Erhalten Sie Zugang zu diesem und mehr als 300000 Büchern ab EUR 5,99 monatlich.
Op reis door Gambia, een van Afrika's kleinste landen. Een land waar je in een dag doorheen kunt rijden maar waar je veel reizen voor nodig hebt om alles te kunnen zien. Een gevarieerd land van de witte stranden tot het ongerepte binnenland. Van wuivende palmbomen tot knorrige baobabbomen. Overal waar de reiziger komt wordt de reiziger met een brede lach welkom geheten. Dit dubbelboek bevat twee boeken. Het eerste deel De vissers van Tanji is eerder verschenen, het tweede deel Een school in Farato is niet eerder verschenen. Beide boeken geven de lezer een goede indruk wat de reiziger in Gambia kan verwachten. Ook de leunstoelreiziger zal met plezier 'instappen' om met de auteur en haar echtgenoot op reis te gaan.
Sie lesen das E-Book in den Legimi-Apps auf:
Seitenzahl: 206
Veröffentlichungsjahr: 2020
Das E-Book (TTS) können Sie hören im Abo „Legimi Premium” in Legimi-Apps auf:
Eerder verschenen in de serie kleintje Wombat. Verre bestemmingen dichtbij:
De zuilen van Jerash op reis door Jordanië (eerder verschenen als Woestijnkastelen en Stadskamelen)
De olifanten van Botswana met een 4x4 door Moremi en Chobe
De dhows van Sur op reis door Oman
De zebra’s van Namibië
De baobabs van Morondava op reis door Madagaskar
Over Gambia en Senegal:
De vissers van Tanji op reis in The Gambia
De vrouwen van Kafountine op reis door Gambia en de Casamance in Senegal
De muren van Kubuneh op reis door Gambia en Zuid-Senegal
D
e vissers van
Tanji
Welkom in Gambia
Vogels, apen en junglekrokodillen
De markt van Serekunda
Op weg naar James Island
Kunta Kinteh
Op de koffie
Het Tendaba Camp
Naar Janjanbureh
Cirkels van stenen
Allemaal tradities
Het Baobab Holiday Resort
Vissers en boten
Met de gelly-gelly
Bakau
Op visite
E
en school in
Farato
Warm welkom
Wakker worden in Afrika
Naar Berending
Van cappuccino en straatkoffie
De grote dag
Fankanta: je hebt het nodig
IJzeren oorhangers en heet eten
De vissers van Tanji
Calypso
De muren van Kubuneh
Op het platteland
Strandkoffie, lieve vrouwen en lekker eten
Pannenkoek met aap en benechin met kip
De Timbooktoo bookshop in Bakau
Flamingo’s vliegen in Bojang Kaira Kunda
Het binnenland
Van beesten en baobabs
Literatuurlijst
Ik draai de kraan boven de wasbak open en de kraan in de douche begint ook spontaan te lopen. Ik lach in mezelf. Is dit misschien nu wat ik altijd zo leuk aan Afrika vind? Het hele continent voor het gemak maar even over een kam scherend. Het werkt allemaal, maar vaak met een randje. Tuurlijk zit er een slot op de deur, één duw is echter genoeg om de deur met kozijn en al uit de muur te laten kiepelen. Ik trek aan de gordijnen om vervolgens wat beteuterd naar de goudkleurige roede in mijn handen te kijken. Jan drukt alles weer terug; dat is dan weer het voordeel, snel stuk in Afrika is vaak ook snel weer gerepareerd. Jan steekt de stekker van onze waterkoker in het rommelige stopcontact; hij doet het en even later zitten we in de Afrikaanse nacht met een bak koffie en een kop thee buiten, waar de chef van de beveiliging snel een tafeltje met twee stoelen heeft neergezet. De glanzende maan straalt voldoende om mij onmiddellijk een Afrikaans gevoel te geven maar het zachte licht verhult tevens alles waar een scheurtje, een kreukeltje, een barstje of een gleufje inzit. Het heeft beslist zijn charme om midden in de nacht in een volstrekt vreemd land aan te komen: Gambia, dat kleine landje in Afrika.
In de grote eetzaal zijn wij de enigen. We zijn vroeg, gretig om aan onze reis te beginnen. Een tiental personeelsleden staat tot onze beschikking.
‘Pannenkoek?’ vraagt de kok lachend.
Hij spreekt het Hollandse woordje perfect uit. Gambia is een populaire bestemming bij Nederlanders en Belgen. Gasten komen binnendruppelen; veel gasten worden door het personeel als oude vrienden begroet.
‘Mochten jullie een betrouwbare gids zoeken, dan kan ik jullie van harte Buba aanbevelen,’ reageerde een vrouw op Facebook.
Buba had me al gevonden op Facebook en op een sympathieke manier zijn diensten aangeboden. Uiteraard zijn er hier allerlei excursies te boeken, maar wij geven er de voorkeur aan om zelf de dingen te regelen.
‘Hebben jullie kamer 227?’ vraagt een jonge vrouw die hier werkt.
Op een bevestigend knikje van onze kant gaat ze verder.
‘Een man, genaamd Buba heeft zich gemeld bij de receptie en vraagt naar jullie.’
Nu kun je denken wat opdringerig, maar wij denken, dat is iemand die graag wil werken en maken een paar tellen later kennis met een grote, goedlachse, verzorgde man, die graag zijn Gambia aan ons wil laten zien. We gaan bij de receptie zitten en geven aan wat we graag allemaal willen. Ook al is Gambia geen groot land, ongeveer een derde van Nederland, dan wil dat wil natuurlijk niet zeggen dat je in een paar dagen alles kunt bekijken. Ook is het gewoon vele malen leuker om lekker de tijd te nemen, te kunnen stoppen waar we willen en van de route af te kunnen wijken. Overmorgen stappen we in zijn groene taxi, om naar het voormalige slaveneiland James Island, dat sinds een aantal jaren officieel Kunta Kinteheiland heet, te gaan. Wanneer we terug zijn zullen we wel de details van een meerdaagse trip, het binnenland in, bespreken.
‘Mochten jullie geld willen wisselen, dan doe ik dat graag voor jullie. Ik krijg meer dalasi voor een euro dan jullie zullen krijgen,’ biedt hij aan.
‘Graag.’
‘Ik haal jullie om half acht op,’ zegt Buba en we nemen hartelijk afscheid.
We moeten uitkijken wat we tegen elkaar zeggen, mensen begrijpen veel meer dan we denken; ook Buba gooit regelmatig een Nederlands woord door het gesprek.
‘Ik denk niet dat we onderweg in het binnenland zulke luxe accommodatie als dit Baobab Holiday Resort zullen hebben,’ merkt Buba op.
Ik denk onmiddellijk aan de gordijnroede die ik in mijn handen had. Zo zie je maar weer dat luxe en comfort relatieve begrippen zijn.
We lopen het terrein af om vervolgens direct Afrika binnen te lopen. Het Afrika van rood zand tussen mijn tenen, gele taxi’s op de weg, fietsers in de bermen en veel jonge mannen die allemaal hun diensten aanbieden, ons allemaal op dingen wijzen die geen uitleg behoeven en graag met ons oplopen. Onze ongebruinde huid verraadt dat we hier nog maar net zijn. Vrouwen hebben nooit tijd voor dit soort onzin. We lopen het dorpje in; grote, stoffige palmbomen staan aan de rand van de zandweg, nog grotere huizen staan verborgen achter stenen muren. We lopen langs een onbemand winkeltje, waar ingeblikte levensmiddelen netjes uitgestald staan. Groene mango’s hangen plukrijp aan de bomen en een oude moslimvrouw staat dromerig in de opening van een deur voor zich uit te kijken. Haar kleding brandschoon en smaakvol. Gambia is een overwegend islamitisch land, ongeveer negentig procent van de circa twee miljoen inwoners is moslim. De islam, hier vaak vermengd met animisme en bijgeloof, gaat prima samen met de kleine minderheid christenen die hier woont, en de nog kleinere groep die het animisme aanhangt. Naast de islamitische feestdagen viert men er ook de belangrijkste christelijke feestdagen. Mensen leven, werken en wonen vreedzaam naast en met elkaar; het kan dus toch!
Een jonge vrouw komt ons tegemoet. Een klein meisje in een gestreept jurkje loopt naast haar. De vrouw draagt haar baby in een witte draagdoek op haar rug. Met haar linkerhand houdt ze nonchalant een mand met levensmiddelen vast op haar hoofd. In haar andere hand nog een plastic tas met de rest van de boodschappen. Op een elegante manier houdt ze vele kilo’s aan ballast op haar lijf in evenwicht. Een aantal ronde, stenen hutten met daken van golfplaten vormen samen een school, waar op deze zaterdag niemand te bekennen is. We belanden als vanzelf op het strand. Het toeristenseizoen loopt op zijn eind. De stranden zijn rustig; op het terras van het Coco Beach Resort zijn wij de enige gasten en bestellen een cappuccino. Jongetjes fietsen op het strand. Bij het houten strandkeetje met de indrukwekkende naam Ocean Juice Bar is de eigenaar de enige klant. De stranden zien er schoon uit, het kleine beetje afval dat er ligt, wordt door de geiten opgevreten. Plastic tasjes zijn in dit land verboden en dat werpt zeker zijn vruchten af. Veel andere Afrikaanse landen zijn ‘vergeven’ van plastic tasjes die achteloos zijn weggegooid. Een jongen op een ezel sjokt voorbij en een eenzame toerist waagt zich in het water. Vanaf het terras, terwijl wij smullen van een broodje kip, koolsla en huisgemaakte patatjes, trekt het strandleven aan ons voorbij. Een aangename frisse zeewind verkoelt onze huid.
Het Bijilo Forest Park ligt schuin tegenover ons hotel. De officiële ingang ligt echter twee kilometer verder; we lopen er naartoe en dat is iets wat de taxichauffeurs maar niets vinden. Lopende toeristen zijn hun een doorn in het oog. Iedereen claxonneert, sommigen remmen af, maar wij lopen stug door; niet omdat we hen geen klandizie gunnen, maar het is gewoon heerlijk lopen op deze vroege zondagmorgen. Een jonge man, in Afrika lopen altijd veel loslopende mannen en jongens rond, weet ons te verleiden om, voordat we het park ingaan, eerst in het restaurant van zijn oom een cappuccino van twijfelachtige kwaliteit te drinken. Alle mannen hebben op zijn minst één oom of tante met een restaurant, een cafeetje, een taxi of een souvenirwinkeltje.
We betalen de entree van het park. Dicht bij de ingang staat een klein, onopvallend, wat scheef moskeetje.
‘Jullie moeten wel een gids nemen. Je kunt anders heel makkelijk verdwalen,’ zegt de man bij de ingang met een ernstig gezicht.
Dat lijkt Jan onmogelijk aangezien het park maar vijftig hectare groot is, met aan de ene kant de oceaan en aan de andere kant de grote weg. Maar goed, de aanhouder wint en zo lopen we al snel achter Masanneh aan.
‘Zeg maar Mas,’ stelt hij zich voor, voordat hij zich omdraait om nog snel een veelgebruikte vogelgids, een verrekijker en een camera op te halen.
Jan is dol op vogels. Ik vind een vogel al snel een mooie vogel en loop netjes achter de beide mannen aan; soms moet een meisje haar plaats weten. We zijn de enige bezoekers. Fluweelapen hangen rond bij de ingang, erop gokkend dat wij ook een zakje met pinda’s zullen kopen. Ik vind apen prima, maar ze moeten niet te dichtbij komen; ik koop geen pinda’s. Gezien de vele lege pindazakjes, wat het park een rommelig aanzien geeft, stellen de meeste bezoekers de apen niet teleur. Jammer. Zo veel afval dat niet opgeruimd wordt. Blikjes, kledingstukken en veel niet meer te achterhalen rotzooi; hoewel… die kapotte wc-pot al van verre te herkennen is... Gelukkig vliegen er vele vogels door de lucht, die zich absoluut niet storen aan afval op de grond. Een prachtige red colobus-aap zit wat nuffig kijkend fotogeniek op een tak zijn ontbijt naar binnen te werken en laat zich rustig door Jan fotograferen, voordat hij zijn weg vervolgt.
‘Hebben de apen ook nog natuurlijke vijanden?’ wil Jan graag weten.
‘Alleen honden,’ antwoordt de man op nuchtere toon.
Natuurlijk, knikken wij, alsof we alles weten van honden die apen belagen.
In de jaren negentig is dit park door een Duitse ontwikkelingsorganisatie opgeknapt en zo geschikt gemaakt voor het publiek. De gekleurde routepaaltjes zijn in de loop van de jaren verdwenen, de bankjes die er nog staan nodigen niet echt meer uit om op te gaan zitten en in de afvalbakken ligt geen afval. Het is aangenaam lopen, de gids ziet en hoort alles, wijst Jan op vele vogels en vlinders die even later zorgvuldig in het boek worden opgezocht. Baobabbomen -zijn er mooiere bomen dan de baobabboom?- en indrukwekkend grote palmbomen domineren het park. Het naar boven kijken wissel ik iedere keer snel af met het naar beneden kijken. Kokosnoten liggen als vertrapte voetballen op het pad, boomwortels kronkelen als dropveters over het zand en de reusachtige wortels van sommige bomen liggen als dode krokodillen over de paden. Kortom; genoeg obstakels voor een Hollands meisje om over te struikelen.
‘Dat noemen we inderdaad junglekrokodillen,’ wijst Mas naar zo’n wortel.
‘Mensen stappen op een dergelijke wortel, de wortel raakt beschadigd, herstelt zich wel, maar krijgt dan als het ware littekens in de vorm van deze knobbels zodat ze eruit zien als krokodillen,’ gaat de gids verder.
Jan fotografeert tientallen vogels, waarbij de kleurrijke ijsvogel wel heel erg opvalt tussen al het groen. Wurgvijgen hebben hun tentakels stevig in het andere groen gezet en zullen uiteindelijk alles wat ze te pakken kunnen krijgen verwurgen.
In augustus 2013 heeft de Britse ambassade in Banjul duizend, kleine, inheemse boompjes in dit park laten poten, om zo bij te dragen aan het voortbestaan van de Gambiaanse bomen. Het lijkt te lukken. Ik zie zoveel verschillende bomen, struiken en kleine, vrolijke bloempjes. Behalve de baobab en de wurgvijg herken ik niets, weet ik geen enkele naam. Gelukkig heeft dat geen enkele invloed op het genieten. Vogels kwetteren, vele onzichtbaar, door de lucht en ik voel de eerste blaar opkomen. Nu weet ik ook wel dat blote voeten in sandalen op zandpaden vragen om blaren is, maar verstandig als ik ook kan zijn, heb ik altijd pleisters bij me.
‘Kunnen we er daar ook uit lopen, dan zijn we heel dicht bij ons hotel?’ wijst Jan naar een uitgang.
‘No problem,’
‘Voordat jullie weggaan, zal ik nog de namen van alle vogelsoorten opschrijven, die we hebben gezien,’ gaat Mas verder.
Even later overhandigt hij Jan een lijstje met achttien namen. Ik moet eerlijk bekennen dat mij geen enkele lof toekomt. De mannen zagen alles het eerst.
In het Bijilo park
De grootste stad van Gambia is niet de hoofdstad Banjul maar Serekunda. Jaren geleden was het niet meer dan een verzameling van kleine dorpen. Er kwamen meer mensen, er werden meer huizen en compounds gebouwd en zo ontstond de grootste stad van dit land. De stad dijt nog steeds uit en zal, als dit zo doorgaat, samenklonteren met de omliggende steden zoals Bakau en Kololi. Al deze mensen hebben er zo voor gezorgd dat hier Gambia’s grootste en levendigste markt te vinden is. De Mosque Road of Latrikunda New Road is de drukste straat waar, uiteraard, de hoofdmoskee van de stad zich bevindt. We lopen naar de grote weg, maar stoppen eerst bij een rode Toyota pick-up op de parkeerplaats van het hotel. De hele achterbak puilt uit van de vers gevangen vis. Mannen bekijken met een kennersblik de lading, ik maak een paar foto’s.
‘Ik hoorde dat jullie naar de markt van Serekunda willen,’ zegt de man achter het stuur van een oud busje.
Alle landen in Afrika zijn allemaal verschillend, maar wat de Afrikaanse landen echter wel allemaal met elkaar gemeen hebben is, dat de mensen altijd alles weten. Hoe weet Lamin, zoals ik later op zijn kaartje lees, nu dat we hier naartoe willen? Hij heeft ons vast horen praten met enkele andere gasten in het hotel. Maakt ook niet uit, hij heeft helemaal gelijk. De stad ligt ongeveer negen kilometer verder, we onderhandelen over de prijs en stappen in.
‘Ik ga met jullie mee de markt op, dan worden jullie niet lastig gevallen,’ nodigt hij zichzelf uit. ‘Natuurlijk rijd ik jullie ook weer terug.’
Het schijnt dat de marktkooplui erg opdringerig kunnen zijn. Nu zijn we wel wat gewend op dit gebied, maar vooruit het is zondag, we nemen het ervan en zijn gauw in de hectiek van Serekunda, waar Lamin verbazingwekkend snel een parkeerplek voor zijn busje weet te vinden.
‘Koop eten voor deze twee kinderen, ze hebben honger,’ dringt een jonge man zich op, wijzend naar twee kerngezond uitziende kinderen die rustig aan het spelen zijn.
Mensen die hem horen, reageren wat lacherig en ik loop door. Het is er druk.
‘Geef me je tas,’ zegt een verkoopster dwingend en laat zien dat haar oude tas toch echt aan vervanging toe is.
‘Hoe wil je in vredesnaam alles uit jouw grote tas in dit kleine tasje proppen?’ reageer ik lachend.
Ze ziet het probleem niet, de vrouw naast haar ziet de humor er wel van in. Opvallend veel vrouwen lopen hier gesluierd rond. Een paar kleine kleutermeisjes dragen hoofddoekjes die te ruim over de smalle schoudertjes vallen. Een enkele vrouw is zelfs gekleed in een nikab; haar ogen kijken door een spleetje de wereld in. Waarom vrouwen zo onzichtbaar door het openbare leven willen gaan, is iets dat ik nooit zal begrijpen. Misschien wil ik het ook wel niet begrijpen, ik hoef het in ieder geval niet te begrijpen, laat staan dat ik het mooi moet vinden. Enkele mannen wassen hun voeten en gaan daarna bidden; het rumoer schijnt hen hierbij niet te deren.
We zien geen toeristen en als ik vraag of ik een foto mag maken, dan mag dat altijd. De meeste mensen laten ons met rust en relaxed lopen we braaf achter Lamin aan. Hij bepaalt onze route en verdwalen is er voor ons niet bij. Een man, zittend tegenover een moslimvrouw, brengt zorgvuldig met zwarte henna sierlijke tekeningen op haar handen aan. De vrouw laat trots haar handen zien en ik maak een mooie foto. Voetbalshirtjes met de namen van westerse en Afrikaanse voetballers op de rug hangen aan een kraam. Op omgekeerde plastic jerrycans heeft een marktkoopvrouw schalen gelegd, waarop ze zorgvuldig mango’s heeft gestapeld. Honderden horloges en zonnebrillen liggen stoffig uitgestald. In grote plastic zakken op de grond worden meel, fruit en onbekende producten aangeboden. Oude waterflessen zijn gevuld met zoetig uitziende frisdrankjes. De slager heeft een afbeelding van een stuk vlees met een weegschaal op de metalen deur geschilderd, zo duidelijk makend dat hij toch echt vlees verkoopt. Een vrouw draagt een grote metalen koffer op haar hoofd en loopt zonder te wankelen stevig door. Op een kruiwagen liggen lappen stof, een vrouw bekijkt alles zorgvuldig voordat ze tot een koop overgaat. Westers geklede vrouwen lopen naast gesluierde vrouwen. Veel vrouwen dragen een kunstig geknoopte hoofddoek, of hebben het hele hoofd vol met kleine vlechtjes. Andere vrouwen hebben met behulp van kunsthaar het eigen haar ‘verlengd’ of verfraaid tot een sierlijk kapsel. Zelden zie ik een vrouw lopen die niets aan haar haar heeft gedaan. Tja, als je allemaal hetzelfde haar hebt, wil je je toch graag onderscheiden en daar zijn de meeste vrouwen bijzonder succesvol in. Een moslimman, gekleed in een traditionele, witte djellaba, een wit mutsje als een omgekeerd doosje op zijn hoofd, fietst voorbij. Zijn voeten in leren muilen gestoken. Elektriciteitskabels hangen als slierten spaghetti van paal naar paal, van uithangbord naar uithangbord. Zware lasten en aankopen worden op platte, houten duwkarren of in een kruiwagen naar de plaats van bestemming gebracht. Bij de moskee zit een man tegen de afbladderende muur wat afwezig voor zich uit te kijken. Stapels korans, boeken en houten plankjes, die nog het meest op broodplankjes lijken, wachten op klanten. Deze houten plankjes worden gebruikt bij de koranlessen.
‘Kunnen we ergens wat drinken? Ik wil graag wat mensen fotograferen,’ zegt Jan en niet veel later lopen we ergens een metalen trapje op, waar op de eerste verdieping een restaurantje is.
Ik zie geen prijslijst hangen, maar een paar flesjes fris is geen probleem. Jan zit op de eerste rij en maakt mooie foto’s van mooie mensen, propvolle taxi’s en krijgt helemaal de hoofdprijs als pal onder ons twee nog tierig levende kippen in de kofferbak van een auto plaats moeten nemen. De kofferbak gaat moeilijk open, net alsof deze kofferbak de kippen zijn donkere en onfrisse plek wil besparen. De kippen ondergaan gelaten hun lot en laten zich rustig in een hoekje wegzetten. Met een klap gaat de kofferbak weer dicht. Op een wit bestelbusje kan ik nog net ‘bestratingen Rosmalen’ lezen en niet veel later rijdt een oud busje van W.v.Dijk Veevoederhandel uit Hijken voorbij. Afgedankt in Nederland gaan ze hier nog heel wat kilometers mee, ervan uitgaande dat de Hollandse eigenaren zelf niet meer achter het stuur zitten. Een ezel trekt een houten kar, zwaar beladen met grote stukken palmbomenhout voort. De menner zit boven op het hout. Een verkoper heeft heel wat kokosnoten in hapklare stukken gesneden; alles ligt in een grote schaal op zijn hoofd.
‘Het valt me echt op dat sommige kleine meisjes nu al zwaar gesluierd zijn,’ zeg ik tegen Lamin.
Hij knikt: ‘Ik heb zelf vijf dochters maar mijn dochters dragen geen hoofddoek. Mijn jongste dochtertje is net drie weken oud,’ klinkt het met een lichte teleurstelling in zijn stem, om even later toch vol trots een foto van een mooi, klein meisje op zijn telefoon, te laten zien.
‘Vrouwen hebben alleen zo veel kleding nodig,’ komt er met een spontane zucht achteraan.
Tja, dat kan ik alleen maar beamen… Dat drankjes ook veel geld kunnen kosten, daar kom ik een paar tellen later achter.
‘Tweehonderd dalasi,’ zegt de man met een arrogante grijns op zijn gezicht.
Ik sputter tegen, de man vertrekt geen spier en houdt vol dat onze drankjes echt zo veel hebben gekost. Met tegenzin betaal ik. Lamin kijkt ongemakkelijk om zich heen.
De weg naar de hoofdstad Banjul is prima. Buba rijdt in een aangenaam tempo, spreekt prima Engels en heeft een goed gevoel voor humor. Wij houden het wel met elkaar uit. Regelmatig gooit hij een perfect uitgesproken Nederlands woordje tussen zijn Engels. We zijn op weg naar de veerboot, die ons over de rivier de Gambia naar Barra moet brengen. In Barra zal een andere auto klaar staan die ons naar het plaatsje zal rijden waar de boten klaarliggen, waarmee we naar James Island kunnen.
‘Zie je die bulten daar liggen?’ wijst Buba naar rechts. ‘Dat zijn allemaal pinda’s.’
Vanuit de auto lijken het kleine zandbulten. Ik zie geen pinda. Vrouwen bewegen als kleurige stippen rondom deze grauwe bulten. Pinda’s worden hier erg veel verbouwd en dus gegeten. We passeren een vrachtwagen beladen met tropisch hardhout.
‘Als dat zo doorgaat houden we geen bomen meer over,’ klinkt het gelaten uit Buba’s mond. ‘Zolang er zo veel met de verkoop van deze bomen wordt verdiend, er weinig controle is, zullen deze praktijken doorgaan.’
Het vrij nieuwe, wat communistisch aandoende regeringsgebouw The Assemblee, staat pontificaal aan de rechterkant van de weg. Foto’s maken van dit gebouw of er zelfs maar naar wijzen, wordt niet op prijs gesteld. Nu is het een foeilelijk gebouw, dat scheelt dan weer. Er is geen behoefte aan een foto. Op een handgeschilderd, houten bord prijst een kapper zijn bedrijf aan; de hoofden zien er eng uit. Vandaag is deze Barbing Salongesloten. Op een stoeprand, onder een lantaarnpaal, verkopen vrouwen groentes. Groentes, die door andere vrouwen aan een strenge keuring worden onderworpen, voordat er ook maar een snippertje groen wordt gekocht. Vanaf de achterbank van de auto trekt het dagelijkse leven als een film aan mij voorbij.
De hectiek bij veerboten is altijd de moeite waard; net als bij grensovergangen hangt er een bepaald sfeertje. Verkopers duwen zich overal doorheen, mensen zoeken een plekje, komen een bekende tegen, maken snel een praatje voordat ze verder gaan, dragen grote tassen, koffers, bakken en niet thuis te brengen voorwerpen. Het gaat er behoorlijk gedisciplineerd aan toe. Soldaten en ambtenaren zorgen ervoor dat niemand voor zijn beurt gaat. Iedereen wacht geduldig totdat de boot leeg is en alle passagiers van de boot af zijn, voordat de nieuwe reizigers op de boot stappen. We zoeken een plekje op om even later, om totaal onduidelijke redenen, weer van de boot af te moeten.
‘Daarom ga ik niet graag met de auto de veerboot op,’ zegt Buba. ‘Vaak is er geen ruimte voor alle auto’s en moet je nog een ronde wachten. Passagiers kunnen wel altijd mee.’
Nu is wachten bij een veerboot in Afrika niet echt een straf; er is altijd zo veel te kijken.
‘Ik ben een lelijke man, kom maak een foto van mij,’ zegt een vrolijke stem.
Ik draai me om en zie een man staan met een hippe zonnebril op zijn neus, een das om zijn hals en een pet met embleem op zijn hoofd. Jan voldoet graag aan zijn ver
