6,95 €
De zomer van 1384. De pest waart door Deventer en Geert Groote, heraut van de innerlijke vroomheid, leeft zijn laatste dagen. In de luwte van deze onrust groeit een plan dat generaties zal verbinden. Erve Maurissinck - een boerenerf in de buurtschap Heeten - wordt geschonken aan Aernt Broeckhuys, broeder van het Gemene Leven. In dit literaire relaas, geworteld in historische bronnen, ontvouwt zich het verhaal van Griete, Lewe en Aernt: gewone mensen met een roeping groter dan henzelf. Hun erfstuk wordt een altaar, hun keuze een daad van overgave. Met taal die raakt aan de geest van Hadewijch en de Moderne Devotie, draagt dit relaas, hoe klein ook in de ogen van de tijd, bij aan het bewaren van dat wat doorgaans verloren gaat: de sporen van zij die in alle bescheidenheid hun rol hebben gespeeld, en daarin misschien juist groots waren.
Das E-Book können Sie in Legimi-Apps oder einer beliebigen App lesen, die das folgende Format unterstützen:
Seitenzahl: 107
Veröffentlichungsjahr: 2025
Geroepen tot Moderne Devotie
Geroepen tot Moderne Devotie
Een historische fictiebiografie van een man van stilte
Gerard Leerkes
Auteur: Gerard Leerkes
Tekstredactie: Paul Voorhorst
ISBN: 9789403798103
Uitgave: Juli 2025
© 2025 Gerard Leerkes
Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen of op welke andere manier dan ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de auteur.
Voor informatie en toestemming:
https://publishnl.bookmundo.com/gerardleerkes
In het jaar 1450 overleed een man wiens naam in geen kroniek met gouden letters staat opgetekend, maar wiens bestaan onmiskenbaar deel uitmaakte van een groter verhaal. Aernt Broeckhuys heette hij, een lekenbroeder van eenvoudige komaf, afkomstig uit het land rondom Heeten. Zijn leven bij de broeders van het Gemene Leven voltrok zich in stilte, zonder opsmuk, maar niet zonder betekenis. Wat hij deed, deed hij met overtuiging; wat hij naliet, sprak soms nog luider.
Zijn dood ging voorbij zonder praal, maar wie goed luistert, hoort in de echo van zijn daden nog altijd iets weerklinken - zoals de klokken van de St. Lebuïnuskerk in Deventer kunnen blijven dreunen lang nadat ze zijn verstomd. Aernt behoorde tot de velen die niet aan het roer staan van de geschiedenis, maar zonder wie geen schip zou varen.
Deze vertelling is niet geboren uit ambitie of de drang tot heldenverering, maar uit de wens om vast te leggen wat vaak ongezien blijft: hoe een enkel leven, in al zijn eenvoud, mee weeft aan het grotere geheel. De bronnen waarop dit verhaal rust zijn oud en verstild - archieven, notities, onderzoeken, flarden uit registers - maar wat erin doorklinkt is het tastbare spoor van menselijke betrokkenheid.
Moge dit relaas, hoe klein ook in de ogen van de tijd, bijdragen aan het bewaren van dat wat doorgaans verloren gaat: de sporen van zij die in alle bescheidenheid hun rol hebben gespeeld, en daarin misschien juist groots waren.
Veel leesplezier toegewenst.
Gerard Leerkes
Almelo, 2025
Aernt Broeckhuys, Broeder van het Gemene Leven (1368 – 1450)
Inhoudsopgave
Voorwoord
Inleiding
Aernt Broeckhuys (1380)
Lewe Kenseken (1383)
In de luwte van de Holtsprake (1387)
De jonge zoeker (1387)
Geen belofte, slechts overgave (1387)
Stad, weldoenster en broeders (1391)
Naar de Pontsteeg (1393)
Tussen schrift en stilte (1993)
Huis aan de horizon (1395)
De laatste dagen van Florens (1400)
De roep van Hobergen (1406)
De weg van eenvoud (1407)
Zilver voor de ziel (1417)
De dodendans van Deventer (1418)
Wij twee, in zijn naam (1419)
Van Tienden en toewijding (1419)
De navolging der stilte (1420)
Doe kundich alle luden (1420)
In de schaduw van Santa Catharina (1421)
De weg uit Zwolle (1426-1432)
De laatste getijden (1450)
Epiloog
Boeken van Gerard Leerkes
Dit boek neemt u mee naar de veertiende- en vijftiende eeuw, naar een wereld waar geloof en dagelijks leven nauw met elkaar verweven zijn. In een tijd waarin de stad Deventer gebukt gaat onder ziekte en verlies, ontvouwt zich het literaire, maar op feiten gebaseerde verhaal rond broeder Aernt Broeckhuys en Erve Maurissinck in de buurtschap Heeten.
De schenking van dit erf aan Aernt vormt de kern van dit historische relaas. Het gaat hier niet slechts om het overdragen van bezit, maar om een daad van innerlijke overtuiging - een roeping om Christus te volgen in eenvoud en dienstbaarheid. Wat begon als een familiebezit, werd een geestelijk erfgoed dat zijn sporen naliet. Het verhaal is opgebouwd uit authentieke bronnen: schenkingsakten, brieven, archiefstukken, regesten en wetenschappelijke publicaties. Waar de archieven zwegen, heeft literaire verbeelding hun stem versterkt.
Ruim een eeuw lang klonken in Deventer in de Mariakerk aan het Santa Catharina-altaar, twee keer per week gebeden voor de zielenrust van Lewe en Griete, de schenkers van Erve Maurissinck. Deze missen waren geen loutere rituelen, maar levende tekenen van verbondenheid tussen de levenden en de doden, tussen erf en altaar, tussen aarde en hemel.
Griete, Lewe en Aernt - gewone mensen die zoeken naar betekenis in verlies, geloof en verantwoordelijkheid. Hun innerlijke strijd en overgave maken zichtbaar hoe de spiritualiteit van de Moderne Devotie het dagelijks leven doordrong. De schenking van het boerenerf wordt zo tot een symbool van hoop en navolging - een stille echo uit een ver verleden.
De dageraad breekt langzaam open boven het land van Salland, als een gebed dat voorzichtig zijn eerste woorden vindt. Een vale gloed glijdt over de akkers, raakt het riet in de sloten en werpt lange schaduwen over de met rijp bedekte aarde. Het erf van Broeckhuys, gelegen in de buurtschap Heeten, ademt stilte. De wind blaast zacht, als een oude vrouw die nog eenmaal een naam wil fluisteren voordat zij zwijgt.
Aernt Broeckhuys staat alleen bij het hek, zijn handen om het ijskoude hout geklemd. De planken zijn vochtig van de nacht. Hij sluit zijn ogen. Zijn adem dampt in wolkjes, klein als zonden bij het ochtendlicht. Hij bidt niet, niet met woorden althans. Maar zijn zwijgen is voller dan de psalmen die de pastoor op zondag voorleest. Hij telt twaalf winters, maar draagt al het gewicht van een verloren toekomst. Zijn broers zijn sterker, luidruchtiger, zekerder in hun plaats. Hij - de vierde - hoort nergens bij. Zijn moeder zegt dat hij goed luistert, dat hij stil is ‘zoals het hoort’. Maar hij weet dat stilte soms ook een leegte is die niemand vult.
“Aernt,” roept een stem achter hem: zijn moeder. “Vader vertrekt naar Deventer, de kar wacht.” Zonder een woord keert hij zich om. Zijn voeten glijden haast geluidloos over de bevroren modder. Hij weet zijn plaats. Niet klagen, niet vragen. Hij klimt op de bok, zit naast zijn vader, met achter zich de oogst-tienden. De wereld trekt zich los van het erf.
Zijn vader is een man van zwijgen. Hij spreekt zelden, en als hij het doet, klinken zijn woorden als stenen - ruw, onverschillig, onherroepelijk. De stilte tussen hen is geen onwetendheid, maar een afstand die nooit is overbrugd. Lang blijven ze zo voor zich uitstaren, reizend door een landschap dat lijkt te slapen. Knotwilgen strekken hun armen naar de hemel, zwart en kaal. In de sloten en op de woeste gronden drijft stilstaand water waarin de wolken zich weerspiegelen, als herinneringen aan iets dat ooit zuiver was.
Pas wanneer de torens van Deventer in zicht komen spreekt de vader. “Geert Groote preekt vandaag.” Het is nauwelijks een stem, meer een beweging in de lucht. Maar Aernt hoort het alsof het uit zijn eigen borst opklinkt. Geert Groote. De naam zindert na. Hij kent zijn naam en betekenis. Niet van schrift, maar van fluisteringen. Bij de herberg, in de schaduw van de pastorie, bij kaarslicht in de schuur wanneer mannen spreken met ogen die meer zeggen dan hun mond. Ketter noemen sommigen hem. Heilige, zeggen anderen.
In de stad is het rumoerig, vol van roepende kinderen, kramen met stoffen, vlees, appels, wijn. Het leven is luid, maar Aernt hoort het nauwelijks. Zijn benen bewegen, maar zijn geest is al elders - ergens waar woorden wegen wijzen. De Broederenkerk is koel als water en hoog als hoop. De pilaren rijzen op als wachters, het licht valt getemd door gekleurd glas. Hij glipt naar binnen, onopgemerkt als een schaduw en vindt een plek in de schemer, dicht bij een zuil. “Kom maar iets naar voren jongen, dan kun je het beter zien en horen,” hoort hij een vriendelijke onbekende man naast zich zeggen.
Aernt en Florens luisteren in de Broederenkerk naar de preek van Geert Groote
Dan klinkt een stem. Niet luid. Niet dwingend. De stem van Geert Groote is eenvoudig, maar zakt diep als regen in droge grond. Hij spreekt over het innerlijk leven, over het afleggen van praal, over een God die niet leeft in goud, maar in gebrokenheid. Over armoede en liefde als dienst, over waarheid als stilte.
Aernt hoort - maar het is geen horen gelijk men een klok hoort luiden, of een os hoort briesen. Het is als een trilling, diep in het merg. Alsof een stem niet tot zijn oor, maar tot zijn binnenste spreekt. Iets wordt wakker, iets oud en stil, als een vuurgloed onder as. Hij weet niet hoe lang hij daar staat. De preek is geëindigd, de mensen gaan heen, schuifelend als bladeren op natte aarde. Hij beweegt niet. Zijn handen zijn koud, zijn rug stijf, maar hij durft niet te gaan. Alsof één stap het wonder zou verbreken.
Dan klinkt dezelfde stem van de onbekende man naast hem. Zacht, doch helder. “Gij zijt geraakt,” zegt hij, “dat geldt ook voor mij.” Aernt knikt, langzaam. “Meer dan ik zeggen kan.” De ander reikt hem de hand. “Mijn naam is Florens Radewijns,” zegt hij, “Wellicht kruisen onze paden zich weder.” Aernt kijkt op naar de rijzige man met zwarte haren en vriendelijk gezicht. “Ik hoop dat het zo zij.”
Op de terugweg is het stil. Zijn vader kijkt strak voor zich uit. Misschien heeft hij het gevoeld, dat verschuiven in de lucht. Misschien ook niet. De hemel hangt laag, maar helder. Aernt kijkt uit over het land. Het is hetzelfde als vanmorgen. Maar ook niet. Hij herkent de geul in de akker, de schuur met het afgezakte rieten dak, de wilg die scheefgroeit naast het pad. Maar wat hij eerder slechts zag, begrijpt hij nu. Want zijn leven is hem niet afgenomen, het is hem gegeven. Niet met een zwaard of een visioen, maar met een woord. Een woord dat zei: “Wees dienstbaar.”
Als hij van de kar stapt bij de boerderij, knarst het hout weer als vanouds, ruikt de lucht weer naar mest en vocht, loeit de koe en graast een kudde schapen op de heide, zoals altijd. Maar hij is niet meer dezelfde. Die nacht ligt hij wakker, niet van angst, maar van begeestering. Dit wordt zijn roeping. En daarin zal hij sterven. Maar eerst: leven.
Lewe Kenseken trekt zijn mantel strakker om zich heen en loopt door de nauwe straten van Deventer. Hij ademt diep in, de geur van nat hout, roet en gebraden vis mengt zich met de damp van mest. Een jongen met een bundel takken struikelt haast tegen hem aan. “Heer, vergeef mij,” stamelt hij, ogen groot van schrik. Lewe legt hem een hand op de schouder. “Geen schade, kind. Loop met zorg.” De jongen knikt en rent verder, zijn voetstappen hol op het plaveisel.
Hij vervolgt zijn weg door de stad, waar houten huizen als oude monniken langs de straten staan, de een leunend tegen de ander. Sommige zijn al bekleed met leien, een teken van voorspoed. Na de grote brand in het jaar 1334, die als een beul door de wijken raasde, heeft de stad geleerd. Riet is verboden; steen en leien zijn de nieuwe hoop. Lewe ziet het als een teken van wederopstanding. Hij glimlacht kort. ‘Uit as herleeft de stad’.
Voor hem ontrolt zich de St. Maartensmarkt, bruisend als een bijenkorf. Bij de rivier de IJssel ziet hij boten met handelswaar aanmeren en mensen van allerlei pluimage de stad binnenkomen.
Klokken luiden, marktkramen roepen, varkens gillen. Kooplieden in bonte kledij prijzen hun waren aan, hun stemmen klinken als trompetten door de ochtendlucht. Een vrouw reikt hem een appel aan. “Vers, heer. Uit Zutphen,” zegt ze met een scheve glimlach. Hij pakt de appel aan, betaalt meer dan nodig is. Toch raakt de wereldse drukte hem niet zoals vroeger. Waar eens de markt zijn hart deed opspringen, voelt hij nu een afstand, een weifeling in zijn borst. Zijn voeten dragen hem verder, maar zijn geest blijft achter, bij gedachten die hij niet uitspreekt.
Voor de twee Romaanse-torens van de St. Lebuïnuskerk blijft hij stilstaan. De torens rijzen als stenen gebeden de hemel in. Hij kijkt omhoog. “Is dit waar Gij woont?” denkt hij. “Of woont Gij in de stilte tussen mensen?” Zijn blik glijdt naar de zuidelijke vleugel, waar de Mariakerk ligt. Niet de pracht, maar de eenvoud daarvan trekt hem aan. Hij keert zich af van de hoofdkerk en gaat naar de zij-ingang. Zijn vingers strijken langs de verweerde deurpost. Binnen is het koel, het licht gefilterd door de hoge ramen. Hij nadert het altaar van Santa Catharina. De stilte hier is tastbaar, als een mantel om zijn schouders.
Hij knielt. Niet uit gewoonte, maar uit noodzaak. Hij luistert naar zijn ademhaling. Een beweging trekt zijn aandacht. Achter een pilaar staat een jonge man met geschoren kruin – een novice wellicht – en kijkt hem aan. Hun blikken kruisen elkaar. Geen woord wordt gewisseld. Toch leest Lewe iets in zijn ogen: twijfel, herkenning. Misschien ook een stille vraag. Hij staat op, knikt, en verlaat de kerk. Buiten welt het leven weer aan. Hij steekt het Grote Kerkhof
