De vrouwen van Kafountine - Ada Rosman-Kleinjan - E-Book

De vrouwen van Kafountine E-Book

Ada Rosman-Kleinjan

0,0

Beschreibung

Kleine landen, je kunt er in één dag doorheen rijden, maar je hebt vele reizen nodig om alles te kunnen zien. Soms kruipt een land een beetje onder je huid, je krijgt er een zwak voor. Als dat land dan ook nog redelijk dichtbij ligt, is een ticket ineens snel geboekt. Dus vlogen Jan en ik weer naar Afrikas kleinste land: The Gambia. The Gambia wordt aan drie kanten omringd door Senegal; tijd om ook eens bij deze buren op bezoek te gaan. Jaren geleden hebben we al kennis gemaakt met Senegal; we waren destijds op weg naar het magische Timboektoe in Mali en starttten deze reis in Dakar, de hoofdstad van Senegal. De Casamance lag niet toen niet op de route, nu wel: de hoogste tijd om dit park nu wel te bezoeken. Twee landen waar veel landgenoten wonen, werken en leven, landgenoten die we hebben ontmoet, waar we boeiende gesprekken mee hebben gevoerd: landen om je thuis te voelen. Kom, reis met ons mee!

Sie lesen das E-Book in den Legimi-Apps auf:

Android
iOS
von Legimi
zertifizierten E-Readern

Seitenzahl: 179

Veröffentlichungsjahr: 2018

Das E-Book (TTS) können Sie hören im Abo „Legimi Premium” in Legimi-Apps auf:

Android
iOS
Bewertungen
0,0
0
0
0
0
0
Mehr Informationen
Mehr Informationen
Legimi prüft nicht, ob Rezensionen von Nutzern stammen, die den betreffenden Titel tatsächlich gekauft oder gelesen/gehört haben. Wir entfernen aber gefälschte Rezensionen.



Inhoud

Terug

Naar Timbooktoo

Het Nationaal Museum van Banjul

Op de koffie bij de buren

Doe je schoenen maar uit

In Senegal

In de Basse Casamance

Onder de sinaasappelboom

Blotevoetengrenspost

Naar Calypso

De Soforal Lodge in de bush

Tromgeroffel in de nacht

De kliniek van Berending

In de gelly-gelly

Inkopen doen

Een auto huren

Op pad

Het Baobab Holiday Resort

De vrouwen van Tulkuya

De kippenboer van Bwiam

Today no monkeys

De vissers van Tanji

Achter de mangobomen

Boekenpret

De Albert Market van Banjul

Hé, toubab, toubab…

Literatuurlijst

‘Niemand onder ons is opgevoed met armkracht alleen. We staan waar we nu staan omdat iemand zich heeft gebukt om ons te helpen.’

Thurgood Marshall, eerste Afro-Amerikaanse burgerrechtenadvocaat van het Amerikaanse Hooggerechtshof.

Voorwoord

‘Gambia: een perfecte bestemming voor een kleintje Wombat,’ schreef ik in het voorwoord van De vissers van Tanji, mijn boek over Gambia.

Kleine landen, je kunt er in een dag doorheen rijden, maar je hebt vele reizen nodig om alles te kunnen zien. Soms kruipt een land een beetje onder je huid, je krijgt er een zwak voor. Als dat land dan ook nog redelijk dichtbij ligt, is een ticket ineens snel geboekt. Dus vlogen Jan en ik weer naar Afrika’s kleinste land: Gambia.

Gambia wordt aan drie kanten omsloten door Senegal; tijd om ook eens bij deze buren op bezoek te gaan. Jaren geleden hebben we al kennis gemaakt met Senegal. We waren destijds op weg naar het magische Timboektoe in Mali en startten deze reis in Dakar, de hoofdstad van Senegal. De Casamance lag toen niet op de route. Nu wel; de hoogste tijd om dit gebied te bezoeken.

Twee landen waar veel landgenoten wonen, werken en leven. Enkelen van hen hebben we ontmoet en zij waren allemaal bereid om hun verhalen met ons te delen.

Gambia en Senegal: landen om je thuis te voelen. Kom, reis met ons mee!

Ada Rosman-Kleinjan

Terug

‘Kom, kom,’ wenkt de grote douanebeambte, die duidelijk de baas is.

Hij wijst naar enkele oudere reizigers die met karrenvrachten bagage richting de bagageband lopen en keurig in de rij aan willen sluiten. Het is de bedoeling dat alle bagage van de zojuist gearriveerde mensen gescand wordt. Eén band voor honderden mensen en een veelvoud aan tassen en koffers; dat schiet niet echt op.

‘Jullie zijn oudere reizigers, kom maar hier, loop maar door,’ gaat de man verder en wijst naar een aantal oudere mensen die voor ons lopen.

Oudere mensen zullen wel brave reizigers zijn, die geen smokkelwaar, verboden spullen of gewoon te veel bagage meenemen. Ze lopen snel met hun volle karren naar de uitgang.

‘Dat valt dan weer mee, wij vallen niet in de categorie oudere reiziger,’ lach ik naar Jan en kijk naar zijn grijze krullen. ‘Toch leuk om nog ergens te jong voor te zijn.’

‘Is dat alle bagage,’ wijst de grote man naar onze kar waar maar een grote sporttas en twee rugzakjes opstaan. ‘Lopen jullie ook maar door.’

Wij luisteren altijd naar douanebeambten en een paar tellen later staan we buiten in het warme, zonnige Gambia, waar de bus die ons naar het Baobab Holiday Resort moet brengen ook al snel gevonden is.

‘Kijk, rechts, dat is het hoogste gebouw van Gambia,’ zegt de chauffeur en alle ogen richten zich op het hoge gebouw van een petroleummaatschappij.

In Nederland een gebouw zoals vele, hier een gebouw waar men trots op is. Alles is relatief.

Door de aangeslagen ramen probeer ik zo goed en zo kwaad als het gaat naar buiten te kijken om alvast weer nieuwe indrukken op te doen en oude herinneringen naar boven te halen. Het oogt groen, stoffig en dus echt Afrikaans. Het verkeer rijdt heel behoorlijk. Een zwarte jeep uit Duitsland is hier aan zijn tweede leven als politiewagen begonnen, een gestrande vrachtwagenchauffeur probeert met behulp van een fietspomp een lekke band op te pompen. Schoolmeisjes in smurfenblauwe uniformen en witte hoofddoekjes lopen van school naar huis. Geiten en koeien scharrelen rond in de bermen op zoek naar iets om de maag mee te vullen.

Ik herken diverse gebouwen en geniet van de Afrikaanse omgeving; de sfeer weet door de benevelde ramen heen te dringen.

Bij het Baobab Holiday Resort is zo op het eerste gezicht weinig tot niets veranderd. Dezelfde pastelkleurige muren, dezelfde tafels en stoelen staan nog buiten bij het zwembad, hetzelfde meisje achter de balie en dezelfde pool man bij het zwembad. Onze kamer is een andere dan de vorige keer; we krijgen kamer 218 in het blauwe huisje op de eerste verdieping. Prima plek met een soort van balkon waar het heerlijk zitten is. Een ruime, schone kamer met een strak opgemaakt bed, een tafel, een grote kast en een houten kaptafel, waarvan ik direct de goudkleurige handvat in mijn handen houd als ik er wat in wil leggen.

Aangezien we hier de hele reis, op een paar uitstapjes na, zullen verblijven wil ik alles in de kasten leggen. Een nette badkamer met toilet en grote, witte handdoeken. Op de koelkast zit een slotje en de afstandsbediening van de airco ligt bij de receptie. Voor deze voorzieningen moet extra betaald worden. Een koelkast hebben we niet nodig. De staande ventilator in combinatie met de plafondventilator zijn meer dan voldoende om de kamer redelijk koel te houden. De warmte komt als een ongenode gast naar binnen. In ruim zes uur van drie graden naar 33 graden; ’t is even weer wennen.

Ik ben maar zo brutaal om direct de stoelen die buiten staan te confisqueren en een soort van zitje in ‘ons’ hoekje te maken. Mijn leven lang droom ik van een huis met een balkon. Nu dit voor het eerst van mijn leven binnen handbereik is, grijp ik onmiddellijk mijn kans. Vanaf mijn balkon heb ik een schitterend uitzicht over het hele terrein, de mooie huisjes, het zwembad en alle reuring die dat met zich meebrengt. Het heeft echt zijn voordelen om een vaste stek te hebben die je als je tijdelijke thuis kunt beschouwen.

Tegen de avond komt de security, een tengere jongeman met een verlegen lach, zich voorstellen en om ons te verzekeren dat hij er persoonlijk voor zal zorgen dat ons niks zal overkomen.

Naar Timbooktoo

Ik heb een afspraak met de eigenaars van de mooie boekwinkel Timbooktoo, die in Bakau staat. Zij willen graag mijn boek De vissers van Tanji in hun collectie opnemen. Via de mail heb ik met de Engelse Katie afgesproken dat we zo snel mogelijk langs zullen komen om een en ander door te spreken.

Behalve dat, werd ik via de mail meer dan hartelijk uitgenodigd om een signeersessie in hun winkel te houden. Een uitnodiging, te mooi om waar te zijn, en die ik heel graag met beide handen heb aangenomen. Signeren in Gambia!

De warmte dwingt ons om ons tempo aan te passen. Lijf, leden en geest moeten echt wel even wennen aan deze Afrikaanse temperaturen en we lopen het terrein van Baobab af. Op oude keukenstoelen bij de ingang zitten diverse mannen. Hun functie is voor mij een raadsel. Er staan taxi’s klaar en een knappe, vrouwelijke politieagent houdt een oogje in het zeil. Het viel ons bij aankomst direct al op dat er veel meer politie en leger op de been is. Gambia heeft een uitermate spannende tijd achter de rug en smeulende politieke vuurtjes kunnen heel snel niet meer te blussen branden worden.

Eind 2016 verloor de toenmalige president Yahya Jammeh de verkiezingen, een nederlaag die hij niet kon verkroppen en die hij niet erkende. Er brak een zeer spannende tijd aan voor de inwoners van dit land. Adama Barrow, die de verkiezingen had gewonnen, werd in eerste instantie beëdigd als president in buurland Senegal. Maar eindelijk, onder zware druk, besloot Jammeh om te vertrekken, in ballingschap te gaan leven en kon Barrow uiteindelijk beëdigd worden in zijn eigen land. De wereld hield de adem in, toeristen werden geëvacueerd en veel mensen verlieten het land. De rust keerde terug, mensen kwamen terug en gelukkig weet de toerist Gambia ook weer te vinden. Zoveel mensen zijn afhankelijk van het toerisme, geen toeristen betekent gesloten hotels, geen inkomen voor heel veel mensen met alle gevolgen van dien. Geen geld voor fatsoenlijk eten, geen scholing voor de kinderen en geen geld voor medicijnen.

Taxi’s rijden af en aan; we hebben de keuze tussen de groene en de gele taxi. De groene auto’s hebben een speciale vergunning om toeristen te vervoeren, de auto’s zijn vaak van betere kwaliteit en beter van prijs. De gele auto’s zijn beduidend goedkoper en worden vaak door meerdere mensen gedeeld. Deze zogenaamde shared taxi’s rijden meestal een vaste route voor een vaste prijs. Een hand opsteken is voldoende om de auto te laten stoppen. Iedereen betaalt hetzelfde, ook als je halverwege van A naar B instapt. Je hoeft niet te onderhandelen en je krijgt altijd netjes je wisselgeld terug. De town taxi’s zijn de taxi’s die je voor de deur afleveren, waar je over de prijs moet onderhandelen en waar onderweg niemand meer bij instapt. Inmiddels heeft de Gambiaanse taxiwereld geen geheimen meer voor ons en vandaag trakteren we onszelf op een town taxi die ons naar Timbooktoo zal brengen. Even onderhandelen over de prijs en sneller dan verwacht zijn we al bij de boekhandel.

Het is een indrukwekkend gebouw in blauw en wit en mede door de grote pilaren heeft het een Griekse uitstraling. Tot mijn geruststelling zie ik dat het toiletpapier nog steeds in de aanbieding is. Dat vond ik de eerste keer een merkwaardige aanbieding om in een boekhandel aan te treffen; maar je moet natuurlijk een zo breed mogelijk assortiment aanbieden en papier is papier.

Katie zit achter haar computer bij de balie, is druk aan het werk en we stellen onszelf voor.

‘Ah, wat leuk,’ geeft ze ons beiden vriendelijk de hand. Haar Gambiaanse echtgenoot komt erbij. Ze zijn beiden oprecht enthousiast over mijn boek, de signeersessie en onze komst. Ik geef een hele tas met boeken af.

‘Kom, loop even mee, ik heb nog twee andere Nederlandstalige boeken in de winkel,’ gaat ze enthousiast verder. ‘Een vogelgids en een klein woordenboekje Nederlands-Wolof.’

Het witte woordenboekje is samengesteld door L.H. van Emmerink en uitgegeven in de zomer van 2014. Katie zet mijn boek er onmiddellijk tussen; ik sta er trots naar te kijken. Mijn ‘Vissers van Tanji’ bevinden zich in goed gezelschap.

‘Naast het officiële Engels worden er nog meer talen en dialecten gesproken. Wolof is samen met Fula en Madinka de meest gesproken taal in dit land. Veel mensen spreken meerdere talen,’ legt Katie uit.

‘Ik heb al reclame gemaakt en ga nog meer reclame maken. We gaan er een leuk evenement van maken,’ klinkt het welgemeend en aardig naast me.

Ze straalt zo veel vertrouwen uit dat mijn aarzelingen vanzelf verdwijnen.

‘Waarom heet jullie Nederlandse taal in het Engels Dutch?’ vraagt ze aan ons. *

‘Geen idee. Het lijkt helemaal niet op het woord Nederlands,’ lachen wij.

Ik heb me dat ook vaak afgevraagd. Waar komt toch het woordje Dutch vandaan in de Engelse taal?

Op de eerste verdieping gaat de boekwinkel verder en is er een smaakvol ingerichte koffiehoek met prima Wi-Fi en cappuccino's zo groot, dat ik de goedgevulde kop met beide handen vast moet houden. Een jonge vrouw, met een ingewikkeld patroon van kleine vierkante blokjes in haar kapsel, zit achter haar laptop te werken.

Op het balkon staan grote banken en tafels, potten gevuld met planten en verweerde houten beelden die hier volgens mij al heel wat jaren staan.

Naast veel boeken, romans, kinderboeken, studieboeken, worden er ook souvenirs aangeboden: houtsnijwerk, traditionele kleden en mooie katoenen T-shirts met Afrikaanse afbeeldingen. Er valt hier veel te zien, te kopen en te bewonderen.

De laatste jaren moeten de Engelse toeristen het afleggen tegen de Nederlandse en de Belgische toeristen die dit land massaal hebben ontdekt. Hopelijk geldt dit ook voor mijn boek en weten ze deze schitterende winkel en mijn boek te vinden. Signeren in Afrika, alleen de gedachte al vind ik super en helemaal blij verlaten we de winkel.

*Het Engels heeft het woord Dutch ontleend aan het Nederlands, maar dan wel in een tijd dat wij onze taal zelf nog met Duitsch of Dietsch aanduidden — waarschijnlijk in de late Middeleeuwen. Wie Middelnederlandse teksten bekijkt, zal het woord Nederlandsch daarin niet of nauwelijks aantreffen; het gewone woord was in die tijd Duitsch of Dietsch, of ook wel Nederduitsch of Nederdietsch. Dietsch betekende eigenlijk 'van het volk' (of, iets ruimer, 'volkstaal'); het is afgeleid van het Middelnederlandse woord diet, dat 'volk' of 'lieden' betekende.Bron: Onze Taal

Het Nationale Museum van Banjul

‘Nee, ik heb ruimte voor één persoon,’ maakt het bushulpje ons duidelijke wanneer we een gelly-gelly aanhouden.

De gelly-gelly is het openbaar vervoer tussen de verschillende plaatsen. Het zijn allemaal kleine Japanse Nissan- en Toyotabusjes, Mercedesbusjes en merken waar ik nog nooit van heb gehoord. Ze zijn allemaal verschillend van kleur en vorm, maar steevast krakkemikkig, oud, rammelend, versleten, gebutst, gedeukt, verveloos en voor de eigenaar een kostbaar bezit.

‘Mmm, één plek, dat betekent waarschijnlijk dat het busje al propvol is, maar een persoon ertussen persen lukt dan nog net,’ zeg ik tegen Jan.

Door ervaring wijs geworden weten we als geen ander dat een volle bus in Nederland en een volle bus in Afrika totaal verschillende dingen zijn. Geen probleem, we nemen de volgende wel. Het is alleen even puzzelen welke bus waar naartoe gaat. De buitenkant verraadt niets over de bestemming.

‘Ga hier maar zitten,’ zegt een stevige marktvrouw op de Serekunda Market. ‘Ik weet precies welk busje waar naartoe gaat,’ zegt ze resoluut.

Afrikaanse vrouwen behoren tot de stoerste vrouwen van de wereld en slaan zelden de plank mis, is onze ervaring.

Ze geeft mij een plastic stoeltje dat al diverse keren is gerepareerd maar toch verrassend goed zit.

Terwijl ze met mij praat zien haar ogen alles, vangen haar oren elk geluid op; er ontgaat haar niets. Achter mij, onder een grote boom, naait een man met een volle zwartgrijze baard op een oude trapnaaimachine van gele stof etuis. Natuurlijk mag ik een foto maken. Ondertussen werkt hij gewoon door. Hij is zeer tevreden over de gemaakte foto.

‘Die moeten jullie hebben,’ zegt de vrouw, wijst naar een busje dat eraan komt rijden en loopt even met ons mee.

We gaan in de bus zitten en nemen hartelijk afscheid van onze nieuwe vriendin.

De gelly-gelly rijdt onder de toegangspoort door de stad in. Ook al zou je met je ogen dicht in de bus zitten, dan nog is het Arch-22 monument niet te missen. Een monsterlijke, grote stenen boog staat wijdbeens over de enige weg die de stad ingaat. Het onzinnige bouwwerk is een eerbetoon aan de inmiddels vertrokken president Jammeh. De naam, Arch-22, staat voor de datum van zijn staatsgreep. Tja, de man leeft inmiddels ergens in een buurland in ballingschap, terwijl deze betonnen klomp nog steeds prominent op zijn plek staat…

We zijn op weg naar het Nationale Museum van Banjul en nooit eerder zagen we zo’n treurige collectie. Beneden is alles leeg en staan er her en der bordjes dat er gewerkt wordt. Zo te zien staan de bordjes er al heel lang en zien we niemand die ook maar iets doet. Gelukkig zijn we dol op musea die de naam eigenlijk niet verdienen en zien altijd wel wat. Je weet in dit soort musea in ieder geval dat je alles hebt gezien; altijd een hele geruststelling. Het plafond komt nog net niet naar beneden, de ramen staan open zodat vocht en stof vrij naar binnen kunnen komen en de teksten zijn amper nog te lezen. Maar mag je dat een derdewereldland dat Gambia is kwalijk nemen? De meeste mensen hebben de handen vol aan de beslommeringen van de dag en zijn blij wanneer een dag fatsoenlijk is verlopen, de kinderen naar school zijn geweest en er minimaal één goede maaltijd op tafel heeft gestaan. Een goed gevuld en mooi museum hoort daar echt niet bij, laat staan dat ze er ooit zullen komen.

Van de eerste verdieping lopen we door naar de kelder. We zijn de enige bezoekers, niemand die op ons let, niemand die een oogje in het zeil houdt en we verbazen ons over een paar leren slippers en een leren hoed die in een vitrine liggen met de tekst ‘ leather shoes - hat’. Tja…

Toch zijn we blij om hier te zijn. Het is aandoenlijk, de mensen keken zo blij toen ze ons aan zagen komen en soms moet je eerst iets met eigen ogen bekijken om er een mening over te kunnen hebben.

Bij de ingang staat trouwens wel een heel behoorlijk beeld van een Kankurangman. Na het lezen van het boek van Kevin de Zwart Expeditie Gambia weet ik dat deze mannen echt bestaan. Kankurangmannen dragen een kostuum gemaakt van boomschors, zwaaien met grote machetes en gaan als gekken tekeer. Er zijn zes verschillende soorten Kankurangmannen, maar allemaal zijn ze doodeng en dat is ook precies de bedoeling. Ze jagen de mensen de stuipen op het lijf, komen op onverwachte momenten tevoorschijn en dreigen iedereen met hel en verdoemenis. Vooral tijdens de besnijdenisceremonies, die gemiddeld een keer in de zeven jaar voorkomen, komen deze gemaskerde mannen tevoorschijn. Het liefst midden in de nacht terwijl iedereen lekker slaapt en door hun gegil ineens wakker wordt met een bonzend hart en de schrik van hun leven in hun lijf.

Ik ben wel blij om hem te zien; deze staat er levenloos en rustig bij en ik maak een foto van het beeld, want ik ga ervan uit dat wij zo‘n man niet tegen zullen komen.

Volgens mijn Dominicusgids uit 2012 is dit museum het enige fatsoenlijke museum in het land…

Ontspannen lopen we terug naar de plek waar alle gellygelly’s samenkomen, passeren een moskee en een roomskatholieke kerk, die vreedzaam naast elkaar staan. Een moslimman heeft zijn gebedskleedje uitgerold en bidt richting het oosten. Voor hem ligt een moderne smartphone. Ik zie teksten staan. Zou hij stiekem spieken of stiekem heel wat anders lezen? Mijn fantasie is eindeloos. Naast de kerk is een speeltuin die afgesloten is. Voor een paar kleine meisjes geen enkele belemmering om tussen de spijlen te glippen om nog lekker even te schommelen voordat ze naar huis of naar school gaan. Er staat een stenen bankje tegen een grauwgrijze muur waar we graag even gaan zitten om naar de wereld om ons heen te kijken. Het bankje mag dan op instorten staan, de stoel die ernaast staat ziet er ronduit levensgevaarlijk uit. Achter de muur is een vrouw aan het bakken. In kokendheet vet spetteren kleine driehoekjes van deeg rond. Ineens verschijnt er een hand vanachter de muur vandaan; in de hand een tijdschriftpagina waar twee dampende driehoekjes op liggen.

‘Voor jullie,’ klinkt het hartelijk.

Even af laten koelen en we laten het ons lekker smaken. Er zit een vulling van vis in. Ik geef haar onze lege waterfles die ze graag aanneemt.

We lopen naar de standplaats van de gelly-gelly’s waar we een behulpzame student treffen. Gelukkig voor ons moet ook hij naar Serekunda.Vanaf nu geldt: waar hij gaat, gaan wij ook! Voor de zoveelste keer vraag ik me af hoe vaak wij niet ergens ter wereld, blindelings achter volstrekt vreemde mensen aan gelopen zijn, vreemde mensen die ons ook altijd naar de juiste plek of in de juiste richting hebben gebracht. Ook deze student stelt ons niet teleur en samen stappen we in de taxi naar Serekunda.

De buren in Tanji

‘Dan komen we op de koffie,’ heb ik maanden geleden al tegen onze achterburen gezegd.

Onze achterburen komen al vele jaren, soms wel een paar keer per jaar in dit land. We wonen al heel lang in dezelfde buurt en wisten dat tot voor kort niet van elkaar. Door Gambia een leuk contact gekregen en omdat toeval niet bestaat zijn zij nu ook hier.

Met Jan zijn richtingsgevoel moet het geen probleem zijn om hen te vinden. Grappig, tijdens onze eerste reis waren het de vissers van Tanji waarvoor we naar dit visserplaatsje gingen, vissers die er natuurlijk nog steeds zijn, nu komen we voor onze achterburen naar Tanji.

De rit, Jan schat een afstand van amper vijftien kilometer, is toch goed voor drie soorten van vervoer. Met de taxi naar Turn Table waar de gelly-gelly‘s staan die naar Tanji gaan. De eerste taxi die stopt heeft twee spiksplinternieuwe kruiwagens boven op het dak van de auto geknoopt, uit de kofferbak steekt kruiwagen nummer drie. In de auto is nog voldoende plek voor ons. Het lukt me nog om snel een foto van de taxi met de kruiwagens te maken.

Het bushulpje van de gelly-gelly hoort nog op school te zitten en niet aan het werk. Hooguit twaalf jaar en te veel ervaring. Hij int het geld, geeft wisselgeld terug en geeft aan de chauffeur door wanneer er weer verder gereden kan worden. In ruim twintig minuten, waarbij regelmatig gestopt wordt om mensen in en uit te laten stappen, arriveren we in Tanji. Het bruisende vissersplaatsje van Gambia waar de geur van vis royaal als een goedkope parfum door de lucht zweeft.