie – voorzichtigjes nemen we wat opties door, waarna het al snel weer stil blijft aan het eind van de andere lijn.
Als een donderslag bij mistige hemel laat men mij vanuit Domodedovo weten dat er weer een plekje in het lesrooster ‘15/’16 voor me is gereserveerd: of ik alstublieft zo snel mogelijk die kant op wil komen. Eventuele megalomane documentaire-plannen kunnen daardoor de ijskast in, om er desgewenst volgende zomer weer uit te worden gehaald.
Het is vrij gemakkelijk om de draad van het lesgeven weer op te pakken. Ik heb immers al een soort van band met mijn collega’s en studenten ontwikkeld, plus mijn affiniteit met de Engelse taal is er de afgelopen maanden best op vooruitgegaan. Het Spartaanse soldatenbed met papierdunne matras in het gastenvertrek van mijn gastheer Maksim voelt al snel weer vertrouwd aan en met de nieuwe receptioniste – een zekere Anna Vladimirovna – is het ook aardig babbelen, zodat mijn zomerse ambities binnen een maand voorgoed door de (niet onprettige) realiteit lijken te zijn ingehaald.
Het is op een doordeweekse dag, ergens in de late morgen, dat mijn telefoon onverwacht overgaat; ik vermoed dat Anna mij probeert te bereiken in verband met een wijziging in het lesrooster of iets dergelijks. In plaats daarvan krijg ik een of andere Zurab aan de lijn; het kost me een halve minuut om te begrijpen wie dat is en/of wat hij van me nodig heeft.
Zurab, Zurab… O ja: Zurab is de door de Haagse ambassade geregelde contactpersoon die een maandje of anderhalf geleden wel oren naar mijn vreemde voorstellen had gehad, om dan in het niet te verdwijnen.
“Zou je volgende week de Krim willen bezoeken?” vraagt hij met diepe basstem.
“Ja, waarom niet.”
Waarom niet, inderdaad. De Krim is een interessant schiereiland (fijn klimaat, mooie natuur) en nog volop onderwerp van discussie: de halve wereld en haar achterneef rept over ‘annexatie’, Rusland heeft het liever over ‘hereniging’. Hoe zouden de mensen waar het écht om gaat, de Krimbewoners zélf, nu tegen de hele situatie aankijken? Is het daar eigenlijk nog een soort van oorlog, of wat? Ik zou het graag eens van dichtbij mee willen maken: waarom niet.
“Oké, dan ga ik je aanmelden voor een mediacongres dat volgende week een rondreis door de Krim verzorgt.” Dat wordt een beetje verder uitgelegd, maar nog altijd niet heel duidelijk voor een slaperige ziel als de mijne. Het gaat me allemaal erg snel.
“En hoe zit het met de kosten? Vliegtickets, hotels en dergelijke?”
“Maak je geen zorgen. De organisator betaalt alles.”
Waarom niet, denk ik bijna hardop. Het klinkt allemaal nogal… louche… maar een dergelijke kans doet zich niet heel vaak voor. Gelukkig is mijn schooltje erg flexibel qua werktijden en is vervanging vóór of verplaatsing ván de komende lesweek snel geregeld.
Het enige probleem is dat ik journalistieke referenties aan de voorzitter van het congres moet kunnen voorleggen; dat is even puzzelen, maar gelukkig weet ik via via een geïmproviseerd freelance-contract te ritselen. Daarna kan deze Nederlander – recentelijk vanuit België in Rusland gearriveerd om er Engels te doceren – namens een Italiaans mediaconcern betwist Oekraïens grondgebied bezoeken, te beginnen met het Krimstadje Jalta.
Daar, waar Oekraïners noch Russen zich druk lijken te maken over het verschil tussen Vlamingen en Hollanders.
Russen zijn gek op het opsmukken van hun auto’s. Ik zie vaak genoeg volledig geblindeerde exemplaren rondrijden, soms voorzien van dreigende teksten als “Probeer niet naar binnen te kijken, lul”. In Nederland zou zo’n wagen binnen een dag van de weg gehaald worden, maar in Rusland maakt het blijkbaar weinig uit. Recentelijk zag ik zelfs een particuliere BMW die als een Amerikaanse GTA-politieauto was overgespoten, inclusief sirenes en Police-markeringen. Dat ding staat regelmatig voor mijn school geparkeerd, provocatief de toerentalmeter uittestend – en er is geen haan die ernaar kraait; excuses naar ons personeel toe zijn aldus niet noodzakelijk.
Mijn vuurdoop met deze Slavische hobby vindt tijdens de eerste rondleiding door Domodedovo plaats. Terwijl flinterdunne sneeuwvlokjes geleidelijk aan de voetpaden en gedenktekens wit kleuren, staat er op een klein restaurantplein een bordeauxrode coupé ‘netjes’ dubbel geparkeerd. Dit wil zeggen dat het naastgelegen voertuig theoretisch gezien nog nét uit dit ongemak kan worden gemaneuvreerd en dat is in dit land goed genoeg om geen parkeerbon te krijgen.
Naar lokale begrippen valt het nog wel mee, het aantal toeters en bellen dat er op deze bepaalde rode tweedeurs terug te vinden is. De originele mistlampen zijn vervangen door grotere exemplaren, de bodemplaat is verlaagd en men heeft een minuscuul spoilertje boven op het weliswaar hevig geplastificeerde achterwerk geplaatst. Het resultaat is vreemd genoeg best een mooie wagen en aangezien er tot op dit moment in Domodedovo weinig interessants op te merken was geweest, neem ik met een ongemakkelijk gevoel even een fotootje met mijn miskoop van het jaar.
*
Vlak vóór mijn vertrek naar de Moskouse Oblast dacht ik slim te zijn door via Marktplaats een voordelig geprijsde tweedehands HTC One M7 aan te schaffen. Pas na aankomst in Rusland bleek dat de camera een (steeds erger wordende) paarse gloed over alle foto’s heen smeerde: een probleem dat enkel opgelost kon worden door de telefoon op te sturen naar een officieel reparatiecentrum. De kans op recidive lag vervolgens op een procent of 30; de moeite van het wachten mijns inziens niet waard. Fotograferen is dus vooral een kwestie van filteren en bijsnijden, om te redden wat er te redden valt.
*
Tijdens dergelijke pogingen om de paarse Peugeot bordeauxroder te krijgen zonder de sneeuw geel te laten lijken, valt me een onbetekenend maar vermakelijk detail op: de derrière van de 407 Coupé is blijkbaar dusdanig onder handen genomen dat de merknaam er ooit vanaf is gedonderd. Vervolgens heeft iemand met veel geometrische, maar weinig literaire precisie, de brokstukken terug op de achterklep geplakt.
In Domodedovo tuft er van alles rond: ingezakte Buicks met uitlaten zo dik als theeschoteltjes; Russische Patriot-jeeps met snorkeluitlaten; alsook rijdende kreukelzones zoals de legendarisch compacte OKA. Maar tussen al dat fraais zigzagt soms een wagen door, zo uniek dat je hem nergens anders in de wereld terug kan vinden: een bordeauxrode schicht van Frans-Russische makelij, waarin ‘Peugeot’ en ‘puberteit’ zijn samengesmolten tot een prachtige creatie: de Puegoet 407 Coupé.
Het heeft wel iets aandoenlijks, eigenlijk. Je stelt je voor dat een hogere-onderklasse vroeg-adolescent met een tubetje superlijm wijs probeert te raken uit ons Latijnse alfabet, wanneer zijn vader hem plots diens met golfplaten beklede garage uit jaagt om er huisgemaakte wodka te gaan stoken. In een vlaag van ouderlijke liefde plakt papa de snel opdrogende lettertjes geheel waterpas op de kont van de wagen, om dan zich dan weer met zijn eigen zaken te bemoeien.
Ik ben benieuwd of iemand de fout ooit op zal merken. Waarschijnlijk boeit het mensen simpelweg net zo weinig als de eerdergenoemde passief-agressieve raamstickers en het tot een kunst verheven driekwart-dubbel parkeren.
In dat vermoeden word ik gesterkt door het beeld van een trio politieagenten dat zich op gezichtsafstand drukker maakt om een OKA met een kapot achterlicht, dan om de ingesloten gezinswagen met twee kinderzitjes pal naast hun eigen Lada Niva.
Voorafgaande en tijdens het schrijven van dit boek heb ik mijn Russische vrouw Anna regelmatig geraadpleegd met vragen als: “Zou dit een interessant onderwerp zijn?”, “Kun je dit woord voor mij vertalen?” en vooral: “Heb jij nog een leuk idee?”
Sommige ideeën slaan direct dood zodra we ze aan elkaar voorleggen, andere behoeven nog wat sleutelwerk – maar over één ding zijn we het eens: we kennen een gemeenschappelijk personage waar je genoeg materiaal aan kunt ontlenen om er een hele encyclopedie mee te vullen.
“Je moet wel uitkijken met wat je opschrijft, in dat geval”, raadt mijn wederhelft me aan.
“Waarom? Ik denk dat hij me wel als een soort van vriend ziet.”
“Nou, je kent hem. Hij klaagt je zó aan voor smaad of schending van een of ander auteursrecht.”
Ergens heeft ze wel een punt. We herinneren ons nog het ‘metrokaart-incident’, waar we beiden bij aanwezig waren. Het personage in kwestie, een laat-vijftiger met zilvergrijs haar, stond destijds op het punt om voor enkele maanden naar het buitenland te vertrekken; dus dronken we gedrieën op een prettige reis en een interessant verblijf zijnerzijds. Tegen deze tijd woonde ik al meer dan een jaar bij de beste man in en er was inderdaad iets van een vriendschap ontstaan.
*
“Trouwens, Rob, ik heb nog een interessant voorstel”, zegt hij en haalt een rood kaartje uit zijn totaal versleten portemonnee. De witte letter M verraadt het al: het is een Moskouse metrokaart, zo’n geval dat je boven op een sensor moet leggen om het bijbehorende toegangspoortje open te laten gaan. Anna Vladimirovna en ik kijken elkaar al met de nodige scepsis aan; we denken waarschijnlijk hetzelfde, iets in de trant van daar zullen hoogstens nog twee ritjes op staan.
“Dit is een 60-rittenpas. Er staan nog ongeveer 25 ritten op, dus ik kan hem niet meer volledig gebruiken. Natuurlijk moet ik nog met de bus en metro naar de luchthaven, maar het zou zonde zijn om dit pasje alleen dáárvoor te gebruiken.” Een vlugge blik op het horloge met datumvenster leert dat we nog een dikke week van het einde van de maand verwijderd zijn. “Volgens mij verloopt hij binnenkort, maar sowieso niet eerder dan over acht dagen.”
We zitten samen aan het goedkope keukentafeltje met idem tafelkleed en drinken een glas supermarkt-Chianti uit van elkaar verschillende wijnglazen. Anna Vladimirovna heeft wat rode spikkels op haar blouse omdat ze eerder iets te enthousiast de kurk met haar hak de fles heeft ingedrukt, bij gebrek aan een fatsoenlijke opener. Ze is zodoende al in een bepaalde stemming en weet dat het getreuzel aan de overkant van de tafel nog minutenlang voort zou kunnen duren. “Dus nu ga je dat pasje aan Robert geven?”, helpt ze de ander een beetje op weg.
Het komt haar op een oprechte verbaasde reactie te staan. “Géven? Voor níéts? Nee…”
“Maar Robert is toch een goede vriend van je?”
Het gezicht van de oudste onder ons verraadt een “Ja, maar…”- of “Nou en?”-aanhef.
“Ja, maar deze pas was heel duur. Bijna 2000 roebel, dat is een hoop geld!” (15 euro volgens de huidige koers)
Anna lacht hardop. “Dus je wilt nu dat Robert dat ding van je overkoopt?”
“Ja, maar ik kan je wel een flinke korting geven, Rob”, wendt hij zich nu direct tot mij. “Voor 500 roebel is hij van jou.”
Ik weet niet goed wat ik daarop moet antwoorden. Ten eerste heb ik die kaart niet echt nodig aangezien ik niet heel vaak met het openbaar vervoer reis; ten tweede lijkt het me niet eens een heel goede deal.
“Ik heb het voor je uitgerekend. Voor 25 ritten zou je normaalgesproken ongeveer 800 roebel betalen. Nou weet ik niet helemaal zeker of het 25 ritten zijn… Het kunnen er ook 23 of 24 zijn,” – In ieder geval geen 26 of 27, zien Anna en ik elkaar simultaan denken – “maar hoe dan ook bespaar je zo’n 300 roebel als je deze pas van me overkoopt.”
We klinken de glazen op dit geweldige toonbeeld van kameraadschap. “Ik laat de kaart hier op de keukentafel liggen. Anders moet ik hem waarschijnlijk weggooien en dat is zonde.” Er volgt een zucht alsof er zojuist iemand is overleden.
