Erhalten Sie Zugang zu diesem und mehr als 300000 Büchern ab EUR 5,99 monatlich.
Waarom is een fetisj belangrijk? Is voodoo een religie? Maken de voorouders onderdeel uit van het dagelijks leven? Brengt een tweeling geluk? Zijn apen heilig? De auteur reisde samen met haar echtgenoot door Benin, een klein land in het westen van Afrika. Een land vol met verhalen, een land vol met geesten, een land vol met vriendelijke mensen. Een land waar tot op de dag van vandaag het slavernijverleden zichtbare sporen heeft achtergelaten. Een land waar koningen, slangen, baobabbomen en tradities het dagelijkse leven bepalen. Een land dat de moderne tijd omarmt zonder het verleden uit het oog te verliezen. Een land om op zoek te gaan naar antwoorden op niet-gestelde vragen. Ada Rosman-Kleinjan reist samen met haar echtgenoot al decennia over de wereld. Inmiddels heeft ze ruim 60 landen bezocht en tientallen reisboeken op haar naam staan.
Sie lesen das E-Book in den Legimi-Apps auf:
Seitenzahl: 236
Veröffentlichungsjahr: 2022
Das E-Book (TTS) können Sie hören im Abo „Legimi Premium” in Legimi-Apps auf:
Regen van geluk
De stad in
Koffie op maat
Op de rug van een krokodil
Terug naar het droge land
In de bus naar Djougou
Op de markt
Straatkoffie
Zandzegening
Een man, een kasteel
Op audiëntie
Luie zondag
Papa fume la pipe
Naar Bassila
Apenkooien
Van kalebassen, apen en kippen
Heilige plekken en geestelijke mannen
Ondergronds
Voodoo, fetisj en verkeer
Koffie in Kpédékpo
De oude stad
Afrika staat op in Sanghou
Van trommels en maskers
Naar Nigeria
De vissers van Ouidah
Benin en de slavernijgeschiedenis
De weg van de slaven
De laatste stap
Het Heilige Bos
Tempels en slangen
Naar de kerk
Heet en zoet
Literatuurlijst
Alles wat leeft heeft een ziel
Afrikaanse wijsheid
Het regent zoals het alleen in Afrika kan regenen. Het water valt als een gordijn naar beneden. De goten kunnen al dat hemelwater niet aan. Mijn ogen gaan van mijn nieuwe sneakers naar het zachtstromende water voor de ingang van het vliegveld van Cotonou naar de overkant van de weg waar Sanny ergens met zijn auto moet staan. Ik heb geen idee hoe hij eruit ziet. Aangezien wij de enige witte mensen zijn vallen we op en zullen we er wel uitgepikt worden. De Afrikanen lopen behendig op hun slippers door het water. Ik loop al hink-stap-springend - stille hoop op schone schoenen - naar de parkeerplaats waar een goedlachse man in vrolijke traditionele kleding ons onmiddellijk uit de menigte vist.
'Aankomen in de regen wordt in West-Afrika als een goed teken beschouwd,' lacht Sanny.
Mijn sneakers en ik stappen redelijk droog in zijn wagen, die ons snel door een donker Cotonou naar Villa Blanche brengt.
Villa Blanche, nu een guesthouse, was ooit een luxe villa. In de grote, gemeenschappelijke woonkamer zitten een Franse moeder en haar Duitstalige dochter die zich vriendelijk aan ons voorstellen.
Twee goed gevulde boekenkasten, een schone vloer die onmiddellijk verleidt om mijn sneakers uit te doen en op blote voeten te lopen. Dit is een plek waar dat kan. Op de eettafel staan glazen potjes met stekkies van iets groenigs. Het verhoogt de knusse sfeer.
Foto's van Afrikaanse taferelen aan de muur. De ramen, allemaal voorzien van horrengaas en stalen tralies, staan wagenwijd open. De plafondventilator zorgt voor een aangename temperatuur.
'Misschien wil Sanny wel een pizza voor ons halen,' zeg ik tegen Jan als ik een man met een pizzadoos zie lopen. Om nu in het donker in een buurt waar alles vreemd en onbekend is gelijk op zoek te gaan naar een warme maaltijd vind ik geen goed idee. Ik heb echt trek.
'No problem,' en niet veel later zitten we heerlijk te eten van een prima pizza.
Kamer zeven is voor ons. Een mooie ruime kamer waar een bed in staat om in te verdwalen. Er is zelfs een klein tafeltje waar mijn waterkoker zich onmiddellijk thuis voelt. Een van de deuren gaat naar een groot balkon waar twee plastic stoelen staan en bloembakken met groene sprieten. De grote palmboom op straat - met gelige noten in de top - is een bonus. De palmbladeren zijn in de loop van de tijd vergroeid met de elektriciteitskabels die als dropveters over de straten en langs de huizen hangen. Het onperfecte dat het voor mij zo perfect maakt. Op de grijze tegels voor het bed ligt een badkamerkleedje. Het bijpassende blauwe muskietennet geeft het bed de uitstraling van een hemelbed.
In een hoge nis ligt een houten zebra. Hij ziet alles wat wij doen. Hoe komt een zebra nu in deze kamer terecht? Per ongeluk laten liggen door een gast? Wie neemt er nu een zebra mee om die vervolgens te vergeten? Iets om lang over na te denken.
Aan de muur hangt een patchworkkleed van Afrika. Elk land een ander lapje.
'Benin wordt ons twintigste Afrikaanse land,' telt Jan snel de verschillende stofjes die wij hebben bezocht.
Boven ons bed hangt een grote ventilator. Het geluid dat ie maakt past bij zijn omvang.
'Hij staat al op stand een,' antwoordt Jan op mijn vraag of het ook wat minder kan.
'Misschien is een hoger nummer een lagere stand,' zeg ik, wetende dat Afrikaanse logica meestal niet overeenkomt met mijn logica.
Jan kijkt me zeer bedenkelijk aan. Geen zin in een discussie na een lange dag zet hij de ventilator op stand vijf. De ventilator gaat op een zacht zoemende toon verder. Soms weet ik wanneer ik niks moet zeggen en tevreden stappen wij in ons hemelbed.
Volgens mijn lijfboek Benin van Bradt betekent Cotonou in de lokale Fon-taal 'monding van de rivier des doods'. In de 19e eeuw ontwikkelde dit dorp zich door de lucratieve slavenhandel tot een stad van formaat. Doordat deze stad het internationale vliegveld, de haven, het presidentiële paleis en de meeste belangrijke gebouwen binnen haar grenzen heeft, wordt de stad als de officieuze hoofdstad beschouwd. Op slechts dertig kilometer afstand ligt de officiële hoofdstad: Porto Novo.
Eenmaal buiten ons guesthouse zien we nu bij daglicht wat een gezellige tuin het heeft met gras dat bijna op kunstgras lijkt. Tropische bloemen staan parmantig tussen de strak geknipte heggen en vormen een mooi contrast met de afbladderende muur. Aardewerken potten wachten op planten en onder een rieten parasol staan stoelen en een tafel klaar voor de gasten. Alles ademt gezelligheid en geeft ons het gevoel meer dan welkom te zijn.
We lopen richting het centrum waar een mooie kerk moet staan. Een gebouw met een naam als Cathedrale Notre Dame de Misericorde de Cotonou prikkelt mijn nieuwsgierigheid. In mijn reisgids staat een foto van deze kerk, die er helemaal niet Afrikaans uitziet. Een foto die ik thuis al een paar keer had bewonderd. Dat we daar nu daadwerkelijk naartoe lopen blijf ik iets bijzonders vinden. Lichtelijk opgewonden loop ik de straat in. Kennismaken met een nieuw land is altijd een bijzonder moment. De zon schijnt en we hebben er zin in. Ik denk dat zowel de kerk als de naam een erfenis zijn uit de Franse koloniale tijd.
Toen in de 18e eeuw het Beninse koninkrijk uiteenviel roken de Fransen hun kans en in 1892 slaagden zij erin om een groot deel van het gebied onder controle te krijgen. In 1899 werd het land onderdeel van Frans-West-Afrika. In 1960 werd het tijd om op eigen benen te staan en besloten de landen van Frans-West-Afrika ieder hun eigen weg te gaan. De Republiek Dahomey werd op 1 augustus 1960 onafhankelijk van Frankrijk en Dahomey ging verder onder de huidige naam Benin. Frankrijk zit nog diep in de vezels van het land. Frans is de taal die iedereen met elkaar verbindt, wel handig in een land met tientallen verschillende talen en dialecten. Stokbrood is overal te koop, op borden wordt veel in het Frans vermeld en sommige mensen hebben duidelijk DNA-sporen van hun Franse voorouders in hun genen.
Het is schoon in de stad, het verkeer rijdt heel behoorlijk en men geeft elkaar de ruimte. Met een schuin oog gericht op het voetpad, waar nogal eens een tegel ontbreekt, een gat is of de hele stoeprand is verdwenen, valt er toch genoeg te zien om van te genieten. Soms valt ook datgene op wat er niet is. Fietsers.
Kleine motoren vervoeren al het mogelijke en vooral het onmogelijke. Zoals ijzeren stangen, minstens drie meter lang, overdwars; een verkeerde beweging en je maait de halve weg leeg. Een salontafel, of een heel gezin bestaande uit pa, ma, twee kinderen ertussen geklemd en de baby op de rug van mama. Tussen een chauffeur en zijn vrouwelijke passagier steekt een in plastic verpakte strijkplank rechtop. Toch verloopt alles redelijk ordentelijk en scoren wij onze eerste cappuccino bij The Festival des Glaces, waar ik een taartje dat Paradise heet, niet in de vitrine kan laten staan.
De kerk ligt op een afstand van vijf kilometer waar we ruim anderhalf uur voor nodig hebben. Het is warm, het is Afrika, er valt veel om naar te kijken én om voor uit te kijken. Jan vraagt een paar keer of we wel in de juiste richting lopen. Iedereen wappert wat nonchalant in dezelfde richting en dan zien we een groot rood-oranje kruis op een hoog gebouw staan waarbij de gestreepte kerk bijna in het niet valt. Bijna. De kerk wordt omschreven als candy striped dat ik vertaal als zuurstok. De oranje-wit gestreepte muren doen vrolijk aan en zijn passend bij Afrika; we lopen naar binnen waar de koelte ons aangenaam begroet. Het is een groot gebouw en een handjevol mensen zit her en der in de banken. Voor een groot Mariabeeld staan felgekleurde, plastic bloemen en kaarsen op een metalen kandelaar. Het witte beeld van La Reine du Benin houdt de aarde in haar handen waarbij de contouren van het Afrikaanse continent goed te zien zijn. Het is aandoenlijk om te zien hoe oudere bezoekers hun rust en heil hier zoeken. Een houten offerblok nodigt uit om een bijdrage te geven voor de bougies. De afbeelding doet ons vermoeden dat het om kaarsen gaat. Ik stop er wat geld in. De strepen op de muur gaan in de binnenkant over van oranje-wit naar grijs-wit. Glas-in-loodramen met Bijbelse afbeeldingen geven kleur aan de muren. We laten de sfeer en het feit dat we nu eindelijk in Benin zijn goed op ons inwerken en lopen naar buiten om nog een paar foto's van het gestreepte gebouw met zijn golfplaten dak te maken. Blauwe luchten gevuld met witte wolken drijven voorbij, groene bomen zorgen voor schaduw op het keurig onderhouden terrein.
Op de banken bij de kerk, in de parken of langs de kant van de weg liggen mannen te slapen. Sommige hebben een stuk karton als een flinterdun matrasje op de bank gelegd. Het zijn uitsluitend mannen die liggen te slapen.
Ik probeer bij een paar banken om geld te pinnen met mijn bankpas. Het geld dat ik bij aankomst heb gewisseld is al bijna op. Nope. We hadden er rekening mee gehouden en voldoende euro's meegenomen, die heeft men liever dan de Amerikaanse dollar. Bij een wisselkantoor wissel ik vlot honderd euro voor CFA, de munteenheid van acht landen in West-Afrika: Senegal, Ivoorkust, Niger, Mali, Guinee-Bassau, Togo, Burkino Faso en Benin. Terwijl de Europese landen nog met elkaar aan het steggelen waren over het wel of niet invoeren van een Europese munt, hadden deze landen allang een gezamenlijke munt.
Volgens mijn stappenteller hebben we al ruim tienduizend stappen gezet; dat rechtvaardigt een ritje op zo'n motortaxi die hier als dikke, gele horzels rondrijden. Alle bestuurders dragen een geel shirt met een nummer op de rug. Na enig onderzoek kom ik erachter dat dit zemidjans zijn, dat zo veel betekent als 'breng me weg'. Nou, dat is net wat we willen en we houden er eentje aan, en nee geen probleem, we kunnen beiden achterop. De passagiersplek is verlengd en de man rijdt ons terug.
'Laat ons er hier maar af, de rest lopen we wel,' maakt Jan de man duidelijk en we lopen richting het hotel. 'Eerlijk gezegd heb ik geen idee,' mompelt Jan die over het algemeen over een goed richtingsgevoel beschikt. Vragen heeft geen zin, we hebben geen adres en mensen hebben vaak geen idee wat er zich in de volgende straat bevindt.
'Hé, vanuit onze kamer zagen we dit winkeltje,' roep ik.
We draaien ons om en ja, dat moet het zijn. De deur staat open. Een man staat in de deuropening te praten met een wat oudere man.
'Ik kom uit Zwitserland en ben de eigenaar van dit hotel,' stelt de oudere man zich voor.
Moe van de warmte en licht geïrriteerd dat er op de hele gevel zelfs geen minuscuul bordje dat verwijst naar dit hotel te vinden is, vraag ik waarom dit zo is.
De Zwitser buigt iets naar voren, kijkt schichtig over zijn schouder en zegt: 'Dat is voor de belasting. Je moet namelijk betalen voor het plaatsen van een naam op de gevel. Hoe groter het bord, hoe meer je moet betalen.'
Dat zijn gasten onderling kibbelen omdat ze hun hotel niet terug kunnen vinden, hoeft de Zwitser niet te weten en we lopen naar onze kamer waar alles nog precies zo is zoals we het achter hebben gelaten.
Er zijn genoeg leuke en gezellige restaurantjes in de buurt en we lopen rond. Ervaring heeft ons geleerd dat plastic stoelen erg prettig zijn. In heel Afrika heeft men een voorkeur voor harde, houten stoelen met kaarsrechte ruggen. Stoelen die amper te verschuiven zijn, en als dat dan lukt een hels kabaal maken over de doorgaans plavuizen vloeren. Alsof comfortabel zitten niet belangrijk is. Wij Hollanders denken daar heel anders over en mijn ogen speuren naar de oude vertrouwde plastic stoel die prima zit. Mijn oog valt op een bescheiden restaurant, waar aan elk tafeltje mensen zitten waarvan maar één vrouw daadwerkelijk eet. De rest zit er ter decoratie Een oudere man, sigaret in de mond, asbak en pakje sigaretten voor hem op tafel, gaat staan.
'We kunnen wel binnen zitten,' zeggen we hoewel we natuurlijk het liefst buiten zitten.
'Nee, nee. Ik ben de eigenaar. Zit, zit.'
Met een zucht gaan we op de zeer geriefelijke stoelen zitten en zien dan pas dat het een pizzeria-shoarmazaak is. Blijkbaar had ik meer oog voor het zitcomfort dan voor de menukaart en bestel een wrap gevuld met shoarma. Jan kiest een schotel met kipshoarma, salade en patat.
'Mijn kip smaakt naar schapenvlees,' zegt Jan na één hap.
'Nou ja, je weet tenminste wat je eet. Hoe vaak hebben we geen dingen gegeten waarvan we werkelijk geen idee hadden wat we aten,' lach ik en we genieten van de met zorg bereide maaltijd.
De grote Marché de Dantopka oftewel de Dantopkamarkt is elke dag open. Voordat de zon opkomt begint het leven in Afrika, dus ook in Benin. Hoe vroeger je er bent, hoe beter.
'We nemen direct maar een zemidjan,' stelt Jan voor.
'De markt is nog verder dan de kerk.'
Aangezien ik geen voorstander ben van energieverspilling op reis, omdat tijdens het reizen bijna alles energie kost, ben ik het onmiddellijk met hem eens. We nemen nu elk een motortaxi wat zelfs goedkoper is dan het ene ritje samen. Zo gunnen we twee mensen wat. Behendig vouw ik mijn jurk tussen mijn benen en houd me stevig vast aan het rekje achter me. Ik heb expres een wat lange jurk aangetrokken zodat ik niet met mijn blote benen op het plakkerige, zwarte skai hoef te zitten. Benin is geen preuts land maar ik wil toch wel met de nodige elegantie, voor zover mogelijk, achter op de zemidjan zitten. Waar een mens zich op reis al druk over kan maken.
Volgens de geruchten rijden er alleen in deze stad al rond de 72.000 motortaxi's. Het is heerlijk rijden en de zondagwind waait ons om heen. De chauffeur laveert behendig om alle gaten en losliggende stenen heen en zet ons af bij een van de ingangen van het grote marktterrein. Eigenlijk kun je niet spreken van een ingang. De markt kronkelt als een slang door straten, langs de stoepranden en soms gewoon midden op de stoep. Sommige winkels zijn gesloten en kramen staan opgestapeld.
Het is zondag; deze eigenaren zullen wel naar een van de kerken gaan. De gestreepte kerk of misschien naar de baptistenkerk die we passeren? Uit deze kerk klinkt de stem van een bevlogen voorganger. We kunnen hem moeiteloos weerstaan en lopen de markt op. Over het algemeen moeten Afrikaanse markten het afleggen tegen de markten in Azië, maar hier is het echt genieten. Uren lopen we rond. Het is er opmerkelijk schoon en geroutineerd stappen we om alle gaten heen.
Foto's maken is wat lastig. Zelfs het op de foto zetten van het opgestapelde fruit of zakken gevuld met uien of flessen gevuld met verschillende soorten nootjes wordt bijna als een persoonlijke aanval beschouwd. Als ik aan iemand vraag of ik een foto mag maken en toestemming krijg, is er vaak een buurman, een collega of een voorbijganger die vindt dat dat absoluut niet kan. De verontwaardiging bij die persoon, dat ik het zelfs maar durf te vragen, is groot. Ik ga de discussie aan, maak mijn foto en lachend gaat ieder weer zijns weegs. Zolang niemand mij duidelijk kan maken waarom ik geen plastic schalen, lappen stof, een schaal met tomaten, een stapel ananassen of groene mango's mag fotograferen ga ik mijn gang. Er wordt volop gegeten, gedronken, handel gedreven, beknepen, bevoeld en producten aangeprezen. Alles wat en mens nodig en vooral niet nodig heeft is hier te koop. Sexy lingerie en een schaal gevuld met bh's doen vrouwen door de knieën zakken om naar hartenlust te kunnen graaien op zoek naar de juiste maat. Kleine tomaten liggen in plastic bakken te wachten op een verkoper. Uien! Nooit in mijn leven zag ik zo veel uien. Grote balen uien, Jan gokt op vijftig kilo, liggen opgestapeld in de uienafdeling. Wie gaat dit in vredesnaam allemaal kopen? Misschien voor de export?
Wat is dat toch? Ik loop ernaartoe en schiet in de lach. Wat een komisch gezicht. Het is een hooiberg waarin letterlijk leven zit. Kleine geitjes hebben er hun huis van gemaakt. De dieren krioelen door het hooi en knabbelen zo hun maaltijd bij elkaar. Ik kan het met de beste wil van de wereld geen andere naam geven. Ik ben vaker op een dierenmarkt geweest, maar dit hebben we nog nooit zo gezien. Ja hoor, ga je gang, beduidt de man bij de geitenberg. De geitenboer heeft duidelijk plezier in ons plezier en ik maak een paar mooie foto's.
Te kleine moslimmeisjes dragen te grote sluiers, wat ik altijd sneu en zielig vind. Ik weet zelf niet goed waarom. Misschien omdat zo jong en klein als je bent je identiteit al voor je wordt bepaald? Kleine moslimmeisjes moeten zich vrijuit kunnen bewegen, moeten spelen en niet gehinderd worden door een sluier. Kleine meisjes moeten de zon en de regen op hun hoofdje kunnen voelen.
Een man brengt met een geconcentreerde blik op zijn gezicht wimperverlenging aan bij een jonge vrouw. Een vrouw vijlt de teennagels bij een andere vrouw om daarna op zoek te gaan tussen tientallen flesjes nagellak naar de juiste kleur. Uiterlijk is bepalend en belangrijk en daar wordt niet op bespaard. Terwijl zij zoekt naar de perfecte kleur lak, gaan wij op zoek naar koffie. Waar wordt water gekookt? Sowieso zien we geen koffie- of theestalletjes. Maar daar zie ik, in een klein kraampje, een viertal gaspitten met schalen erop staan. Zo langzamerhand weten we wel waar we naar moeten kijken.
'Café?' vragen we.
'Oui, oui,' knikt de man en beduidt ons te gaan zitten, om ons vervolgens een grote maatbeker te geven die voor die helft is gevuld me iets dat op koffie lijkt.
Ik vind het bij voorbaat al lekker en duw mijn neus in de grote, blauwe beker. Geweldig. Hoewel ik de smaak niet kan thuisbrengen, is het prima te drinken. We hebben de grootste lol, roeren alles met de bijgeleverde soeplepel door en drinken het tot de laatste druppel op. Hier kan geen hip koffietentje tegenop. Jan betaalt omgerekend dertig cent per maatbeker.
'Kom, kom, dan maken we een foto met elkaar,' komt een vrouw op een bevelende toon naar ons toelopen.
We zijn de beroerdsten niet en laten ons gewillig in allerlei posities duwen om die ene foto te kunnen maken waar de vrouw het gunstigst opstaat. Door onze rood bezwete koppen komt zij uitstekend tot haar recht.
'Dat is mijn vrouw,' zegt de koffieman op een toon waarin berusting klinkt.
Hij kent haar en wist al bij voorbaat dat wij in haar handen geen enkele kans hadden. Ach, ik zet ook alles en iedereen op de foto, dus ik piep niet en we werken graag mee. De vrouw steekt de straat over om haar vriendinnen het resultaat van onze fotoshoot te laten zien.
Een stevige vrouw stopt pal voor ons koffiestalletje. Op haar hoofd een grote schaal, waar weer pannen met warm eten op staan. Er heeft zich een klant gemeld. In één vloeiende beweging gaat de zware schaal van haar hoofd op de grond. Natuurlijk heeft ze borden en lepels bij zich. Een bord is snel gevuld met dampend eten. Ter plekke wordt de maaltijd opgegeten, betaald en gaan verkoopster en klant ieder weer hun weegs.
Er loopt een vrouw voorbij. Aan de schaal op haar hoofd hangen kleerhangers, waaraan overhemden zachtjes heen en weer wiegen. Een ernstig gehandicapte man rolt op een skatebord waar een plank op is bevestigd voorbij. Zijn benen liggen als een misplaatst pakketje gevouwen voor hem. Aan zijn handen plastic teenslippers zodat hij zichzelf vooruit kan rollen. In Afrika, en dus ook in Benin, is het leven van mensen met een beperking erg zwaar. Een markt is bij uitstek de plek om een land een beetje te leren kennen. Alle dagelijkse boodschappen worden of hier gedaan of in de kleine winkeltjes die zich achter de stalletjes bevinden. Baby's veilig bij mama op de rug. Peuters en kleuters hangen rondom moeders, terwijl de handel gewoon doorgaat. Kinderen passen op kinderen, iedereen let op elkaar en zal ook ongetwijfeld alles van elkaar weten. Op bijna elke vrouwenrug hangt een baby. Zo gauw een kindje fatsoenlijk kan lopen moet het zichzelf al een beetje redden. Het getut, de overbezorgdheid in de westerse landen is de meeste ouders hier vreemd. Je bent hier kort kind en lang volwassen.
We lopen langs het openbaar toilet waar een indringende pisgeur ons tegemoet springt. Op de muur staan de prijzen voor het toiletgebruik. Het gebruik van een urinoir is goedkoper dan het toilet, dus vrouwen betalen altijd de hoofdprijs terwijl de mannen voor de ingang moeten bedenken wat ze van plan zijn om binnen te doen. Als de nood hoog is, is hier het toilet dichtbij.
We vallen op, er loopt geen toerist, we zien geen andere witten, maar voelen ons helemaal senang. De mensen begroeten ons vriendelijk en het is duidelijk dat onze belangstelling wordt gewaardeerd. Onder het motto 'gun de mensen wat', houden we twee zemidjans aan om ons naar Les Festival des Glaces te brengen. Ik stap achterop en het genieten kan onmiddellijk beginnen. Terwijl mijn handen het rekje achter me stevig vasthouden, kijken mijn ogen alle kanten uit. Er passeert ons een zemidjan waarop de bestuurder een tas tussen zijn benen heeft staan waar de kale poten van een geslachte geit of schaap bovenuit steken. Wat een wonderlijk gezicht. Vanaf mijn zitplaats valt er veel te zien. Een attente burger heeft in een diep gat in de weg een paar stokken gestoken. Uitkijken is de boodschap. De mannen rijden rustig en beheerst en zetten ons af bij de ingang van het restaurant. Ze vragen niets meer dan het afgesproken bedrag. Terwijl wij naar binnen lopen hebben hun ogen alweer een volgende klant gespot.
'Zullen we daar gaan zitten?' wijs ik naar een tafel waar een schattig, rood, plastic kerststerretje op tafel staat.
Leopold, een vriend van Sanny, staat op tijd klaar met zijn brandschone taxi om ons naar de kade bij het water van Lac Nakoué te brengen, waar we op de boot stappen naar Ganvié, het dorp op palen. Het is een afstand van ruim 25 kilometer en rustig rijdt de man ons de stad uit. Voor elk rood stoplicht wordt netjes gestopt. De zemidjans zoemen als insecten rond, altijd op zoek naar een vrachtje. Ik zit heerlijk achterin en geniet volop van de wereld om me heen. Een goed-Engelssprekende man wacht ons op om ons met de boot naar Auberge Chez "M" à Ganvié, het hotel op palen te brengen. We zijn beiden onmiddellijk gecharmeerd van deze wereld waar in wankele, houten huizen ongeveer 35.000 mensen moeten wonen. Ranke, houten boten, de pirogues, met een lengte van zo'n zes meter, bevolken het water. Op de achterste punt zit de roeier met een stok, die net een reuzenspatel lijkt, waar aan het eind een groter stuk zit in de vorm van een tafeltennisbatje. Behendig manoeuvreert hij de boot ermee door het water. De roeispaan, regelmatig wisselend van hand, laat de boot zo goed als geruisloos door het water glijden. Mannen, vrouwen en kinderen vanaf vijf jaar besturen de boten zoals wij onze fietsen door het verkeer laveren. Het gaat vanzelf, lijkt het wel.
In het begin van de 18e eeuw waren de koningen van Dahomey op zoek naar kleine, slanke mensen. Aangezien de koningen over het algemeen goed doorvoede mensen waren en hun onderdanen er heel wat dunner uitzagen, lieten ze hun oog op bijna iedereen vallen. Dunne mensen werden namelijk zeer geschikt bevonden om als slaaf naar Amerika vervoerd te worden. Er gingen nu eenmaal meer slanke slaven in een slavenboot dan dikke. De koning van de Tofinu-mensen was niet dik, niet rond, niet groot en zag zichzelf al als slaaf vastgeketend met zware kettingen op een boot naar Amerika zitten; het laatste wat de koning wilde. Snode plannen waren nodig. Als koning beschikte hij over ongekende machten en krachten en veranderde hij zichzelf in een reiger. Als reigerkoning vloog hij vanaf grote hoogte over de aarde om op zoek te gaan naar een land waar zijn volk, en hijzelf dus ook, veilig konden wonen. Hij zag de kleine moddereilanden in het hart van Lac Nakoué en wist het onmiddellijk: dit is het! Hier konden zijn mensen en hijzelf prima wonen. Er moest een stad gebouwd worden op het water, besliste koning Abodohoué. Als het je lukt om jezelf in een reiger te veranderen dan is een verandering in een krokodil een koud kunstje. Als krokodil kon hij de andere krokodillen om hulp vragen om deze stad te realiseren. Het hout waarmee de huizen gebouwd moesten worden werd op de ruggen van de krokodillen geknoopt en naar de plaats van bestemming gebracht. De onderdanen van de koning konden aan de slag om hun huizen op palen te bouwen. Het wonen op het water had een groot voordeel. De koningen van Dahomey, die meewerkten aan de slavenhandel, wilden de slaven overal vandaan halen. Handel is handel zullen ze wel gedacht hebben. Maar… vanwege hun geloof meden zij het water en zo waren koning Abodohoué en zijn mensen veilig in hun huizen op hoge benen in het water. De reigerkoning van Ganvié had zijn werk goed gedaan, zijn onderdanen en hijzelf werden met rust gelaten. Ganvié betekent dan ook 'de mensen die gered zijn'.
Ruim drie eeuwen later is er weinig veranderd. De huizen zijn gebleven, de krokodillen zijn echter verdwenen. De mensen leven nog van de visvangst en tegenwoordig ook van een beetje toerisme. Er zijn hier twee hotels en zo gauw je ergens naartoe wilt, heb je een boot nodig. Veel bezoekers komen hier om een paar uur rond te kijken en gaan weer verder. De Auberge is een eenvoudig maar kraakhelder hotel, gemaakt van stenen en cement. Het staat op een van de moddereilandjes die de reigerkoning vanuit de lucht had gespot. Een stoffige, houten krokodil staat op een trapleuning. Misschien nog een nazaat van de reigerkoning?
Een vriendelijk lachende vrouw houdt als een heuse madam de touwtjes strak in handen. Madam, grote ringen in haar oren en een muts, opgesierd met kleine schelpjes, stevig op haar hoofd, is een vrouw waar niet mee valt te spotten. Twee jonge meisjes springen onmiddellijk op als zij denken dat madam iets wenst.
Het slot in onze kamer heeft een decoratieve functie, op de vloer ligt tafelzeil en een grote lap stof doet dienst als onderlaken. Onder een van de keiharde kussens ligt een andere lap die we kunnen gebruiken als bovenlaken. De ventilator doet het niet. Er hangt een muskietennet boven het bed en we hebben één handdoek. In de badkamer is een toilet dat niet doorspoelt, uit de douche komt geen water en in de wasbak draai ik de kraan te
