Erhalten Sie Zugang zu diesem und mehr als 300000 Büchern ab EUR 5,99 monatlich.
Samen met haar echtgenoot reist de auteur door het eiland Madagaskar. Een uniek land en volgens velen het 8e continent. Door zijn eenzame ligging beschikt het eiland over een eigen biotoop. Duizenden kilometers werden afgelegd door het westen en het diepe zuiden. Het reisverhaal is aangevuld met dertig pagina's met kleurenfoto's, een duidelijk landkaartje en natuurlijk een literatuurlijst.
Sie lesen das E-Book in den Legimi-Apps auf:
Seitenzahl: 236
Veröffentlichungsjahr: 2019
Das E-Book (TTS) können Sie hören im Abo „Legimi Premium” in Legimi-Apps auf:
Antananarivo, zeg maar Tana
De stad in
Stad van duizend krijgers
Het Rova-paleis
Onderweg
Kleurige kameleons
Het Parc National Andasibe Mantadia
De roep van de indri indri
Het Vakona Lemureneiland
Terug in Tana
Naar Antsirabe
Autopech
De baobabbomen
De Heilige Baobab
Gluren naar lemuren
Allée des Baobabs
Naar Miandrivazo
Wisseling van de wacht
Ambositra: eunuchen, rozen en runderen
Fianarantsoa: plaats om goed te leven
Van wijn, zijde en papier
Ringstaartmaki’s
In het Isalo Park
De omgeving van Ranohira
Op weg naar Ifaty
De vissers van Ifaty
In Mangily
De baobabbomen van Mangily
Langzaam weer naar boven
Naar Camp Catta
In Camp Catta
Ranomafana en omgeving
Roze huisjes, groene bossen en blauwe luchten
Huizen op hoge benen
De cirkel is weer rond, terug in Tana
Literatuurlijst
‘Moge je werk een effect sorteren dat vergelijkbaar is met dat van een baobabzaadje’
Afrikaanse wijsheid
‘Willen jullie een snoepje?' vraagt Viviane, de vriendelijke vrouw van het reisagentschap Aloes.
Samen met chauffeur Nirson staat ze ons op te wachten op het vliegveld van Antananarivo, de hoofdstad van Madagaskar.
‘Ik kan de naam van jullie hoofdstad moeilijk uitspreken,’ zeg ik tegen Viviane, als een leerling die vist naar een complimentje van de juf.
‘Wij zeggen allemaal Tana. Ook spreken we de laatste o niet uit,’ lacht ze en corrigeert vriendelijk mijn uitspraak.
Geen tien, maar wel een snoepje. Al zuigend op mijn snoepje kijk ik door de ramen van de auto naar een bijna levenloze stad. De straten zijn leeg, de straathandel is verdwenen, de winkeltjes zijn gesloten en er loopt bijna niemand op straat. De afwezigheid van straatvuil is opvallend. Of zegt dit iets over mij, dat ik in een Afrikaans stad veel rommel en rotzooi in de straten verwacht? Dat de afwezigheid van rondfladderend plastic en achteloos weggegooide rommel mij opvalt. Oude Renaultjes staan her en der in de bermen geparkeerd, soms rijdt er eentje voorbij. Wij zitten in een geriefelijke auto, die ons moeiteloos door de lege straten van Tana naar het hotel Les 3 Métis brengt, dat op een klein half uurtje afstand van het vliegveld ligt. Een charmant koloniaal huis uit 1913, gebouwd door een rijke raffiahandelaar, lees ik later.
‘Nee, nee, hoeft niet,’ zegt de receptionist.
Ik stop onze paspoorten weer in mijn tasje. We lopen de houten trappen op en ik ben direct verkocht, wanneer blijkt dat we een klein balkonnetje hebben, dat afgesloten wordt met een wit tuinhekje waar privé op staat. Dat er plastic op de vloer van het balkonnetje ligt, daar stap ik letterlijk en figuurlijk overheen. Een balkon is een balkon. De kamer is smal met een groot bed. Door het grote muskietennet krijgt het bed de uitstraling van een hemelbed. De badkamer is groot, schoon en blauw, erg blauw.
‘Ik word bijna duizelig van die duizenden kleine blauwe tegeltjes in de badkamer,’ mompelt Jan.
De muren zijn één blauwe zee van tegeltjes, kleine priegeltegeltjes. Ik waan mij op een oceaan.
Viviane en Nirson staan op de afgesproken tijd aan onze ontbijttafel. Samen lopen we naar de lobby waar we het hele programma doorlopen. Wanneer we aan onze rondreis beginnen, hebben we de hele reis de beschikking over een goede wagen met chauffeur. We hebben er bewust voor gekozen om geen binnenlandse vluchten te nemen. Veel mensen die dit grote eiland bezoeken nemen enkele binnenlandse vluchten. Vluchten zijn erg duur, niet al te betrouwbaar, willen nogal eens uitvallen of worden samengevoegd. Ook bepaalt zo’n vlucht je schema. Het eiland Madagaskar is een groot eiland, ongeveer veertien keer zo groot als Nederland, er wonen hier rond de 24 miljoen mensen waarvan de helft jonger is dan twintig jaar. We hebben geen enkele illusie dat we alles kunnen zien.
‘Halverwege de reis wordt er een keer van chauffeur gewisseld, legt Viviane uit.
Viviane ziet er meer uit als een Aziatische vrouw dan een Afrikaanse vrouw. Zwart, sluik haar, lichtbruine huid en een bril op haar neus. Haar bloes verbergt niet het ribbelige litteken hoog op haar borstbeen, een litteken dat als een soort van salamander op haar huid kleeft. Nirson, noem me maar Niry, luistert met een half oor naar ons gesprek, terwijl zijn ogen en vingers druk bezig zijn met zijn telefoon. Sommige dingen zijn overal hetzelfde. Ook hij oogt als een vriendelijke man, die behoorlijk Engels spreekt. Naast het Malagasisch spreken de meeste mensen bijna allemaal Frans en heel veel mensen ook Engels. Veel wordt in het Frans aangegeven; mijn schoolfrans komt weer bovendrijven.
‘Jullie reizen met zijn tweeën. Dat houdt in dat er veel mogelijk is. Als jullie dat willen dan kan er nog van alles in jullie programma aangepast worden. Uiteraard liggen de hotels vast,’ gaat Vivian op een zachte, enthousiaste toon verder. ‘Mocht het nodig zijn, dan kan het gebeuren dat we de wagen tijdens de reis een keer zullen ruilen voor een andere,’ besluit ze haar verhaal.
We zullen het wel zien. Reizen heeft me geleerd dat ik beter niet teveel vooruit kan kijken. Hooguit de dag van morgen en overmorgen en dan zien we wel weer. Doordat er al zoveel geregeld, gepland en geboekt is, worden we wel een beetje luie reizigers. Jan hoeft geen routes uit te zoeken, ik geen reisgidsen na te pluizen op zoek naar de leukste hotels of andere reizigers uit te horen over hun belevenissen. De hele reis hebben we maanden geleden al, in overleg met het reisbureau, samengesteld. We nemen afscheid van deze vriendelijke mensen, stappen het hotel uit naar de stad, die als een vrolijke, kleurige picknickdeken voor ons ligt uitgespreid.
‘Waarom willen jullie een paar dagen in de hoofdstad blijven,’ was de reactie van verschillende reizigers die ons voorgingen naar dit land.
Wij, met name ik, vinden het erg prettig om even aan een land te wennen. Soms verlangt de hitte dat van ons, soms een jetlag en soms is er geen reden voor nodig om ergens gewoon een paar dagen de tijd te nemen.
‘Zoveel spannends heeft deze Afrikaanse hoofdstad niet te bieden,’ kwam er steevast achteraan.
Onze Engelstalige Bradt reisgids denkt daar duidelijk anders over en vindt een week bij lange na niet voldoende om deze stad en haar omgeving te ontdekken. Zoals altijd moet de reiziger alles zelf ervaren en ontdekken en lopen we op het smalle, wat brokkelige voetpad de drukte in. Ik draai me om en zie nu pas in wat voor een leuk wat kasteelachtig hotel we verblijven. Een torentje siert het voormalig koloniaal huis van rode bakstenen. Witte Renaultjes staan overal geparkeerd en zwarte elektriciteitsdraden wiegen zachtjes heen en weer.
Een man in een fluorescerend hesje en een grote, oranje gasfles op zijn hoofd loopt met stevige passen door de straat. Kleine straatwinkeltjes met metalen roosters voor de ramen verkopen veel verschillende soorten koekjes, chips en nootjes. Smalle, ranke huizen staan als speelblokken strak naast elkaar gestapeld. Kleine, smalle betonnen trapjes verdwijnen tussen de huizen. Voor het eerst in Afrika zie ik veel meer mannen met zware lasten op hun hoofd dan vrouwen. De steile wegen zullen hier ook wel debet aan zijn. De kleuren zijn vrolijk; veel oranje en groen. Op de houten balkons hangt de was te drogen. Afgebladderde muurschilderingen geven sjeu aan de omgeving. De sfeer is prettig, de mensen vriendelijk, we worden veelvuldig minzaam begroet en we bonjouren heel wat af. Een meisje vraagt om geld en bonbons. Ze wordt door iedereen genegeerd, ook door ons. Altijd weer een dilemma. Aangezien iedereen het afraadt om kinderen wat te geven, gedragen we ons als iedereen. Het meisje is niet anders gewend en ik voel me er ongemakkelijk bij. De mensen praten op een beschaafde toon met elkaar, het verkeer claxonneert weinig en toeristen zien we al helemaal niet.
Aan het eind van de zestiende eeuw veroverde de toenmalige Merina koning Andrianjaka de plaats Analamanga en herdoopte de stad in de naam Antananarivo. Waarom niet voor een iets simpelere naam gekozen denk ik. Maar goed, dat denk ik hier van alle plaatsnamen, straatnamen en achternamen. Geen namen om te onthouden, geen namen om foutloos uit te spreken, foutloos schrijven dat lukt wel. Gewoon letter voor letter overschrijven. Zo heet Niry van achternaam Raveloharivo. Waarvan akte.
Antananarivo betekent stad van duizend krijgers, een naam die te herleiden is naar die tijd dat de stad door duizend krijgers werd beschermd. De strijders zijn allang vertrokken, de stad met de lastig uit te spreken naam is gebleven. Gelukkig mogen wij ook Tana zeggen. De vorst die verantwoordelijk was voor de naamsverandering heeft er tevens voor gezorgd dat dit voormalig moerasachtig gebied droog werd gelegd, zodat er rijstvelden aangelegd konden worden. Tot op de dag van vandaag kan men hier twee keer per jaar rijst oogsten. Zoals overal in Afrika zijn de randen van de weg en de smalle voetpaden rafelig. We manoeuvreren overal omheen. Mensen zijn niet opdringerig en al snel zien we een mooi hotel annex restaurant waar de cappuccino misschien niet tot de allerbeste behoort maar het gratis uitzicht over de stad wel. Er loopt veel personeel rond; er zitten bijna geen gasten. De hotelgasten zijn al vertrokken, het is nog te vroeg voor de lunch. In de vitrine liggen zeer verleidelijke taartjes en gebakjes, ware kunstwerkjes. Ook hier beweegt de Wi-Fi zich onzichtbaar door de lucht.
Antananarivo is gebouwd op heuvels en dat zullen we weten. Stenen trappen brengen ons omlaag naar de markt. Omlaag betekent dat we ook nog een keer weer omhoog moeten. Het geeft de stad een zekere speelsheid en biedt tevens verrassende doorkijkjes. Veel huizen hebben meerdere verdiepingen en houten balkons. Houten luiken voor de ramen; ramen waar geen glas inzit. Op menig huis prijkt een satellietschotel. Kleine, puntige dakkapellen op de daken en veel achterstallig onderhoud. Vanaf het terras keken we er precies op en nodigden de wirwar van kleurige parasols ons verleidelijk uit om daar naartoe te lopen. Mannen, vrouwen en ook kinderen zitten of staan bij grote bakken sop met veel aandacht gebruikte plastic flessen en glazen potten schoon te maken. Er wordt stevig geboend en geschrobd. Alles wordt daarna netjes gesorteerd en vervolgens aan de klant aangeboden. De flessen- en glazenpoetsers nemen hun werk zeer serieus. Vooral plastic flessen die veel worden hergebruikt kunnen een bron van bacteriën zijn. Nu zijn we al in zoveel Afrikaanse landen geweest, maar dit hebben we nog niet eerder gezien. Jazeker, mag ik een foto maken. Ik weet nog dat we in Uganda kennis maakten met de schoenenpoetsers, en dan bedoel ik niet schoenen poetsen met schoensmeer en een borstel. Nee, hup, kopje onder in een bak met schuimend sop en schoon poetsen. De mensen kopen hier hun boodschappen. Wat voor hen de dagelijkse beslommeringen zijn, is voor ons genieten. Zakken zijn gevuld met kleurige kruiden. Saffraangeel, rode pepertjes en de grillige gemberwortels, en veel ik-heb-geen-ideewat-voor-kruiden-dit-zijn-producten. Een conservenblikje dient als maatbeker. Op houten kisten staan houten dienbladen waar stapels tomaten op liggen. Deze tomaten zouden de Nederlandse supermarkt niet halen. Er zitten kleine vlekjes op. Op twee scooters liggen de onderstellen van twee plastic paspoppen. De gehalveerde dames, de een gekleed in een roze broek, de andere in een lichtgrijze broek, worden door de verkoper zorgvuldig in balans gehouden. De jonge verkoper in zijn rode poloshirt en raffiahoedje op zijn hoofd, vindt mijn verzoek of ik daar een foto van mag maken minstens zo vreemd, als ik zijn gehalveerde dames vind. In glazen flessen zitten ingemaakte vruchten. Ik herken alleen de sinaasappels en de passievruchten, verder zitten ze daar voor mij onherkenbaar achter het glas. Marktvrouwen geven hun baby’s de borst terwijl ze op de grond tussen hun koopwaar zitten. De baby’s zijn zonder uitzondering gekleed voor een Hollandse winter.
De randen van de trappen worden ook voor de handel gebruikt. Zwart-wittelevisies, naaimachines, typemachines, stapels kromgetrokken langspeelplaten en singletjes liggen te verstoffen op de stenen vloer. Zou dit nu werkelijk nog verkocht worden? Een vrouw repareert op een handnaaimachine een oude spijkerbroek. Op een kleed liggen stapels sinaasappels en citroenen. Schoenen staan uitgestald. Een paar vrouwen bukken zich, zoeken wat uit en passen wat aan. Een jonge vrouw wil graag een nieuwe broek kopen, maar hoe pas je die nu aan midden op een markt zonder een paskamer? Ze heeft een doek om haar heupen, wurmt zich met zichtbaar veel moeite uit haar strakke broek zodat ze de nieuwe kan passen. Niemand die het vreemd vindt. Een man biedt ons een zelfgemaakt houten vliegtuigje aan, een andere man heeft van afgedankt blik een eend gemaakt. We bedanken iedereen vriendelijk en lopen verder relaxed rond, laveren overal langs en genieten volop van deze bedrijvigheid. Een vrouw verkoopt grote handdoeken en vindt dat ik er ook wel eentje kan kopen. In een doos liggen opgerolde vellen papier en papieren cadeautasjes. Op een van de vellen zie ik kleine eifeltorentjes staan. Frankrijk, de voormalige koloniaal, is altijd dichtbij. Al was het alleen maar door het Frans dat we constant om ons heen horen.
‘Kijk daar eens. Een Shoprite supermarkt,’ wijs ik.
De grote Franse keten heeft hier dus ook een grote winkel. Altijd leuk om te zien wat in een ander land het aanbod is. Ik koop koekjes, chips, een fles bodylotion, een paar bananen, een stokbroodje en een flesje water. De keuze is reuze en alles ziet er netjes uit. Maar toch is slenteren op een Afrikaanse markt vele malen leuker.
We lopen naar de katholieke kerk dicht bij ons hotel. De ervaring heeft ons geleerd dat waar kerken zijn, banken zijn, banken waar we vast wel kunnen zitten om te lunchen. De poort is open en we lopen het terrein op. De kerkdeuren zijn op slot; mannen zijn aan het werk op het terrein rondom de kerk en er staat een portier bij de ingang. Het is een mooie uit rozeachtige stenen opgetrokken kerk. Op een plaquette in de muur naast de ingang staan de tijden van de diensten vermeld. De diensten worden afwisselend in het Malagasisch en in het Frans gehouden. Er staan bankjes waar we heel graag even gaan zitten, ik prop de bananen tussen het brood, we drinken het water op en zijn blij met de eerste indrukken van deze stad, de mensen en het land. De portier wil graag onze lege waterflessen hebben. Dat kan. Bij een piepklein winkeltje koop ik twee grote flessen water en pleisters. De eerste blaren hebben zich al pijnlijk gemeld.
In Antananarivo
Het paleis van de koningin, ook wel rova genoemd, is volgens mijn onvolprezen Bradt-gids het spirituele centrum van de Merina-bevolking, een van de achttien verschillende volkeren die op dit eiland wonen. De naam Merina betekent mensen van de bergen. Ze hebben een Polynesische achtergrond en dat verklaart hun lichte huid en sluike haren. Bijna alle mensen die in de hoofdstad wonen behoren tot deze bevolkingsgroep.
In 1995 is het paleis door een grote brand zo goed als helemaal verwoest. In 2005 ging de boel helemaal dicht en begon men met een budget van om en nabij twintig miljoen euro aan de wederopbouw van dit eens zo belangrijke complex. De oude stenen werden, voor zover dat mogelijk was, weer gebruikt; moderne technieken en eeuwenoude stenen werden samengevoegd. Het geld werd grotendeels door de Unesco beschikbaar gesteld in de hoop het paleis op de werelderfgoedlijst te krijgen. Zo’n zeventigduizend stenen, waarvan er door de hitte ongeveer twintigduizend waren gebroken, werden genummerd en gelabeld zodat men precies wist welke steen waar vandaan kwam. Van de stenen die zo beschadigd waren dat ze onmogelijk nog gebruikt konden worden, werden succesvolle replica's gemaakt. De volgende stap was om het houten interieur weer in ere te herstellen en in te richten als een museum. Plannen en ambitie genoeg. De coup van 2009 gooide echter roet in het eten. Het geld raakte op en het werk kwam stil te liggen. Toen men in de gaten kreeg dat herstel- en restauratiewerkzaamheden toch wel lang op zich lieten wachten, besloot men om de tuinen en gronden rondom de rova voor het publiek weer open te stellen. Het paleis blijft gesloten voor het publiek, maar de omgeving niet. Hoewel het niet echt ver is, Jan schat dat het ongeveer drie kilometer is, nemen we toch een taxi. We zijn zuinig met onze energie; even tijd nemen om te wennen. Het paleis moet een schitterend uitzicht over de stad bieden. Dat kan maar een ding betekenen, het paleis ligt hoog en dat betekent klimmen en klauteren.
‘Sorry, blocked,’ mompelt de chauffeur als Jan de gordel om wil doen.
De taxi mag dan oud zijn, met ramen die niet open kunnen, met een sierlijke barst in de voorruit, maar hij is brandschoon en brengt ons moeiteloos naar boven, waar enthousiaste souvenirverkopers en gecertificeerde gidsen ons met open armen ontvangen.
‘Ik leid jullie graag rond,’ komt een jonge man met een vriendelijke lach op zijn gezicht ons tegemoet lopen; om zijn nek hangt een badge.
‘Frans? Engels?’ vraagt hij.
‘Wij komen uit Holland. Graag Engels,’ zeggen we.
‘Ik ben dol op Ajax. Ajax heeft gewonnen. Ach, die Frenkie de Jong,’ komt het oprecht en enthousiast uit zijn mond. ‘Ik was zo blij. Ik ben dol op voetbal. Maar Ajax is toch wel mijn favoriete club,’ klinkt het onverminderd enthousiast en met stralende ogen.
Zijn naam is ook weer zo’n lastige.
‘Zal ik jou dan maar Ajax noemen?’ vraag ik lachend. ‘Nou, dan liever Frenkie,’ antwoordt de man uiterst serieus op mijn grapje.
‘Is voetbal hier erg populair?‘ vraag ik aan Frenkie.
‘Nee, helemaal niet. Rugby en jeu de boules zijn hier de populairste sporten en dan vooral rugby. Kunnen jullie een voetballer uit Madagaskar opnoemen?’ vraagt de gids,
De vraag stellen is de vraag beantwoorden.
‘Nee, die zijn er dus niet.’
Samen met Frenkie lopen we het terrein op, waar we zo snel geen andere toeristen zien, maar aan de uniformen te zien wel veel studenten. Frenkie houdt van zijn werk en vertelt ons veel op een oprechte, gepassioneerde toon. Hij haalt foto’s tevoorschijn om zijn verhaal kracht bij te zetten. Hij vertelt ons het verhaal van de koningin, maar ook van de koning die twaalf vrouwen had; uit elke provincie een vrouw. Twaalf vrouwen, twaalf wettige kinderen en de stad is gebouwd op twaalf heuvels. Wat het een met ander heeft te maken wordt ons niet helemaal duidelijk.
‘Zie je die grote steen? Als mannen die op konden tillen hadden ze kans om persoonlijke beveiliger van de koningin te worden. De steen weegt rond de vijftig kilo,’ zegt Frenkie en wijst naar een grote, glad uitziende steen.
‘Zien jullie die beelden? Het ene beeld is een fallussymbool,’ en wijst naar een groot beeld. ‘Als je goed kijkt kun je zien dat het beeld besneden is.’
Hij dicht ons wel veel kennis toe. Maar een besneden beeld staat erg ver van mijn wereld af. Het andere beeld is een grote adelaar. Het besneden beeld is als het ware afgetopt en draagt een duidelijke ingekerfde cirkel rondom de top van het beeld. Nu ik het goed bekijk kan ik me er wel iets bij voorstellen. Een paleis met een fallussymbool, met al mijn fantasie had ik dit niet bij elkaar kunnen verzinnen
‘Alle mannen in Madagaskar zijn besneden. Wisten jullie dat,’ gaat hij verder.
Nee, dat wisten wij niet.
‘Ongeacht het geloof of tot welke bevolkingsgroep je behoort?’ wil ik graag weten.
‘Ja, alle mannen. Het gebeurt rond je derde levensjaar, het is namelijk wel de bedoeling dat je het je kunt herinneren. Dan pas ben je de zoon of afstammeling van je vader,’ antwoordt Frenkie.
Natuurlijk, knik ik alsof ik hier alles vanaf weet. Hij praat op een toon alsof hij het over een leuk en onvergetelijk uitstapje heeft naar de kermis. Het lijkt mij eerder een traumatische ervaring.
‘Daarom kun je beter dochters krijgen,’ komt er onverwachts achteraan.
Dat heb ik nog nooit een Afrikaanse man horen zeggen. Mm, dan heeft dat hele besnijden toch niet een prettige indruk bij jou achtergelaten denk ik.
‘Het stukje huid dat tijdens het besnijden wordt verwijderd, dat wordt zorgvuldig in een bananenblad gewikkeld en door de opa opgegeten,’ besluit hij zijn verhaal.
Ik geloof mijn oren niet. Dit heb ik nog nooit eerder gehoord en vraag het nog eens even goed na. Hij bevestigt met een serieus gezicht nogmaals zijn eigen verhaal. Je zult maar gezegend zijn met veel kleinzonen.
‘Je zult het maar op moeten eten,’ zeg ik tegen Jan, met moeite mijn afgrijzen verbergend.
‘Ze snijden er geen pond af,’ zegt Jan, die veel nuchterder is.
Wat een bizar verhaal. Zou het waar zijn? Ik kan het amper geloven, maar aan de andere kant weet ik ook wel dat als ik hier was geboren en getogen, ik dit een heel gewoon gebruik zou vinden. De wereld waar je in opgroeit is vertrouwd en vind je dingen en gebruiken normaal. Dingen en gebruiken waar een bezoeker heel anders tegenaan kijkt. Totaal verbijsterd loop ik achter de mannen aan en heb werkelijk geen idee wat ik hier nu van moet vinden.
‘Ik ben zelf een christen,’ zegt Frenkie alsof hij ons een verklaring schuldig is.
Frenkie’s geloof en liefde voor zijn dochter Israël komen samen tot uitdrukking in enkele tatoeages op zijn armen. Christen zijn is nu geen enkel probleem in dit land vol met kerken. Tijdens het bewind van de koningin was het niet makkelijk om christen te zijn. Tijdens haar eerste jaren als koningin had ze geen moeite met het christendom. De adel voelde zich echter bedreigd door al die westerse invloeden en in 1835 werd het christendom verboden en ook het contact met alle mensen van buitenaf werd verbroken. De jacht op de christenen was geopend. De stenen kasseienweg, rechts van het paleis was de allerlaatste kans voor een christen om het geloof af te zweren. Deze weg loopt namelijk naar het punt waar de christenen van de rotsen werden gegooid. Tot voor de laatste bocht kon men het geloof nog afzweren. Deed hij of zij dat, dan snelde een bode naar de koningin die dan nog gratie kon verlenen, als ze dat wilde….
Het verhaal van de kerstster is vele malen liefelijker. ‘Zie je die grote rode bloemen daar,’ wijst Frenkie naar een uit zijn kluiten gewassen kerstster, waar nog een aantal rode bloemen de boom opfleuren.
Hij loopt naar de boom -ik kan het met de beste wil van de wereld geen plant meer noemen- haalt er een blad af dat hij zorgvuldig dichtvouwt.
‘Kijk, een dubbelgevouwen blad van deze plant heeft de contouren van ons land,’ legt hij lachend uit en houdt het blad voor ons gezicht.
Inderdaad. Met een beetje fantasie kun je er de omtrek van dit eiland uithalen. Frenkie gooit na deze uitleg Madagaskar achteloos op de grond.
‘De hele plant verwijst naar ons land. Als je de bladeren kapot maakt of fijn knijpt komt er wit sap uit, de kleur wit, groene bladen voor het groen en rode bloemen zorgen voor de rode kleur, deze drie kleuren vormen samen de kleuren van onze vlag.’
We lopen samen verder. Het hele terrein ziet er netjes en verzorgd uit. Mensen zijn aan het werk, een man trekt met zijn handen het onkruid weg. Een bananenboom hangt vol met bananen en kanonnen staan uitgeschoten op het terrein. Het paleis staat schitterend hoog op een prominente plek in de stad en biedt een panoramisch uitzicht over de stad waar ongeveer vier miljoen mensen wonen. We leren nog meer. Dikke spinnen zitten stevig vast in hun eigen web. En dan bedoel ik echt dik. Spinnen zo groot als babymuizen. Terwijl ik bang ben voor muizen, doen spinnen mij helemaal niks. Frenkie trekt een draad uit het web.
‘Dit is zo sterk dat het zelfs in teflon wordt gebruikt,’ legt hij uit en trekt aan het het draadje dat mee rekt maar niet knapt.
Frenkie pakt vervolgens een spin en laat hem even over Jan zijn onderarm wandelen. Ik ga ervan uit dat het een hele brave spin is die geen snode plannen heeft en maak toch maar een foto.
‘Is het een dure stad om in te wonen?’ wil ik graag weten.
‘Als je hoog woont wel. Hoe lager je op de heuvels woont hoe goedkoper het wordt. Helemaal op de grond is het wel te doen,’ antwoordt onze gids.
‘Dat is een beeld van een eunuch,’ reageert hij als hij mij ziet kijken naar een zo op het oog een puntgaaf beeld van een man. ‘Hij was iemand uit Mozambique en had geluk dat hij werd gecastreerd. Anders was hij een slaaf geworden, maar als eunuch kon hij op het paleis werken en in de buurt van de koningin komen,’ gaat zijn uitleg verder.
Het klinkt als het hoogst bereikbare voor een man uit Mozambique. Ik hoor vandaag allemaal verhalen die ik niet had kunnen bedenken. Allemaal verhalen waar messen en bloed aan te pas komen.
Het paleis ziet er vanaf de buitenkant nog stevig uit. De terracotta-achtige stenen geven alle gebouwen een zachte uitstraling. Er staat een grote protestantse kerk die zelden wordt gebruikt, met fraaie glas-in-loodramen. We mogen naar binnen. Jammer dat in deze mooie kerk, op zo’n beladen historische plek, weinig diensten worden gehouden. Het hout in de kerk, drie verschillende soorten, komt allemaal uit het land zelf. Rozenhout, ebbenhout en palissanderhout. De gids wrijft liefdevol over een van de houten banken. Er zit een man in een van de banken en er lopen een paar mensen rond. Het is verboden om op de kansel te komen, een verbod waar we met gemak gehoor aan kunnen geven.
‘Leven er nog afstammelingen van de koningin?’ vraag ik.
‘Jazeker. Ze hebben geen macht meer. Velen wonen in het buitenland en leven van wat hun bezittingen opbrengen aan verhuur en rente. We hebben nu een president. Een jonge man die met name erg populair is bij de jonge mensen in ons land. Hij bedoelt het goed en doet zijn best maar wil te veel te snel. Veel mensen kunnen dit allemaal niet bijbenen,’ aldus Frenkie.
‘Kunnen jullie alles zeggen wat jullie willen?’ durf ik nu wel te vragen.
Voor het eerst krijg ik een wat vaag antwoord. Ik begin snel over iets anders. Waarom mensen in verlegenheid brengen in een land waar ik alleen maar even te gast ben?
‘Nee, hierlangs,’ lacht Frenkie als Jan door het raam, die de indruk wekt een deur te zijn, naar binnen wil in plaats van door de deur.
We lopen een trap op en komen zo in een grote ruimte waar het koninklijke paar sliep, waar werd gekookt en gegeten. Het bed heeft nog het meeste weg van een reuzenhoogslaper. Op de grond wat lage stenen, ronde, platte krukken die uit de vloer zijn gehakt en zo een zijn met de vloeren. Verder een paar verhogingen waar op werd gekookt. Alles weer schoon en netjes.
‘Die doen het dus fout,’ lacht Frenkie wanneer een aantal bezoekers door het raam weer verdwijnen.
Waarom de koningin nu hier woonde en leefde terwijl ze een heel paleis tot haar beschikking had, wordt niet helemaal duidelijk. We nemen afscheid van Frenkie die vanaf nu weer met zijn eigen Malagassische naam verder kan en lopen het terrein af.
‘Vanaf nu hoeven we dus alleen maar naar beneden te lopen,’ zegt Jan
Geen probleem. Naar boven is vele malen pittiger. Een paar mensen duwen hun fietsen naar boven. Tana is geen stad voor fietsers. Het is leuk om terug te lopen. We wisselen de stoep af met de weg. Veel mensen groeten ons vriendelijk en we bonjouren er weer heel wat af.
‘Zullen we daar even gaan zitten,’ wijs ik naar het Musée Café dat bij een fotomuseum hoort.
