6,95 €
Madrina Anaque! Het zegt u niets, maar het is de naam die Rolando in het jaar 2001 op zijn fijn gehaakte pennenhoesje invlecht. Hij kan de naam Anneke niet uitspreken, maar wel fonetisch opschrijven. Het jongetje verblijft in een Boliviaans weeshuis. Hij is gehecht aan Anneke en beschouwt haar als zijn Madrina (peettante). En vergis u niet, in Bolivia is een Madrina iemand met status en verplichtingen. Dit is het levensverhaal van Anneke Jacobs-Schoorlemmer. Ze wordt in 1942 geboren op boerenerve de Weele in Heeten. Ze heeft er als jongste van acht kinderen een onbezorgde jeugd. Ze leest veel en haar bijzondere interesse gaat uit naar het missie-blaadje 'de kleine apostel'. Onbewust nestelt zich een toekomstdroom in haar hoofd. Als op de lagere school een missie-non vraagt wie haar komt helpen in Afrika, steekt ze de vinger op. Ze meent het echt! Beloofd is beloofd. Reis met haar mee naar Zuid-Amerika en ervaar wat extreme armoede betekent voor jonge kinderen. Geniet van haar avontuurlijke tochten door onherbergzame gebieden en langs gevaarlijke wegen. Kortom, een getuigenis van: 'Een rijk en dankbaar leven'.
Das E-Book können Sie in Legimi-Apps oder einer beliebigen App lesen, die das folgende Format unterstützen:
Seitenzahl: 176
Veröffentlichungsjahr: 2024
Beloofd is Beloofd
Beloofd is Beloofd
Anneke Jacobs-Schoorlemmer
Auteur: Gerard Leerkes
Coverdesign: Gerard Leerkes
Website: http://www.mijnbestseller.nl/gerardleerkes
© Gerard Leerkes
Madrina Anaque! Het zegt u niets, maar het is de naam die Rolando in het jaar 2001 op zijn fijn gehaakte pennenhoesje invlecht. Hij kan de naam Anneke niet uitspreken, maar wel fonetisch opschrijven. Het Boliviaanse jongetje verblijft in een weeshuis in centraal Bolivia. Hij is gehecht aan Anneke en ze is zijn Madrina (peettante). En vergis u niet, in Bolivia is een Madrina iemand met status en verplichtingen.
Anneke is de tante van mijn echtgenote. Als we samen bij haar in Zeist op bezoek zijn laat ze ons het pennenhoesje van Rolando zien, ze is er trots op. De pen heeft een prominente plek in haar vitrine gekregen. Het is een dierbaar aandenken, omgeven met kleurrijke, vrolijke en tragische verhalen.
Op de vraag of ik die verhalen mag optekenen reageert ze verrast, maar ook positief. Al snel komen de eerste informatiebronnen uit de kast tevoorschijn. Het zijn zo’n negentig brieven die ze in een tijdsbestek van dertien jaar vanuit Bolivia naar familie en vrienden in Nederland stuurde. Uiteindelijk heeft het geleid tot dit boek. De verhalen zijn meer dan de moeite waard om niet verloren te laten gaan.
Het boek is ook een eerbetoon aan haar ouders, Graads en Marie. Die toonden zich in de Tweede Wereldoorlog grootmoedig door onderduikers en evacuees onderdak te bieden. Dat ze zo’n negen maanden met 26 mensen de hongerwinter ‘44-‘45 door zijn gekomen, is een prestatie op zich. Zelfs de gevangenneming van Graads eind 1944 kon, hoe angstig en onzeker ook, hun hulp aan evacuees en familie niet stoppen.
Tenslotte, een indrukwekkend deel van het verhaal gaat over weeskinderen in Bolivia, of die ‘schattige koppies’, zoals Anneke ze noemt. Die ‘schatjes’ van toen zijn anno 2022 tussen de 20 en 35 jaar. Hoe zou het met ze gaan? Hebben ze een goed leven? Het is ze van harte gegund.
Ik wens u veel lees- en kijkplezier.
Gerard Leerkes
Woord vooraf
Inhoud
De Hovenier
Tweede Wereldoorlog
Wie komt mij helpen?
Beloofd is beloofd
Dan leggen we er toch een plankje over!
Zuid-Amerika
Lokroep uit Bolivia
Schattige koppies
Time out
Hé, mijn sportschoenen!
De man met dagblad Trouw
Nawoord
Bronnen
Colofon
Henrica Jansen uit Heeten is dienstmeid bij de welgestelde boer Hein van Schooten. Hein woont in 1888 in de uit de 17e eeuw stammende tuinmanswoning ‘de Hovenier’, gelegen tussen Heeten en Wesepe.
De voormalige tuinmanswoning behoorde in 1765 tot het landgoed ‘de Weele’, het buitenverblijf van de Deventer familie Jordens. In het jaar 1801 kopen Jannes van Schooten en Hendrina Jansen ‘de Hovenier’ en zeven jaar later het tegenovergelegen herenhuis ‘de Weele’. Ze laten het herenhuis afbreken en een boerderij bouwen, waar ze in 1826 gaan wonen. Jannes is naast ‘spekslager’ ook smid, de boerderij staat bekend als ‘huize Smittie’.
Dwarshuisboerderij de Weele
Hein trouwt in 1891 met de dertig jaar jongere Henrica, het huwelijk blijft kinderloos. Op 30 december 1896 laat hij bij de notaris Henrica als enige erfgenaam vastleggen. Als hij twee jaar daarna overlijdt erft Henrica dwarshuisboerderij ‘de Hovenier’.
Antoon Schoorlemmerwordt in het jaar 1892 weduwnaar na het overlijden van zijn vrouw Maria Antonia Tijs. Hij blijft achter met drie zonen: Willem, Herman en Gerrit. In het jaar 1900 trouwt hij met weduwe Henrica, ze gaan wonen op het Geertmanshuus in de kom van het dorp Heeten, vlak bij de kerk.
Antoon en Henrica krijgen zes kinderen: Mies, Hein, Anton, Graads, Johan en Bernard. Zoon Hein krijgt op twintigjarige leeftijd bottuberculose. Tuberculose is in die tijd volksziekte nummer één en er is twijfel of TBC een besmettelijke- of erfelijke aandoening is. Hein heeft veel pijn en wordt voor een ‘kuur’ opgenomen in een ziekenhuis in Delden. Graads, de broer van Hein, fietst elke veertien dagen op zondag, samen met zijn broer Johan, naar Delden om Hein te bezoeken. Het is voor iedereen een zware gang en er is een zekere mate van opluchting als Hein uit zijn lijden is verlost. Ondertussen krijgt Graads verkering met Marie Booijink uit Luttenberg. Als hij en Johan terugfietsen uit Delden, gaat Graads richting Luttenberg naar zijn vriendin: ze zijn jong en het leven gaat door.
Antoon en Henrica hebben met negen kinderen bij de verdeling van het erfgoed een puzzel te leggen. Willem, Herman en Mies gaan door een huwelijk op de boerderij van hun partner wonen. Bernard wil geen boer worden, maar tuinder. Dat komt goed uit, want daar zijn niet veel bunders land voor nodig. Gerrit wordt pastoor in Badjawa op Floris, hij overlijdt er in het jaar 1927 aan TBC.
De grond wordt verdeeld tussen drie broers:
Johan krijgt de ontgonnen veertien hectare ‘woeste grond’ tussen Heeten en Wesepe.
Graads krijgt boerenerve ‘de Hovenier’toebedeeld.
Anton blijft met twintig bunder grond ‘op het ouderlijk huis’ in Heeten.
Gerritdina Maria Booijink (Marie) wordt geboren op 10 april 1903. Haar ouders wonen in Luttenberg en hebben een bakkerij. Haar moeder is Wilhelmina Maria Wissink en haar vader Gerardus Johannes Booijink. De families Booijink bestieren een aantal ambachtelijke bedrijfjes in Luttenberg. Zo is er een bakkerij, een molen, maalderij en een boerderij. Marie komt uit een warm gezin. Drie van haar zussen treden toe tot de Congregatie van de Zusters van Liefde in Tilburg: Anna (zuster Irmina), Tonia (zuster Gerarde) en Cornelia (zuster Helenita). Cornelia sterft op jonge leeftijd.
Marie is 21-jaar als haar moeder overlijdt aan TBC. Ze vervangt haar werkzaamheden in het gezin en haar vader runt de bakkerij.
Ze krijgt verkering met Graads Schoorlemmer uit Heeten. Die komt geregeld met de fiets naar Luttenberg om haar te bezoeken. Op haar 25e levensjaar trouwt ze met hem en verruilt het vertrouwde Luttenberg voor een leven met haar kersverse echtgenoot op boerderij ‘de Weele’. Ze weet van aanpakken en dat komt goed uit. Er is veel te doen! Ze krijgen vijf kinderen, Mariet (1929), Miny (1931), Gerda (1932), Gerrit (1933) en Tonny (1935).
Graads en Marie (1928)
Als de vader van Marie, Gerardus Joannes Booijink, op 30 januari 1931 hertrouwt met Gerarda Hermina Lammers, bijnaam ‘spieken Grade’, ligt zijn dochter Marie in het kraambed na de geboorte van Miny. Marie mist daardoor het huwelijksfeest. Zeven jaar later overlijdt haar vader Gerardus Booijink. Het jonge gezin op ‘de Weele’ is druk bezig om een gemengd boerenbedrijf op te zetten en uit te breiden. Ze hebben inwonende hulp van een knecht en een meid. Na de geboorte van Tonny in 1935 raakt Marie opnieuw zwanger. Twee kindjes worden levenloos geboren, een derde leeft slechts twee dagen. De oudste kinderen krijgen hier niet veel van mee. Alleen Miny ziet het overleden kindje. Als ze onverwachts de keuken in loopt, is er naast ‘de linnenkast met de gele gordijntjes’, een plank gemaakt en daarop staat een kistje. Ze werpt een blik over de rand en ziet een baby in een wit kleedje.
Het ligt doodstil met de oogjes gesloten. Het blijkt een broertje te zijn: Antonius Gerhardus Josephus, geboren op 28 maart 1938 en overleden op 30 maart 1938. Het overlijden is geen gespreksonderwerp in het gezin: wat geweest is, is geweest. Een jaar later overlijdt Antoon Schoorlemmer, de vader van Graads.
Voor het huis ligt de moestuin. De tuin waar Marie een passie voor heeft. Vrijdags werkt ze in haar paradijsje en zorgt ervoor dat de bloemen er mooi bij staan. Haar werk in de tuin levert ook wat op: boontjes, worteltjes, kruisbessen, selderij enz. Aan de fruitbomen groeien appels en peren. Er wordt altijd lekker en gevarieerd gegeten: soep, twee soorten groenten en een toetje, zoals rijstevla of gortepap met rozijnen.
In de ‘beste kamer’ zitten ze enkele keren per jaar op feestdagen. Ze steken ’s morgens vroeg de kachel aan met hout, turf of steenkool. Alle deuren staan op een kier om de rook weg te krijgen. In huis staan ‘s winters de ijsbloemen op de ramen.
*****
Als de Duitsers op vrijdag 10 mei 1940 Nederland binnenvallen is de lagere school in Heeten op maandag gesloten. Mariet, Miny, Gerda en Gerrit blijven die dag thuis. Vanaf de boerderij zien ze in de verte Duitse voertuigen over de Deventerweg rijden. Dat ‘oorlog’ voor hen nog een vaag begrip is, blijkt als ze opgetogen zijn over de onverwachte vrije schooldag: ‘Hoera, we zijn vrij vandaag,’ galmt het tussen de koeien. Dat neemt niet weg dat ze moeten meehelpen op de boerderij.
vlnr. Gerda, Mariet, Gerrit en Miny
Als Tonny vijf jaar is wordt Diny (1940) geboren. Op de boerderij zijn ze op dat moment aan het verbouwen. Ze halen een binnenmuur weg om een grotere keuken te maken, op de deel tussen de koeien wordt tijdelijk gekookt. De inpandige karnmölle, waarmee de vorige bewoners van ‘de Hovenier’ melk tot boter karnden, laten ze bij de verbouwing ongemoeid. Die wordt gebruikt als wasmachine. Het paardje dat rond de mölle loopt maakt dat niet veel uit, het blijft dezelfde cirkel en met oogkleppen op lijkt het net rechtdoor. Hij komt in beweging als Marie het luikje opent en ‘vort’ roept en stopt weer bij ‘hú’: zo werkt dat bij paarden! Een jaar later is er opnieuw gezinsuitbreiding, Anton wordt geboren (1941).
Miny slaapt samen met Mariet in een tweepersoonsbed. Als het gaat om karakter zijn ze tegenpolen. Mariet claimt dat ze de oudste is en eigent bij spelletjes een prominente rol voor haarzelf op. Miny en Gerda hebben zich te schikken, dat gaat Gerda beter af dan Miny. Als ze bijvoorbeeld ‘misje’ spelen en een ‘miskelk’ nodig hebben om hun kerkdienst meer cachet te geven, stuurt Mariet Miny naar buurvrouw Smittie om de glazen suikerpot op te halen. Die lijkt namelijk sprekend op de miskelk die de pastoor tijdens de kerkdienst verheft. Als Miny aan buurvrouw Smittie de suikerpot vraagt doet die eerst de suiker in een kom. Onder voorwaarde dat ze er voorzichtig mee is mag ze hem meenemen: ‘Wel terugbrengen hoor!’
Als ze daarna gaan spelen is Mariet de ‘pastoor’ en Miny en Gerda zijn de ‘misdienaren’. Een duidelijk verschil in rang en stand. Niet eerlijk vindt Miny, ze heeft immers de miskelk opgehaald. En zo gaat het ook bij andere spelletjes. Het laat zich raden wie de rol van vader heeft bij het spelletje vadertje en moedertje. Maar als Miny met Gerda vadertje en moedertje speelt zijn de rollen gelijkwaardig. Sterker nog, ze zijn de tijd ver vooruit als het jonge echtpaar zichzelf ‘Treessie en Toossie’ noemt.
Het konijn is dood! De drie meisjes Miny, Gerda en Tonny staan naar het beestje te kijken. Het ligt er roerloos bij en vertoont geen teken van leven meer. Ze trekken de conclusie dat het konijn echt dood is en daar hoort een plechtig afscheid bij, met een kerkdienst en begrafenis. Ze hebben ervaring met het spelen van ‘misje’, dus dat moet het worden. Om het echt te laten lijken halen ze drie tafellakens op en draperen die over hun schouder. Een mis met drie heren, welk konijn is die eer ooit ten deel gevallen? In de keuken wordt de blauwe doos met de Custard puddingpoeder leeggeschud. Plechtig leggen ze het dode konijn erin, het past precies. Ze gaan in processie naar het kippenhok en binnen de afrastering graven ze een kuil. De kippen maken er voor de gelegenheid graag plaats voor. Ze dragen hun requiem op aan het dode konijn. En… er mag niet gegiecheld worden, dat kan echt niet! Het blauwe Custard doosje laten ze in de kuil zakken en daarna met een schepje ‘zand erover’. De kippetjes van Marie zijn blij dat ze het van een afstandje hebben kunnen aanschouwen en genieten vervolgens weer van de vrije uitloop. ‘Oh ja!’ de familie moet nog in kennis gesteld worden van de droevige gebeurtenis die heeft plaatsgevonden.
In het tweepersoonsbed vertelt Mariet aan Miny dat ‘ons ma’ een kindje krijgt. Dat kindje zit nog in haar buik. Miny is hoogst verbaast dat haar dat nog niet is opgevallen. Ze weet dat baby’tjes in de buik van de moeder zitten, maar hoe ze daar terecht komen en dat de vader daar een rol bij speelt, is haar onbekend. Ze klimt uit bed en gaat naar beneden, nieuwsgierig of de dikke buik te zien is. In de keuken treft ze haar moeder aan de keukentafel, die is bezig om sokken te stoppen. Met een smoesje: ‘ik kan niet slapen,’ heeft ze even tijd om naar haar te kijken. Maar Marie stuurt haar terug naar bed met de boodschap: ‘Bidt maar drie weesgegroetjes, dan val je wel in slaap.’ Teleurgesteld stapt ze weer in bed, de dikke buik is haar niet opgevallen, misschien omdat moeder aan de keukentafel zat. Op de een of andere manier ziet ze het de volgende dag ook niet, het is ook niet iets om te vragen.
Als Miny op donderdag 9 juli 1942 vanuit school naar huis gaat schijnt de zon, het is een heerlijke dag. Als ze de Weeleweg inslaat en haar fiets bij de schuur stalt, loopt ze ‘over de deel’ naar het voorhuis. Daar hoort ze bij binnenkomst dat er een baby’tje is geboren: dus toch! Even later wordt het nieuwe zusje in de lampetkan gewassen en staan Mariet, Miny en Gerda met de neus vooraan. Als ze horen dat ze ‘Riek’ gaat heten, gaan de alarmbellen bij de meisjes af. Ze protesteren heftig want ze vinden Annie veel mooier. Marie is wel gevoelig voor het meidenprotest en hun voorstel om er Annie van te maken krijgt kort voor de doopplechtigheid haar instemming. Kortom: Anna Wilhelmina Maria Schoorlemmer, roepnaam Annie, ziet het Sallandse levenslicht, als jongste in het gezin van acht kinderen.
De eerste twee oorlogsjaren verlopen zonder problemen op de Weele. Het dagelijkse werk gaat door en van oorlogsgeweld of repressie is niet veel te merken. In Annie’s geboortejaar verandert dat. Voedsel en kleding zijn op de bon en veel producten worden gerantsoeneerd. Voor de bewoners in de kern Heeten brengt dit veel ongemak met zich mee, gelukkig zijn de lasten op het platteland beter te dragen. Ook op de Weele zijn veel zaken alleen nog ‘op de bon’ verkrijgbaar, er is bovendien een toenemend gebrek aan kolen.
De school is niet meer te verwarmen en het is er koud. Daarbij zijn er te veel leerlingen voor de beschikbare lokalen. Mariet, Miny, Gerda en Gerrit zijn afwisselend een dag thuis, in plaats van op school. Dat komt goed uit, thuisonderwijs bestaat uit aardappels schillen en boontjes doppen. In de zomer halen ze de maaimachine en het paard van stal. Mariet, Miny of Gerrit zitten op de kar met daarachter een maaibalk. Ze leiden het paard in een rechte lijn langs de rogge. Ook helpen ze met het afleggen en samenbinden van de rogge of bij het rapen van aardappelen.
In mei 1943 roepen de Duitsers jonge mannen tussen de 18 en 35 jaar op voor de verplichte Arbeitseinsatz. Ze worden tewerkgesteld in de Duitse oorlogsindustrie. In ondergrondse krantjes verschijnen oproepen om zich niet te melden. Om aan de Arbeitseinsatz te ontkomen geven velen geen gehoor aan de Duitse oproep. Op de Weele vinden twee onderduikers een schuiladres, Leo en Klaas. Leo wordt aangedragen door oom Piet. Die heeft op meer adressen in Heeten onderduikers ondergebracht. Waar Klaas (gefingeerde naam) vandaan komt, blijft wat mysterieus, ergens uit Twente. Oom Piet is een schuilnaam, niemand kent zijn echte naam en dat blijft zo. Hij zorgt voor de correspondentie, de onderduikers kunnen geen brieven versturen of ontvangen via de post.
Leo en Klaas werken mee op de boerderij. De een helpt bij het melken en de ander bij het karnen. Met een houten steel, waaraan twee ronde houtjes zitten, beweegt hij urenlang de stamper op- en neer in de melkbus. Net zolang tot de room boven komt drijven.
De onderduikers maken deel uit van het gezin. De eettafel is goed bezet met Graads, Marie, acht kinderen, knecht Jan Oldenboer, meid Marie Aarnink, Leo en Klaas. Graads en Marie beschikken over een door de Duitse bezetter verboden radio. Die staat in de linnenkast op hun slaapkamer, verstopt onder een kleedje. ’s Avonds haalt Graads de radio op en in de keuken luisteren ze naar Radio Oranje met 'De stem van strijdend Nederland'. Het geluid staat zacht voor het geval er iemand buiten loopt. Ook de onderduikers luisteren mee. De kinderen weten dat ze met niemand over de radio of de onderduikers mogen praten, het is geheim. Dat doen ze dan ook niet.
Op 17 september 1944 begint Operatie Market Garden, de lucht vult zich met parachutisten. Vanuit België rukken geallieerde troepen op naar Noord-Nederland. De doelstelling is om heel Nederland in een keer te bevrijden van de Duitse bezetting. Arnhem wordt zwaar gebombardeerd en er vinden grondgevechten plaats. In de stad wordt een enorme ravage aangericht, er staat bijna geen huis meer overeind. Op last van de Duitsers moeten de inwoners de stad verlaten. De mensen verliezen praktisch alle bezittingen.
Ze vluchten de stad uit en lopen in groepen via Loenen naar Klarenbeek. Daar overnachten ze in een open schuur, voor enkelen zijn er wollen dekens en is er wat te eten. Hans Hendriks, de oudste zoon van onderduiker Leo Hendriks is een van hen. Hij weet dat zijn vader op de Weele is, pakt een fiets en gaat ernaartoe. Tonny ziet hem aankomen en verbaast zich over de houten fietsbanden. Hans vraagt of zijn familie en de familie Bruins op de Weele terecht kunnen.
Graads en Marie gaan akkoord en sturen knecht Jan Oldenbroek met paard en ‘de brik’ naar Klarenbeek om ze op te halen. Het zijn er zoveel dat ze nauwelijks plaats hebben op het koetsje. Volgeladen komt Jan het erf oprijden. Het is 21 september 1944, de zestienjarige trouwdag van Graads en Marie. Marie staat met de hand voor de mond hun aankomst gade te slaan en verzucht: ‘Moi toch eens kiek’n, wat mütt wie met al die mensen, hoe hoale wie ze toch ant etten?’ Graads, die naast haar staat zegt geruststellend: ‘Dat geet wa, d’r zit nog wel melk in de busse en aardappels in de kelder.’
Het is een heel georganiseer met 27 mensen in huis. Op de deel wordt stro uitgestrooid en van rietmatten worden schermen gemaakt. Wat er nog aan gestikte dekens is dient als beddengoed. Vanuit het dorp krijgen ze kleding en nachtgoed voor de evacuees. Tonny staat te kijken als dat wordt uitgereikt en ziet dat een meisje een prachtige nachtjapon krijgt. Zo’n mooie heeft ze nog nooit gezien. Het meisje ziet dat ze met grote ogen staat te kijken en geeft haar de nachtjapon. Een onvergetelijk cadeau. De tweejarige Annie beseft niet wat er allemaal gaande is, maar vindt de aandacht die ze krijgt reuzegezellig. Ze is nog vrijgesteld van werk en als het even kan rent ze op haar blote voetjes door het stoppelland. Of ze helpt haar moeder bij het voeren van de ‘kippetjes’. Het is een dagelijks ritueel van Marie en als ze klaar is zegt ze steevast: ‘Ziezo
