202Z - Robert Sinke - E-Book

202Z E-Book

Robert Sinke

0,0

Beschreibung

Het Westen voelt zich sinds 24 februari 2022 door buurman Rusland verraden. Konden Europeanen en Amerikanen voorheen nog wel eens bij Vladimir Poetin voor een kop koffie en een goed gesprek over de vloer komen, daar rest hen na de Russische invasie van Oekraïne nog slechts een matig geolied kattenluikje in een hard dichtgesmeten toegangspoort. De meeste 'verradenen' hebben (al dan niet noodgedwongen) Rusland sindsdien de rug toegekeerd; en vanwege het resulterende informatievacuüm is het westerse kijkje achter de Russische voordeur dat "202Z" biedt zo broodnodig. "202Z" beschrijft het Russische thuisfront van vlak vóór de invasie tot één jaar erna, en wel vanuit het perspectief van een westerling die al jarenlang in een Moskouse voorstad woont en daar een stabiel familieleven heeft opgebouwd. Van de éne op de andere dag komt dat leven genadeloos op losse schroeven te staan. Hollandse bemoeizucht conflicteert met Russische nonchalance, financiële zekerheden vallen als dominostenen omver. De schrijver ontworstelt zich aan paranoia, om vervolgens aan agitatie en isolatie ten prooi te vallen: een constante koorddans op de grens van het nieuwe IJzeren Gordijn.

Sie lesen das E-Book in den Legimi-Apps auf:

Android
iOS
von Legimi
zertifizierten E-Readern
Kindle™-E-Readern
(für ausgewählte Pakete)

Seitenzahl: 222

Veröffentlichungsjahr: 2023

Das E-Book (TTS) können Sie hören im Abo „Legimi Premium” in Legimi-Apps auf:

Android
iOS
Bewertungen
0,0
0
0
0
0
0
Mehr Informationen
Mehr Informationen
Legimi prüft nicht, ob Rezensionen von Nutzern stammen, die den betreffenden Titel tatsächlich gekauft oder gelesen/gehört haben. Wir entfernen aber gefälschte Rezensionen.



202Z

202Z

Een alledaags leven in post-invasie Rusland

Robert Sinke

Coverfoto: Artur Kornakov via Unsplash

ISBN: 9789403701011

© Robert Sinke 2023

Uitgegeven via Mijnbestseller.nl

Inhoud

Inleiding

Hoofdstuk 1

Hoofdstuk 2

Hoofdstuk 3

Hoofdstuk 4

Hoofdstuk 5

Hoofdstuk 6

Hoofdstuk 7

Hoofdstuk 8

Hoofdstuk 9

Hoofdstuk 10

Hoofdstuk 11

Hoofdstuk 12

Hoofdstuk 13

Hoofdstuk 14

Hoofdstuk 15

Hoofdstuk 16

Hoofdstuk 17

Hoofdstuk 18

Hoofdstuk 19

Hoofdstuk 20

Hoofdstuk 22

Hoofdstuk 23

Hoofdstuk 24

Hoofdstuk 25

Hoofdstuk 26

Hoofdstuk 27

Hoofdstuk 28

Hoofdstuk 29

Hoofdstuk 30

Epiloog

Dankwoord

Inleiding

Halverwege februari 2023, bijna één jaar na het uitbreken van het Russisch-Oekraïense conflict, verschijnt er in een onopmerkelijk uithoekje van het internet een overlijdensbericht dat mijn aandacht trekt. Het betreft de dood van een zesjarig meisje, dat vier maanden eerder levend vanonder de brandende puinhopen van een ingestort flatgebouw was gehaald. Ze is helaas alsnog aan haar verwondingen overleden.

Het kost dezer dagen weinig moeite om honderden van dergelijke tragedies op te sporen, waarbij men als vanzelf op de slagvelden in Oekraïne terechtkomt. Daar sterven jonge mannen, oude vrouwen en – inderdaad – onschuldige kinderen bij bosjes tegelijk; dag na dag, totdat de getallen te groot worden om ze nog empathisch te kunnen benaderen. Oorlog verliest zijn shock value vrij snel, waarna enkel nog de hoogste dodentallen of de meest in het oog springende beelden de (virtuele) krantenkoppen halen.

De exploderende straaljager die zich op 17 oktober 2022 in het eerdergenoemde flatgebouw boort, levert precies de mediagenieke plaatjes op waaraan buitenstaanders zich massaal kunnen vergapen. Tegenwoordig worden zulke gebeurtenissen vrijwel integraal op internet geslingerd; wie bewegende beelden van last-minute parachuterende piloten en verbijsterd voetvolk wil zien, kan daarvoor op Twitter en dergelijke terecht. Daar kun je ook zien dat de piloten het voorval wonderwel overleven, in tegenstelling tot vijftien flatbewoners. Wel: in tegenstelling tot zestien flatbewoners, weet ik nu.

Het wild brandende appartementencomplex steekt luguber af tegen de invallende duisternis. De contrastrijke plaatjes worden wereldwijd door voyeurs van commentaar voorzien, maar van een grafstemming is onder hen beslist geen sprake. Het gecrashte Su-34 toestel is namelijk van Russische makelij, de piloten zijn Russen, het getroffen flatgebouw staat in de Russische stad Jejsk – dus de bewoners ervan zijn óók Russisch. Ik zie commentaren als “Nou en”, “Net goed”, “Nu weten ze wat het is” en “Geen Rus is onschuldig” voorbijkomen. “Mooi, al die Orks op de barbecue”, klinkt het denigrerend uit de mond van iemand die liever in Tolkiens terminologie over Russen praat. En hoewel het incident met de straaljager en het flatgebouw los staat van de huidige crisis – in Jejsk vinden er al jaren trainingsvluchten voor gevechtspiloten plaats –, hebben bijna acht maanden aan oorlogsvoering het makkelijk gemaakt om ‘de’ Rus bij elke gelegenheid te ontmenselijken, blijkt wel.

Maar er wonen ménsen in Rusland. Ik kan het weten, want ik woon er inmiddels zelf al ruim acht jaar; aan ‘de andere kant’ van het her-opgeworpen IJzeren Gordijn, dus. De eerste zeven daarvan hebben vooral in het teken van assimilatie gestaan (of de onmogelijkheid daartoe), terwijl de meest recente jaargang al het voorgaande ter discussie heeft weten te stellen – dit alles buiten mijn eigen wil om, en ook ongewenst door het merendeel van mijn naasten.

Ieder van ons is echter schuldig aan het een of ander: achteloosheid, wegkijkerij, of zelfs de wens om de nieuwe realiteit in het dagelijkse leven te verwerken. Inderdaad: veel van de Russen om mij heen zouden de term ‘passief-agressief’ van nieuw cachet kunnen voorzien, omdat ze door hun maatschappelijke passiviteit de agressiviteit op het slagveld onsterfelijk hebben gemaakt. En ik doe er compromisloos aan mee – toch een soort van assimilatie, uiteindelijk.

De uitgestrektheid van Rusland biedt de gelegenheid tot zowel fysieke als mentale terugtrekking. Het autoritaire karakter van het Kremlinregime wordt daarbij als ‘noodzakelijk’ betiteld en als dusdanig ook gedoogd. Voor veel Russen is de oorlog – of ‘speciale militaire operatie’, zoals ik het officieel moet noemen – een doorn in het oog, die evenwel het tweede oog ongemoeid laat. Het deert maar weinigen dat de tegenstellingen tussen het Westen en het vaderland met de dag groter worden. Ergens worden de mensen er zelfs door verbonden, op zoek als ze gaan naar onderlinge lijmmiddelen om hun individuele levens tot een coherent geheel te kunnen smeden. Een gezamenlijk vijandbeeld helpt daar natuurlijk wel bij.

Oké, niet alles is even aangenaam: dingen worden duurder, banen staan op de tocht. Maar wat is daar nieuw aan, eigenlijk? Jonge kerels worden naar het front gestuurd, maar zélf kennen we géén van die mannen – waarom zou het ons hier deren, dan? Zo vinden de Russen en ik voor elk vraagstuk wel een passend antwoord om rustig door te modderen, als ware het een volstrekt logische vorm van continuïteit in een toch al vrij waanzinnig geschiedverhaal.

Mijn deel van dat verhaal, 202Z (spreek uit: tweeduizend-zet-en-twintig), stipt de verschillen tussen het leven van vóór en ná de breuklijn aan, zoals gevormd door de aanvang van de Russische invasie op 24 februari 2022. Daar waar mijn vorige boek Rusland – zonder excuses (over mijn eerste zeven jaar alhier) sterk droogkomisch van karakter was, zal de lezer het in 202Z vooral met cynisme en zwartgalligheid moeten doen: zo werken breuklijnen nu eenmaal.

Breuklijnen breken dingen, soms zelfs mensen. Ik overdrijf niet als ik zeg dat het afgelopen jaar mij voor enkele van de zwaarste beproevingen in mijn leven heeft gesteld, hoe onnoemelijk onbetekenend die ook mogen zijn vergeleken met die van talloze Oekraïners aan de andere kant van het Gordijn. Het schrijven van dit boek heeft me geholpen om dingen op waarde te schatten en niets voor lief te nemen, en te hopen op een ‘saaiere’ toekomst waarin ik niet noodgedwongen gefingeerde namen hoef te gebruiken voor de meeste personages in mijn anekdotes.

Laat ik deze inleiding afsluiten met één naam die absoluut niet gefingeerd is, en wel die van het zesjarige meisje dat twee maanden terug in het vrijwel onopgemerkte overlijdensbericht werd vermeld: een onschuldige ziel die veel méér verdiende dan ten prooi te vallen aan welke oorlogsmachine dan ook, ergens tussen de brokstukken van een ingestort flatgebouw.

Ksenia, of lieflijker: Ksjoesja, was haar naam. Niet “Nou en” of “Net goed”, nee: Ksjoesja. Eenieder met een hart in zijn donder mag het arme ding gerust onthouden. Ze was Russisch en ze was een mens.

Hoofdstuk 1

Heel veel verhalen beginnen tegenwoordig op donderdagmorgen 24 februari 2022, het moment van de Russische inval in Oekraïne. Het mijne vangt drie weken eerder aan: weliswaar in dezelfde maand, maar dan op een anonieme vrijdagavond en in de vorm van een online interview.

De interviewster is Julia, een oud-studente van mij. Het is prettig uit haar mond te vernemen dat ze drie jaar geleden veel heeft opgestoken van mijn Engelse lessen, en dat die vaardigheden het nu mogelijk maken om ons gesprek volledig in het Engels te laten plaatsvinden. Aangezien mijn Russisch nog altijd van vrij bedroevende kwaliteit is – zelfs na zeven jaar van bijna onafgebroken verblijf in Rusland – is dat maar beter ook.

Voor een babbelziek persoon als ikzelf is het lastig om de rol van geïnterviewde te accepteren. Alsof ik weer eventjes voor haar pre-universitaire klas sta, vuur ik vanuit mijn keukenkamer dan ook de éne na de andere vraag op Julia af. Gelukkig is deze dame zelf ook niet op haar mondje gevallen en vertelt ze vrijelijk over het reilen en zeilen aan de universiteitsfaculteit Journalistiek. We wisselen wat herinneringen uit over oud-klasgenoten en schakelen redelijk vloeiend over op Julia’s schoolopdracht: het afnemen van een interview met een in Rusland woonachtige westerling.

Aanvankelijk verloopt het officiële gedeelte van ons tweegesprek een beetje houterig. De eerste vragen zijn van een vrij basaal niveau – het eeuwige “Waarom ben je naar Rusland gekomen?” of een overbodig “Wat is je favoriete Russische woord?”, bijvoorbeeld. Als Julia haar huiswerk grondiger had gedaan, was ze de bijbehorende antwoorden in een vijf jaar oude uitgave van een lokaal sufferdje tegengekomen; en voor een docent is het stiekem best lekker om zulke studentikoze imperfecties aan te stippen. Ten behoeve van het leerproces, maak ik mezelf wijs. Misschien had ze haar typische uilenbril nooit moeten vervangen door een stel veelkleurige contactlenzen.

Hoe meer tijd er verstrijkt, hoe steviger Julia de teugels in handen weet te nemen. Ze friemelt mij uit mijn comfortzone met vragen van een steeds zwaarwegender politiek karakter – en ook in het Rusland van vóór 24 februari 2022 is het wat dat betreft op eieren lopen. Je weet immers nooit wie er (mee)luistert en waar je verhalen uiteindelijk terecht gaan komen, alle geruststellingen ten spijt.

“Wat vind je van het beeld dat men in het Westen van Rusland schetst?”

“Dat is grotendeels vertekend”, stel ik zelfverzekerd. “Veel westerlingen menen nog steeds dat er in Rusland niets te eten is, of dat we hier constant wodka zuipen en in berenvellen rondlopen. Ik ben sinds mijn [Russische] huwelijk dertien kilo aangekomen en wodka gebruiken we thuis alleen om diepe snijwonden mee te ontsmetten.”

“En de berenvellen?”, grapt Julia op begrijpende toon.

“Daarvoor moet je naar Boerjatië” – een sjamanenregio in Siberië – “maar daar zullen maar weinig Nederlanders of Belgen van op de hoogte zijn.”

Genoeg lol getrapt, zal de journaliste-in-spé op dit moment gedacht hebben. Ze laat het zwaard van Damocles met donderend geraas op ons vooralsnog gemoedelijke gesprek neervallen: “Hoe denk je over de huidige situatie in Oekraïne?”

Het kost me een halve minuut aan gestotter en gewik en -weeg om tot een fatsoenlijk antwoord te komen. “Ik geloof niet dat er heel veel aan de hand is. Ja, erg lekker gaat het allemaal niet op het moment, maar volgens mij speelt iedereen blufpoker en zal het allemaal wel met een sisser aflopen.”

“Welke berichten ontvang je vanuit het Westen, Robert?”

“Dat een Russische inval aanstaande is. Iedereen is al bezig met het tekenen van kaartjes van mogelijke invasieroutes. Het zal allemaal wel, ik kan me niet voorstellen dat het Russische militaire opperbevel zich door een stel twitteraars tot een aanval laat provoceren.”

Zover is het al gekomen met mij. Op vrijdagavond 4 februari 2022 spreek ik met Julia openhartig over de sensatiezucht van de westerse pers, haal ik het gestook en getreiter van Amerikaanse politici en Britse militaire inlichtingendiensten aan; verdedig ik het rationeel denkvermogen van de generale staf der Strijdkrachten van de Russische Federatie met termen als “ongevoelig voor doorzichtige opruiing” en “schaakmeesters omgeven door sneldammers”, bovendien. Na al die jaren in Rusland ben ik gaan vertrouwen op de onbetrouwbaarheid van politici maar zie tegelijkertijd de Russische maatschappij niet in het bijbehorende haantjesgedrag meegaan, domweg omdat het leven van alledag hier al voldoende sores met zich meebrengt. We zijn nog maar mondjesmaat herstellende van het hele COVID-19 gebeuren en er zit hier heus niemand te wachten op een nietsontziende oorlog met een Slavisch broedervolk; dat zou het Westen ook alleen maar in de kaart spelen, geopolitiek gezien.

Even draai ik de rollen weer om en vraag Julia naar haar bescheiden mening over de Oekraïense kwestie. Ze is echter al ver genoeg gevorderd in haar staatscursus journalistiek om over dit alles geen ferme uitspraken te doen. “Ik hoop dat het allemaal in orde komt”, klinkt het op een toon die wijselijker is dan de mijne. Iemand als ikzelf zou zich gelukkig moeten prijzen met een aardige baan en een warm gezin, in plaats van zich onnodig te begeven op politiek glad ijs.

Na enkele diepe zuchten en wat ongemakkelijk gelach nemen we, gehinderd door onze stotterende wifi-routers, afscheid van elkaar. Al met al heeft het interview meer dan een uur geduurd, hetgeen Julia eerder als een vloek dan een zegen zal opvatten: om haar artikel kort en krachtig te krijgen, moet het arme kind zich immers nogmaals door mijn woordenbrij zien heen te vreten. Maar goed, houd ik mezelf voor: op die manier leert ze om het in de toekomst kernachtiger en zakelijker te houden.

“Het was leuk om met je te praten, Robert. Ik ga ermee aan de slag en hoop je het artikel over een week of twee, drie op te sturen.”

Van Julia heb ik sindsdien nooit meer iets vernomen. Haar schoolopdracht zal wel naar behoren zijn afgerond, maar het bijbehorende krantenartikel is twintig dagen later grotendeels door de werkelijkheid achterhaald; de moeite van het opsturen niet eens meer waard. Het is een getuigenis van een recent verleden dat inmiddels lichtjaren van ons verwijderd lijkt: een tijd waarin de typisch Russische vorm van nonchalance (zelfs voor de buitenwereld) nog acceptabel, en zelfs enigszins charmant was. Het is belangrijk te begrijpen dat die tijd heeft bestaan, al was het maar om de huidige waanzin van een perspectief te voorzien – en kom, ook om Julia’s inspanningen niet helemaal verloren te laten gaan.

Hoofdstuk 2

Je zou de rug van een Russisch paspoort vandaag de dag als een scheermes op kunnen vatten. In het Westen wil niemand zich eraan snijden omdat het een potentieel ticket naar het front is; door inwoners van minder welgestelde Sovjet-republieken wordt er daarentegen letterlijk voor gevochten omdat het een frisse herstart symboliseert.

Het lijkt inmiddels een eeuwigheid geleden, maar er was een tijd dat ik reikhalzend uitkeek naar het bemachtigen van het Russisch staatsburgerschap. Niet uit zelfverwondingsfetisjisme of vanwege ideeën over zo’n frisse herstart, maar meer omwille van logistieke redenen. Het is voor een westerling – nu méér dan ooit – niet eenvoudig om Rusland voor langere tijd binnengelaten te worden: dat vereist allerhande paperassen die – vaak om de drie maanden – tiptop in orde moeten worden aangeleverd. Een foutje is snel gemaakt, een grenswacht makkelijk geïrriteerd – en voor je het weet ben je weer een paar weken bezig om de boel recht te trekken: tijdrovend en geldverslindend allemaal, en daarmee voor mijn schraapzuchtige Armeense werkgever Artjom een bijzonder ergerlijk fenomeen.

Gezien de beperkte houdbaarheid van mijn (hard bevochten) tijdelijke verblijfsvergunning, is Artjom al lang geleden begonnen met de aanvraagprocedure voor een Russisch paspoort: dé ultieme oplossing voor allerhande in- en uitreismoeilijkheden in de wereld van vóór het Russisch-Oekraïense conflict. Die boot heb ik steeds afgehouden uit angst voor de nietigverklaring van mijn Nederlandse nationaliteit, een onmisbaar kleinood dat je op het moment suprême uit netelige situaties kan redden. Denk daarbij aan het opgepakt worden door de oproerpolitie omdat je toevallig in de buurt van een of ander zeldzaam openbaar protest bent geweest: een vluchtig zwaaien met een Europees paspoort scheelt dan al gauw een onplezierige gang naar een politiebus vol murw gebeukte dissidenten. (Dat dergelijke lieden inmiddels makkelijk naar het front gestuurd worden, had ik tijdens de laatste etappe van mijn Russische paspoortaanvraag overigens nooit kunnen bevroeden.)

Maar goed, begin februari 2022 ga ik met frisse tegenzin mee in Artjoms koortsachtige pogingen om de laatste krabbels onderaan allerlei aanvraagdocumenten gezet te krijgen. Het komt van pas dat ik al meer dan vier jaar met een Russische vrouw getrouwd ben, waarbij de daaropvolgende geboorte van mijn dochtertje een mooie kers op de administratieve taart vormt: met behulp van dergelijke toonbeelden van trouw aan de Russische staat sla je makkelijk heel wat bureaucratische stappen over.

In Rusland draait alles om engelengeduld en/of contactpersonen. Artjom heeft een permanent gebrek aan het eerste maar een overvloed aan het overige: hij kent overal mannetjes en vrouwtjes die ambtelijke stempeltjes zetten in ruil voor een handvol Engelse lessen of een versleten waterkoeler. Ook op een of ander Moskous examenkantoor taalvaardigheid heeft hij zijn voet tussen de deur weten te krijgen – en dat is het beste wat hij in dit geval voor mij kan betekenen, want vrouw noch kind kunnen je vrijwaren van het afleggen van een naturalisatie-examen Russische taalvaardigheid, helaas.

De deur tegenaan Artjoms voet is een typisch, slordig opgespoten stalen exemplaar dat onhandig tegen de kapstok aan scharniert; dit tot terugkerend ongenoegen van de examenkandidaten in de aanleunende gang, die bij elke nieuwe intocht de kluit van eerder op de grond gevallen winterjassen nog wat verder zien groeien.

Vanuit het niets begint de receptioniste vanachter een simpele eikenhouten balie nóg simpelere vragen op mij af te vuren, blijkbaar ter voorbereiding op het examenonderdeel spraakvaardigheid. Ze wil bijvoorbeeld weten welke souvenirs een Russische toerist vanuit Nederland mee kan nemen, of welke informatie men moet inwinnen bij de aankoop van een nieuwe auto: vrij basaal gedoe dat goed aansluit op mijn vrij basale vocabulaire. Artjom loopt ondertussen zogenaamd verveeld door de gang, stiekem in zijn vuistje gniffelend. Het weggeven van examenvragen is duidelijk weer het resultaat van een van zijn typische administratieve een-tweetjes.

De receptioniste is klein van stuk maar pittig qua karakter en heeft een brilmontuur dat beide eigenschappen accentueert. Ze leidt mij snel edoch parmantig een klaslokaaltje binnen, een geste die maar matig door de (eerder gearriveerde) overige kandidaten in het gangpad gewaardeerd wordt: zij staren jaloers door de deur naar binnen en zien daar drie rijen van ouderwets schoolmeubilair grotendeels onbezet blijven. Twee bankjes bij mij vandaan zit een gehoofddoekte dertiger met haar vinger in de lucht te wachten tot iemand haar instructies komt geven, hetgeen nog wel even kan duren aangezien de examinatrice zich volledig op Artjoms werknemers – twee in getal – toelegt.

Inderdaad: ik word op deze dag vergezeld door een collega-leraar, een getinte kerel van imposant postuur en met een Cockneydialect zo dominant dat het zelfs Moskou als Londen kan laten aanvoelen. Meneers Russische taalvaardigheden zijn daarentegen nog een paar niveautjes lager dan de mijne en elke keer wanneer de examinatrice zich omdraait of wegloopt, vraagt hij (op onnodige fluistertoon) naar de betekenis van bepaalde schrijfopdrachten; het invullen van voor- en achternaam incluis. Uiteraard blijft dat niet onopgemerkt, maar dankzij de smeermiddelen van onze glibberige Armeense werkgever maakt het blijkbaar allemaal weinig uit. Vergelijk dat eens met de verwijtende kritiek die op bitse toon door het examencentrumpersoneel op de moslima ter rechterzijde wordt uitgespuugd: zij mist duidelijk een bureaucratische kruiwagen en zal bij de eindcontrole van haar schrijfwerk op weinig genade mogen rekenen.

Als oud-student Slavistiek (Rusland- en Oost-Europakunde) heb ik genoeg ervaring met het schrijven van fictieve Sovjet-ziekteverlofbriefjes en ik vermaak mij daar tijdens dit examen ook opperbest mee – dit terwijl mijn collega letterlijk woord voor woord door elke schrijfopdracht moet worden geloosd, daarbij alsnog weinig voortgang boekend. Uiteindelijk volstaat het voor hem blijkbaar om de instructies te kopiëren en er een vraag- of uitroepteken achter te zetten, waarna het tijd is voor het mondelinge gedeelte.

Ook in Rusland gaat men (op geheel eigen wijze) met de tijd mee. Voor een taal- of rijvaardigheidsexamen wordt tegenwoordig bijvoorbeeld gebruikgemaakt van hd-camera’s die elke ongeoorloofde hint of geldtransactie registreren, en dat maakt het theoretisch een stuk moeilijker om vals te spelen. ‘Theoretisch’, inderdaad, want de vragen die men voor de camera stelt, zijn exact dezelfde als degene die eerder door de receptioniste door het gangpad onze kant op werden geblaft. Om het toch een beetje spannend te houden, verzin ik wat nieuwe souvenirs en een goedkoop automodel, waarna ik het stokje aan mijn collega overdraag.

In het daaropvolgende kwartier loopt de examinatrice drie keer haar kantoortje uit, de derde keer zelfs letterlijk met de handen in het haar: ze krijgt de spraakopdracht niet uitgelegd en de kandidaat heeft sowieso geen flauw idee hoe te reageren. De enige oplossing is het fonetisch memoriseren en oprakelen van een voorgekauwde zin, waarna de video-opname op ‘pauze’ gaat en de volgende vraag ingestudeerd kan worden. Dit procedé herhaalt zich gedurende tien minuten, waarna mijn collega zichtbaar beschaamd, de examinatrice hoorbaar gefrustreerd en Artjom algeheel geamuseerd de gang op komen wandelen. Er worden nog wat krabbels onder divers papierwerk gezet en daarna keren we gedrieën huiswaarts; de laatste horde voor de ontvangst van een Russisch paspoort geslecht hebbende.

Enkele maanden later heeft mijn collega het voornoemde document dan inderdaad in zijn knuisten. Zowel hijzelf – zeer pro-Russisch georiënteerd – als baas Artjom kunnen hun geluk niet op. Al het gedoe met visums of verblijfsvergunningen behoort tot het verleden; er is eindelijk de vrijheid om Rusland in te reizen zonder lastige vragen van luchtvaartpersoneel of grenswachten alhier.

Inmiddels heeft de werkelijkheid echter nieuwe barrières opgeworpen en kan een Russisch paspoort in dit opzicht zelfs een struikelblok blijken. Van een tweede nationaliteit trekt het Kremlin zich immers niets aan en dat heeft consequenties: heb je een Russisch paspoort dan ben je volgens de wet een Rus, met alle bijkomende rechten en (dienst)plichten van dien – een balans die naar mijn mening momenteel niet in het voordeel van de gemiddelde West-Europeaan uitslaat. Om die reden blijf ik nog altijd slechts één pennenstreek van mijn naturalisatie tot volwaardig Rus verwijderd, ondertussen de bureaucratische kat uit de boom kijkend.

Misschien is zulk getreuzel onderbewust óók een vorm van wroeging over de examenresultaten van begin februari 2022. Mijn score van 79% op het onderdeel spreekvaardigheid werd immers overtroffen door het testresultaat van een cockney die zijn naam niet eens cyrillisch kan spellen. Zijn (door Artjom gesponsorde) knip- en plakwerk werd door de examencommissie uiteindelijk zes procentpunten hoger ingeschaald dan mijn olijke verhaaltjes over salmiakdrop en betaalbare Renault Logans.

Zo ging dat, en zo gaat dat nu nog steeds. Het Russisch paspoort en ik blijven elkaar ondertussen de rug toekeren, als in een danse macabre die met verschillende motieven wordt opgevoerd.

Hoofdstuk 3

Halverwege februari 2022 steken er op het internet overal kaartjes van mogelijke Russische invasieroutes en Oekraïense verdedigingslinies de kop op. Ik kan er smakelijk om lachen: als allerhande Twitter-opa’s met 37 volgers dergelijke zaken kunnen bedenken, dan zullen er in Moskou en Kiev vast wel alternatieve scenario’s op de planken liggen. Ook de manoeuvres van het Russische leger ten noorden en oosten van de Oekraïense grens zijn in mijn directe omgeving nauwelijks onderwerp van gesprek; de meesten vermoeden westerse provocatie, want Russische tv-beelden laten duidelijk zien dat het betrokken wapentuig de ‘verkeerde’ kant op rijdt; weg van het zogenaamde front op de eerdergenoemde internetkaartjes. Het enige dat vooralsnog onder vuur ligt, is de roebelkoers en dat ligt de mensen hier nader aan het hart dan het domme gebral van Britse diplomaten die menen dat Rostov aan de Don onder Oekraïens gezag valt. “Ze zijn vast met hun potlood uitgeschoten tijdens het tekenen van al die landkaartjes”, wordt er soms gegrapt.

Zulke grapjes zijn een welkome afleiding in economisch zware tijden. Elke keer als de Rus gewend dreigt te raken aan de heersende recessie, worden dingen en diensten om moverende redenen tóch weer merkbaar duurder dan voorheen. Op zijn beurt leidt dat tot een merkbare toename van gemor en gezanik. Valentijnsdag, een westerse feestdag die hier sowieso maar moeizaam voet aan de grond kan krijgen, wordt deze jaargang dan ook (nóg) ijziger dan voorheen ontvangen. In ons huishouden laat de financiële crisis zich even zozeer gelden en Anna Vladimirovna Sinke, mijn charmante Russische vrouw met een voorliefde voor onverwachte presentjes, zal zich deze keer met een last minute bosje bloemen tevreden moeten zien te stellen.

Het is niet dat we ons best niet doen om onze cashflow aan te laten zwellen: boven op mijn reguliere schoolrooster draai ik bijvoorbeeld extra uren met individuele studenten (waaraan ik fiks meer verdien dan op school). Aan het staartje van een schier eindeloze zaterdag zit ik met zo’n studente, een beschaafd tienermeisje zonder aandacht voor twitterende leunstoelgeneraals, om de keukentafel om haar de duurvorm van de verleden tijd uit te leggen. Goudeerlijk werk dat helaas niet iedereen aanstaat, zal blijken wanneer ik door een onbekend nummer word gebeld.

“Is dit Robert?”, klinkt het op opvallend vijandige toon aan de andere kant van de lijn.

“Ja, met wie spreek ik?”

“Moet jij eens luisteren, Robert. Waarom val jij mijn familie lastig met allerlei smerige berichten?”

Dat doet geen belletje rinkelen. Op dit moment, midden in een les, is het ook erg lastig om de situatie op waarde te schatten. Mijn reflex is mij dan te verontschuldigen met zoiets als “Ik spreek niet zo goed Russisch”, eventueel gevolgd door “Ik geef u even aan mijn vrouw.”

Zo gezegd, zo gedaan en ik luister verder naar het onsamenhangende verhaal dat studente Nastja ter demonstratie van een of ander Engelstalig grammaticaal concept aan het ophangen is.

Slechts enkele minuten verderop klopt Anna op het matglas van de keukendeur, wat ongebruikelijk is aangezien wij – als huwelijkspartners en collega-docenten – elkaars werkzaamheden zelden onderbreken. Ze vraagt op beleefde maar indringende toon of ik snel van de keuken naar de woonkamer kan verhuizen, want “het is nogal dringend”. Ik geef Nastja ter tijdverdrijf een scheef afgedrukt werkblad en doe zachtjes de deur achter me dicht.

Verschrikt zegt mijn vrouw dat de situatie niet plezierig is. De onbekende beller heeft me beschuldigd van allerlei onfrisse misdaden en dreigt blijkbaar gerelateerde screenshots naar de politie op te sturen. Daar dient zich natuurlijk een potentieel probleem aan: in Rusland wil je niet aan de verkeerde kant van de sterke arm staan, en helemaal niet wanneer het onzedelijke aantijgingen betreft. Het minst slechte scenario is dan ontslag en deportatie; in het ergste geval word je door zware criminelen in een Siberisch strafkamp tot half-om-halfgehakt verwerkt.

Redelijk uit het lood geslagen rond ik de overgebleven twintig minuten lestijd met de tienerstudente aan de keukentafel naar behoren af. In haar afwezigheid doen Anna en ik daarna wat onderzoekswerk en komen tot een eenvoudige conclusie: iemand probeert laster en afpersing tot een onzalig geheel om te smeden (‘afdreiging’ is het officiële woord), waarbij de onbeholpenheid van een gedesoriënteerde Nederlander natuurlijk goed van pas komt. Het bijbehorende telefoonnummer is afkomstig uit een verafgelegen stad in het ijzige noorden van Rusland, de beller waarschijnlijk een gedetineerde die vanuit zijn cel de hele dag dit soort grappen uit probeert te halen – een veelvoorkomend fenomeen in dergelijke contreien. Zo’n afdreiger probeert met gefingeerde screenshots een lijntje met de werkelijkheid te fabriceren, om vervolgens zijn slachtoffer uit de tent te lokken en gaandeweg betalingen te eisen.

Mijn schoonvader is advocaat en heeft twee goede adviezen paraat liggen: “Zeg de volgende keer ‘Fuck you’ en gooi gelijk de hoorn op de haak” en “Stel je werknemer hier direct van op de hoogte.” Dat laatste is aan te raden omdat je niet weet hoever het netwerk van zo’n oplichter (mosjenik) reikt – voor je het weet vangt je baas ineens vage informatie op via zijn cliënteel en dan sta je er bij iedereen gekleurd op.

De volgende dag vraagt baas Artjom me in te stappen voor een dollemansrit naar het plaatselijke bureau voor immigratiediensten (OeFeMS) om de geldigheid van mijn verblijfsvergunning voor 2022 te garanderen. Hij stelt me gerust: die afdreiging stelt allemaal niet zo veel voor, er zijn momenteel nijpender zaken gaande in de wereld.