Erhalten Sie Zugang zu diesem und mehr als 300000 Büchern ab EUR 5,99 monatlich.
Dave Robicheaux vindt vier lichamen in een neergestort vliegtuig. De autoriteiten melden echter slechts drie slachtoffers… Dave Robicheaux – Vietnam-veteraan, ex-alcoholist en voormalig detective – doet zijn best zijn criminele en gewelddadige verleden van zich af te schudden als beheerder van een verhuurbedrijf van boten. Dan stort voor zijn ogen een vliegtuigje neer. Robicheaux kan een meisje redden, de overige vier inzittenden overleven de crash niet. Toch melden de autoriteiten dat er slechts drie mensen zijn omgekomen. Wie was de vierde man en waarom wordt zijn identiteit verborgen gehouden? Wie plaatste een bom in het vliegtuig? Het detective-instinct van Robicheaux dwingt hem nader op de zaak in te gaan. Er zijn echter mensen die trachten Robicheaux ven zijn onderzoek af te houden. Maar hij is reeds zo ver in de zaak betrokken dat niets en niemand hem er meer van kan afhouden. Dan worden twee huurmoordenaars op hem afgestuurd. Door hen belandt hij in een gruwelijk web van moord, verraad en bedrog. Robicheaux ontdekt dat hij niemand kan vertrouwen behalve een ex-vriendin, de prostituee Robin...
Sie lesen das E-Book in den Legimi-Apps auf:
Seitenzahl: 495
Veröffentlichungsjahr: 2022
Das E-Book (TTS) können Sie hören im Abo „Legimi Premium” in Legimi-Apps auf:
Gevangene van de hemel
James Lee Burke
Gevangene van de hemel
Oorspronkelijke titel: Heaven’s prisoners
Copyright © James Lee Burke, 1988
Copyright © Jentas ehf, 2021
Layout: Jentas ehf
ISBN 978-9979-64-357-9
–––
Voor mijn agent, Philip Spitzet, een prijsvechter die het de volle vijftien ronden volgehouden heeft, en die fantastische vrienden in Louisiana die ik enorm veel dank verschuldigd ben: John Easterly, Martha Lacy Hall, en Michael Pinkston.
1
Ik bevond me ter hoogte van Southwest Pass, tussen Pecan Island en Marsh Island, met in het zuiden het groene water met de witgekuifde golfjes van de Golfstroom en achter me de langgerekte, vlakke kustlijn van Louisiana — wat eigenlijk helemaal geen kustlijn is maar een uitgestrekt moerasgebied met moerasgras, dode, met mosslierten begroeide cipressen, en een wirwar van kanalen en bayous die bezaaid zijn met waterlelies waarvan de purperen bloemen zich ’s ochtends met een hoorbaar plofje openen en waarvan de wortels zich als staalkabels om je schroefas kunnen winden. Het was mei en het zilte briesje was warm en rook naar scholen jagende zeeforel, en hoog boven me dreven pelikanen op de warme luchtstromen, hun uitgespreide vleugels verguld in het zonlicht, totdat er plotseling een als een bom uit de lucht kwam vallen, zijn vleugels stijf tegen zijn lijf aan gevouwen, het wateroppervlak doorboorde en dan druipend weer bovenkwam met een spartelende haring of harder in zijn lange snavel.
Maar bij het aanbreken van de dag was de hemel doortrokken geweest van rode strepen, en ik wist dat er tegen de middag onweerswolken vanuit het zuiden zouden komen opzetten, de temperatuur plotseling tien graden zou dalen, alsof alle lucht ineens van onder een enorme donkere stolp was weggezogen, en de zwarte hemel zou trillen van de bliksemschichten.
Ik had altijd van de Golf gehouden, of hij nu door stormen geteisterd werd of de golven letterlijk bevroren waren tot groenige ijsheuveltjes. Toen ik nog bij de politie van New Orleans werkte, woonde ik op een woonboot op Lake Pontchartrain en bracht mijn vrije dagen vissend door in Lafourche Parish en Barataria Bay. Ik werkte dan wel op de afdeling Moordzaken, maar soms wist ik het zo te regelen dat ik mee kon met de kotter van de kustwacht als ze achter de drugssmokkelaars op het open water aangingen.
Nu was ik de eigenaar van een botenverhuurbedrijf annex aaswinkel aan de bayou ten zuiden van New Iberia, en tweemaal per week voeren mijn vrouw Annie en ik met mijn boot naar Southwest Pass om met een sleepnet op garnalen te vissen. Mijn boot was ooit door een oliemaatschappij gebruikt om de lange, dikke, met rubber beklede kabels en seismische instrumenten op te pikken die gebruikt werden bij het zoeken naar olie; hij was lang, smal, en plat, met een krachtige Chrysler-motor, twee schroeven, en een stuurhut op de achtersteven. Annie en ik hadden de boot uitgerust met ijsbakken, een bun voor levend aas, lieren voor de netten, een kleine kombuis, bergruimte voor vis- en duikuitrustingen, en zelfs een grote canvas Cinzano-parasol die boven een kampeertafeltje en een paar vouwstoelen uitgeklapt kon worden.
Op ochtenden als deze voeren we in een grote bocht door de Pass, de boeg bijna helemaal uit het water door het gewicht van het net dat we achter ons aan sleepten, en daarna vulden we de ijsbakken met garnalen en bereidden het middagmaal in de kombuis terwijl de boot in de warme wind op het ankertouw reed. Deze ochtend had Annie een pan garnalen en krabben gekookt en ze zat de garnalen te pellen om ze te mengen met de wilde rijst die we van huis hadden meegenomen. Ik moest glimlachen toen ik naar haar keek; ze was mijn doopsgezinde Kansas-meisje, met goudblonde krullen en de helderste blauwe ogen die ik ooit had gezien. Ze droeg een verschoten denim mannenoverhemd dat los over haar witte linnen broek hing, en linnen schoenen zonder sokken; ze was inmiddels net zo goed in het schoonmaken van vis en het pellen van garnalen en het hanteren van een boot tijdens een storm alsof ze in het land van de bayous geboren was, maar ze zou altijd mijn Kansas-meisje blijven, onverbrekelijk verbonden met koren- en zonnebloemen, zich wankelend voortbewegend op hoge hakken, altijd geïmponeerd door cultuurverschillen en wat zij noemde de ‘vreemdheid’ van andere mensen, hoewel haar eigen achtergrond van pacifistische tarweboeren zo door en door excentriek was dat ze normaliteit nog niet zou herkennen als ze ertegenaan liep.
Haar huid, die zelfs in de winter bruin bleef, was de zachtste die ik ooit had gevoeld. Als je in haar ogen keek, zag je daar kleine lichtjes dansen. Ze zag dat ik glimlachend naar haar zat te kijken, zette de kom garnalen neer en kwam achter me staan. Ik voelde haar borsten tegen mijn achterhoofd, haar handen die door mijn haar woelden, haar vingers die over mijn gezicht gleden, over mijn snor, mijn schouders, het litteken op mijn maag dat eruitzag als een platte, grijze worm, tot haar onschuldige liefde me het gevoel gaf dat al mijn jaren, de vetkussentjes rond mijn middel, mijn beschadigde lever, van geen enkel belang meer waren. Misschien was ik wel een beetje sullig geworden, net als een ouder dier dat zich ook geen vragen stelt als het zich door een jongere soortgenoot laat verleiden. Maar haar liefde had niets met verleiding te maken; die was onverbiddelijk en altijd aanwezig, zelfs na een jaar huwelijk, en ze schonk me die liefde gretig en onvoorwaardelijk. Ze had een wijnvlek hoog op haar rechterborst, en als we vrijden vulde haar hart die met bloed totdat hij donkerrood kleurde. Ze kwam om de stoel heen, ging op mijn schoot zitten, liet haar hand over mijn bezwete borst glijden, en streek met haar krullen langs mijn wang. Ze verplaatste haar gewicht op mijn schoot, voelde mijn erectie onder zich, keek me veelbetekenend in de ogen en fluisterde, alsof iemand ons anders zou kunnen horen: ‘Laten we het luchtbed uit de bergruimte halen.’
‘Wat doe je als het toestel van de kustwacht overvliegt?’ ‘Zwaaien.’
Ik keek langs haar heen naar de zuidelijke horizon.
‘Dave?’
‘Het is een vliegtuig.’
‘Hoe vaak wordt je door je eigen vrouw een dergelijk oneerbaar voorstel gedaan? Laat de gelegenheid niet voorbijgaan, schipper.’ Haar blauwe ogen schitterden vrolijk.
‘Nee, serieus, kijk dan. Het is in moeilijkheden.’
Het was een geel tweemotorig toestel, en het voerde een lange sliert dikke zwarte rook met zich mee die tot aan de horizon reikte. De piloot deed zijn uiterste best om hoogte te winnen, gaf vol vermogen op beide motoren, maar de vleugels schommelden op en neer en lieten zich niet stabiliseren en het water kwam snel dichterbij. Het toestel vloog langs ons en ik kon gezichten achter de raampjes zien. De rook kwam uit een rafelig gat vlak voor de staart.
‘O, Dave, ik dacht dat ik een kind zag,’ zei Annie.
De piloot moet geprobeerd hebben Pecan Island te bereiken om daar een noodlanding in het moerasgras te maken, maar plotseling vlogen er stukken van het staartvlak af als flarden nat karton en het toestel helde scherp naar links over en beschreef een halve cirkel, beide motoren nu afgeslagen, de rook dik en zwart als rook van een oliebrand, raakte met de linkervleugel het wateroppervlak, maakte een soort radslag in de lucht en kwam ondersteboven op het water terecht te midden van een enorme hoeveelheid opspattend groen en wit water en zeewier.
Het water kolkte en bruiste op de oververhitte motoren, en het gat achterin leek een rivier te creëren die het toestel ingezogen werd. Binnen enkele seconden vervaagde de felgele onderkant van het toestel in de lage golven die eroverheen spoelden. Ik kon de deuren niet zien, maar ik bleef wachten tot er iemand met een reddingsvest aan de oppervlakte zou verschijnen. In plaats daarvan stegen er grote luchtbellen op uit de cabine en verscheen er een smerige olievlek op het water. Annie riep via de kortegolfzender de kustwacht op. Ik haalde het anker op uit de modder, gooide het in de boeg, startte de zware Chrysler-motor, hoorde de uitlaten hoesten onder de waterlijn, en ging volle kracht vooruit op weg naar het wrak. De wind en het buiswater voelden aan als een kille klap in mijn gezicht. Het enige dat ik nu nog van het toestel kon zien waren kleine gouden lichtjes in de deinende blauwgroene vlek van weglekkende olie en brandstof.
‘Neem jij het roer over,’ zei ik.
Ik zag haar gezicht betrekken.
‘We hebben de zuurstofcilinders de vorige keer niet bijgevuld,’ zei ze. ‘Er zit nog wel wat in. Het is is hier trouwens toch niet dieper dan een meter of acht. Als ze niet te diep in het slib zitten, kan ik de deuren openmaken.’
‘Dave, het is dieper dan acht meter, dat weet je best. Er loopt een slenk dwars door de Pass heen.’
Ik haalde de twee zuurstofcilinders uit de bergruimte en keek naar de meters. Allebei waren ze bijna leeg. Ik kleedde me uit tot op mijn ondergoed, deed een loodgordel om, hees een van de zuurstofflessen op mijn rug, zette een duikbril op en hing de canvas riemen van de andere zuurstoffles over mijn arm. Ik pakte een koevoet uit de gereedschapsbak.
‘Ga een eindje verderop voor anker zodat er niet iemand onder de boot naar boven komt,’ zei ik.
‘Laat de andere fles hier. Ik ga ook naar beneden.’ Ze had de gashandel dichtgedraaid, en de boot lag te stampen in zijn eigen hekgolf. De zijkant van haar gebruinde gezicht was nat van het buiswater, en haar krullen zaten tegen haar wang geplakt.
‘Jij bent hier nodig, liefje,’ zei ik, en stapte overboord.
‘Verdomme, Dave,’ hoorde ik haar zeggen net voordat ik onder het wateroppervlak verdween.
De bodem van de Golf was een museum van nautische historie. In de loop der jaren had ik tijdens het snorkelen en duiken klonters met koraal aan elkaar vergroeide Spaanse kanonskogels gevonden, oefentorpedo’s van de U.S. Navy, en de ingedrukte romp van een nazi-onderzeeboot die in 1942 door een dieptebom uitgeschakeld was, een smokkelboot die door de bemanning tot zinken was gebracht voordat de kustwacht ze te pakken kon krijgen, en zelfs het gekapseisde en verwrongen wrak van het boorplatform waarop mijn vader meer dan twintig jaar geleden verdronken was. Het lag op zijn zijkant in het donker op vijfentwintig meter diepte, en op de dag dat ik naar het wrak dook maakten de stalen kabels die tegen de ijzeren stangen klapten een geluid als hamers die op een reusachtig zaagblad sloegen.
Het vliegtuig lag ondersteboven op de bodem aan de rand van de slenk, de propellers diep in het grijze zand. Slierten luchtbelletjes stegen op van de vleugels en de raampjes. Ik voelde het water kouder worden naarmate ik dieper kwam, en ik zag krabben en kreeftjes over de bodem scharrelen en kleine zandwolkjes die opgeworpen werden door de vleugels van pijlstaartroggen die als schaduwen over de rand van de trog gleden.
Ik zwom naar de deur van de cockpit, liet de reservezuurstoffles van mijn arm glijden, en keek door het raampje. De piloot staarde me ondersteboven aan, zijn blonde haar wuivend in het water, zijn nietsziende groene ogen als harde, waterige knikkers. Een kleine, dikke vrouw met lang zwart haar hing in de gordels in de stoel naast hem, en haar armen dreven op en neer voor haar gezicht alsof ze nog steeds probeerde dat afschuwelijke besef van zich af te duwen dat ze op het punt stond te sterven. Ik had al eerder slachtoffers van verdrinking gezien, en hun gezichten hadden dezelfde ontstelde, hulpeloze uitdrukking vertoond als de gezichten van mensen die ik in Vietnam door granaatexplosies om het leven had zien komen. Ik hoopte maar dat deze twee niet lang hadden geleden.
Mijn voeten wierpen wolken zand op van de bodem, en in het troebele groengele licht kon ik nauwelijks iets zien door het raampje van de achterste deur. Ik drukte mijn duikbril tegen het glas. Ik kon een grote, donkere man in een roze overhemd onderscheiden, en naast hem een vrouw die los was geraakt uit haar veiligheidsgordel. Ze was klein en dik, met een vierkant, leerachtig gezicht, net als de vrouw voorin, en haar bloemetjesjurk dreef rond haar hoofd. Toen, net op het moment dat mijn zuurstof opraakte, realiseerde ik me met plotseling bonzend hart dat er in de cabine nog iemand leefde.
Ik kon haar kleine, blote benen zien trappen, terwijl ze met haar hoofd en mond opgeheven als een guppy adem hapte in een luchtbel achter in de cabine. Ik liet de lege zuurstoffles van mijn rug glijden en rukte aan de deurhandel, maar de rand van de deur stak een eindje in het zand. Ik trok nogmaals, slaagde erin de deur een centimeter open te krijgen, stak de koevoet naar binnen, en wrikte tot ik een scharnier voelde bezwijken en de deur over het zand schraapte. Maar mijn longen stonden inmiddels op barsten en mijn ribben voelden aan als messen in mijn borst.
Ik liet de koevoet vallen, pakte de andere zuurstoffles, draaide het ventiel open, en stopte het mondstuk in mijn mond. Ik zoog mijn longen een paar keer vol verse lucht, draaide het ventiel weer dicht, en ging op weg naar het meisje.
Maar de dode man met het roze overhemd zat in de weg. Ik maakte de gesp van zijn veiligheidsgordel los en probeerde hem aan zijn overhemd van de stoel te trekken. Zijn nek moet gebroken zijn geweest want zijn hoofd draaide op zijn schouders alsof het aan een bloemstengel vastzat. Toen scheurde zijn overhemd, en ik zag een getatoeëerde roodgroene slang boven zijn rechtertepel en gedurende een fractie van een seconde was mijn geest weer terug in Vietnam. Ik greep hem bij zijn riem, duwde onder zijn arm, en schoof hem in de richting van de cockpit. Hij dreef traag naar voren en kwam terecht tussen de stoelen van de piloot en van de passagier die naast hem zat, met zijn mond open en zijn hoofd rustend op de knie van de piloot, als een nederig smekende hofnar.
Ik moest haar snel uit het toestel en naar de oppervlakte krijgen. Ik kon de dobberende luchtbel zien waarin ze ademde, en er was niet genoeg ruimte om mijn hoofd in diezelfde luchtbel te steken en haar uit te leggen wat er ging gebeuren. Bovendien kon ze niet ouder dan vijf zijn, en ik betwijfelde of ze Engels sprak. Ik hield haar smalle middel lichtjes tussen mijn handen en wachtte even, biddend dat ze zou begrijpen wat ik moest doen, en trok haar toen trappelend en wel naar omlaag door het water en de deur uit.
Heel even zag ik haar gezicht. Ze was aan het verdrinken. Het water golfde haar open mond binnen; haar ogen stonden hysterisch van angst. Haar kortgeknipte zwarte haar waaierde als eendendons rond haar hoofd, en haar bruine wangen vertoonden bleke, bloedeloze plekken. Ik overwoog even om te proberen de luchtslang haar mond binnen te brengen, maar ik wist dat ik het water niet uit haar keel zou kunnen krijgen en dat ze zou stikken voor ik haar naar de oppervlakte kon krijgen. Ik maakte mijn loodgordel los, voelde hem in de draaiende zandwolk onder me zakken, sloeg mijn armen om haar heen vlak onder haar borst, en zette zo hard mogelijk af naar de oppervlakte.
Ik kon het zwarte, glimmende silhouet van de boot boven me zien. Annie had de motor afgezet, en de boot deinde in de stroming aan het ankertouw. Ik had al bijna twee minuten geen lucht meer binnengekregen, en mijn longen voelden aan alsof ze met een brandend zuur waren gevuld. Ik hield mijn benen recht onder me en trapte zo hard mogelijk, terwijl de luchtbelletjes tussen mijn tanden vandaan ontsnapten, en mijn keel zich elk moment kon openen om een golf water binnen te laten die mijn borst zou vullen als beton. Toen werd het zonlicht aan de oppervlakte helderder, als een gele vlam die op de golfjes danste, het water werd plotseling lauw, ik voelde de roodbruine slierten zeewier die vlak onder het oppervlak dreven, en toen schoten we door het wateroppervlak heen de lucht tegemoet, de warme wind, de blauwe hemel met de witte wolken en bruine pelikanen die boven ons zweefden als wachters die ons welkom heetten.
Ik greep met één hand de onderste spijl van de dekreling beet en hield het meisje omhoog zodat Annie haar van me over kon nemen. Ze voelde aan alsof ze de holle beenderen van een vogel had. Annie tilde haar op het dek en streek haar over haar hoofd en haar gezicht terwijl het meisje snikte en in Annies schoot braakte. Ik was te verzwakt om onmiddellijk aan boord te klimmen. Ik staarde alleen maar naar de rode vingerafdrukken op de trillende dijbenen van het meisje waar de moeder haar omhoog had gehouden in de luchtbel terwijl ze zelf verdronk, en ik wou dat degenen die medailles uitdeelden voor heldhaftig gedrag in oorlogstijd een bredere visie hadden op de werkelijke aard van heldenmoed.
Ik wist dat mensen die water in hun longen kregen later soms longontsteking kregen, dus Annie en ik brachten het meisje naar het katholieke ziekenhuis in New Iberia, de kleine suikerstad aan Bayou Teche waar ik opgegroeid was. Het ziekenhuis was een grijs stenen gebouw, enigszins achteraf gelegen te midden van moeraseiken aan de bayou, en de pergola’s boven de wandelpaden waren begroeid met paarsrode wisteria en het gazon stond vol gele en rode hibiscus en bloeiende rododendrons. We gingen naar binnen, en Annie droeg het meisje naar de afdeling voor spoedgevallen terwijl ik bij de receptie plaatsnam tegenover een zwaargebouwde non in een wit habijt die het opnameformulier voor het meisje invulde.
Het gezicht van de non was groot en rond, en haar kap sloot strak om haar voorhoofd als het vizier van een middeleeuwse ridder.
‘Hoe heet ze?’ zei ze.
Ik keek haar aan.
‘Weet u haar naam?’ zei ze.
‘Alafair.’
‘En haar achternaam?’
‘Robicheaux.’
‘Is ze uw dochter?’
‘Ja.’
‘Ze is uw dochter?’
‘Natuurlijk.’
‘Hmmm,’ zei ze, terwijl ze bleef schrijven. Toen: ‘Ik ga even kijken hoe het met haar is. Misschien kunt u ondertussen dit formulier doorlezen om te zien of ik alles correct heb ingevuld.’
‘Ik vertrouw u, zuster.’
‘O, dat zou ik maar niet al te vlug zeggen.’
Ze liep met zware tred de gang door terwijl het zwarte kralensnoer rond haar middel danste. Ze had de bouw van een bokser op zijn retour. Een paar minuten later was ze weer terug en ik begon me steeds ongemakkelijker te voelen.
‘Tjonge, wat een interessant gezin hebt u,’ zei ze. ‘Wist u dat uw dochter uitsluitend Spaans spreekt?’
‘We zijn aanhangers van de berlitzmethode.’
‘En u bent ook al zo bijdehand.’
‘Hoe is het met haar, zuster?’
‘Prima. Een beetje bang, maar het ziet ernaar uit dat ze het met haar familie getroffen heeft.’
Haar bolle, ronde gezicht glimlachte tegen me.
Vanuit het zuiden kwamen de regenwolken opzetten toen we de ophaalbrug over de bayou overstaken en via East Main naar de rand van de stad reden. Aan weerskanten van de straat groeiden reusachtige eiken; hun dikke wortels braken door de trottoirs heen, hun breed uitwaaierende takken vormden een zonbespikkeld baldakijn boven het wegdek. De huizen aan East Main waren gebouwd in negentiende-eeuwse stijl, met veranda’s op de eerste verdieping, marmeren portalen, Griekse zuilen, ijzeren hekken met krulornamenten, en soms glanzend witte tuinpaviljoens, begroeid met jasmijn en wilde wingerd. Het meisje, dat ik voor de vuist weg Alafair had genoemd, mijn moeders naam, zat tussen ons in in de pick-up. De nonnen hadden haar natte kleren gehouden en haar een verschoten spijkerbroekje en een oversized softbalshirt met de opdruk New Iberia Pelicans aangetrokken. Haar gezicht stond uitgeput, haar ogen dof en nietsziend. We staken een volgende ophaalbrug over en stopten bij een fruitstalletje onder een cipres aan de rand van de bayou, waar we van een neger drie grote stukken warme, in waspapier verpakte boudin kochten, een portie ijs, en een doosje aardbeien. Annie voerde Alafair ijs met het kleine houten lepeltje.
‘Kleine hapjes voor kleine mensjes,’ zei ze.
Alafair deed haar mond open als een vogeltje, slaperig met haar ogen knipperend.
‘Waarom loog je in het ziekenhuis?’ zei Annie.
‘Dat weet ik eigenlijk niet.’
‘Dave. . .’
‘Ze is waarschijnlijk illegaal. Waarom zouden we de nonnen problemen bezorgen?’
‘En wat dan nog, als ze illegaal is?’
‘Ik heb nou eenmaal weinig vertrouwen in overheidsinstanties.’
‘Ik geloof dat ik daar de stem hoor van het politiekorps van New Orleans.’
‘Annie, de immigratiedienst stuurt ze terug.’
‘Dat zouden ze een kind toch zeker niet aandoen?’
Ik had geen antwoord voor haar. Maar mijn vader, die zijn leven lang gevist had en strikken had gezet en op boorplatforms had gewerkt, en die niet kon lezen en schrijven en een mengelmoes van Cajun-Frans en Engels sprak dat nauwelijks een taal genoemd kon worden, had voor vrijwel elke situatie een axioma. Een daarvan kwam, vrij vertaald, hierop neer: ‘Als je twijfelt, doe dan niets.’ In werkelijkheid zou hij iets zeggen als (in dit geval tegen een rijke suikerplanter die het land naast ons lapje grond bezat): ‘Ik kon toch niet weten dat uw varken in mijn suikerriet liep, dus kon ik er ook niks aan doen dat ik met mijn tractor over zijn kop reed en hem toen op moest eten.’
Ik reed over de onverharde weg naar mijn botenverhuurbedrijf annex aaswinkel aan de bayou. Het begon zachtjes te regenen en de druppels brachten het rimpelloze oppervlak van de bayou in beweging en tikten op de bladeren van de waterlelies die langs de oevers groeiden. Ik zag hoe de brasem begon te azen langs de randen van de waterleliebedden en het riet. Vissers voeren hun bootjes terug naar mijn aanlegsteiger, en de twee negers die voor me werkten trokken het dekzeil uit over de veranda naast de aaswinkel en ruimden de bierflesjes en kartonnen barbecueborden op van de houten kabelspoelen die ik als tafeltjes gebruikte.
Mijn huis lag zo’n honderd meter van de bayou, tussen de pecanbomen. Het was opgetrokken uit ongeschilderd eiken- en cipressenhout, met een overdekte veranda aan de voorkant, een erf, konijnenhokken, en een vervallen schuur aan de achterkant, en naast de pecanbomen een stukje grond waarop ik watermeloenen verbouwde. Soms, als het hard waaide, kletterden de pecannoten met een oorverdovend lawaai op het zinken afdak van de veranda.
Alafair was op Annies schoot in slaap gevallen. Toen ik haar het huis in droeg keek ze me één keer aan alsof ze heel even ontwaakte uit een droom, en deed toen haar ogen weer dicht. Ik legde haar op het bed in de zijkamer, zette de raamventilator aan, en deed de deur zachtjes achter me dicht. Ik ging op de veranda zitten en keek naar de regen die op de bayou viel. De lucht rook naar bomen, nat mos, bloemen en vochtige aarde.
‘Wil je iets eten?’ zei Annie achter me.
‘Nu niet, dank je.’
‘Waarom zit je hier?’
‘Zomaar.’
‘Daarom hou je zeker voortdurend de weg in de gaten,’ zei ze.
‘Er is iets raars met de mensen in dat vliegtuig.’
Ik voelde haar vingers op mijn schouders.
‘Ik zit met een probleem, agent,’ zei ze. ‘Mijn man kan maar niet vergeten dat hij rechercheur bij Moordzaken is geweest. Telkens als ik hem probeer te verleiden, is hij met zijn gedachten heel ergens anders. Wat raadt u me aan?’
‘Het aanleggen met iemand als ik. Ik ben altijd bereid om de helpende hand te bieden.’
‘Ik weet het niet. U lijkt het zo druk te hebben met naar de regen kijken.’
‘Dat is een van de weinige dingen waar ik goed in ben.’
‘Weet u zeker dat u tijd hebt, agent?’ zei ze, en sloeg haar armen van achteren om me heen en drukte haar borsten en haar buik tegen mijn rug.
Het lukte me vrijwel nooit om haar te weerstaan. Ze was ook zo mooi. We gingen naar onze slaapkamer, waar de raamventilator zachtjes zoemde, en ze glimlachte naar me terwijl ze zich uitkleedde, en begon toen zachtjes te zingen: ‘Baby love, my baby love, oh how I need you, my baby love. . .’
Ze liet zich op me zakken, haar zware borsten vlak boven mijn gezicht, mijn hoofd tussen haar handen, en keek me liefdevol recht in de ogen. Elke keer als ik haar met mijn handen achter haar schouderbladen omlaagdrukte, kuste ze mijn mond en klemde haar dijen tegen elkaar, en ik zag de wijnvlek op haar borst donkerrood worden en ik hoorde hoe ze steeds sneller begon te ademen en even later zag ik hoe haar gezicht zich ontspande, en toen plotseling had ik het gevoel alsof er diep in mijn binnenste iets los scheurde, als een grote rolsteen die losraakte in een rivierbedding en door de stroom meegevoerd werd. Daarna lag ze dicht tegen me aan en deed met haar vingers mijn ogen dicht, en ik voelde hoe de ventilator de koele lucht over de lakens verspreidde als de wind boven de Golf in het nevelige licht van de zonsopgang.
Het was laat in de middag en het regende nog steeds toen ik wakker werd door het huilen van het kind. Ik liep op blote voeten naar de zijkamer, waar Annie op de rand van het bed zat en Alafair tegen haar borst hield.
‘Het is alweer in orde,’ zei Annie. ‘Het was alleen maar een nare droom, hè? En dromen kunnen je geen kwaad doen. We blazen ze gewoon weg en we wassen ons gezicht en dan eten we ijs met aardbeien met Dave en Annie.’
Het meisje klemde zich aan Annie vast en keek me aan met haar ronde, angstige ogen. Annie drukte haar nog eens stevig tegen zich aan en kuste haar op de kruin van haar hoofd.
‘Dave, we moeten haar houden,’ zei ze.
Opnieuw gaf ik haar geen antwoord. Ik ging naar de veranda en bleef daar zitten tot het donker werd. Ik zag de hemel boven de bayou rood kleuren en luisterde naar de cicaden en de regen die op de bomen viel. Er was een tijd in mijn leven geweest dat regen altijd de kleur van nat neonlicht of Jim Beam-whisky had gehad. Nu was het gewoon regen die rook naar suikerriet, naar de cipressen langs de bayou, naar de nachtschonen waarvan de goudgele en scharlakenrode bloemen zich openden in de verkoelende schaduwen. Maar terwijl ik naar de vuurvliegjes tussen de pecanbomen keek, kon ik niet ontkennen dat ik diep van binnen een lichte vibratie begon te voelen, het soort dat me vroeger naar nachtbars dreef waar de regen langs de neonverlichte ruiten droop.
Ik bleef de weg in de gaten oog houden, maar die bleef leeg. Rond een uur of negen zag ik op de bayou een paar jongens in een primitieve kano die kikkers aan het spietsen waren. Het licht van de lampen die ze gebruikten danste door het riet en de lisdodden, en ik kon hun peddels luid in het water horen plenzen. Een uur later deed ik de hordeur op de knip, deed de lichten uit, en stapte in bed naast Annie. Het meisje sliep aan haar andere kant. In het schijnsel van de maan zag ik Annie glimlachen zonder haar ogen open te doen, en toen legde ze haar arm over mijn borst.
Hij kwam de volgende ochtend vroeg, toen een wazig zonnetje nog laag achter de bomen stond, nog voordat de regenplassen op het pad waren opgedroogd, zodat zijn dienstauto een negergezin dat met bamboehengels op weg was naar mijn aanlegsteiger, onder de modder spatte. Ik liep de keuken in waar Annie en Alafair net klaar waren met hun ontbijt.
‘Waarom neem je haar niet even mee naar de vijver om de eendjes te voeren?’ zei ik.
‘Ik dacht dat we misschien de stad in konden gaan om wat kleren voor haar te kopen.’
‘Dat kan later wel. Hier is wat oud brood. Neem de achterdeur en loop tussen de bomen door.’
‘Wat is er aan de hand, Dave?’
‘Niets. Volkomen onbelangrijk. Ik vertel het je later wel. Kom op, wegwezen jullie.’
‘Ik zou weleens willen weten sinds wanneer je me op die manier denkt te kunnen commanderen.’
‘Annie, ik meen het serieus,’ zei ik.
Ze hoorde de auto en keek langs me heen naar buiten. Ze pakte de plastic zak met oud brood op, nam Alafair bij de hand en verdween via de achterdeur tussen de bomen in de richting van de vijver. Ze keek één keer achterom, en ik zag de ongerustheid op haar gezicht.
De man stapte uit zijn grijze dienstauto, met zijn seersucker colbert over zijn schouder. Hij was van middelbare leeftijd, had een buikje, en droeg een vlinderdas. Zijn zwarte haar was schuin over zijn kalende hoofd gekamd. Ik wachtte hem op de veranda op. Hij stelde zich voor als Monroe, van de immigratie- en naturalisatiedienst in New Orleans. Terwijl hij praatte, keek hij langs me heen naar het onverlichte interieur van het huis.
‘Ik zou u wel binnen willen vragen, maar ik ben net op weg naar de steiger,’ zei ik.
‘Geen probleem. Ik heb alleen maar een paar vragen,’ zei hij. ‘Waarom hebt u niet op de kustwacht gewacht nadat u ze via de noodfrequentie had opgeroepen?’
‘Waarom zou ik?’
‘De meeste mensen zouden in de buurt gebleven zijn, al was het alleen maar uit nieuwsgierigheid. Hoe vaak zie je een vliegtuig neerstorten?’ ‘Mijn vrouw heeft hun de positie doorgegeven. Ze konden de olievlek op het water zien. Daar hadden ze ons niet voor nodig.’
‘Hm,’ zei hij, en haalde een sigaret uit de borstzak van zijn overhemd. Hij rolde hem heen en weer tussen zijn vingers zonder hem aan te steken en keek naar de pecanbomen. De tabak knisperde droog in het sigarettenpapier. ‘Maar nou zit ik met een probleem. Een duiker vond in het toestel een koffer met kinderkleren. Van een klein meisje, om precies te zijn. Maar er zat geen kind in dat vliegtuig. Waar wijst dat volgens u op?’
‘Ik ben al aan de late kant, Mr. Monroe. Hebt u er bezwaar tegen om met me mee naar de steiger te lopen?’
‘U hebt niet zo’n hoge pet op van ambtenaren, is het wel?’
‘Zoveel ken ik er niet. Sommigen zijn oké, sommigen niet. Ik neem aan dat u mijn dossier bekeken hebt.’
Hij haalde zijn schouders op.
‘Waarom denkt u dat illegalen kinderkleding bij zich zouden hebben als er geen kind was? Ik heb het over mensen die net op tijd de bananenplantage ontvlucht zijn, vlak voordat de Nationale Garde ze tot hondenvoer verwerkt zou hebben. Dat is tenminste het verhaal dat ze aan de pers vertellen.’
‘Ik heb geen idee.’
‘Uw vrouw vertelde de kustwacht dat u naar het wrak ging duiken. Gaat u me vertellen dat u daar beneden maar drie mensen hebt gezien?’
Ik keek hem aan.
‘Hoe bedoelt u, drie?’ zei ik.
‘De piloot was een priester genaamd Melancon, uit Lafayette. We hielden hem al een tijdje in de gaten. We denken dat de twee vrouwen uit El Salvador kwamen. Daar had die priester tenminste al eerder mensen vandaan gehaald.’
‘En die knaap in het roze overhemd dan?’
Hij keek me niet-begrijpend aan.
‘Waar hebt u het over?’ zei hij.
‘Ik heb dat overhemd zowat van zijn lijf gescheurd. Hij zat achterin. Zijn nek was gebroken en hij had een tatoeage boven een van zijn tepels.’
Hij schudde het hoofd. Hij stak zijn sigaret aan en blies een rookwolk uit.
‘Of u kunt prachtige verhalen verzinnen, òf u ziet dingen waar niemand anders iets van af weet,’ zei hij.
‘Wilt u soms beweren dat ik een leugenaar ben?’ zei ik.
‘Ik ben niet van plan om hier woordspelletjes te gaan spelen.’
‘Volgens mij is dat nou precies wat u aan het doen bent.’
‘Ik heb inderdaad uw dossier bekeken voordat ik hiernaartoe kwam. U hebt een verbazingwekkende staat van dienst.’
‘O ja?’
‘U hebt drie of vier mensen van kant gemaakt, waaronder een getuige voor het openbaar ministerie. Dat is niet niks. Wilt u liever dat ik terugkom met een huiszoekingsbevel?’
‘Ik denk dat ik u voorlopig niet meer terugzie. Uw mensen zijn met iets bezig waar ze u nog niets over verteld hebben.’
Hij staarde me nijdig aan.
‘Ik zou me maar met mijn eigen zaken bemoeien als ik u was,’ zei hij. ‘Er is iets dat ik u nog niet verteld heb. UPI in New Orleans belde me gisteravond. Ik heb ze verteld dat er in dat vliegtuig vier dode mensen zaten. Ik hoop dat jullie niet rond gaan bazuinen dat ik niet kan tellen.’
‘Maakt u zich nou maar geen zorgen over wat wij doen. Zolang u zelf geen gekke dingen doet, is er niks aan de hand.’
‘Volgens mij hebt u te lang met illegale Mexicanen gewerkt. U zou eens wat beter op uw woorden moeten letten.’
Hij liet zijn sigaret op de grond vallen, drukte hem met zijn schoen uit, en glimlachte in zichzelf terwijl hij in zijn auto stapte. Hij startte de motor. Er viel een bundel zonlicht op zijn gezicht.
‘Nou, mijn dag is in elk geval weer goed,’ zei hij. ‘Ik vind het altijd prettig om bevestigd te krijgen dat ik aan de goeie kant sta.’
‘En dan nog iets. Toen u hier aan kwam rijden, hebt u een paar mensen onder de modder gespat. Probeer wat beschaafder te zijn als u wegrijdt.’
‘U zegt het maar,’ zei hij, en glimlachte tegen me voordat hij langzaam optrok.
Handig gespeeld, Robicheaux, dacht ik bij mezelf. Lekker rammelen aan de tralies van de apenkooi. Maar wat moest je anders in een dergelijke situatie? De meeste ambtenaren zijn de beroerdsten niet; ze hebben alleen geen fantasie, ze voelen zich op hun gemak zolang ze zich aan de regels kunnen houden, en ze trekken maar zelden het gezag in twijfel. Maar als je met de echte hufters te maken krijgt en ze ruiken dat je bang voor ze bent, zullen ze proberen je langzaam maar zeker kapot te maken.
Ik liep naar de steiger, deed vers ijs in de bier- en frisdrankkoelers, viste de dode aasvisjes uit de reservoirs, stak het vuur aan in de doormidden gezaagde oliedrum die ik als barbecue gebruikte, haalde de vijfentwintig pond kip en varkenskoteletten die ik tussen de middag voor hongerige vissers zou grillen door de olie en kruidde ze. Daarna schonk ik voor mezelf een Dr. Pepper in een hoog glas gevuld met schaafijs, muntbladeren en gekonfijte kersen, en ging aan een tafeltje zitten onder de overkapping van de veranda en keek naar een paar negers die aan het vissen waren onder een cipres op de andere oever van de bayou. Ze droegen strohoeden en zaten op houten krukjes vlak bij elkaar met hun bamboehengels bewegingloos boven de leliebladeren. Ik had nooit begrepen waarom negers altijd in groepjes vlak naast elkaar visten, of waarom ze nooit eens verkasten, ook al beet de vis niet; maar ik wist ook dat als zij niets vingen, er door niemand iets gevangen zou worden. Een van de kurken dobbers begon te trillen, gleed langs de rand van de waterlelies, en verdween toen onder water; een jongetje sloeg aan, en even later verscheen er een grote koningsvis met bloedrode kieuwen en buik aan de oppervlakte. De jongen pakte hem met één hand beet, onthaakte de vis, stak toen zijn andere hand in het water en tilde er een scherp gepunte wilgentak uit waaraan al een hele serie vissen geregen was. Hij stak het puntige uiteinde van de tak van buitenaf door de kieuwen heen en liet hem door de bek weer naar buiten komen, waarna hij de tak weer in het water liet zakken.
Maar het gadeslaan van dat tafereel uit mijn eigen jeugd was niet voldoende om het beeld uit mijn geest te verdrijven van die smerige zwarte rooksliert in de lucht bij Southwest Pass of van een vrouw die een kind omhooghield in een luchtbel terwijl haar eigen longen zich vulden met water en benzine.
Die middag reed ik naar New Iberia en kocht een exemplaar van de Times-Picayune. Het artikel van het persagentschap vermeldde dat de lijken van drie personen, waaronder dat van een katholieke priester, uit het toestel waren geborgen. De bron van het artikel was het bureau van de sheriff van St. Mary Parish. Dat betekende dat ze daar te horen hadden gekregen dat er drie lijken waren geborgen, of dat er maar drie bij de lijkschouwer waren binnengebracht.
Toen ik de volgende ochtend ter hoogte van Southwest Pass de motor afzette en het anker uitgooide, was het warm en helder. De golven klotsten onder de boeg terwijl ik mijn zwemvliezen aandeed en de zuurstoffles, die ik eerder die ochtend gevuld had, op mijn rug hees. Ik bond een loodgordel om, liet me over de rand vallen, en zwom in een stroom van luchtbelletjes naar beneden, naar het wrak dat nog steeds omgekeerd op de langzaam aflopende rand van de slenk lag. Als gevolg van de regenbuien had het water een troebele groene kleur, maar op zo’n dertig centimeter afstand kon ik details onderscheiden. Ik kwam uit bij het staartgedeelte en werkte mezelf naar voren, tot bij de cabine. Het gat waaruit de zwarte rooksliert gekomen was, voelde rafelig en scherp onder mijn handen. Het metaal was naar buiten gekruld, ongeveer zoals staalplaat eruit zou zien nadat er een kanonskogel doorheen was gegaan.
De deuren aan de voorkant stonden open, en de cabine was leeggehaald. Althans bijna. Het gescheurde roze overhemd van de getatoeëerde man deinde zachtjes mee op de grondzee. Een van de mouwen zat vast aan de vloerbevestiging van de veiligheidsgordel. Ik trok het overhemd los, kneep het samen tot een kleine bal, en zwom terug naar het geelgroene licht aan de oppervlakte.
Ik had al heel lang geleden geleerd om dankbaar te zijn voor kleine meevallertjes, en daar zorgvuldig mee om te springen. Ik spreidde het overhemd uit op het dek en legde stukken vislood op de mouwen, de boord en de slippen. In de wind en op het warme dekhout was het binnen de kortste keren opgedroogd; de stof voelde stug en ruw aan. Ik vond een leeg plastic aaszakje in mijn viskoffer, nam het overhemd mee naar de stuurhut, uit de wind, en begon de borstzakken los te snijden met mijn vlijmscherpe puma-mes. Er kwam een stompje potlood te voorschijn, tabakssliertjes, doorweekte keukenlucifers, een zakkammetje, een paar pluizen, en ten slotte een cocktailroerstaafje. Een houten roerstaafje, verpakt in een papiertje. Een roerstaafje waarvan ik wist dat er letters op gedrukt stonden omdat de paarse inkt als een veeg lippenstift doorgelopen was in het papier.
2
De volgende dag halverwege de middag parkeerde ik mijn pick-up op Decatur Street in de buurt van Jackson Square in New Orleans. Ik nam koffie en beignets in Café du Monde, en liep daarna naar het plein en ging op een gietijzeren bankje zitten onder de bananenbomen niet ver van St. Louis Cathedral. Het was nog wat vroeg om op zoek te gaan naar de jonge vrouw die ik in Smiling Jack’s hoopte aan te treffen, dus zat ik in de warme schaduw en keek naar de zwarte straatmuzikanten die hun bottleneck-gitaren bespeelden in de schaduw van de kerk, en naar de trottoirartiesten die portretten van toeristen tekenden in Pirates Alley. Ik was altijd al gek geweest op de Franse wijk. Veel mensen in New Orleans klaagden dat het er vergeven was van de alcoholisten, drugsverslaafden, hoeren, zwarte zakkenrollers, en seksmaniakken. Wat ze zeiden was waar, maar daar zat ik niet mee. De Franse wijk was altijd al zo geweest. Jean Lafitte en zijn moordenaarsbende hadden vanuit New Orleans geopereerd, evenals James Bowie, een illegale slavenhandelaar die bij wijze van tijdverdrijf mensen aan stukken sneed met zijn beruchte mes. Eigenlijk dacht ik dat de hoeren en de zuiplappen, de dieven en de pooiers waarschijnlijk meer aanspraak konden maken op de wijk dan de rest van ons.
De oude Creoolse huizen en smalle straatjes veranderden nooit. Achter de stenen muren en ijzeren hekken van de binnenplaatsen stonden palmen en bananenbomen; het was altijd schaduwrijk onder de balkons die over de trottoirs heen hingen, en de kleine kruidenierswinkeltjes met hun ventilators met houten bladen roken altijd naar kaas, worst, gemalen koffie, en kistjes met perziken en pruimen. Het baksteen van de huizen was verweerd en koel en glad, de tegels in de steegjes waren uitgesleten door het regenwater dat van de daken en de balkons droop. Soms zag je achter een rijk bewerkt gietijzeren hek een tuinpad dat leidde naar een binnenplaats, badend in het zonlicht en uitbundig begroeid met scharlakenrode wisteria en gele klimrozen, en als de wind goed stond kon je de rivier ruiken, de vochtige bakstenen muren, de zurige lucht van gemorste wijn, de klimop die zich in de cementvoegen vastgezet had als de klauwtjes van een hagedis, de nachtschonen die in de schaduw bloeiden, en een groene zee van kruizemunt tegen een door de zon beschenen witgepleisterde muur.
De schaduwen op Jackson Square werden langer. Ik keek weer naar het roerstaafje dat ik in de borstzak van het overhemd van de dode man gevonden had. De vegen paarse inkt zagen er niet direct veelbetekenend uit, maar die ochtend had een vriend van me op de universiteit van Lafayette het staafje onder een infraroodmicroscoop gelegd die een technologisch wonder was. Je kon er zowel het hout als de verf donkerder en lichter mee maken, en uiteindelijk lukte het ons om acht van de twaalf letters op het staafje te ontcijferen: SM LI G J KS. Waarom zouden mensen die zich de moeite gaven om een lijk uit een gezonken vliegtuig te halen en daarover te liegen tegen de pers (met succes, ook nog) zo slordig zijn om het overhemd van de dode achter te laten zodat het door een bootjesverhuurder gevonden kon worden? Het antwoord lag voor de hand. Mensen die liegen, bedriegen, manipuleren en stelen doen dat meestal omdat ze niet de hersens en het inzicht hebben om hun zaakjes op andere wijze voor elkaar te krijgen. De Watergate-inbrekers waren geen tweederangsboefjes. Het waren lui die voor de CIA en de FBI hadden gewerkt. Ze werden gepakt omdat ze een kantoordeur openhielden door een stuk tape horizontaal in plaats van verticaal over de pal van het veerslot te plakken. Een minimumloner van de bewakingsdienst zag de tape en haalde die weg, maar rapporteerde het voorval niet. Een van de inbrekers kwam terug en plakte de pal opnieuw met tape af. Toen de bewaker zijn volgende ronde deed, zag hij de nieuw aangebrachte tape en belde de politie. De inbrekers waren nog in het gebouw toen de politie arriveerde.
Ik liep door de afkoelende straten naar Bourbon, dat vol begon te lopen met toeristen. Gezinnen uit Grand Rapids keken door de half openstaande deuren van de stripteasetenten en de bars die adverteerden met vrouwelijke worstelaars en Franse orgiën. In hun gefascineerdheid door alles wat naar wellust riekte waren ze net zo onschuldig als de groepen studenten met hun plastic bierglazen die zich vrolijk maakten om de burlesk uitgedoste klantenlokkers en de gekken op straat en zeker wisten dat de tijd en de dood hun niets konden maken; of misschien waren ze wel net zo onschuldig als de zakenman uit Meridian, die met een nonchalante grijns langs halfontblote dijen en borsten door die deuren naar binnen ging, maar die de volgende ochtend trillend en misselijk wakker zou worden in een motel ergens langs de oude Airline Highway, zijn lege portefeuille drijvend in de toiletpot, zijn nachtelijke herinneringen een adderkluwen dat het zweet op zijn voorhoofd deed uitbreken.
Smiling Jack’s bevond zich op de hoek van Bourbon en Toulouse. Als Robin Gaddis daar nog altijd stripte, en nog steeds alle draken voedde die al sinds haar vroege jeugd in haar woonden, zou ze tegen zessen aan de bar zitten voor haar eerste wodka-Collins, om halfzeven wat amfetamine slikken, en een uur later aan het zwaardere spul gaan. Ik had haar een paar keer meegenomen naar een AA-bijeenkomst, maar ze had gezegd dat dat niets voor haar was. In de jaren dat ik haar kende was ze tientallen malen opgepakt door de zedenpolitie, ze was met een mes in haar dijbeen gestoken door een klant, en ze had een gebroken kaak opgelopen toen een van haar echtgenoten haar met een houten ijshamer te lijf was gegaan. Ik had ooit bij de sociale dienst haar dossier opgevraagd, en wat ik daarin aangetroffen had was een drie generaties beslaande voorgeschiedenis van falende instellingen en menselijke ontoereikendheid. Ze was opgegroeid in het sociaal-woningbouwproject bij St. Louis Cemetery, als dochter van een halfdebiele moeder en een alcoholische vader die de met urine doordrenkte lakens om haar hoofd bond als ze in haar bed had geplast. Nu, als volwassen vrouw, woonde ze nog steeds op minder dan een kilometer afstand van de plek waar ze geboren was.
Maar ze zat niet aan de bar. Smiling Jack’s was vrijwel leeg. De van spiegels voorziene ruimte achter de bar was niet verlicht; de muziekinstrumenten van de driemansband stonden onbeheerd bij het ene uiteinde van de bar; en in het lege halfduister zorgde een stroboscooplamp voor een afwisseling van licht en donker waar je zeeziek van werd. Ik vroeg de barkeeper of Robin nog zou komen. Hij was een man van een jaar of dertig met tochtlatten, een zwarte gleufhoed, en een zwart T-shirt met de witte gezichten van de Three Stooges in reliëf op de voorkant.
‘Reken maar,’ zei hij grijnzend. ‘De eerste voorstelling is om acht uur. Tegen halfzeven komt ze binnen voor een hartversterkertje. Bent u een vriend van haar?’
‘Ja.’
‘Wat wilt u drinken?’
‘Heb je een Dr. Pepper?’
‘U maakt zeker een geintje?’
‘Geef me dan maar een 7-Up.’
‘Dat is twee dollar. Weet u zeker dat u fris wilt?’
Ik legde twee dollar op de bar.
‘Ken ik u niet ergens van?’ zei hij, en grijnsde weer.
‘Zou kunnen.’
‘U bent toch van de politie?’
‘Nee.’
‘Hé, kom op, man. Ik heb twee grote talenten — cocktails mixen en gezichten onthouden. Maar u bent niet van de zedenpolitie, hè?’
‘Ik ben niet van de politie.’
‘Wacht eens even, ik weet het alweer. Moordzaken. U werkte vroeger bij het First District op Basin.’
‘Nu niet meer.’
‘Bent u overgeplaatst of zo?’
‘Ik zit niet meer bij die club.’
‘Uw leven gebeterd, hè?’ zei hij. Aan zijn half dichtgeknepen groene ogen viel weinig af te lezen. ‘Herinnert u zich mij nog?’
‘Jerry-en-nog-wat. Vijf jaar geleden veroordeeld voor het aftuigen van een oude man met een eind pijp. Hoe beviel het je in de bajes?’
Zijn groene ogen staarden me even aan van onder de rand van zijn zwarte gleufhoed, en toen grijnsde hij weer. Hij begon glazen af te drogen en wendde zijn gezicht half van me af.
‘Dat viel nogal mee. Ik was veel buiten, volop frisse lucht, gaf me de kans om mijn conditie op peil te houden. Ik hou van werken op het land. Ik ben opgegroeid op een boerderij,’ zei hij. ‘Hé, neem nog een 7-Up. Zo’n gisse gozer als u verdient een 7-Up van het huis.’
‘Drink jij hem maar voor me op,’ zei ik, terwijl ik mijn glas oppakte en naar een tafeltje achter in de bar liep. Ik keek toe hoe hij een sigaret opstak, er een paar trekjes van nam en hem toen met een nijdig gebaar door de open voordeur op het met toeristen gevulde trottoir knipte.
Een halfuur later kwam ze binnen, gekleed in sandalen, laag op haar heupen hangende jeans, en een bovenstukje dat haar platte, bruine buik onbedekt liet. Anders dan de meeste strippers droeg ze het zwarte haar kort, als een schoolmeisje uit de jaren veertig. En ondanks alle drank, cocaïne en speed die ze gebruikte, was ze nog steeds de moeite van het bekijken waard.
‘Wow, ze hebben het eerste team weer ingezet,’ zei ze, en glimlachte.
‘Hoe is het ermee, Dave? Ik had gehoord dat je hertrouwd was en weer aan de bayou woonde, om wormen te verkopen en zo.’
‘Dat klopt. Ik ben hier alleen maar als toerist.’
‘Dus je bent er echt mee gekapt, hè? Daar moet je toch maar lef voor hebben. Ik bedoel, om er op een dag zomaar uit te stappen en zoiets raars te gaan doen als het verkopen van wormen. Wat heb je gezegd: “Sayonara, misdaadbestrijders, bekijk het verder maar”?’
‘Zoiets.’
‘Hé, Jerry, dacht je soms dat we hier aids hebben? Het is borreltijd voor mammie.’
‘Ik probeer iets te weten te komen over iemand,’ zei ik.
‘Ik ben nou niet direct een inlichtingenbureau, Dave. Heb je er nooit eens over gedacht om die witte plek in je haar te laten bijwerken? Je hebt het zwartste haar dat ik ooit bij een man gezien heb, afgezien van dat witte plukje.’ Ze raakte de zijkant van mijn hoofd aan met haar vingers.
‘Die knaap had een tatoeage van een roodgroene slang op zijn borst. Ik denk dat hij hier weleens kwam.’
‘Ze betalen om mij m’n kleren te zien uittrekken, niet andersom. Tenzij je iets anders bedoelt.’
‘Ik heb het over een grote, donkere kerel met een hoofd ter grootte van een watermeloen. De tatoeage zat vlak boven de tepel. Als je die eenmaal gezien had, zou je hem niet meer vergeten.’
‘Hoezo?’ Ze stak een sigaret op en hield haar blik gericht op de wodka-Collins die Jerry achter de bar voor haar aan het mixen was.
‘Er was een tatoeëerder in Bring-Cash Alley in Saigon die dezelfde donkergroene en donkerrode inkt gebruikte. Zijn werk was beroemd in het Oosten. Hij heeft jarenlang in Hongkong gewerkt. Britse matrozen overal ter wereld dragen zijn werk met zich mee.’
‘Waarom zou ik die tatoeage te zien hebben gekregen?’
‘Luister, Robin, ik ben altijd je vriend geweest. Ik heb je nooit beoordeeld naar de manier waarop je de kost verdient. Dus schei nou uit met die flauwekul.’
‘O, jij denkt dat het flauwekul is, hè?’ Ze pakte het glas van Jerry aan en nam een slok. Haar mond zag er nat, rood en koud uit toen ze het glas neerzette. ‘Dat soort werk doe ik niet meer. Dat heb ik niet meer nodig. Ik werk hier zes maanden, en daarna heb ik twee engagementen in Fort Lauderdale voor de winter. Vraag het maar na bij je vrienden van de zedenpolitie.’
‘Dat zijn mijn vrienden niet. Ze hebben me met zijn allen laten barsten. Tijdens mijn schorsing ben ik erachter gekomen wat echte eenzaamheid inhoudt.’
‘Ik wou dat je toen naar me toe gekomen was. Het had misschien best wel iets kunnen worden tussen ons, Dave.’
‘Misschien had ik dat inderdaad moeten doen.’
‘Hè ja, ik zie jou al samen met een griet die elke avond haar tieten laat zien aan een tent vol middelbare snoepers. Hé, Jerry, zou je je handen niet eens laten wapperen?’
Hij haalde haar glas weg en schonk het weer vol, maar nam niet de moeite om er verse ijsblokjes of een schijfje sinaasappel in te doen.
‘Wat ben je toch een klasse-gozer,’ zei ze tegen hem.
‘Ach, wat zal ik zeggen, het is een gave,’ zei hij, en liep naar het andere eind van de bar waar hij bierflesjes in de koeling begon te zetten.
‘Ik moet hier weg. Het wordt met de dag gekker,’ zei ze. ‘Als je soms mocht denken dat hij niet helemaal spoort, zou je zijn moeder eens moeten zien. Zij is de eigenaresse van deze tent en van de souvenirwinkel hiernaast. Ze heeft haar als een pleeborstel, niet te geloven, en ze denkt dat ze een operadiva is. Ze draagt kaftans en ze is behangen met namaakjuwelen, en ’s ochtends zet ze een versterker op de bar en dan maken ze met z’n tweeën de toiletten schoon en zingen samen opera alsof iemand ze met een hooivork in hun reet gestoken heeft.’ ‘Robin, ik weet dat die man met de tatoeage hier geweest is. Ik heb echt je hulp nodig.’
Ze tikte de as van haar sigaret in de asbak en gaf geen antwoord.
‘Hoor eens, je hoeft niet bang te zijn dat je hem verlinkt. Hij is dood,’ zei ik. ‘Hij zat in een neergestort vliegtuigje samen met een priester en een paar illegalen.’
Ze blies een rookwolk uit en keek me aan.
‘Je bedoelt illegale immigranten of zoiets?’ zei ze.
‘Zo zou je ze kunnen noemen.’
‘Ik zou niet weten wat Johnny Dartez met een priester en een stel illegale immigranten moest.’
‘Wie is hij?’
‘Hij hangt hier al jaren rond. Hij heeft vroeger bij de mariniers gezeten. Hij hield zich bezig met zakkenrollerij, maar hij was zo onhandig dat zijn slachtoffers hem meestal al in de gaten hadden voordat hij ook maar in de buurt van hun portefeuille kon komen. Ik geloof nooit dat hij degene is die je moet hebben.’
‘Waar heeft hij zich de laatste tijd mee beziggehouden?’
Ze aarzelde.
‘Ik geloof dat hij sleutels van hotelkamers en gestolen creditcards opkocht,’ zei ze.
‘Ik dacht dat je je daar niet meer mee inliet, meid.’
‘Het is alweer een tijd geleden.’
‘Ik heb het over nu. Wat voerde hij de laatste tijd uit, Robin?’
‘Ik heb gehoord dat hij voor Bubba Rocque werkte,’ zei ze, bijna fluisterend.
‘Bubba Rocque?’ zei ik.
‘Ja. Zachtjes aan, wil je?’
‘Ik moet naar achteren. Wil je nog een Collins?’ zei Jerry.
‘Ja. En vergeet je handen niet te wassen als je naar de wc gaat.’
‘Weet je, Robin, als jij er bent hoor ik altijd zo’n raar geluid,’ zei hij. ‘Ik moet heel goed luisteren, maar ik hoor het. Het klinkt als muizen die ergens aan knagen. Ik denk dat het je brein is dat aan het wegrotten is.’ ‘Wie is je reclasseringsambtenaar, knul?’ zei ik.
‘Die heb ik niet. Ik heb mijn volledige straf uitgezeten, en nou zijn al mijn zonden me vergeven. Daar baalt u zeker wel van?’ Hij grijnsde naar me van onder zijn zwarte gleufhoed.
‘Nee hoor, maar ik zat zo eens te kijken naar een paar van die rumflessen achter de bar,’ zei ik. ‘Ik zie geen accijnszegels. Waarschijnlijk heb je belastingvrij gewinkeld op de eilanden, en zijn de flessen voor eigen gebruik per ongeluk tussen de barvoorraad terechtgekomen.’
Hij zette zijn handen op zijn heupen en keek naar de flessen op de glasplaat terwijl hij nadenkend het hoofd schudde.
‘Weet u, daar zou u best eens gelijk in kunnen hebben,’ zei hij. ‘Ben ik even blij dat u me daarop geattendeerd hebt. Robin, je hebt het maar getroffen met die knaap.’
‘Hou nou maar op met die onzin, Jerry,’ zei ze.
‘Hij weet dat ik het niet kwaad bedoel. Waar of niet, chef? Ik zoek geen moeilijkheden. Ik bemoei me niet met andermans zaken. Ik ben geen lulmeier. Begrijpt u wat ik bedoel, chef?’
‘Doe normaal,’ zei ik.
‘Normaal? Ik verdien hier het minimumloon plus fooien, en ik heb echt geen behoefte aan rottigheid. Geloof me, dat is wel het laatste waar ik op zit te wachten.’
Ik keek hem na terwijl hij op weg ging naar de opslagruimte achter in de bar. Hij had dat typische gangsterloopje waarbij het bovenlichaam vrijwel bewegingloos bleef, een knaap die voorbestemd was om een groot deel van zijn leven in de gevangenis door te brengen of wiens naam in elk geval altijd wel in een of ander opsporingsregister zou voorkomen. Hoe kwamen die gasten zo? Was het een kwestie van gebrekkige genen, het opgroeien in een achterbuurt, een traumatiserende zindelijkheidstraining? Zelfs na veertien jaar bij de politie van New Orleans had ik daar nog geen bevredigend antwoord op.
‘Wat ik over Bubba Rocque zei, dat heb ik alleen maar van horen zeggen. Ik bedoel, je hebt het niet van mij, oké?’ zei ze. ‘Bubba is gestoord, Dave. Ik ken een meisje dat probeerde voor zichzelf te beginnen. Zijn handlangers goten benzine over haar heen en staken haar in brand.’
‘Je hebt me niets over Bubba verteld dat ik nog niet wist. Begrijp je me? Ik heb niets van je gehoord.’
Maar ik zag nog steeds angst in haar ogen.
‘Hoor eens, ik ken hem al mijn hele leven,’ zei ik. ‘Hij heeft nog steeds een huis even buiten Lafayette. Er is niets dat je me over hem kunt vertellen dat ik nog niet weet.’
Ze haalde diep adem en nam een slok van haar wodka-Collins.
‘Ik weet dat je een goeie rechercheur was en zo,’ zei ze, ‘maar er is heel wat dat jullie nooit te zien krijgen. Dat kan ook niet. Je leeft er niet midden tussenin, Dave. Je bent maar een bezoeker.’
‘Ik moet ervandoor, meid,’ zei ik. ‘We wonen net ten zuiden van New Iberia. Als je ooit nog eens een baantje zoekt in de botenverhuur en de aasverkoop, bel me dan maar.’
‘Dave. . .’
‘Ja?’
‘Kom je me nog eens opzoeken?’
Ik liep de schemerige, neonverlichte straat in. De muziek uit de dixieland- en rockabillybars was oorverdovend. Ik keek achterom naar Robin, maar haar barkruk was leeg.
Die avond reed ik over de dijk door het Atchafalaya-bekken. De wilgen en de half onder water staande dode cipressen waren zilvergrijs in het maanlicht. Het was windstil, en het rimpelloze zwarte water weerspiegelde het maanlicht. Een half dozijn boorplatforms tekende zich donker af tegen de horizon, en toen stak er een bries op van de Golf die de takken van de wilgen langs de oever in beweging bracht en het wateroppervlak tot vlak onder de dijk deed rimpelen.
Ik sloeg af bij Breaux Bridge en volgde de oude weg door St. Martinville naar New Iberia. Het achttiende-eeuwse witte katholieke kerkje baadde in het spreidlicht. De bomen die de weg overwelfden hingen vol mosslierten, en de wind rook naar omgeploegde aarde en het jonge suikerriet op de velden. Maar ik kon de naam Bubba Rocque niet uit mijn gedachten bannen.
Hij was een van de weinige blanke jongens in New Iberia die het aandurfden om als bijverdienste de kegels op de bowlingbaan overeind te zetten, in de tijd dat er nog geen airconditioning was en het achter de banen een bloedheet inferno was van rondvliegende kegels, neerklappende metalen rekken, vloekende negers, en aansuizende bowlingballen die het scheenbeen van de kegelopzetter in tweeën konden breken. Hij was de knul die ‘s winters geen jas droeg, korsten in zijn haar had, en zijn knokkels liet kraken tot ze het formaat van kwartdollars hadden. Hij was smerig en hij stonk en voor een stuiver spuugde hij een meisje in haar decolleté. Hij was ook het onderwerp van legendes: hij werd op tienjarige leeftijd door een tante verleid; hij maakte jacht op de katten in de buurt met een luchtbuks; hij had geprobeerd een negerin te verkrachten die in de schoolkantine werkte; zijn vader ranselde hem af met een hondenketting; hij stak hun houten huis in brand dat tussen de schroothoop en de spoorlijn lag.
Maar wat ik me het meest van hem herinner waren zijn ver uit elkaar staande, grijsblauwe ogen. Die schenen nooit te knipperen, alsof de oogleden operatief verwijderd waren. Tijdens de districtswedstrijden voor de Golden Gloves bokste ik onbeslist tegen hem. Je kon je handen kapotslaan op zijn gezicht, maar hij blééf komen, de pupillen van die meedogenloze ogen als uitgedoofde stukjes steenkool.
