Langs de Okavango - Ada Rosman-Kleinjan - E-Book

Langs de Okavango E-Book

Ada Rosman-Kleinjan

0,0

Beschreibung

Kan een olifant op zijn eigen slurf trappen? Komen bavianen onuitgenodigd op bezoek? Waarom drinkt een giraffe staande? Eten nijlpaarden vlees of grazen ze het gras kort? Kunnen wrattenzwijnen door hun voorpoten knikken? Reizend door de wildparken van Botswana kwamen deze vragen naar boven. Vragen waar de dierenwereld zelf een antwoord op gaf. Langs de Okavango-rivier, door Damara- en Kaokaland, arriveerde de auteur en haar echtgenoot in Kasane, Botswana. De stad waar Ada en Jan hun familie ontmoetten om samen oud en nieuw te vieren. Reizend met een gezin met drie jonge kinderen werd er genoten van de uitdagingen die het Chobe- en het Moremi-park in Botswana voor hen in petto had. Na een uitdagende tijd vol met hoogtepunten reisden de families in hun eigen tempo terug naar Windhoek.

Sie lesen das E-Book in den Legimi-Apps auf:

Android
iOS
von Legimi
zertifizierten E-Readern
Kindle™-E-Readern
(für ausgewählte Pakete)

Seitenzahl: 291

Veröffentlichungsjahr: 2023

Das E-Book (TTS) können Sie hören im Abo „Legimi Premium” in Legimi-Apps auf:

Android
iOS
Bewertungen
0,0
0
0
0
0
0
Mehr Informationen
Mehr Informationen
Legimi prüft nicht, ob Rezensionen von Nutzern stammen, die den betreffenden Titel tatsächlich gekauft oder gelesen/gehört haben. Wir entfernen aber gefälschte Rezensionen.



Eerder verschenen over Namibië en Botswana:

Overstekende Olifanten

Olifanten in de nacht

Tussen Himba, Zemba en Herero

In Namibië

De olifanten van Botswana

De zebra’s van Namibië

In de straten van Opuwo

Inhoud

Terug

Venice en Never

Via Sorris Sorris naar Palmwag

Neushoorn op de weg

Gewoon linksaf

Morro, morro in Opuwo

Het platteland van Kunene en Epupa

Camp Cornie

Johanna en Johanna

Afrikaanse kerst

Op weg naar Rundu

Koffie met krokodil

Hallo Botswana

Even een simkaart kopen

Kasane, koffie en cake

Familie

Trapt een olifant wel eens op zijn eigen slurf?

Savuti

Van Savuti naar Kwai

Brullende apen en jagende honden

Mopperige nijlpaarden

Het park uit

Holland - Botswana: stand 0-1

Maun

Waar het moeras stopt

De grens over

Bonjo is de naam

Tsumeb

De fietser en de motorrijder

In de dierentuin

Vijftig tinten groen

Kamanjab: alleen maar stenen

Krummel pap met ‘n twist

De River Lodge en de Franke Toren

Naar de kust

Swakopmund

Usakos, Kransberg en Tsaobis

De Bosua Pass

Windhoek

Avontuur is de moeite waard.– Aristoteles

Voor de Bakkertjes, met wie het heel goed avonturieren is

Terug

‘Jullie zijn hier nu al zo vaak geweest. Moet ik nog uitleggen hoe alles werkt?’ vraagt de medewerker van Asco.

‘Nee hoor, tenzij er iets veranderd is,’ antwoordt Jan.

In de garage van Asco staan meer wagens dan ik voor mogelijk had gehouden. Alles staat strak naast elkaar, er wordt geen centimeter ruimte verspild. Als er een auto kan staan dan staat er eentje. Zou er ook eentje op het toilet staan?

Nadat alles met de auto is afgehandeld willen we graag beltegoed op onze telefoons. De man helpt ons vlot aan simkaarten voor onze hele reis. Een medewerkster van Explore Namibia, die kantoor hebben in hetzelfde gebouw als Asco, komt de reispapieren brengen. Samen nemen we alles even door. Onze overnachtingen in de parken van Botswana zijn allemaal geboekt. Voor nu een hotel en als we weer terugkomen in Windhoek is er ook een hotel gereserveerd. De rest zal door ons al reizend worden ingevuld. We krijgen de vouchers, een informatiemap en een lamp die op het dashboard kan staan, door de zon wordt opgeladen en zo voor licht in de avond zorgt. Ik lach als ze me het inmiddels bekende plastic zakje geeft, waarin een vaatdoekje, een sponsje en theedoek zit. Ik heb er al een paar en de theedoeken gaan altijd mee naar Nederland; een leuk souvenir. Als laatste geeft ze ons een EHBO-tasje en een mooie fles wijn om van te genieten op een mooie plek en een leuke katoenen tas waar alles in gaat. Iedereen wenst ons een goede reis en geroutineerd rijdt Jan de grote vierwielaangedreven wagen het terrein af, richting het guesthouse waar een kamer voor ons is geboekt. Het is prettig om een grote reis te beginnen op het bekende terrein van het Klein Windhoek Guesthouse. We worden hartelijk welkom geheten. De kamer is ruim, schoon en prettig. De auto staat hier veilig op het afgesloten terrein en wifi is alom.

We gaan de stad in om boodschappen te doen. Windhoek is een moderne stad met grote winkels, waar alles te koop is en waar volop ruimte is om te parkeren. We kopen houdbare producten voor de hele reis: brood, koekjes, ranja en een paar flessen water gaan ook in de kar. Natuurlijk wat lekkers en chocola. Je hebt een koelkast bij je of niet? De zacht zoemende koelkast in de laadbak van onze wagen wordt gevuld met verse groente en fruit.

Terug bij het hotel gaan we alles zorgvuldig inrichten. De kleding en onze toiletspullen gaan in de grote tas op de achterbank. Dat zijn de dingen die we elke dag nodig hebben en dan is het fijn dat je je alleen maar om hoeft te draaien om het te kunnen pakken. In de grote laadbak liggen de stoelen en twee kratten, hangt er een zware tafel onder het dak, staan er twee grote gasbranders om op te koken, zit er ergens een zestig liter watertank en ligt er een katoenen zak met fris ruikend beddengoed. In een goed af te sluiten tas zitten alle potten, pannen, bekers en bestek, die vervolgens perfect in een van de kratten past. Ik haal mijn twee aardewerken bekers uit de tas en stop ze bij de kampeerspullen. Ik neem altijd een paar bekers mee omdat koffie en thee nu eenmaal lekkerder uit een echte beker smaken dan uit een plastic. Het andere krat - de voorraadkast - vul ik met onze boodschappen. We nemen de tijd om alles goed in te richten. Alles een eigen stekkie, alles een vast plekkie. Ik sorteer de bagage; wat we niet nodig hebben tot aan ons vertrek, gaat in een aparte tas die ik op de stoelen achter ons, op de bodem zet. Door Jan ‘de kelder’ genoemd. Na onze eerdere reizen weten we precies wat wij handig vinden. Ik begin alweer verliefd te worden op de wagen. Ons huisje op wielen voor de aankomende weken dat ons vast en zeker veilig door Namibië en Botswana zal brengen.

Ik zit binnen in de kamer en hoor Jan met de bewaker praten, die droomt van een muzikale carrière in Europa. Jan vertelt over alle vluchtelingen, gelukzoekers en dromers die naar Europa komen. In Europa waar hun dromen als natte zeepbellen uit elkaar spatten. De dromen van veel Afrikanen, dromen die gevoed worden door de verhalen van vrienden en familieleden die de sprong hebben gemaakt. Mensen die vaak in armoede leven in Europa maar het thuisfront trakteren op mooie verhalen. Vaak hebben hele families of gemeenschappen hutje bij mutje gelegd om hun zonen, mannen, neven of vaders te laten vertrekken. Mislukken is geen optie. Met name in West-Afrika hoorden we schrijnende verhalen over hele samenlevingen die ontwricht raken doordat er zo veel mannen naar Europa vertrokken. Geen mannen voor het werk, geen mannen om mee te trouwen. Tot op het moment dat ik dit hoorde had ik daar nooit bij stilgestaan. En dan de nietsontziende mensensmokkelaars die letterlijk over lijken gaan. Reizend door welk land ook in Afrika komen dit soort verhalen naar boven. Maar we zien ook de armoede waar veel Afrikanen in leven. De uitzichtloosheid. Kun en mag je het mensen dan kwalijk nemen dat ze graag een ander, een beter leven willen in het verre Europa?

Venice en Never

Windhoek verlaten is makkelijk. Jan weet de weg en mocht het toch ineens lastig worden dan hebben we mevrouw Google - omdat vrouwen nu eenmaal meer weten dan mannen - op de telefoon. Ik denk terug aan onze eerste Namibië-reis in 1999 waar we om de vier à vijf dagen op zoek gingen naar een internetcafé. Nu gaat alles razendsnel via onze telefoon. Van foto’s maken tot berichten versturen. Iets waar ik superblij mee ben.

Windhoek ligt in een kale, heuvelachtige omgeving; waar groene bosjes nog hun best doen om er wat van te maken. Het asfalt is prima en alle wagens die hier rijden zien er top uit Niet te vergelijken met het verkeer in de West-Afrikaanse landen.

Afrika wordt vaak gezien als één land terwijl alle landen net zo uniek en verschillend zijn als de landen in Europa. Noorwegen is niet te vergelijken met Spanje en Italië lijkt in niets op IJsland. Zo is Benin een compleet ander land dan Kenia en hebben Marokko en Botswana ook niet veel overeenkomsten. Doordat Afrika op de tekentafel is verdeeld door de toenmalige koloniale machthebbers lopen grenzen dwars door bevolkingsgroepen heen. Mensen werden ineens van elkaar gescheiden. Je buurman was zomaar van de een op de andere dag een vreemdeling die in een ander land woonde. Tot op de dag van vandaag plukt het hele continent hier nog de wrange vruchten van. Zo werd Namibië lang door buurland Zuid-Afrika bestuurd. De taal van dit land, het Afrikaans, wordt nog door veel mensen gesproken en is veel te lezen in allerlei opschriften, borden en teksten die we zien. Wanneer de mensen het duidelijk en langzaam spreken is het voor ons prima te volgen. Het is een mooie, beeldende taal. Ik maak graag foto’s van de borden.1

De rustige omgeving geeft me alle ruimte om mijn gedachten de vrije loop te laten. In de buurt van Uis gaan we op zoek naar de Ozohere-camping. Een mooie camping volgens bevriende reizigers die hier afgelopen zomer waren. Een camping die volledig wordt gerund door de Himba- en de Hererogemeenschap. Na ruim zeventig kilometer gereden te hebben komen we aan in Okahandja, waar Jan de wagen parkeert voor een leuke koffiezaak, tegenover de souvenir- en craftmarkt. De bekers met cappuccino zijn te groot voor één hand. Genieten dus.

Jan weet nog een weg te ontdekken die we nooit eerder reden. Via Omaruru rijden we door Omatji waar de golfplaten kerktoren zilverachtig staat te glinsteren in de tropenzon. Na bijna 350 kilometer afgelegd te hebben, zien we een grote rots waar we welkom worden geheten op de Ozohere Campsite. De afbeelding belooft ons koude drankjes met ijsblokjes. Er zijn geen drankjes, geen ijsblokjes maar wel een enthousiaste begroeting door een forse Herero-vrouw in een prachtige rode jurk en de typische hoed op haar hoofd.

‘Ik ben Venice en de manager van deze camping. We zijn blij dat jullie er zijn. Het is alweer twee weken geleden dat we gasten hadden. We hebben alleen geen water, de watertank is lek. Dat zeg ik jullie direct. Misschien willen jullie niet blijven. We hebben bezoek gehad van een olifant en die heeft onze watertank kapot gemaakt,’ vertelt ze in één lange zin.

Het is duidelijk dat ze erg graag wil dat we blijven, maar mochten we besluiten om op zoek te gaan naar een andere plek heeft ze daar begrip voor. Wij blijven. We hebben nog een paar liter water bij ons: wij redden ons wel. Ook is de grijze watertank in ons wonder op wielen gevuld met zestig liter water. Het is er mooi, groot, rustig, veilig en spotgoedkoop. Ach, en elke dag een douche wordt ook zwaar overschat. In het toilet staat een bak met water.

Jan manoeuvreert de auto zo dat we de meeste schaduw van het sprieterige boompje weten te gebruiken. Schaduw is hier kostbaarder dan goud. Gelukkig staat er ook een grote rieten parasol waar een stenen picknicktafel onder staat. Ik word altijd blij van veel ruimte voor onze spullen en pak alles uit. De plekken zijn erg groot en duidelijk gemarkeerd met een smalle afrastering van dikke stenen. Er is een klein gebouwtje - met een overdekt terras - waar de vrouwen wonen. De omgeving is Namibië op zijn mooist. De rotsen geven ons een nietig gevoel en benadrukken de hardheid van het land. Het is heet, een beetje schaduw is welkom en ik loop naar het huisje toe. Ik neem mijn dagboek mee; er moet nodig weer gewerkt worden. Ik moet mezelf ertoe dwingen bij deze hitte.

Venice heeft haar vele jurken omgeruild voor een strakke spijkerbroek, wat ik een warm kledingstuk vind bij deze temperaturen van ruim dertig graden Celsius. Ze stelt ons voor aan haar zoon Never die haar helpt met allerlei klusjes.

‘Op dit moment is hij erg druk met het zwembad. Hij heeft alles zelf aangelegd. Maar, door ons waterprobleem is er nu weinig water voor het zwembad,’ wijst ze naar haar zoon.

Moeder en zoon zitten samen aan tafel zichtbaar te genieten van een warme maaltijd. Veel vlees, dat behendig met de vingers als bestek gebruikend, wordt opgegeten.

‘Willen jullie mee-eten?’ vraagt Venice en houdt haar vingers, die glanzen van het vet, uitnodigend omhoog.

We bedanken vriendelijk.

‘Wat hebben jullie toch bijzondere voornamen,’ merk ik op.

Venice schiet in de lach.

‘Mijn vader was net terug uit Italië toen ik werd geboren. Hij vond Venetië een supermooie stad en mij een supermooie baby. Hij vond dat ik naar de stad vernoemd moest worden.’

Ze lacht wanneer ze het vertelt.

‘Maar dan je zoon, Never,’ ga ik verder.

Ze begint nu breeduit te lachen.

‘Toen hij was geboren vond ik het genoeg en zei dit wil ik nooit weer. Vandaar de naam Never.’

We zien er beiden de humor van in. Wanneer mensen opvallende, afwijkende of unieke voornamen hebben, kan ik het niet nalaten om te vragen waarom ze heten zoals ze heten. Ik heb in de loop van de jaren al veel mooie verhalen gehoord. Hoewel, Never spant de kroon.

‘Ik heb dit stuk land voor 99 jaar gepacht van de overheid. Alles wat hier staat hebben we zelf gedaan. Het is alleen erg lastig om goede reclame te maken. Gasten weten ons slecht te vinden. We hebben een Facebookpagina maar een website is te duur. Daar hebben we gewoon het geld niet voor. Hebben jullie wat voor mijn zere teen,’ switcht ze ineens van onderwerp en ze wijst met een perfect gelakte nagel op haar wijsvinger naar haar teen waar ik niks bijzonders aan zie.

Een beetje jodium kan geen kwaad oordelen wij en Jan haalt het flesje uit de auto. Venice knikt tevreden.

Tegen het eind van de dag arriveert er een kleine vrachtwagen met een gigagrote, grijze, plastic watertank om de groene, kapotte tank te vervangen. Het wagentje ploetert zich een weg naar boven. De mannen redden het niet alleen, Jan helpt graag een handje mee.

‘Het is hier erg veilig, hier gebeurt nooit iets,’ zegt een vrouw tegen mij.

Ik geloof haar direct. De vrouwen houden alles scherp in de gaten en zullen onmiddellijk weten wanneer er iemand komt die snode plannen heeft. Het blijft rustig op de camping. Jan loopt naar het zwembad dat als een blauwe, natte vlek tussen de rotsen ligt.

‘Kan ik nog wat jodium krijgen voordat jullie morgen weer weggaan?’ vraagt Venice en houdt iets in haar hand waar de jodium wel in kan.

Natuurlijk, geen probleem.

Bij de ingang van de camping hebben zes Himba-vrouwen hun koopwaren uitgestald. Ik loop ernaartoe en weet wat me te wachten staat. De dames zijn net begonnen om alles op te ruimen maar zo gauw ze mij zien, wordt alles weer razendsnel uitgestald. Alle vrouwen hebben armbandjes gemaakt en binnen een paar tellen zijn mijn beide polsen bedekt. Bandjes van verschillende materialen zoals: touw, kralen, plastic, metaal en zaden. Armbanden van hard plastic die me altijd aan elektriciteitsbuizen doen denken. Hun vingers laten rode afdrukken achter op mijn armen en handen. Ik koop van alle vrouwen een armband. We onderhandelen over de prijs totdat we het met elkaar eens zijn. Nu gaan we met jou op de foto weten de dames me duidelijk te maken. Na afloop lopen er zeven vrouwen terug naar hun huis. Zes vrouwen zijn blij met hun verkoop en de zevende vrouw vraagt zich lachend af wat ze met zes armbanden moet.

De dag maakt plaats voor de nacht. De laatste zonnestralen toveren met de rotsen en geven de hele omgeving iets magisch. Elke rots verschillend van vorm, elke rost een eigen zonnekleur. Het sporadische verkeer verstomt, de sterren komen tevoorschijn en het wordt stil, doodstil. Ongekend en ongehoord.

1 Het Afrikaans:

is één van de ‘jongste’ talen in de wereld

is een dochtertaal van het Nederlands

is ontstaan in de loop van de 17e eeuw doordat de VOC handelaars zich gingen vestigen in dit deel van Afrika

is de derde taal in Zuid-Afrika

van de circa 7000 talen in de wereld staat het op plek 140

veel mensen uit Nederland, België, Suriname, Argentinië, Botswana, Canada, Australië en Nieuw-Zeeland kunnen deze taal goed verstaan

Via Sorris Sorris naar Palmwag

De eerste nacht in de daktent zit erop. We hebben bijna de klok rondgeslapen, altijd een goed teken. We ruimen alles op, nemen afscheid en Jan draait de wagen richting Sorris Sorris. Ik geniet van de autowrakken die als snoepgoed in het landschap staan. Ik realiseer me terdege dat achter sommige wrakken trieste verhalen schuil gaan. Toch heb ik de indruk dat de meeste wrakken hier gedumpt zijn; ze staan niet in de weg en als je door het wrak heen weet te kijken zien de meeste er nog uit zoals ze ooit uit de fabriek kwamen. Sommige staan echter als ingedeukte blikken aan de kant van de weg; die vertellen een ander verhaal. De tijd en het klimaat nemen bezit van de wrakken. Voorbijgangers hebben de bruikbare onderdelen eraf gesloopt. Soms kan ik nog zien welke kleur de wagen ooit heeft gehad. Dieren gebruiken het als schuilplaats, planten en bomen wringen zich door de openingen, kieren en gaten en zijn in de loop van de tijd vergroeid met het wrak. Het is een leuke bezigheid om ze te spotten, zoals zoeken naar dieren in Etosha. Terwijl ik helemaal niet om auto’s geef en amper het ene merk van het andere kan onderscheiden en thuis al meer dan tien jaar dol ben op onze trouwe, witte Panda. Het voordeel van wrakken boven wilde dieren is, dat ze allemaal doodstil in het landschap staan en zich gewillig op de foto laten zetten. Ik krijg er steeds meer lol in.

In Sorris Sorris - de plaatsnaam is langer dan het dorp groot is - draait Jan de auto het terrein van het informatiecentrum op. In mei 2011 is dit gebouw - dat gebouwd is met geld uit Spanje - geopend, lees ik op een bord. Het ziet er verlaten uit. Zo op het eerste gezicht lijkt alles netjes, maar het is een leeg omhulsel. Er is een soort van tuin bij waar een geel klimrekje staat en enkele picknicktafels. Op een van de tafels pak ik onze koffiespullen uit. Er komen twee vrouwen aan lopen, lachen vriendelijk naar ons en lopen door. Ergens alleen in Afrika is zeldzaam, hoe leeg alles ook mag lijken. Voor de zoveelste keer kijken we naar een project dat vast en zeker met de beste bedoelingen is gebouwd, maar waar helemaal geen interesse in is. Ooit zal het gebouw op dezelfde manier eindigen als alle autowrakken. De mensen zullen wat ze kunnen gebruiken eruit slopen en de natuur zal het verslinden. Ik probeer er tevergeefs achter te komen waar het gebouw ooit informatie over heeft gegeven. Het landschap is bijna net zo leeg als het informatiecentrum. Maar leeg is nooit leeg in dit land. Zelfs leegheid heeft schoonheid in zich.

‘Zullen we ernaartoe gaan?’ zeggen we bijna tegelijk wanneer we het bord zien dat verwijst naar de Twijfelfontein Lodge, kijken elkaar aan en Jan draait de auto de verharde weg af de zandweg op.

‘Stond daar nu Twijfelfontien op?’ vaag ik me ineens hardop af. ‘Straks even stoppen, volgens mij staat de naam er verkeerd op,’ zeg ik.

Twijfelfontein Lodge is zonder meer een van de mooiste lodges in dit land. Het staat versmolten met de rotsen waar het in en op is gebouwd, verdekt in het landschap. De tien kilometer die we moeten rijden is weer een lekkere stuiterweg. Maar goed, wanneer we er zijn worden we beloond met een prima cappuccino. De meeste mensen komen hier voor de tekeningen die in een ver verleden door de San-mensen in de rotsen zijn aangebracht. Er moeten er heel veel zijn en een klein deel is nog maar ontdekt. Het heeft bijna iets magisch om te kijken naar tekeningen van giraffes en andere dieren die door iemand - waren het mannen, waren het vrouwen, misschien waren het ondeugende kinderen - met een reden in deze rotsen zijn gemaakt. De mensen konden toen niet bedenken dat nu, eeuwen later, mensen overal vandaan komen om dit te bekijken. Ze zouden er waarschijnlijk hard om gelachen hebben. Ik maak foto’s van de tekeningen en even later van het ‘foute’ plaatsnaambord. En zo laat elke generatie - bedoeld of onbedoeld - wel iets na dat door een andere de moeite waard wordt gevonden om een foto van te maken.

We naderen Palmwag, waar we in 1999 voor het eerst waren. Er zijn hier diverse accommodaties waarvan deze de oudste is. Het hele Palmwag-gebied wordt een beetje beschouwd als een buffer tussen het Etosha-park en de Skeletonkust. Toen waren er alleen een paar kampeerplekken, enkele huisjes, een zwembad en restaurant. We moesten toen in Swakopmund reserveren omdat je alleen met een reservering welkom was.

Het spaarzame verkeer geeft ons niet de indruk dat het land momenteel overspoeld wordt door toeristen. Veel mensen vinden december te heet en kiezen liever voor een andere tijd van het jaar. Hoe leeg het ook allemaal mag lijken, toch staat dit gebied bekend om zijn grote populatie zwarte neushoorns. Elke accommodatie biedt dan ook excursies en trips aan om op zoek te gaan naar deze dieren met hun grote hoorns. Wij komen voor een leuke overnachting waar de palmbomen voor schaduw zorgen. Het asfalt is plat, de luchten blauw, de zon slooft zich uit en bergen staan als piramides en platte tafels in het landschap. Alle tinten bruin, van licht verroest tot bijna zwart, zijn te zien in dit landschap dat louter uit rotsen lijkt te bestaan. En dan ineens een kluitje palmbomen bij elkaar; we zijn in Palmwag waar de palmbomen als wachters het terrein bewaken.

‘Jazeker hebben we plek,’ zegt de goedlachse vrouw achter de balie.

‘Plek acht is beschikbaar,’ gaat ze verder.

Helemaal goed.

‘We hebben hier gratis wifi zonder wachtwoord. Elke gast krijgt 300MB. Daarna kun je hier een voucher kopen.’

De prijs-kwaliteit klopt. De plekken zijn mooi met een overkapping waar we onze stoelen en de tafel neerzetten en als er dan ook nog traag een giraffe door het beeld loopt zijn er geen wensen meer. Zou het dier ingehuurd worden peins ik. Het is hier allemaal wat duurder, alles ziet er prima uit en de finale WK-Frankrijk-Argentinië is nu te zien op een televisie die groter is dan die we thuis hebben. De bar bij het zwembad zit stampvol gasten waaronder veel Fransen. Eén van de Fransen is erg lawaaierig en nee, Jan mag niet op de stoel zitten, die is voor zijn dochter bestemd. Het meisje toont geen enkele belangstelling voor de stoel, de tv of haar vader.

‘Ik hoop dat Frankrijk verliest,’ moppert Jan die zich ergert aan de arrogante man.

Zijn wens gaat in vervulling. Messi een gelukkige voetballer,

Jan een tevreden man.

Neushoorn op de weg

Van Palmwag naar Opuwo, de Himba-hoofdstad van Kaokoland, is een rit van circa 250 kilometer. We trekken er de hele dag voor uit. De asfaltwegweg golft door het landschap van korenbloemblauwe luchten, groene bomen en meer stenen dan er mensen in Namibië zijn.

‘Kun je daar even stoppen? Ik wil proberen om de eenzaamheid in een foto te vangen,’ vraag ik, wetende dat dit niet zal lukken.

Jan stopt op de weg - er komt toch geen verkeer aan -, we stappen uit en maken de nodige foto’s. Ik bekijk de foto’s voordat ik argeloos terug naar de auto loop. Ik kijk op en zie ineens een reusachtige neushoorn op amper tweehonderd meter afstand achter de auto lopen. Allemachtig.

‘Jan, Jan, kijk eens wat daar loopt,’ roep ik zo hard als ik kan, over mijn woorden struikelend.

Jan draait zich direct om en het lukt hem om het dier op de foto te krijgen. Het dier staat stil, heft zijn indrukwekkende kop met hoorn op, aarzelt een paar tellen om vervolgens op een drafje de bosjes in te rennen. Voor zo’n log apparaat beweegt het beest opmerkelijk snel. De eenzaamheid van de omgeving is niet terug te vinden op de foto’s, de neushoorn gelukkig wel.

‘Voor hetzelfde geld was hij heel wat dichter bij ons langs gelopen. Ik heb er geen moment bij stilgestaan dat er op deze hoofdweg gewoon wild te spotten is,’ zeg ik - nog steeds overdonderd - tegen Jan.

Voor mij krijgt het dier extra glans, omdat ik het als eerste zag. Wat een begin van deze dag. Het lijkt wel een dierentuin: giraffes, zebra’s, springbokjes, bavianen, geiten, koeien en schapen. Ze wisselen elkaar af. De stralende zon speelt met de roestbruine kleuren van de rotsen, de airco koert tevreden en wij hoeven alleen maar te kijken, te genieten.

We negeren voor nu de afslag naar Opuwo. Jan rijdt de laatste dertien kilometer naar Sesfontein, waar een paar struisvogels voor wat afleiding zorgen en waarvan we weten dat er in het oude, Duitse fort een lekkere cappuccino wordt verkocht. Voor een goede koffie rijden we graag een paar kilometer om.

Kwowarib Tyre Repair heeft de luiken en de deur gesloten. Ook behoort het huren van een lokale gids tot de mogelijkheden lees ik op de muur. Achter het witgekalkte gebouwtje staat een stenen huis in de steigers. De muren rechtop en de openingen voor de ramen en de deur zijn duidelijk te zien. Maar of het ooit afgebouwd wordt?

Eerst nog een stop bij W-Quelle Bakery. Helaas, we zijn te laat, al het brood is uitverkocht. De geur hangt nog lekkermakend in het gebouwtje. Eben’s Lekker Bread is er vandaag niet bij voor ons. Een van de leuke tradities die tien reizen door dit land hebben opgeleverd, is brood kopen bij deze kleine bakkerij.

Het is puur genieten om door dit landschap te rijden en dat autowrakken zeer nuttig kunnen zijn bewijst een overleden busje. Het blauwe dak is nog intact en doet nu dienst als overkapping voor een kippenhok. Het dak op houten palen is omheind met gaas en past perfect bij de blauwe hemel en de groene palmbomen. Alles waar men de hand op kan leggen wordt gebruikt voor het maken van een huisje, een afrastering of onderdak voor het vee.

Fort Sesfontein staat wat misplaatst in het landschap. Het kasteel heeft dezelfde kleur als het zandbakkenzand waar het op is gebouwd. Ooit gebouwd in de 19e eeuw als een militaire buitenpost na een uitbraak van de runderpest. In 1901 werd er een kazerne bijgebouwd en vier jaar later kwam dit fort er nog bij om de smokkel en diefstal van vee te bestrijden. Nu is het een geliefde overnachtingsplek en geeft het het dorp bestaansrecht. Er is hier verder niks te beleven en zo heeft de Duitse overheersing af en toe toch iets achtergelaten waar de mensen nu nog profijt van hebben. Waar toeristen komen zijn baantjes en wordt er geld verdiend. Het water in het zwembad glinstert als zilver en de onderhoudsman haalt geconcentreerd met een schepnet alles uit het water wat er niet in hoort. Op de muren ‘lopen’ mooie mozaïeken van olifanten, een neushoorn, een zittende giraffe, een struisvogel en enkele vogels. Alles ziet er piekfijn uit. Op het terras staan de harde stoelen met bijpassende tafels klaar voor de gasten. Ligstoelen wachten op zonnebadende mensen en palmbomen zorgen voor snippertjes schaduw. Het gras is groen en netjes gemaaid. Ik loop de voormalige kazerne binnen waar een grote zebrahuid aan de muur hangt en een kerststuk met zilveren takken en witte kaarsen de komende kerst aankondigt. Met temperaturen van dik dertig graden vergeet een mens dat het december is en is de kerstgedachte bij ons ver te zoeken. In Nederland wordt volop geschaatst, worden bevroren ruiten schoon gekrabd en de verwarming een tikkie hoger gezet. En zo ziet de wereld op een afstand van slechts tien uur vliegen er heel anders uit.

Na welgeteld vier auto’s gepasseerd te hebben en één gestrande vrachtwagen, rijden we halverwege de middag Opuwo binnen. De stad waar het heet is, waar het stoffig is, waar alles wat een mens nodig heeft te koop is, waar de winkels uitpuilen en de wegen en de voetpaden opvallend schoon zijn. Jan rijdt door naar het Abba Guesthouse. Mijn telefoon herkent het wachtwoord, de eigenaresse nog magerder, nog grijzer dan bij ons laatste bezoek, herkent ons niet. Ze biedt ons een mooie kamer aan op de eerste verdieping.

‘Jullie lijken me fit genoeg om de trappen op- en af te lopen,’ concludeert ze terwijl ze naar ons kijkt.

We beschouwen het graag als een compliment en knikken dat we akkoord gaan. Onze namen en paspoortnummers worden in het grote boek genoteerd en op een briefje heeft ze het wachtwoord ‘Jesus’ geschreven. Jesus had mij al herkend op het moment dat we hier naar binnenstapten. De vrouw is erg mager, oogt zeer vermoeid en de hitte speelt haar duidelijk parten. Ze moet over een ijzersterk geloof beschikken om hier te wonen en te werken op een plek die duidelijk te zwaar voor haar is. De school op het terrein is dicht en ook de kerk heeft de deuren gesloten.

In het Kaokoland restaurant zijn de tafelkleedjes met kippen vervangen door blauwwit geblokte. Het is er gezellig druk. Zo tegen het eind van de dag lopen de mensen terug naar hun huisjes en hutten in de dorpen rondom Opuwo en valt er voor ons veel te kijken. De hitte eist zijn tol van ons, we gaan in de schaduw zitten van de grote overkapping op zeer prettig zittende plastic stoelen. Wat een verademing.

De vrouwen hebben indrukwekkende bagage op het hoofd, een kindje op de rug en vaak nog een peuter aan de hand. Ik kan er eindeloos naar kijken. Een wereld van mensen die zo’n ander leven leiden dan ik en waar veel vrouwen elke dag maar weer hopen op voldoende voedsel voor het gezin.

Gewoon linksaf

‘Gewoon de poort uitlopen. Ik kom je zo achterna met de auto en pik je daar wel op,’ zegt Jan als ik vertel dat ik lopend naar het Kaokoland restaurant wil.

Ons stekkie in Opuwo, waar we al menig uurtje hebben doorgebracht. Het kijken en dus ook het genieten begint zodra ik de poort uitga en de zware metalen deur zo goed en zo kwaad als het gaat dichtschuif. Gewoon is voor mensen die ernstige problemen hebben met links en rechts een hele uitdaging en ik loop prompt de verkeerde kant op. In plaats van linksaf te gaan loop ik heel relaxed over de stoep de andere kant op. Geen idee hebbende dat ik in de verkeerde richting loop. Alles in Afrika en dus ook in dit land is het bekijken waard. Lopend zijn de autowrakken, die ook deze stad opsieren, beter te fotograferen. Waslijnen met nonchalant opgehangen wasgoed geven kleur aan de omgeving. Drie Zemba-meisjes met schalen vol hout op het hoofd lopen mij voorbij. Het gewicht is in verhouding met de tengere lijfjes van de meisjes te zwaar. Ze stoppen om vervolgens met een aandoenlijke nieuwsgierigheid naar mij te kijken. Hun ranke lichamen bedekt met een paar katoenen lappen, veel plastic kralen en armbanden. Witte tanden en stralende lachen geven de meiden iets blijs, iets vrolijks dat me raakt.

Ik loop regelmatig van het trottoir af, over het zand, om de reclameborden en dan met name die van de kapperszaken op de foto te zetten. Alles staat op een fatsoenlijke afstand van de weg zodat het zand en het stof niet alles blijvend bedekt. Wanneer je hier woont moet je wel tegen een stootje en vooral tegen een laagje stof kunnen. Daarom liggen er ook vaak tegels op de vloeren in de restaurants en hotels om het wat makkelijker schoon te houden.

De mannen en jongens lopen allemaal met een stok in de hand. Geiten lopen op de stoep voor me uit. Een geit maakt een stop en klettert een ferme urinestraal tegen een lantaarnpaal. Naast de prima voetpaden heeft de stad ook een uitstekende straatverlichting. Alles is in de avond prima verlicht. En schone kleding. Iedereen loopt er netjes bij, inclusief wij Mensen zijn verzorgd, hun kleding is verzorgd. Ik kan me rot ergeren aan toeristen en reizigers die er slordig en smoezelig bijlopen. Dat getuigt van weinig tot geen respect voor het land en de mensen.

Ben ik er nog niet? Ik loop de drukte uit. De lantaarnpalen verdwijnen. Loop ik wel goed. Ik sta stil, kijk om me heen en foeter op mezelf. Volgens mij ben ik de verkeerde kant opgelopen. Voor de zekerheid vraag ik het nog aan een passerende man. Hij knikt bevestigend en wijst de andere kant uit. Met stevige tred loop ik - bozig op mezelf - nu in de juiste richting, gun mezelf geen tijd om foto’s te maken en wanneer ik Abba nader zie ik Jan net wegrijden, in de juiste richting, ja hij wel…. Dat betekent dat ik het hele stuk naar het restaurant mag lopen. Nou ja, ik wilde toch een wandeling op de vroege morgen?

Na een wandeling van in totaal vier kilometer arriveer ik eindelijk bij het restaurant waar Jan zich afvroeg waar ik bleef.

‘Ik zal je de volgende keer in de juiste richting zetten,’ lacht Jan hoofdschuddend op een toon alsof ik voor het eerst zelfstandig naar de basisschool mag lopen.

Ik heb lang geleden al geaccepteerd dat links en rechts gewoon een probleem is waar ik mee moet leven. Er zijn gekkere dingen en de cappuccino smaakt extra lekker. De gasten aan de tafel naast ons genieten zichtbaar van patat, een grote hamburger en bier. En dat alles voor tien uur in de ochtend. Onze Chinese buren houden alleen rekening met elkaar en voeren luidruchtige gesprekken die alleen voor hen te begrijpen zijn. Misschien maar goed ook, nu klinkt het als een vervelend programma op de radio dat makkelijk te negeren is. Ik zit perfect om mijn aantekeningen bij te werken. Er gebeurt constant wat. Auto’s droppen de kleurrijkste mensen voor het restaurant. De Herero-vrouwen in hun vele jurken klauteren moeizaam in en uit de wagens en als ze achter in een bakkie zitten is het uitstappen een regelrechte uitdaging. Himbavrouwen zitten altijd achter in een bakkie. Aangezien zij van top tot teen ingesmeerd zijn met de rode okercrème laten zij hun sporen achter op alles wat ze aanraken, op gaan zitten of waar ze ook maar mee in contact mogen komen. Zij stappen vele malen behendiger in en uit de wagens; een leren geitenvel is nu eenmaal makkelijker te dragen dan minimaal zeven jurken.

De OK-supermarkt is naast het Kaokoland restaurant; het is fascinerend om naar de mensen met hun grote karren vol met boodschappen te kijken. Bulkverpakkingen meel, literflessen bak- en kookolie. Mensen die verder van de stad af wonen slaan vaak groot in. De winkelvoorraden zijn erop afgestemd.

‘Kijk daar eens? Ik geloof niet dat ik dat eerder heb gezien,’ zeg ik en wijs naar een paar jongens die een kruiwagen vooruit duwen.